maandag 9 februari 2009

Woodstock (2003)


‘No rain! no rain!’

Vier Amerikaanse midtwintigers kwamen op het idee in augustus 1969 een popfestival te organiseren. Boer Max Yasgur, uit het dorpje Bethel dat 2366 inwoners had, stelde zijn weiden beschikbaar. In een overmoedige bui – het hippiedom verkeerde in zijn hoogtijdagen – verwachtten de jongens zestigduizend bezoekers, die drie dagen lang muzikaal begeleide geestverkwikking zouden kunnen ervaren.
De droom kreeg rare randjes door een zachte maar dwingende toestroom. Hekken om Yasgurs terrein gingen tegen de vlakte, en de organisatoren kondigden af dat het betalende festival gratis werd. Vierhonderdduizend kinderlijke volwassenen kwamen opdagen en per minuut leek het festival, Woodstock, legendarischer te worden. Er ontstond een micromaatschappij. In de loop van de dagen zagen twee baby’s het levenslicht en er waren vier miskramen.
Had de aanzwellende massa iets van troepenbewegingen bij een oorlog, het klimaat was extreem vreedzaam en de werkelijkheid kreeg zowaar iets van een idylle, omwolkt door hyperbewuste naïveteit. Legereenheden voorzagen op vrijwillige basis het tot rampgebied uitgeroepen terrein van voedsel en medicatie. De eeuwenoude theorie van het christendom kreeg eindelijk haar praxis: broederlijkheid door te delen.
Ook een zondvloed kon het saamhorige gedierte des velds niet uiteendrijven. Toen de lucht betrok, bracht de organisatie de apparatuur in veiligheid en informeerde het publiek. Ook met de tip: ‘Hey, if we think really hard, maybe we can stop this rain.’ En het publiek dreinde: ‘No rain, no rain’. Het gebed werd vooralsnog niet verhoord. Zonder reclamatie trouwens, allen achtten de zondvloed nice and clean en okay en fine, en de weide veranderde in een modderpoel waar halfnaakt doorheen geroetsjt werd. Alles bleef onverstoorbaar ludiek in leven, en ten slotte pakte blank en zwart alles wat geluid maakte en instigeerden een ritme waardoorheen men triomfantelijk huilde. De gemeenschap was gevestigd; het werd droog. Op een busje was al Even God loves America te lezen geweest en een non had het V-teken gemaakt.
De volgende donatie van boven kwam van helikopters met het manna van bloemen en droge kleren. Bethel deed zijn naam eer aan – oord waar aartsvader Jacob in een visioen engelen over een ladder zag stijgen en dalen. De hemel leek binnen handbereik.
Een wijkplaats was Woodstock. In de gelijknamige, fenomenale documentaire uit 1970 door Michael Wadleigh vatte een bezoeker het zo samen: ‘the Hamlet-trip, you know: to be or not to be’. Het reële zijn leek voorbehouden aan de jongeren, met real communication. Ze keerden zich tegen hun ouders, door wier moraal de genietingen van het leven onaangeraakt passeerden. De Woodstockgangers werden wel gekarakteriseerd als een leger van vreedzame guerrillastrijders.
Tijdens het festival zong John Sebastian het liedje ‘Younger Generation’ (dat hij voor The Lovin’ Spoonful had gemaakt). Blijmoedig vroeg hij zich af waarom ouders altijd square werden bevonden met hun cardinal rules. En wat als hijzelf vader was van een kind? ‘And all my deepest worries must be his cartoons.’ Voor vernieuwing, lijkt de suggestie, is het paradigma van de vadermoord aangewezen. Uiteraard klonk er tijdens Woodstock soms meer dat nu bevreemdend voorkomt, maar de meeste muziek was wonderschoon: Joe Cocker voordat hij zich bekeerde tot het designalcoholisme, Crosby, Stills & Nash, Jimi Hendrix, Sly and the Family Stone. Hen verbond protest tegen het gereduceerde leven, met een pleidooi voor het experiment ten behoeve van een nobeler, bevrijder zelf en daarmee ten behoeve van een betere maatschappij. Zij zouden bewijzen dat die wel degelijk maakbaar was.
Frappant in de documentaire Woodstock is echter het achterwege blijven van een generatiekloof. Een enkele uitzondering daargelaten tonen ouderen uit de omgeving, politiemensen maar ook een Port-o-San Man die onverstoorbaar toiletten schoonmaakt, zich positief, mogelijk in zachtaardige afgunst op de loutere fun die werd ontplooid. De gepredikte peace lijkt even overgeslagen, wellicht metonymisch – meer milde ouders verklaren een kind te hebben dat in Vietnam vecht. Voor telefooncellen staan lange rijen hippies die even naar hun ouders willen bellen om te zeggen dat ze goed zijn aangekomen; op de eerste dag werden er vijfhonderdduizend interlokale belletjes gepleegd. Max Yasgur, die een dubbelganger lijkt van Arafat, spreekt de festivalgangers dan ook lovend toe, waarmee de zegen wel is gegeven.
Wel demonstreert Woodstock dat genietingen faciliteiten behoeven. Het gros van de aanwezigen mag, al dan niet door LSD, in hogere sferen verkeren, een aantal leeftijdsgenoten houdt zich, omgekeerd genereus, constant bezig met de logistiek. De documentaire heeft vaak twee beelden naast elkaar, bijna als iconografie van deze meerstemmigheid (en wederzijdse afhankelijkheid).
Pas na afloop werd het slagveld zichtbaar. Meteen in de vorm van een gigantische hoeveelheid afval dat, volgens mij een primeur, gescheiden opgehaald werd. Op de wat langere termijn bleek het effect echt zuur. De festivalgangers zijn alsnog volwassen geworden – ouders, grootouders soms al. Ongewis is of de pedagogische intentie van John Sebastian (‘And I must be permissive, understanding of the younger generation’) gestand is gedaan. Het cliché van de rijpere mens luidt: een illusie armer maar de droom niet vergeten. Hier lijkt het anders: ludiek verrijkt en de droom verdrongen. De festivalgangers hebben inmiddels machtsposities ingenomen waarin ze, onder het mom van een herstel van oude waarden, rentabiliteit heilig hebben verklaard. Maar misschien stopte hun huidige Honorabele Bondgenoot destijds gewoon kiemen van het neoliberalisme in de regen.
Zijn de jongeren van toen geboren historici geweest, wapendragers van de wijsheid achteraf? De wijsheid moest eerst even wereldkundig gemaakt in kranten, en alles wat in de krant staat is nu eenmaal waar. En uiteraard kampt hetgeen tegenwoordig historisch heet met herdenkingen. Vijfentwintig jaar na dato kwam er een tweede Woodstock, waar Crosby, Stills & Nash wederom optraden, op zijn minst sterk verouderd – wel zetten ze door het concert hun zoveelste comeback luister bij. Van het oorspronkelijke Woodstock resten gadgets, verkrijgbaar via Internet: ongebruikte en naar believen ingelijste toegangskaartjes, inclusief een Letter of Authenticity.
Uit protest tegen de Vietnamstrategie had Hendrix het volkslied ‘Star-Spangled Banner’ magistraal aan flarden gespeeld, maar alle naden van de vlag zijn gelijmd zodat er weer in preventieve aanvallen kan worden gegrossierd. Robert Musil laat in De man zonder eigenschappen Ulrich concluderen: ‘Het menselijk wezen is even gemakkelijk in staat tot kannibalisme als tot de kritiek van de zuivere rede; als de omstandigheden ernaar zijn kan het met dezelfde overtuigingen en eigenschappen zowel het een als het ander, en heel grote uiterlijke verschillen corresponderen daarbij met heel kleine innerlijke.’

De Morgen, 11 juni 2003

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.