woensdag 30 april 2014

Elite tegen elite (2013-2014)



‘U vraagt, wij bakken.’ Tolstoi en Komrij tegen de elite


Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van Wat is kunst? In dat pamflet, waarvan een eerste, gecensureerde versie tussen 1897 en 1898 artikelsgewijs uitkwam, verwerpt de Russische auteur Lev Tolstoi kunst voor een klein, hoogontwikkeld publiek. Het vermeit zich nota bene met de kleren van de keizer, terwijl de wereldbevolking die nonsens mag faciliteren. Dichtbij lijken ineens anti-intellectuele en anti-elitaire tendensen, bevestigd door tenentrekkende wijsheden: ‘De behoefte om emoties te communiceren is de drijfveer van een echte kunstenaar, zoals de liefde dat is voor een moeder om zwanger te worden’. Ze passen in een pleidooi voor christelijke kunst. Het wil een brede gemeenschap van de meest uiteenlopende pluimage dienen en verenigen. Dan doen deze argumenten behalve actueel nogal urgent aan.
In de diagnose van huichelarij, belangenverstrengeling en miscommunicatie tegen een zwijgende meerderheid overlappen Tolstoi’s opvattingen die van Gerrit Komrij. Met name de ruim een eeuw later verschenen columnbundel Kunstwonderen. Op zoek naar de drijfveren van de moderne kunstmarkt en van de terreur die design heet dringt zich op voor een vergelijking. Beide auteurs hebben een talent voor selectief waarnemen en vertekenen, dat hen niet verhindert reële problemen bloot te leggen. Elk behandelt op eigen wijze het maatschappelijk belang van kunst. Zelfs wanneer ze daarbij een mateloos gevoelige antenne beweren te hebben voor wat ‘het volk’ wil en kan, valt hun kritiek niet als ‘populistisch’ terzijde te schuiven.

vrijdag 31 mei 2013

Koffie. Een doeboek (2013)


ISBN 978 90 284 2492 0, 400 blz.
Grafische vormgeving Siebe Bluijs



Ik ben genezen. Mijn vertrouwen in de wetenschap stond op en begon te wandelen. Dit na een bericht over linguïstisch onderzoek naar de eerste woorden van Neil Armstrong in 1969 bij het betreden van de maan. Daarbij gaat het niet om de felicitatie die hij volgens apocriefe bronnen aan zijn buurman van weleer richtte, maar om zijn vergelijking tussen mens en mensheid – om de vooruitgang die zou zijn geboekt. Naar nu blijkt was Armstrongs one small step toch niet ‘for a man’ maar ‘for man’. Hij verkleinde zichzelf al vergrotend.
Nog los van het krakkemikkige contact is bij die conclusie rekening gehouden met zijn Ohioaans accent. Lang had men wegens een zacht uitgesproken ‘a’ in de zin een soort gat horen vallen. Maar uit een spectografische afdruk van de originele magnetische tape van de Apollo 11, geoptimaliseerd met de recentste audiotechnieken, bleek daar helemaal geen plaats voor te zijn. Man. In het vuur van het ogenblik had Armstrong door die omissie onbedoeld nadruk gelegd op het verschil met mankind, vreemd genoeg door een equivalent (waar vanaf de aarde lacherig over is gedaan). Hij schiep een bedwelmende ritmische parallellie, tevens de reden waarom de zin soepeltjes in het geheugen plaatsnam.
Hoe kwaliteitsvol de astronaut sprak, kan slechts blijken uit een vergelijking. Bijvoorbeeld met de Tsjech Václav Klaus, president, die vreesde dat zijn land in de Europese Unie zou ‘smelten als een suikerklontje in de koffie’.
Terzijde genas ik van nog een kwaal. Uit zijn lichaamstaal en spraakpatronen is afgeleid dat Armstrong zijn catchphrase spontaan heeft geuit, of tenminste zelf verzonnen. Daarbij was hij goed bij zijn hoofd, wat ter plekke niet gemakkelijk is want zeker daar moet de zon niet te dichtbij zijn. Hij is niet ingefluisterd door zijn opdrachtgever NASA, of desnoods door het Witte Huis. Voor wie een fictieserie als The West Wing aannemelijk acht omdat de plaatselijke Václav Klaus voortdurend tussen pr-mensen en ghostwriters acteert en pas in de tweede jaargang eventjes in beeld komt bij zijn kabinet, is dit lastig om te geloven, maar het is nu bewezen.
Wel bleek ik de vakliteratuur niet goed te hebben bijgehouden. Neil Armstrong was namelijk niet de eerste op de maan. Er zat al een man, de oppasser Piggelmanus. Deze was niet bepaald het zonnetje in huis, want hij verlangde hevig naar koffie. Dat ontdekten ter plekke Piggelmee en Tureluur, verslaggevers en zelf woonachtig in een Keulse pot, die erg veel zin hadden in een bepaalde drank.


Koffie is de enige drug die overal legaal gebruikt wordt. Ze brengt troost, schept gezelligheid, lijmt brokken, maakt wakker en er wordt veel geld mee verdiend. In dit boek vertelt Marc Kregting het grote verhaal van koffie, dat hij op smaak brengt met kleine anekdotes. Wie spreekt van de bekendste boon ter wereld, heeft het over harde dagelijksheid en zijdezachte liefdes. Koffie is een tragikomisch feuilleton dat begint bij de kredietcrisis in 2008 en wordt afgewisseld door polemiek en handige weetjes.
Koffie neemt de lezer mee op een hilarisch avontuur langs gezondheid, politiek en geschiedenis. Ridder Ivanhoe legt uit hoe Starbucks zo groot kon worden. Zelf ontdekt Marc Kregting dat in het beroemdste gedicht uit de Nederlandse literatuur doping wordt gebruikt, en dat in 1950 twee meisjes te Stavoren de koffiemolen hebben begeerd waarmee Anders Breivik zijn bommen maakte. Hadden plots ontploffende Senseo-apparaten daar ook wat mee te maken? En waarom gaf Hugo Claus toch aan Jan en alleman ‘de eerste druk van de Max Havelaar’ cadeau? Soms verandert zelfs cafeïnevrij Engels, hét dialect van de eenentwintigste eeuw, in de allerindividueelste espresso.

‘Verwacht vooral geen klassieke geschiedenis van het kopje troost. Of wat uitleg over hoe je nu best koffie zet, drinkt of maalt. Weet wel dat Kregting je nu en dan in de maling neemt. Tussen alle sérieux in. Of is het andersom?’ (Fred Braekman, Knack)
‘In het zeer origineel vormgegeven boek Koffie dist Marc Kregting talloze anekdotes en weetjes op, die hij op unieke wijze met elkaar verbindt. Koffie is een heerlijke dosis reportages, gedichten, koffiekortingsbonnen, vragen, feuilletons en illustraties met in de hoofdrol koffie in alle soorten en maten.’ (Saskia Balmaekers, Ciaotutti)
‘Kregting heeft er een virtuoze afrekening met het postmodernisme van gemaakt, potsierlijk en humoristisch, in een veelheid van stijlen geschreven. U moet het wel even uitpakken voordat u van zijn stijl, zijn vorm en zijn inhoud kan genieten.’ (CoffeePro)
‘In dit mooie boek brengt Marc Kregting met veel humor het grote verhaal van koffie, met tussendoor anekdotes, quizvragen, gedichten en illustraties. Een aanrader.’ (Dag allemaal)
‘een caleidoscopische verkenning van het koffie-universum (…) een speelse, intrigerende, bijwijlen ongrijpbare collage (…) een boek over alles, dus ook over koffie (…) theedrinkende politici worden tegenover koffiedrinkers geplaatst en ook lekker bij de voornaam genoemd (…) een eenentwintigste-eeuwse Eduard Douwes Dekker (…) dit precieuze en waardevolle doeboek’ (Manuel Duran, Streven)
‘Ideaal salontafelboek, om het ijs te breken met de visite, en om van te genieten.’ (Gazet van Antwerpen)
‘als lezer van de bij vlagen zeer persoonlijke teksten krijg je de indruk dat de schrijver geregeld stevig onder de invloed van koffie verkeerde. Hij is daardoor creatief met koffie, ja, maar ook wel vermoeiend en geregeld flauw.’ (Gooi en Eemlander)
‘Niks kom je te weten over hoe een ristretto zich laat bereiden, waar je koffiebonen het best kunt bewaren of welke melk geschikt is. (…) een eindeloze stroom woorden, met af en toe een lezenswaardig weetje. Kregting schijnt bovendien iets te hebben met de senseo-liefhebbende Geert Wilders en Ulrike Meinhof. Hij komt er zo vaak op terug, dat je je afvraagt: waarom moet ik dit weten? Kregtings voorbeeld Multatuli werd in het negentiende eeuwse Friesland mateloos populair. Zelf moet hij nog even dieper.’ (Jaap Hellinga, Leeuwarder Courant)
‘Hoe vaak hij ook lijkt te herhalen dat het koffie is waar de wereld om draait, de wereld draaide ook al vóór de mensheid in de zeventiende eeuw koffie ging drinken. (…) Het mooie is: dit literaire procedé levert verbijsterende verbanden op, die zich vaak op de grens van humor en meligheid bewegen.(…) Boeken zoals Kregtings Koffie – bijeengehouden door een rode draad van kunstzijde – hebben noodzakelijkerwijs een springerig karakter. Buitelen en bokkensprongen, dat werk (…) Men mag rustig zeggen dat Koffie helemaal geurt naar Multatuli’s werken. (…) De overeenkomst ligt in kritische houding jegens tijdsverschijnselen, filosofische afstand, een zeker encyclopedisme (veel feiten en cijfers), genoemde springerigheid. Dat Kregting Multatuli niet in stijl kan evenaren, nu ja, dat lukt ook maar zeer weinigen (…) een van de raarste, meest inspirerende en leukste boeken van de laatste tijd’ (Atte Jongstra, Ons Erfdeel)
‘De veelheid aan onderwerpen is meteen ook wel de grootste zwakte van het boek.(…) “Koffie” bevat zoveel verschillende onderdelen, die samengevoegd zijn zonder echt veel samenhang - behalve dan het feit dat ze allemaal ergens wel iets te maken hebben met het zwarte goedje. (…) Bovendien is het taalgebruik dat Kregting hanteert niet altijd even gemakkelijk om te verwerken, het strookt ergens niet met de lichte samenstelling van het boek. (…) Maar, het boek is doordrongen van een liefde voor koffie, dat valt niet te ontkennen.’ (Sarah Juchtmans, Cutting Edge)
‘Het lijkt op een almanak of een winterboek – maar het is er ook meteen een parodie op. Behalve een boek over koffie is Koffie ook een boek over genres, en over het spelen daarmee. Het speelt daarnaast ook een spel met Max Havelaar. En net als bij Multatuli heeft de afwisseling van al die stemmen een erg levendig en geestig effect. Je kunt het beter ergens openslaan – dan vind je altijd wel iets interessants. Koffie is een duizelingwekkend boek. Het geeft lering en vermaak – en warhoofdigheid. Ik zie te veel invallen om een grote lijn te ontdekken en te veel vermommingen om nog te willen weten wie er zich achter schuilhoudt. Toch blijkt uit alles ook dat Kregting heel goed en soepel kan schrijven, in allerlei genres en in allerlei stijlen. Hij is een stilist, maar nog op zoek naar een onderwerp.’ (Guus Middag, NRC)
‘deze turf is een boeiend en afwisselend boek geworden, dat ook niet perse van a tot z moet gelezen worden maar dat je lukraak kan openslaan. (…) Prima cadeauboek, niet voor op het nachtkastje, maar voor bij de koffie.’ (Roger Nupie, De VVL-Boekhouding)
‘Interessant zijn de essays, de feuilletons en de zogenaamde “lezersreacties”. In de laatste teksten weerlegt de schrijver vooral met feiten de beweringen van zijn alter ego Otto. Als Multatuli’s Pak van Sjaalman een rijke bron met ideeën, verhandelingen, overwegingen, anekdotes en kritische reacties op wat de schrijver in verband brengt met koffie. Zorgvuldig gedocumenteerd in “Aantekeningen en ophelderingen”. Zeer gevarieerde bundel.’ (Gerard Oevering, NBD Biblion)
‘Voorlopig hoogtepunt in het onvergelijkbare oeuvre van Kregting vind ik Koffie (2013), een boek zoals er in ons taalgebied geen twee zijn. (…) Kregtings interesse in de meest triviale weetjes over koffie leidt in dit boek haast vanzelf naar een bredere diagnose van globaal consumentisme, dat allerlei economische onevenwichten organiseert tussen lokale producenten (koffieboeren), internationale distributeurs (genre Starbucks en Nespresso) en naïeve cafeïneverslaafden zoals U en ik.’ (Jürgen Pieters, Doorbraak)
‘een écht essayboek: dwarsig en zoekend, en over veel meer dan over koffie alleen. (…) Uiteraard kom je allerlei zaken aan de weet over koffie: waar ons bakje troost werd uitgevonden, hoe het aan z’n naam kwam, hoeveel mensen het drinken, wat de heilzame kracht ervan is, wat de bijwerkingen en gevaren zijn (eigenlijk geen, dus laat je niets wijsmaken!). Die facts en figures zijn evenwel slechts het uitgangspunt voor een dieper onderzoek naar de maatschappelijke rol van koffie, de beeldvorming en het discours errond. (…). Dat maakt het een bijzonder rijk en intelligent, maar ook een uitgesproken intellectueel boek (…) een stevig shot cultuurkritiek, stilistisch briljant en gebracht op een prettige, haast Barthesiaanse manier.’ (Carl De Strycker, De Leeswolf)
‘Net als Max Havelaar heeft Koffie een encyclopedisch en een even expliciet als desperaat politiek karakter (…) Tussen alle bevreemdende narratieve en stilistische kronkels door, bevat Koffie ook ontzettend veel feitelijke gegevens, aangevuld met veeleer ideologische overwegingen, die de lezer in staat kunnen stellen om zijn eigen politieke positie te bepalen. (…) Het literaire karakter van de essayistiek in Koffie blijkt niet alleen uit het kundig verweven motief koffie, ook de schrijfstijl is in beschouwende passages op en top die van de prozaschrijver Kregting. Die stijl komt het louter informatieve gehalte van de tekst niet ten goede. (…) Welke meerwaarde heeft Kregtings literair opgewaardeerde – of verduisterde – parafrase boven een handige publieksgerichte samenvatting of boven de oorspronkelijke tekst? (...) Koffie is een ambitieus boek, dat bij mijn weten in de Nederlandse literatuur zijn gelijke niet kent. De combinatie van een volstrekt singuliere schriftuur en een hoogst eigenaardige vorm van literaire onderzoeksjournalistiek maakt van Koffie een origineel en belangrijk boek.’ (Sven Vitse, DWB)
‘Sterk gespecialiseerde literatuur zal een deel van het lezerspubliek onverschillig laten, irriteren of gewoonweg nooit bereiken. Mooie voorbeelden hiervan zijn het zeer maatschappijkritische Koffie. Een doeboek van Marc Kregting of het nagelaten poëtische oeuvre van Jeroen Mettes. Hoe waardevol deze experimentele praktijk ook is, het zou verkeerd zijn haar als norm te stellen.’ (Sven Vitse, nY)

vrijdag 1 februari 2013

Multatuli (1997-1999, 2006-2013)



‘Begrypen is genot’. Inmenging en versmelting in Max Havelaar



1. Inleiding
Uit literatuur stijgt heel wat commentaar op van vertellers, maar moet die kunst daarbij haar grenzen kennen? Uitspraken over de alledaagse wereld kunnen stokpaardjes van de auteur uitserveren die de vrijheid van interpretatie inperken. Ze verbreken bovendien de verhaallijn en storen zo de suspension of disbelief. Dat ethische en formele kwesties dus onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, blijkt ook uit Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy, Multatuli’s fameuze boek waarvan een eerste uitgave in 1860 verscheen. Aan het slot worden, formeel, de personages uit de plot geveegd. Multatuli neemt de pen op. Hij geeft te kennen wat hij vindt en wat er, ethisch, moet veranderen. Met die intentie, en ik citeer uit de op de dubbel aangevulde uitgave van 1881 gebaseerde editie-Kets (1992), offert hij het voorgaande: ‘Ik vraag geen verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel’ (235).
Max Havelaar dient als middel. Catalogiseert men de tekst als roman, dan wordt hij een roman à thèse. De ‘vorm’ valt te verbinden met de omweg van de fictie, waarin er tussen de vele personages twee, de titelheld en Sjaalman, zijn te identificeren met de auteur. Het boek ambieert een buitenliterair effect: verbetering van de positie van de Javaan én rehabilitatie van Multatuli, nom de plûme van voormalig assistent-resident Eduard Douwes Dekker. Van hem mag na zijn zelf aangevraagde ontslag te Lebak de vigerende situatie op de schop. Het woord moet daad worden, voor die boodschap gebruikt Multatuli kapitalen in de term HOOFDSTREKKING.[1]
Dergelijke machtsmiddelen liggen gevoelig bij wie niets dan de tekst wil onderzoeken. Sötemann hield in zijn bewonderenswaardige studie van Max Havelaar volgens het esthetische dogma van eenheid, complexiteit en intensiteit bewust bij het punt van de buitenliteraire werkelijkheid op. Daarmee ontkende hij haar niet (zijn inleiding bevat zelfs een beknopte schets van de koffiehandel), hij stelde er alleen een andere benadering tegenover. Het was 1966, en Sötemann wilde ruimte scheppen voor een structuralistische literatuurbeschouwing in de Lage Landen (Goedegebuure/Heynders 1996: 67). Als hij bij het slot van Max Havelaar ‘een haast onbehaaglijk reële indruk’ (1966: 106) krijgt, verraadt de opeenvolging van bijvoeglijke naamwoorden onder welke vlag zijn studie geschreven is. Werd daarover al tamelijk snel bericht (Van der Paardt 1978), ondergesneeuwd blijft wat een referentiële ambitie zoals Multatuli die had, met literatuur doet en met de wereld.
Van buitenaf valt alvast te signaleren dat eind 2006, als radertje binnen De canon van Nederland, Max Havelaar toch vereeuwigd is als aanklacht tegen wantoestanden in Indië: ‘Het boek is inmiddels in meer dan 140 talen uitgegeven en werd in 1999 door de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer in de New York Times betiteld als “The Book That Killed Colonialism”.’ Interessant, tot in hun nickname, zijn twee virtuele reacties daarop:

Re: Max Havelaar
Ach kijk eens aan! De invloed van de PvdA is weer zichtbaar in de klaslokalen. Nutteloze onzin. Leer die kids maar eens iets over de 80 jarige oorlog; dát was namelijk WEL DEGELIJK belangrijk voor de ontwikkeling van Nederland.
Douwe Egberts op 17 oktober 2006

Re: Max Havelaar
Het boek de Max Havelaar werd al in de klaslokalen besproken voordat de PvdA bestond.
Het verhaal speelt zich af in de periode van het cultuurstelsel.
De Indonesische boren werden gedwongen een deel van hun land te verbouwen met producten waar Nederland veel geld aan kon verdienen.
Boeren moesten harder werken om hun normale voedseloogst daarnaast te kunnen binnenhalen..Wat niet altijd lukte
Ondermeer werd het nederlandse spoorwegnet met deze winsten aangelegd en slavenhouders in de West werden afgekocht hiermee toen eindelijk het verbod op slavernij werd ingesteld..
Het "bezit" van Indonesie is zeer wel een factor geweest in de ontwikkeling van Nederland.. en het hoort bij de vaderlandse geschiedenis.
Te snappen is dat iemand die vooral "nationale trots" zoekt voor het opkrikken van de eigenwaarde liever dit niet wilt horen
Indisch4ever op 18 oktober 2006[2]


Hoewel elk boek diverse interpretaties kan losmaken, liggen de overtuigingen zelden zo ver uiteen als hier. Er staan behalve poëticale opvattingen kennelijk belangen tegenover elkaar, van groepen, wat het des te problematischer maakt om, zoals verknochte lezers doen, te spreken van ‘de Max Havelaar’. Of het nu gaat om automutilatie of kannibalisme, de onophefbare kritische spanning zit natuurlijk al in het slot dat, zoals Vervaeck aangaf,[3] met het opnemen van de pen de pen verbeurd verklaart. Wel is Multatuli’s boek sinds 1988 naamgever van het fairtrademerk, dat in de Googlehiërarchie zelfs vóór zijn bron is gedrongen. Wat is er gebeurd?

woensdag 23 januari 2013

Koffie: de groslijst (2005-2012)





‘Aan tafel. 8 ladychefs in de kleren’, De Standaard Magazine 23-1-2010
Jan-Frederik Abbeloos: ‘George Clooney drinkt thee’, De Standaard, 11-10- 2012
Hans Abbing: Van hoge naar nieuwe kunst. Historische Uitgeverij: Groningen 2009
Ludo Abicht: De Verlichting vandaag. Houtekiet: Antwerpen/Amsterdam 2007
Hans Achterhuis: Politiek van goede bedoelingen. Boom: Amsterdam 1999
Hans Achterhuis: Met alle geweld. Een filosofische zoektocht. Lemniscaat: Rotterdam 2008
Achterklap Foto's - 23 oktober 2008’
http://www.ad.nl/koffietest/
Theodor W. Adorno: Minima Moralia. Vertaald door M. Mok. Spectrum: Utrecht 1971
Remieg Aerts: Het aanzien van de politiek. Geschiedenis van een functionele fictie. Bert Bakker: Amsterdam 2009
A.F.Th.: Het schervengericht. Querido: Amsterdam 2007
http://www.ah.nl/perla/
http://www.aholdcoffeecompany.nl/nl/
Wilma van den Akker: Nageljongenstraat. Holland: Haarlem 2008
Alain: Over het geluk. De Prom: Baarn 1996
http://alembert.fr/index.php
Alzheimer Nederland: ‘Waar drinkt u koffie uit?’, NRC, 23/24-8-2012
Haroon Ali: ‘Fietsen op gereclyclede koffiecups’, de Volkskrant, 6-11-2010


dinsdag 15 mei 2012

Het onvoltooide (2011-2012)


1.

‘Er is altijd een beter motto’
(Anonymus, 11e eeuw)


Op een grappige manier bevredigt het onvoltooide gedicht een vraag naar reality. Het is nog van alles aan het passen, wanneer het wordt betrapt door de buitenwereld zonder zich zelfs maar in iets toonbaars te hebben kunnen hijsen. De onberispelijk afgeklede drukletter is niet nabij. Het gedicht staat nog in potlood, zodat er wijzigingen door te voeren zijn die in het radicaalste geval kunnen leiden tot volledige verdwijning onder de bruutheid van de gum. Mochten er ambitie en gelegenheid zijn geweest om het af te maken, dan was er iets verloren aan gegaan: het vermogen te kunnen veranderen. Die verandering is niet neutraal, blijkt uit twee literaire benamingen voor het onvoltooide. Uit statu nascendi valt af te leiden dat er iets groters op komst is. Indachtig de aristotelische teleologie, een doelgerichtheid volgens welke de bal altijd in het netje gaat, zal het kind als onvoltooide volwassene rijpen. En work in progress verraadt dat er in de verandering verbetering of zelfs vooruitgang te bespeuren is, of die nu op esthetisch of ethisch vlak ligt.
Aan het bestaan van auteurs, en de mensheid in het algemeen, valt minder te veranderen. Zelfs Michael Jackson wist met peperdure zuurstoftanks op zijn ranch Neverland het eeuwige leven annex de voltooide tijd niet te implementeren. De dood, in rouwadvertenties vaak gekoppeld aan het motto ‘Het is volbracht’, valt buiten de menselijke invloedsfeer. Voor een kunstwerk moet voltooiing de dood zijn, toebehorend aan musea, waar fixeerlagen van het onveranderlijke zijn aangebracht. Maar literatuur geldt toch als een onuitputtelijke bron, voor lezers én schrijvers? De sonnetten van Shakespeare bleken niet meer definitief, nadat ze in handen waren gevallen van K. Silem Mohammad. In zijn Sonnagrams husselt deze de letters van het klassieke materiaal door elkaar, waarna de restanten de titel vormen. Zo kan Sonnet XLII ‘That thou hast her, it is not all my grief’ in de eenentwintigste eeuw metamorfoseren tot ‘Sheriff Ed Rebuffed Her (“Hey, Hey, Hey, Hey, Hey!”), Then He Fell’. Punt is alleen dat dit resultaat zelf weer bevriest.
In het onvoltooide kunstwerk botsen moleculen echter continu alle kanten op omdat hun training nooit afloopt – caught in the act! De handeling voltrekt zich schijnbaar nog in een werkplaats. Men spreekt van een denkbeweging. Die term is ook gegeven aan nagelaten dagboeken van Ludwig Wittgenstein, in bezit geraakt van zijn zus, en moet dus bedoeld zijn als een karakteristiek. Daarbij luidde het dat filosofische notities waren vermengd met persoonlijke bespiegelingen zodat er, naast een scherper beeld van de mens, een vage samenhang en continuïteit kon oprijzen met Wittgensteins spaarzame officiële werk. ‘De denkbeweging in mijn filosoferen zou je terug moeten kunnen vinden in de geschiedenis van mijn geest en van de zedelijke begrippen daarin & in het begrip van mijn situatie.’ Soepeltjes kwam die taal niet op papier. Volgens de bezorgers van de Denkbewegungen is er een worsteling gaande, een innerlijke nood die bij de verwoording stuit op de grenzen van wat (menselijk) gezegd en (wetenschappelijk) verklaard kan worden. Aldus heten die dagboekaantekeningen intens en authentiek. Een tot één zin samengebalde herinnering aan Clara Schumann staat er met een tussenpoos van negen maanden tweemaal in. Het ontplooide denken blijkt nooit verstard en vernieuwt zichzelf voordurend, iets wat tot uiting komt in een veelvoud van varianten en versies, inclusief een geheimschrift waarvan de code overigens makkelijk te kraken is.
Is een denkbeweging daarom ook bijzonder in relatie tot het onaffe? Tekent dat niet eerder een zekere gemakzucht of is het een goedkope manier om door suggestie eventjes wat geld te verdienen?

woensdag 25 april 2012

Hans Groenewegen (2012)



Driemaal heeft Hans Groenewegen nu een selectie uit zijn kritieken en kronieken over poëzie gebundeld. Met schrijven zin verzamelen vind ik een belangrijk boek, maar het stemt me ook weemoedig. Het lijkt een afscheid van een tijd waarin literatuurbeschouwers een dialoog mochten aangaan met teksten. Maar papieren media zien hier geen heil meer in.
Groenewegen toont wat leesoefening inhoudt. Dat is avontuurlijk en leerzaam, zonder dwang. Omdat Groenewegen beschrijft hoe zijn ervaringen met een gedicht voortschrijden, worden ze behalve controleerbaar ook betwistbaar. Dit kan als zwakte worden opgevat, in termen van ‘Laat die man eens ophouden met over zichzelf te praten’. Maar die man blijkt over gedichten te praten, en zichzelf als proefdier te gebruiken.
Heeft iemand die denkt zoiets beter te kunnen daar nu gelegenheid voor?

dinsdag 21 februari 2012

Sybren Polet (2012)

Het spreekt me enorm aan om een kunstenaar te blijven benaderen alsof hij een beginner is, zoals Sybren Polet aan het slot van Donorwoorden aanbeveelt. Natuurlijk werpt het vruchten af de vergelijking met en de verhouding tot een oeuvre in het oog te houden, maar dat heeft ook een risico: toegepaste formules kunnen een interpretatieschema inslijpen dat principieel teleologisch is.
Wanneer Polet in de genoemde bundel een ‘85-jarige debutant’ opvoert, zal ik, net over de helft van dat leven, zo vrij zijn één gedicht uit Donorwoorden te lezen:

Alibi
Hoor, er zit iets verbaals in de lucht.

En ik, tweemaal geborene,
luister het bijna op lichaamstemperatuur.

Twee-eenheid is materie genoeg, is
massa genoeg voor eenzelvige wijmensen
Voor hen is alle werkelijkheid alibi
voor andere alibi’s.

Oorsprongmensen als oversprongmensen.

Zeg me wat je werkelijk denkt
En ik denk het werkelijker na
(met inbegrip van mijzelf,
mijzelf als alibi.)

En ja, er hangt iets verbaals in de lucht,
iets dat je bijna kunt spreken.


Van begin af wordt de lezer bij het gedicht betrokken met een aanspreking. Omdat er iets in de lucht zit. In de omgangstaal duidt dat op verandering. Volgens mij ten goede, in tegenstelling tot ‘er hangt iets in de lucht’ uit Polets slotstrofe, dat ook op verandering wijst maar ten kwade, iets dreigends, strange fruit. Wanneer er iets in de lucht zit, spreekt men van lenteachtige dingen, kriebels, positieve vibraties. Zo wordt het meest opmerkelijke woord uit de beginzin, ‘verbaals’, als een blijde boodschap ingehaald. In de schriftelijke mededeling die poëzie geworden is, gaat live gesproken worden, waarnaar geluisterd moet.

zondag 18 september 2011

Jan Swammerdam (1992)

Glossarium Jan Swammerdam

Afbeelding. Niet overgeleverd. Op Rembrandts ‘Anatomische les’ is de man met het perkament (chirurgijn Hartman Hartmansz) met ~ geïdentificeerd. Jan Stolker maakte er een vervalsing van.
Aristoteles. Dacht dat metamorfose gevolg was van plotselinge ontwikkeling. Door ondoorzichtig omhulsel omgeven pop zag hij als ei met vormloze substantie.
Arts. Na studie geneeskunde (1661-1663) beroep van ~, nooit gepraktiseerd.
Bekennen, Kleur. ‘ik moet verhuysen van mijn vader, die bij mijn suster en haar man blijft wonen, soo dat ik van voor neemen ben op het lant te gaan, indien dat ik by tijts, geen conclusie heb.’ (brief van ~ op 41-jarige leeftijd)
Biografie. Reductie door interpretatie. Verzameling trefwoorden.
Blasius, Gerhard. Gewoon hoogleraar in 1666, stadbibliothecaris in 1670.
Blind, Half. Werd ~ volgens Oek de Jong van het staren in de microscoop (gevolg), pogend in iets buiten zichzelf bestaands God te vinden (oorzaak). De vinger Gods in een luis.
Boek. Volgens ~ metafoor van natuur: ‘een geduurigh opgeslagen boeck gelijk.’
Boek, Dooie Dat. Idee van Thijssens Kees de jongen, een dooie diender pur sang, bij een werk ‘over bijen en mieren.’
Boerhaave, Herman. Eerste biograaf van ~, bezorger van ~ tweedelige Bijbel der Natuure (1737/38). Religieus dichterlijke aspect van ~ is hieruit weggelaten.
Bourignon, Antoinette. Van oorsprong katholiek. Kruising tussen Berendien uut Wisp en Jenny Goeree. Eigende zich met instemming van ~ status toe van personage uit Openbaringen 12:1-6. Vond dat ware christenen vader, moeder en zichzelf moesten haten.
Brieven. Schreef ~ regelmatig. Verzoeken erin werden niet altijd gehonoreerd, ook omdat ze soms de plaats van bestemming niet bereikten: ‘so ben se niet int vagevier maar in de hel geraakt.’

vrijdag 24 juni 2011

De werkplek (2005)

De coördinaten van het andere

I will not praise that purpose not to sell


1.
Op een metalen blad van ongeveer vijftig bij dertig centimeter een schriftje, half schuilgaand onder twee gekafte boeken. Rondom, op de vloerbedekking tot aan de ficus benjamin, meer schriftjes en boeken. Er is thee. Mijn knieën tegen het blad, dat aan de zijkant een lade heeft. Ik ril nog na van een spreekbeurt, handelend over Ischa Meijers Brief aan mijn moeder. Men moest erg lachen, dus had ik één citaat maar niet gegeven: ‘Want altijd en overal loert het gevaar dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word.’ Nu het velletje tegenover me op ooghoogte, aan de met bruine rauhfaser behangen muur, met formules over sinus, cosinus en tangens en integraalberekening die langs mediamieke weg in mijn hoofd moeten raken; de vloerbedekking heeft ongetwijfeld haar eigen wetten van statisch-zijn. Radio afgestemd op Hilversum 3, ‘de betere popzender’. Straks zal ik die liedjes wel à l’improviste naspelen op de studiepiano, twee verdiepingen lager, me overal en nergens wetend, dus evengoed weer hier. Op zoek naar verbanden maak ik een notitie, die moet worden vergeleken met een passage uit een boek dat niet te vinden is. Ik kijk opzij, naar beneden, en op de vloerbedekking ontwaar ik het boek en ik wil het pakken. Onwillekeurig gaan mijn knieën omhoog en het blad schiet uit de twee diagonale staafjes, waarvan de uiteinden in metalen kolommen aan de muur gehaakt zijn. Alles valt over me heen. En op zijn beurt, en veel harder lijkt het, schiet de lade los en daaruit verspreiden zich stickers, hartsbriefjes (‘als je echt van iemand houdt, kun je zijn stront eten’), punaises.
Een terugtrekkende beweging van ongeveer anderhalve meter en ik ga onverstoorbaar voort. Maar op bed schrijvend kan ik mijn handschrift niet lezen. Dan pak ik een boek en sla het open. Wat is echter een geschikte houding? Na een minuut slaapt mijn arm. Ik daal met het boek de trap af naar de badkamer, waar ik ruik aan de asbak. Die is daar geplaatst toen de ene buurman, die met zijn handen werkt, na een sneeuwnacht het dak van zijn auto bezaaid met peuken aantrof. Mijn vader beloofde beterschap en gooit zijn peuken nu in de wc.
Op het toilet lees ik – de andere buurman, die in de verkoop zit, heeft zijn boeken op één kamer, wat aftrekbaar schijnt te zijn bij de belastingen.

2.
Als een dommelende krokodil heb ik op als ‘jaren zeventig’ gekwalificeerde zitkussens – één tegen de rug, één onder de billen – mijn corpus doorgenomen. Onder het enige raam, schuin, aan de ronde grenen eettafel die mijn zus heeft afgedankt, maakte ik aantekeningen: nooit naar achter overhellen, dan begeeft de leuning van de stoel het. Er is melk. Een dag op bed om de lijn alvast uit te tekenen. Dan loop ik naar het schrijftafeltje, overgenomen van een lagere school, en leg er een nieuwe blocnote op. Veel meer past niet en mijn knieën komen over de rand; de rubberen strip is weggepulkt.
Ik knip de bureaulamp aan en pak een balpen en schrijf mijn thesis. De muur waartegen het tafeltje staat, scheidt me van een liftje. Daarachter zijn vrieskisten. Wanneer familie en vrienden op de begane grond het zware fluwelen gordijn wegschuiven, brengt de lift het lijk in kwestie ernaartoe. Na een halfuur weer het geluid van de lift, nu opwaarts. Rechts van me weet ik de Fender Rhodes Stage Piano 73.
Na een maand ben ik klaar. Het is me niet duidelijk of de aarde doorgedraaid heeft. Wel heb ik kennelijk gegeten en gedronken, want ik loop nog rond. Gelopen heb ik sowieso, op momenten dat de rug- en nekpijn me overvielen. Op die momenten zal ik ook hebben geslapen; het bed ziet er onopgemaakt uit en er liggen lege zakken bolognesechips.
De tijd tot de uitreiking mag ik benutten voor een stage bij een krant, die rooms zou zijn geweest. De immense redactiezaal hangt vol rook, radio’s en televisies staan aan en om de haverklap klinkt er een bel: ‘Het systeem gaat plat!’ Mijn debuutopdracht is een overzicht van de voorstellingen van het weekend. Als ik een paar alinea’s af heb, staat de chef naast me. “Wat ben jij in hemelsnaam aan het doen?” Hij trekt het kladblok onder me vandaan en wijst op een computer. En opschieten alsjeblieft, want we moeten zo naar het bijkantoor. Dat blijkt De Blonde Pater te heten.
Als slotopdracht mag ik een stuk schrijven over Solzjenitzyn, van wie ik banden gezien heb in een wandbrede boekenkast bij mijn tante. Mij worden stapels artikelen in de handen geduwd. Ik zeur net zo lang tot ik weg mag. “Haha, Marc gaat op retraite.” Met een vriendin kan ik twee dagen in een huis in de bossen zitten. De treinreis valt tegen met al die bagage. We wandelen en wandelen en twee dagen later gaat de bagage onuitgepakt terug en lees ik thuis diagonaal de artikelen en typ op mijn oude Adler in een uurtje het stuk. Daarna pak ik Friedrich Nietzsches De vrolijke wetenschap erbij: ‘Uit trots houdt hij vast aan een zaak, die hij is gaan doorzien – maar hij noemt het “trouw”.’
Binnenkort ga ik een computer kopen.

woensdag 2 februari 2011

J.M.H. Berckmans (2001)

De kornetten en trompetten van Jericho

ter nagedachtenis van Jan Kostwinder


`En kontakt moet ge hebben. Kontakt is het allerbelangrijkste dat er bestaat. Als ge geen kontakt hebt zijt ge dood. Gij zult misschien denken dat ge 't beter weet maar kontakt hebt ge nodig. Zonder kontakt kunt ge niet bestaan.' In deze monoloog uit Het zomert in Barakstad (1993) van J.M.H. Berckmans ziet de lezer een tragische dronkeman lallen. Verder bladerend door het werk van de Antwerpse schrijver plaatst hij hem tussen laveloze soortgenoten met permanent kastekort, dégénerés in cafés en stempellokalen, omringd door sociale werkers en deurwaarders en schoonheden wier houdbaarheidsdatum is verstreken. Hij ruikt de geur van koffie met brood en spek (op hoogtijdagen biefstuk met friet), besmeurde kleren en kotsplakkaten. Alles stevent af op de ondergang, iets waarvoor Berckmans van stonde af de term defaitisme reserveerde die hij gul door zijn werk heeft gestrooid. Het verlatene trekt aan het oog voorbij, droefenis, de dood die te verkiezen lijkt boven het leven.
De lezer waant zich een socioloog van de skid row.
Tegelijk hoort hij de dronkeman die, zoals de overlevering wil, altijd de waarheid zegt. De woorden zijn op zo'n wijze geordend dat het gedram van mensen die ver boven hun tax zitten maximaal tot uitdrukking komt. In vijf zinnen beweert de hoofdpersoon feitelijk steeds hetzelfde, een functionele herhaling met varianten. Via zijn oren voelt de lezer een ongemak ontstaan, dat zich fysiek over hem uitspreidt. Zo'n effect kan louter worden gesorteerd door strengheid. De monoloog komt dan ook uit een verhaal waarbij in de schaduw van de hoofdpersoon een als Jean-Marie aangeduide schrijver figureert, uit wie een beeld ontstaat van een professional, iemand die zijn vak doodserieus neemt. Als Jean-Marie uit een kroeg wordt gesmeten, is de krenking dubbel: `dat hij een bekende schrijver is en naar Humo en naar De Morgen zou schrijven.' Bovendien blijkt hij ter voorstudie van de hoofdpersoon een bandopnemertje te hebben laten meedraaien aan de bar. Het aldus verkregen materiaal moet Jean-Marie hebben geoptimaliseerd tot skaz.
Het verhaal heet `Aantekening over De Beuckelaer Jean-Pierre.' Dat doet kinderlijk en bescheiden aan, maar het is ook zakelijk. Een oefening in literatuur, die Antwerpen de grimmige naam Barakstad heeft verleend.
Over het werk van Berckmans ligt een schijn. Hij zou bloemrijke anekdotes serveren over wat door hygiënische hoofden `de onderkant van de samenleving' wordt genoemd. Voor het werk in kwestie kan die term niet letterlijk genoeg genomen worden. Het ware hoofdpersonage bij Berckmans lijkt de reet, soms met een guitig, de dood in de pot brengend anglicisme `ashool' geheten. De meest frequent gepleegde handeling is het afvegen van de poep na een boodschap, iets wat wegens ontbreken van toiletpapier, acute diarree of vergaande verwaarlozing veelal tot mislukken gedoemd is. Louter de kapitalen waarin Berckmans BROEKSCHIJTERIJ heeft vervat staan pal. Voeg daar een autodatering als `het tijdperk van de latrine' aan toe, grinnik over `mijn rectum plus quam perfectum van de vuiligheid' en een mythe is geboren. Berckmans' werk kan erdoor gaan gelden als document humain, met authenticiteit als keurmerk.
Ik op mijn beurt wil geenszins voorbijgaan aan de onafzienbare ellende die Berckmans reveleert, maar evenmin aan de literatuur die hij ervan heeft gemaakt. Dan doel ik niet op een dirty realism, maar op iets wat klinkt. Dit kan esthetisch overkomen, zeker vanwege mijn onbekendheid met de Umwelt, het milieu en dialect dat Berckmans opvoert. Café De Raaf is voor mij een naam die, om het lomp te stellen, eerder een gedicht van Edgar Allan Poe oproept. Bij die beperking wil ik toch staande houden dat ik als lezer nauwelijks enige afstand van deze teksten hoef te nemen om vooral vorm te zien.
Ik zou verder willen gaan: een op de inhoud gerichte aandacht voor hetgeen Berckmans publiceert lijkt, hoe paradoxaal ook, esthetisch en belust. Hoe moet ik het zeggen - het aanprijzen van een street credibility heeft iets van het detecteren van onkruid tussen trottoirtegels vanuit een wolkenkrabber. Wellicht kan ik de blikrichting in dit beeld benutten. Mijn twijfels richten zich op een verticale aandacht die in de tekst een aantal universalia waarneemt. Die benadering ziet voorbij aan de horizontale lijnen, uitzaaiingen ter plekke, die specifiek zijn voor literatuur, en ook voor dit oeuvre. Weer anders gezegd: het verondersteld circulaire zal plaats moeten maken voor het feitelijk lineaire. Ondanks alle zever die bij Berckmans vanwege slechtzittende tandprotheses wordt gestort, ondanks alle stront die vanwege incontinentie vloeit, blijft zijn taal hard, uitgehouwen.
Het is maar wat de lezer wil weten. Wanneer onder een verhaal staat `With a little help from Alfred Rosengarten Nevada', dan kan die naam aan een vriend worden toegeschreven en snellen er aldus gedachten naar het nummer van The Beatles, eventueel in de uitvoering van de populaire innemer Joe Cocker. Maar het onderschrift hoort bij de titel en die luidt `Hoe het is', naar een ascetische tekst van Samuel Beckett. Over diens Malone dies meldt Taxi naar de Boerhavestraat (1995) terloops: `Het einde van de westerse literatuur. Zo niet het allereerste begin.'