dinsdag 10 februari 2009

José Ortega y Gasset (2004)


‘In dit land kan men niet eens meer in vrede sterven’

Iedereen schijnt een absolute leeftijd te hebben, rijmend met een mentaliteit die zich hoogplatonisch uitkristalliseert. Na geboorte word je wie je was. Ook bestaat er een relatieve leeftijd, waarop een onweerlegbare prestatie geleverd is. Daarna kun je maar beter uitscheiden – het vel zal lubberig worden. Dat is de wet van de mentale dermatologie: over sommige verdiensten, al zijn ze onbedoeld, raak je nooit heen. Je sterft met je eigen, tot de eeuwigheid gedegradeerde wonder.
In het licht van laatstgenoemd fenomeen was het voor mij bizar te vernemen dat José Ortega y Gasset is overleden in 1995, wetend dat zijn La Rebelión de las Masas, spreekwoordelijk geworden in de wat bijgevijlde vertaling De opstand der horden, uit 1930 stamt.
De titel verwijst naar onstuimig consumerende massa’s die de Spaanse denker rond zich zag opdoemen, de steden van het oude Europa uitgietend met ‘volheid’. De op zich problematische aristocratie is ingeruild voor een hyperdemocratie, waarin naar materieel gewin en lust wordt gehandeld. Terwijl futuristen weinig tevoren snelheid en een grote schoonmaak van het verleden hadden aanbevolen, bepleit Ortega, die zijn vaderland al eens de rug toegekeerd had, rust en bezinning op de geschiedenis. Zijns inziens anachronistische stromingen als bolsjewisme en fascisme ontberen dat besef. Hij wijst de negentiende eeuw aan als boosdoener. Toen groeide de wereldbevolking explosief, genoopt tot specialisatie raakte het overzicht kwijt. En alsof de grabbelton van het internet reeds een feit was, beperkte het onderwijs zich tot het aanleren van techniek, zonder ontvankelijkheid voor het waagstuk van het bestaan. Voordien, galmt het bijna sartriaans, betekende leven kiezen, vrijheid gebruiken. Nu laat men zich beslissen, meedobberend op de golven van het directe profijt. De natuurmens in een ingewikkelder wordende wereld of, in termen van Sloterdijk, een homo politicus als dier in een abstracte behuizing. Men ijlt zich homogeen naar moraalloosheid en brengt een beschaafd werelddeel in diskrediet. De makke die Ortega signaleert is dat elkeen overal recht op denkt te hebben (ook op vulgariteit). Dat beschouwt hij als een ‘hermetische afgeslotenheid van de ziel’, diametraal op de dynamiek van de spaarzaam overgebleven asceet. De homo metafysicus dan, die in oefening zijn ideaal heroverweegt. Koonrode voetnoten, bulkend van belezenheid, doorspekken Ortega’s betoog, en gaandeweg wendt hij zich, woordenpraal nota bene als wezenlijk geweld brandmerkend, rechtstreeks tot de lezer.
De opstand der horden was in 1926 voor een Madrileens dagblad opgezet als artikelenreeks. Na bundeling kwam het boek terstond in een rijtje met Der Untergang des Abendlandes (Oswald Spengler, 1922) en La trahison der clercs (Julien Benda, 1927), werken die de Tweede Wereldoorlog heetten te voorspellen. Feit is dat Ortega’s Nederlandse vertaler, Johan Brouwer, in 1943 gefusilleerd zou worden vanwege een aanslag op het bevolkingsregister te Amsterdam. Maar eerst moest het in Spanje zelf gaan rommelen.
Tijdens de burgeroorlog ging de onafhankelijke Ortega wederom in ballingschap (generallissimo Franco lijkt als tachtigjarige geboren) en diende, steeds meer huid met zich meedragend, alle walmende leuzen te bestrijden vanuit vluchthavens. Zo kon hij te Oegstgeest de Franse uitgave van De opstand der horden in 1937 vergezeld doen gaan van een nog alarmerender inleiding over de massamens: ‘Hij heeft alleen maar verlangens, en is van mening geen verplichtingen te hebben. Het is de mens zonder de adeldom die verplicht – sine nobilitate – snob.’ Ortega had de absolute leeftijd van twintig gekregen. Terloops meldt hij dat de politiek de mens verhindert eenzaam te zijn. Het voorwoord was om precies te zijn geschreven in Het Witte Huis, dat hij met zijn gewetensvolle historische bewustzijn memoreerde als pleisterplaats van de honorabele ontdekker van de rede, Descartes, in 1642. Ironischerwijs zou professor Bastiaans er lsd en ibogaïne toedienen aan getraumatiseerde slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, om hen aan de praat te krijgen.
Na 1945 keerde Ortega andermaal naar Spanje terug en hij wende nooit meer. En natuurlijk was hij in die nabije vreemdheid nog op zijn doodsbed, ongetwijfeld een lebbige meneer, in de contramine: ‘In dit land kan men niet eens meer in vrede sterven.’ Had hij van de tijd waarin dit wel kon een beeld uit studies? Het zou een paradox zijn die meer wereldverbeteraars tekent.
Het is verleidelijk te speculeren over de relevantie voor het heden van Ortega’s klachten bij het hoge welvaartspeil. Te eenvoudig lijkt het om zijn onheilsprofetie als reactionaire smetvrees te relativeren, dan wel er als een flinke, windgevoelige denker mee te heulen. En weliswaar zag de wijsgeer soelaas in ‘de Verenigde Staten van Europa’, dat begrip dunkt me wat pijnlijk nu, om Sloterdijk te hernemen, imaginaire gemeenschappen levensecht bloed vergieten. Voorbij de performatieve taaluitstoot is het wellicht zinniger een gokje te wagen wie de horden van vandaag zijn. Omdat Ortega waarschuwt voor intellectuele nivellering die in retrospectief elitaire, mogelijk zelfs absolutistische trekken lijkt te vertonen, valt te denken aan journalisten. Hun ster is gestegen ten koste van leraren, de geleerden van ooit. Of het om olifanten in het Zoniënwoud gaat of een diamant in Kaapstad, de gecontextualiseerde mening, voorheen gedeeld met barbier of toogcollega, rolt er op maat uit. Dit geldt evengoed voor kunstenaars, gesubsidieerd naar de Balkan afreizend om te discussiëren over de toekomst van Oost-Europa. Ortega zou van society spreken, ‘wier leden alleen maar leven van elkaar uit te nodigen of niet uit te nodigen.’ Aldus heeft de Frans-Amerikaanse auteur Raymond Federman schier letterlijk ingewanden gelezen toen hij door zijn joodse ouders als jongen tijdens een razzia in een kast werd opgesloten; zij werden weggevoerd en hij zat vast, dagenlang, en moest zijn behoefte doen in kranten. Hij vouwde ze keurig toe.
Elke era krijgt de denkers die ze verdient. Punt is wel dat fundamentele opposities tegen een gang van zaken een obligaat cultuurpessimisme ademen, verworden tot rituele retoriek die domweg in het pakket van de actualiteit zit. De wetenschap van José Ortega y Gassets sterfjaar was in elk geval een canard, uit een vertaald best of-boekje met quotes die men bij bittertafelactiviteiten kan afraffelen. De man blijkt in 1955 afgereisd naar Hoog-Barbarije. Ook dan heeft hij zichzelf naar mijn gevoel overleefd.

De Morgen, 14 januari 2004

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.