dinsdag 10 februari 2009

Lenny Bruce (2004)


‘Do you know where I can get any shit?’

Als we Catherine Hardwicks onthutsende film Thirteen mogen geloven, weet de Amerikaanse jeugd van tegenwoordig langs welke kanalen de chemie je zoal in hogere sferen kan brengen. Geïnspireerd door de president, die in zijn jonge jaren dikwijls een frisse neus moet hebben gehaald? In natuurlijke samenstelling schijnen De Middelen heilzaam te zijn: lurken de Tibetanen zich er niet erg oud aan? Men moet plezier hebben en daarbij wat presteren, liefst een beetje bijzonder. Vooral in de kunsten is het gebruikelijk toevlucht te zoeken tot de stimulantia. Jazzmusici lijken van stonde af intraveneus te zijn gevoed en voor zover het nog niet bekend was, geeft Marcus Boons The Road of Excess (2002) een historisch overzicht van auteurs wier wapenfeiten mede uit de dope ontstonden. Sartre komt eruit tevoorschijn als een wandelend Bhopal. Een boterhammetje met bruine suiker volstaat niet steeds als de ratio moet opgerekt om het ding an sich nabij te komen.
Dergelijk spul mag worden aangesproken, zolang er een wettelijk verbod op rust. Vermoedelijk is deze dubbele moraal de kick; iedereen beseft dat de laatste taboes wellicht integriteit en oprechtheid zijn. Volgens die spelregels kon Clinton verklaren dat hij in een paradijselijke era wel hasj had gerookt maar niet geïnhaleerd: destijds moest de economie ook voort. Hoe officieel de war on drugs wordt gevoerd, de staatskas zou knarsen wanneer ze niet indirect werd gespekt. Zo is het altijd geweest – de foto van Nixon en Elvis die een antidrugsbeleid bezegelden met een handdruk waarmee ze elkaar overeind hielden.
Toch heeft openlijkheid een grens. Lenny Bruce ondervond dat. Geboren in 1926 te Brooklyn als Alfred Leonard Schneider, was hij in de Tweede Wereldoorlog boordschutter, die in het Middellandse Zeegebied ballistieke furore maakte. Nadien ging hij de showbusiness in en was wat nu een stand-upcomedian heet. We schrijven het Amerika van de jaren vijftig waar naast de communist een ander spook altijd welkom was. Bruce geloofde in sick jokes, in het stukpraten van door wegzien gebrandschatte connotaties. ‘Klaar is een bijwoord. Komen is een werkwoord, een onovergankelijk werkwoord. Klaar komen.’ Ze waren niet alleen moderne jazz, op scatwijze gebracht, ze behelsden een antidotum voor de gezonde humor van collega’s die repressiviteit serveerden op een bedje van goocheme hypocrisie: ‘Als nou iemand hier of waar ook ter wereld deze woorden decadent, obsceen, immoreel, amoreel, aseksueel vindt, als je denkt dat ik ze absoluut tegen je moet zeggen en jij merkt dat je ze verschrikkelijk graag wilt horen, dan kun je waarschijnlijk niet klaarkomen.’
De autoriteiten deelden dit geloof niet. Het laatste decennium van zijn leven stond Bruce bijna permanent bloot aan justitionele vervolging. In oktober 1961 werd hij in San Francisco bij een act gearresteerd wegens obsceen taalgebruik. Hij noemde namen, gaf het publiek wat het wilde horen en niet weten – routinebeschimping. Zelfs vertelde Bruce doodleuk dat zijn succes volgde uit de segregatie die hij op velerlei fronten bestreed. En hij was al zo groovy dat hij kon gelden als een expert in het schenden van de opiumwet. De werkgelegenheid slonk, rechtszaken stapelden zich op en Bruce moest zich oppeppen voor de goede zaak. Zijn allengs narcistischer wordende geest had gelijk, zijn lichaam niet. Op 3 augustus 1966 werd Bruce aangetroffen op een openbare wc in Los Angeles, een naald stak in zijn arm. Sectie wees uit dat hij was gestorven aan een overdosis morfine. ‘Do you know where I can get any shit?’ zou hij nog gevraagd hebben.
En Amerika verstouwde wat jointjes en brouwde uit destructie gul een mythe, zeker toen de antipsychiatrie met een niet wezenlijk te peilen engagement gekte als normaal ontmaskerde. Bob Fosse kon in 1974 met de in stemmig zwart-wit geschoten biopic Lenny goede sier maken (Dustin Hoffmann speelde de hoofdrol). In de Lage Landen was er Jotie T’Hooft en met De moeder van David S. maakte Yvonne Keuls de drugsproblematiek aan gene zijde van de relaxtheid bespreekbaar. Geïnstigeerd door types als Lou Reed en David Bowie met zijn Berlijnse elpees was ook popmuziek rijp voor het heldendom van de verschoppeling met de lonkende aderen. Cornets de Groot heeft in Met de gnostische lamp beweerd dat in de twintigste eeuw van de jeugd de jaren vijftig de nozem opleverde, de jaren zestig de provo, en de jaren zeventig de junkie. Ontegenzeglijk had drugs een romantische aura. Maar die verbleekte.
Punk, vies van vredespijperij, eiste in Sid Vicious een ostentatief heroïneslachtoffer en de film Christiane F. Wir kinder von Bahnhof Zoo bracht de boodschap dat drugs een hoop ellende veroorzaken. Inderdaad had Bowie zich alweer een ander imago aangemeten. Drugs werd geassocieerd met criminaliteit en winstbejag, later bijvoorbeeld door houseparty’s, waarbij pilletjes uit duivelse laboratoria een onlosmakelijk onderdeel blijken van de vrijetijdspret.
Bruce’s jaren raakten museaal. In het nummer ‘It’s The End Of The World As We Know It’ voert REM hem ten tonele: ‘The other night I dreamt of knives, continental drift divide. Mountains sit in a line, Leonard Bernstein. Leonid Brezhnev, Lenny Bruce and Lester Bangs.’ In Don DeLillo’s roman Onderwereld (1997) vertolkt Bruce het kosmopolitische verzet tegen de Varkensbaaiaffaire: ‘zijn lichaam in de losse slappe houding van een bebopper; hij had een antracietgrijs pak aan, Europese stijl, zonder schoudervullingen en met halve revers, en droeg een dunne donkere gebreide das en keek met die Newyorkse, Levantijnse blik.’ DeLillo laat Bruce de afgewende wereldcrisis uitduiden uit het feit dat Kennedy, die evenmin op een pilletje meer of minder keek, de paus had gebeld. En de performer valt terug in zijn witzen.
Eind 2003 kwam het bericht dat George Pataki, gouverneur van de staat New York, Bruce vrijsprak van belediging. Lenny was er in 1964 opgepakt, nadat hij bij een show in Café a Go Go – naar een telling van politiemannen in burger – meer dan honderd keer ‘fuck’ had gezegd. Veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf verliet hij New York, en kwam niet meer aan de bak. Na 37 jaar, veilig opgeborgen in Gods Hall of Fame, kreeg Lenny alsnog gratie, omdat de vrijheid van meningsuiting klaarblijkelijk telde. Een welkom voorbeeld voor de jeugd.

De Morgen, 10 maart 2004

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.