woensdag 25 februari 2009

Richard Minne (2001)


‘Lijk een effen lijst’

Toen ik, jong en amper bedorven, poëzie ging lezen, richtte ik me op toegankelijk ogend werk dat een zekere levenswijsheid uitademde. Het genre leek me een ars moriendi. Een omgekeerde bewijsvoering: bij mijn idee zocht ik geschikt werk. En zoals wetenschappers door hun objectiviteit prettige signalen krijgen van de intuïtie, raadpleegde ik op de bonnefooi bundels die steevast beklijfden als ze waren uitgegeven door De Arbeiderspers en Van Oorschot. Hun fondsen boden genoeglijke troost voor een gemis waar ik geen weet van had.
Zo werd Richard Minne, hergepubliceerd door Van Oorschot (die hem eerde in een initiaal van zijn pseudoniem R.J. Peskens), mijn dichter van het eerste uur. Een bij nacht en ontij te consulteren gezel, die verleidelijke oprispingen de kop in drukte en de dingen terugbracht tot een essentie. Ik zag me met name filosoferen bij de beginstrofe van een gedicht uit de cyclus ‘Rozenkrans’. Daar was mijn exemplaar van In den zoeten inval opengevallen:

De beuken staan nog in hun glans,
maar ’t zijn wellicht de laatste dagen.
Het herfst-goud is een zware krans:
nu zal ik naar geen toekomst vragen.

Ik verbond de in haar eeuwige aanwezigheid plechtig op mij overkomende natuur met de notie van wat ik verstrijken noemde. De regels gaven de indruk van een te exploreren diepte. Iets met de dood, die naar goed artistiek gebruik – “de kunst van het weglaten” – onvermeld gelaten werd. Ik vond het eenvoudige rijm eveneens goed. Regels als vuurstenen.
Ook lezend word je ouder. Na enige tijd begon de mij zo dierbare poëzie te ergeren. Ik vond haar bij nader inzien belerend en topzwaar; inzake de fondsen schermde ik met het stigma traditioneel. Mogelijk werd ik zelf met de jaren jonger. Heden is het me een raadsel wat ik met al dat werk aanmoest. Ik denk vooralsnog dat een antwoord in het raadsel gezocht kan worden. En zoals het gaat met hetgeen je lief is geweest, slaagde ik erin een enkele achteraf gelaakte keuze te verantwoorden als zijnde onontkoombaar. Richard Minne (en Gerard den Brabander) werd de uitzondering op de regel en bleef mijn dichter van het eerste uur. Ik meen nu snugger te zijn met de these dat hij niet in het hem passende fonds zat. Ook las ik het Rozenkrans-gedicht uit:

Ik rust na lang en bremstig zoeken,
en om het hoofd, dat zachte dingen peist,
is de avond lijk een effen lijst
om afgewerkte schilderdoeken.

De slotregels waren ontluisterend, mede jegens het gedragen begin. Het fijne vond ik dat in kunst, wat poëzie toch heet te zijn, de natuur als kunst ontmaskerd werd. Tegenwoordig geldt dit als een postmodernistisch hebbelijkheidje. Misschien ondermijnde de dichter zijn openingsstrofe ook door het rijmschema te veranderen. De vuurstenen bleken nat.
Ik ontdekte dat Minne in ondermijning was gespecialiseerd. Met anakoloeten tegen het instituut poëzie, met menige regel tussen haakjes tegen bezonken gevoelens. Deze dichter somt maar op en kenmerkt zich door een hyperbewustzijn. Richard Minne woog Richard Minne. Achter elke hooggestemdheid bleek een façade schuil te gaan die zelf van het betere karton was. De essentie die ik gemeend had te kunnen vinden, bestond eruit dat er geen essentie was. Eventuele verwijten van een tekort aan eenheid of het ontbreken van kop of staart, haalt Minne zijn werk binnen en pareert ze zo half. Ook weet hij doodleuk te melden dat hij als persoon permanent verandert, op hem valt evenmin grip te krijgen. Dubbele ringen in fictie van een debunker avant la lettre, die er in zijn verfrissende roman Heineke Vos en zijn biograaf niet voor terugdeinst taferelen tot een pakje op te rollen en het te voorzien van het etiket ‘Verleden’.
De rozenkrans komt uit een katholieke traditie. Minne, die zich in een gedicht apostaat noemde, heeft een speelse, rekkelijke inslag. Een moralist die niet durft te moraliseren, een torner voor wie het tornen een sport is geworden. Hij dichtte dan wel vrijelijk over Adam en Eva, de geboorte van Jezus en over Noach, het frappeert dat die verhalen een nieuw begin aan de orde stellen. Soms valt het begrip ab ovo. Ik relateer het aan lijstjes met nog te maken boeken die Minne in het mengelwerk Wolfijzers en schietgeweren opstelde.
In werkelijkheid publiceerde hij spaarzaam. Officieel vanwege gezondheidsproblemen en inertie, officieus wellicht vanwege een naar afkeer neigende twijfel aan literatuur. Ook werkte Minne op het land, en dat reduceerde de waarde van kunst – inclusief die van de pastorale. Peeën vergden zwaarder onderhoud dan versvoeten. De gedichten waarin hij zijn koe Tobbie vastlegde mogen niet snel vergeten worden, Minnes correctie ‘’t Geeft allebei water en wind’ in ‘van Tobbie komt melk, van mij komt wind’ blijft meer bij. Ze komt voort uit een geconstateerde onrechtvaardigheid jegens de koe.
Dat is de januskop van Minne bij zijn voortdurende ontluisteringen van de wereld: hij hecht aan de wereld. En met al zijn wantrouwen in de literatuur is hij er wel door geobsedeerd, Wolfijzers en schietgeweren bevat ook de nodige lijstjes van cruciale boeken. Soortgelijke haat-liefdeverhoudingen jegens leven en kunst openbaarde Multatuli. Zoals die kon uitroepen ‘O God, er is geen God!’, verklaarde Minne tegen Dezelfde Figuur dat er niets dan ruimte om ons is en ‘wat hol gepraat/ en mijn verlangen dat vecht naar U.’ Nihilisten die weigeren nergens in te geloven en wel wat hartigers lusten dan gelei.
Even paradoxaal is Minnes onhandig vermonkelde wens om gelezen te worden tegenover de aandrift geen annexaties door ‘de officiëlen en hansworsten’ te ondergaan. De meest gepleegde woorden bij hem zijn waarschijnlijk ‘niet’, ‘geen’ en ‘zonder’. Zijn tijdschrift ’t Fonteintje poogde zich te ontdoen van kwasterig geachte Van Ostaijen-theorie. Minne predikte individualisme en ontkwam bij die vrijheidsdrang niet aan groepsbarricades. Nonconformisme heeft zijn conformistische randjes. Bijwijlen introduceert Minne de dichter, niet als experimenteel ego maar als retorische figuur. Dan geloof ik het wel. Dieptepunt wat dat betreft is het ‘Vademecum voor den dichter’, met zijn studentikoze uitsmijter ‘veracht den burgerman/ doch ledig zijne kruiken’. Komrij nam het op in zijn bloemlezing, Forum plaatste het in zijn acquitnummer.
Onder dat voor sommigen legendarische blad uit de vorige eeuw is Minne in de literatuurgeschiedenis gevangen. Zijn werk werd in de jaren dertig door Forum min of meer verbreid. Hoorde hij er ook bij? Ik denk dat de historische toe-eigening van Minne van doen heeft met een tactisch ontzet door redacteur Du Perron in het decennium ervoor. In een enquête vulde hij als favoriete dichter Minne in, waar op grond van de toenmalige verhoudingen en contacten Van Ostaijen mocht worden verwacht. Ik bevroed dat Du Perron met zijn herziene voorkeur oprecht was, zich ontworstelend aan een voor hem idiote invloed. En consequent was door de lijn Minne in Forum voort te zetten. De gemeende smaak berustte alleen grotendeels op projectie: een nurks gedicht als ‘Afscheid van Pijper, commis-voyageur’ had Du Perron vermoedelijk graag op zijn naam gehad. Hebben kunstenaars en schoolmeesters ooit een ons zaad in de hand gehouden, vraagt boer Minne zich hardop af. Zijn werk staat mijns inziens – ook Boon wees op de verwantschap – dichter bij Van Ostaijen. Zijn poëtica weer niet, maar met dat begrip is minstens zo veel heilloze verwarring gesticht als door de literatuurgeschiedenis.
Minne hoort bij auteurs die onder het kopje Overigen worden weggezet. Door hun mentaliteit van de eenling, van de dilettant wellicht. Voor Noord-Nederland kan ik dan Pierre Kemp aanstippen of C.C.S. Crone. Ik raak daarmee tegelijk op het gebied van proza, en aan het even mistige als onzinnige onderscheid met poëzie. Minne diagnosticeerde bij zichzelf een ‘hybridische taal’ tussen de genres, mogelijk in de geest van het prozagedicht dat uit progressief Frankrijk was komen aanwaaien. Wel vind ik zijn poëzie beter naarmate ze korter, en zijn proza naarmate het langer is. De logheid die het lezen van Minnes extracten bewerkstelligt, vergt kennelijk toch nog genrewetten. Soms is minder meer, soms is meer meer. Hoe ook, door een eigen, afgebeten toon blijft zijn werk uit duizenden detecteerbaar.
Die toon wordt in de trant van Forum gemeenlijk aan de spreektaal toegeschreven, en de onderwerpskeuze situeert men in het anekdotische. Naar mijn smaak dient deze vaststelling vooral de overzichtelijkheid van het eenduidige beeld. Voor mij is Minnes werk een bron waaruit allerlei types literatuur, van reactionair tot revolutionair, hebben kunnen ontspringen. Mag het heden ten dage ongewis geworden zijn wat spreektaal nog is, het patois van Minne blijkt al tamelijk heterogeen – inclusief hoogliteraire elementen die door een hedendaagse bril snel een satirische aanblik hebben. Voor zover spreektaal in het geding is, lijkt ze me present op basaler niveau, in het ritme.
De Minne in de schoot geworpen melancholie acht ik een zaak van afpellen. Zijn gedichten zijn veelal bewerend van structuur. Ze bevatten onpretentieuze toestanden, een plakje tegenwoordige tijd (de enige expliciet bedichte kritiek trof Urbain Van de Voorde). Minnes proza heeft die trek nog manifester, omdat het dikwijls is gedateerd. Teksten als notities, in hun uitgebalanceerde terloopsheid hakend naar een deconfiture. Alles staat ten dienste van de opsomming die het individu, doordat het ontluisterd wordt, scherp wil maken, rekenschap wil doen afleggen. Aldus biedt zijn werk minder gauw toegang aan esthetisch te genieten metaforen, hoewel Minne, coulant gestemd als het ware, pareltjes kan uitstrooien. Hij heeft het er in zijn poëzie bijvoorbeeld over dat ’s avonds aan zijn ruit ‘een kever licht komt drinken’. Mogelijk is dat gewoon een waarneming.
Voor mij als doorsnee Hollander is het speciaal dat ik aan Minne hang. De grens bij Wernhout heeft vanuit Noord-Nederland bezien weg van een loopgraaf. Men mag zich daar niet veel illusies over maken. Zelfs het kanon Van Ostaijen klinkt boven de rivieren als een dienstpistool; onlangs hoorde ik een gereputeerd professor met meesmuilende instemming van zijn toehoorders gewagen van ‘de bekende onbegrijpelijkheid van Van Ostaijen’. De reputatie van Gezelle in Nederland is vergelijkbaar met die van Gorter: virtuoos dichter, averechts gedachtegoed. Van de Woestijne raakt niet buiten de poorten van de universiteit. Minne voert hen overigens allen op in gedichten, als bloot onderdeel van zijn werkelijkheid. Ik vrees dat Claus de enige Vlaming is die boven de rivieren enigszins serieus wordt genomen. Fijnproevers lispelen boven het servet over Gilliams en De Haes (die een Minne-fan was). Pernath ligt al te zwaar op de maag en Hertmans is een verplicht laxeermiddel. Een recent fenomeen als Van Bastelaere is in Holland, buiten een circuit dat hem het kostuum van halfgod heeft aangemeten, feitelijk onbekend.
Om een klassieke status zal Minne niet hebben gemaald. Of misschien wel, openbare achteloosheid kan misleiden. Het antwoord op Minnes exacte ambities is ingewikkeld, omdat hij absoluut relativeert. Een rituele heiden in de kerk van de literatuur; de lezer krijgt wijn en edik voor dezelfde prijs. Minnes werk wordt door eelt bedekt. Sentimenten te over in een taal die weerbarstig is, die ondanks aanhoudende zelfanalyses niet onthult. Of moet het evidente sarcasme schaamte bekleden? Minne heeft het, conform zijn debunkingbeleid, zelf gesuggereerd. Wellicht huist in de eeltlaag Minnes authenticiteit, hoewel deze stelling al te pertinent kan zijn.
Een strofe van een ander gedicht uit de Rozenkrans-cyclus, waarmee dit oeuvre voor mij tot leven kwam, geeft dit zelfportret:

Ik ben, o Heer, slechts als het veer
dat op twee oevers waakt,
maar bij een hoge stroom te keer
halfwege in nood geraakt.


Minne pendelde tussen de leer der kluiten en de metafysica. Ik denk niet dat hem ooit ergens een aankomst werd bereid. En meende hij eventjes van de grond te raken, dan zal ‘de nachtvogel Skepsis’, personificatie van alles wat bij Minne tussen haakjes staat, hem hebben teruggeplaatst naar datgene waar tijdelijkheid eeuwig is.

Tijd Cultuur, 16 mei 2001

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.