Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label muziek. Alle posts tonen

woensdag 23 januari 2013

Koffie: de groslijst (2005-2012)





‘Aan tafel. 8 ladychefs in de kleren’, De Standaard Magazine 23-1-2010
Jan-Frederik Abbeloos: ‘George Clooney drinkt thee’, De Standaard, 11-10- 2012
Hans Abbing: Van hoge naar nieuwe kunst. Historische Uitgeverij: Groningen 2009
Ludo Abicht: De Verlichting vandaag. Houtekiet: Antwerpen/Amsterdam 2007
Hans Achterhuis: Politiek van goede bedoelingen. Boom: Amsterdam 1999
Hans Achterhuis: Met alle geweld. Een filosofische zoektocht. Lemniscaat: Rotterdam 2008
‘Achterklap Foto's - 23 oktober 2008’
http://www.ad.nl/koffietest/
Theodor W. Adorno: Minima Moralia. Vertaald door M. Mok. Spectrum: Utrecht 1971
Remieg Aerts: Het aanzien van de politiek. Geschiedenis van een functionele fictie. Bert Bakker: Amsterdam 2009
A.F.Th.: Het schervengericht. Querido: Amsterdam 2007
http://www.ah.nl/perla/
http://www.aholdcoffeecompany.nl/nl/
Wilma van den Akker: Nageljongenstraat. Holland: Haarlem 2008
Alain: Over het geluk. De Prom: Baarn 1996
http://alembert.fr/index.php
Alzheimer Nederland: ‘Waar drinkt u koffie uit?’, NRC, 23/24-8-2012
Haroon Ali: ‘Fietsen op gereclyclede koffiecups’, de Volkskrant, 6-11-2010


woensdag 2 februari 2011

J.M.H. Berckmans (2001)

De kornetten en trompetten van Jericho

ter nagedachtenis van Jan Kostwinder


`En kontakt moet ge hebben. Kontakt is het allerbelangrijkste dat er bestaat. Als ge geen kontakt hebt zijt ge dood. Gij zult misschien denken dat ge 't beter weet maar kontakt hebt ge nodig. Zonder kontakt kunt ge niet bestaan.' In deze monoloog uit Het zomert in Barakstad (1993) van J.M.H. Berckmans ziet de lezer een tragische dronkeman lallen. Verder bladerend door het werk van de Antwerpse schrijver plaatst hij hem tussen laveloze soortgenoten met permanent kastekort, dégénerés in cafés en stempellokalen, omringd door sociale werkers en deurwaarders en schoonheden wier houdbaarheidsdatum is verstreken. Hij ruikt de geur van koffie met brood en spek (op hoogtijdagen biefstuk met friet), besmeurde kleren en kotsplakkaten. Alles stevent af op de ondergang, iets waarvoor Berckmans van stonde af de term defaitisme reserveerde die hij gul door zijn werk heeft gestrooid. Het verlatene trekt aan het oog voorbij, droefenis, de dood die te verkiezen lijkt boven het leven.
De lezer waant zich een socioloog van de skid row.
Tegelijk hoort hij de dronkeman die, zoals de overlevering wil, altijd de waarheid zegt. De woorden zijn op zo'n wijze geordend dat het gedram van mensen die ver boven hun tax zitten maximaal tot uitdrukking komt. In vijf zinnen beweert de hoofdpersoon feitelijk steeds hetzelfde, een functionele herhaling met varianten. Via zijn oren voelt de lezer een ongemak ontstaan, dat zich fysiek over hem uitspreidt. Zo'n effect kan louter worden gesorteerd door strengheid. De monoloog komt dan ook uit een verhaal waarbij in de schaduw van de hoofdpersoon een als Jean-Marie aangeduide schrijver figureert, uit wie een beeld ontstaat van een professional, iemand die zijn vak doodserieus neemt. Als Jean-Marie uit een kroeg wordt gesmeten, is de krenking dubbel: `dat hij een bekende schrijver is en naar Humo en naar De Morgen zou schrijven.' Bovendien blijkt hij ter voorstudie van de hoofdpersoon een bandopnemertje te hebben laten meedraaien aan de bar. Het aldus verkregen materiaal moet Jean-Marie hebben geoptimaliseerd tot skaz.
Het verhaal heet `Aantekening over De Beuckelaer Jean-Pierre.' Dat doet kinderlijk en bescheiden aan, maar het is ook zakelijk. Een oefening in literatuur, die Antwerpen de grimmige naam Barakstad heeft verleend.
Over het werk van Berckmans ligt een schijn. Hij zou bloemrijke anekdotes serveren over wat door hygiënische hoofden `de onderkant van de samenleving' wordt genoemd. Voor het werk in kwestie kan die term niet letterlijk genoeg genomen worden. Het ware hoofdpersonage bij Berckmans lijkt de reet, soms met een guitig, de dood in de pot brengend anglicisme `ashool' geheten. De meest frequent gepleegde handeling is het afvegen van de poep na een boodschap, iets wat wegens ontbreken van toiletpapier, acute diarree of vergaande verwaarlozing veelal tot mislukken gedoemd is. Louter de kapitalen waarin Berckmans BROEKSCHIJTERIJ heeft vervat staan pal. Voeg daar een autodatering als `het tijdperk van de latrine' aan toe, grinnik over `mijn rectum plus quam perfectum van de vuiligheid' en een mythe is geboren. Berckmans' werk kan erdoor gaan gelden als document humain, met authenticiteit als keurmerk.
Ik op mijn beurt wil geenszins voorbijgaan aan de onafzienbare ellende die Berckmans reveleert, maar evenmin aan de literatuur die hij ervan heeft gemaakt. Dan doel ik niet op een dirty realism, maar op iets wat klinkt. Dit kan esthetisch overkomen, zeker vanwege mijn onbekendheid met de Umwelt, het milieu en dialect dat Berckmans opvoert. Café De Raaf is voor mij een naam die, om het lomp te stellen, eerder een gedicht van Edgar Allan Poe oproept. Bij die beperking wil ik toch staande houden dat ik als lezer nauwelijks enige afstand van deze teksten hoef te nemen om vooral vorm te zien.
Ik zou verder willen gaan: een op de inhoud gerichte aandacht voor hetgeen Berckmans publiceert lijkt, hoe paradoxaal ook, esthetisch en belust. Hoe moet ik het zeggen - het aanprijzen van een street credibility heeft iets van het detecteren van onkruid tussen trottoirtegels vanuit een wolkenkrabber. Wellicht kan ik de blikrichting in dit beeld benutten. Mijn twijfels richten zich op een verticale aandacht die in de tekst een aantal universalia waarneemt. Die benadering ziet voorbij aan de horizontale lijnen, uitzaaiingen ter plekke, die specifiek zijn voor literatuur, en ook voor dit oeuvre. Weer anders gezegd: het verondersteld circulaire zal plaats moeten maken voor het feitelijk lineaire. Ondanks alle zever die bij Berckmans vanwege slechtzittende tandprotheses wordt gestort, ondanks alle stront die vanwege incontinentie vloeit, blijft zijn taal hard, uitgehouwen.
Het is maar wat de lezer wil weten. Wanneer onder een verhaal staat `With a little help from Alfred Rosengarten Nevada', dan kan die naam aan een vriend worden toegeschreven en snellen er aldus gedachten naar het nummer van The Beatles, eventueel in de uitvoering van de populaire innemer Joe Cocker. Maar het onderschrift hoort bij de titel en die luidt `Hoe het is', naar een ascetische tekst van Samuel Beckett. Over diens Malone dies meldt Taxi naar de Boerhavestraat (1995) terloops: `Het einde van de westerse literatuur. Zo niet het allereerste begin.'

maandag 9 februari 2009

Herman Brood (2003)


‘Mannen, laat je niet verneuken door poëzie die niet rijmt’

Toen het eerbiedwaardige culturele tijdschrift De Gids in zijn honderdvierenvijftigste jaargang een themanummer wilde wijden aan het fenomeen popmuziek, lag de vraag open wat het omslag te zien moest geven. Ik suggereerde een tekening van Herman Brood, waarop een sergeant zijn soldaten toeblaft: ‘Mannen, laat je niet verneuken door poëzie die niet rijmt.’ De afbeelding kwam er, maar zonder onderschrift – het was per ongeluk weggevallen.
De tekening stond in Stil daar is ie... uit 1984, een bij een marginale uitgeverij verschenen stripboek ten behoeve van Broods zoveelste comeback waar zijn persoonlijk manager ‘weer helemaal het oude gevoel’ bij had. Het boek werd ingeleid door ene Bart Chabot voor wie het onmogelijk kwaad kon ermee op de ruïneuze resten te gaan staan van een instituut. Aan het eind van de jaren zeventig was Brood de rijmvaste, ongekroonde koning van de Nederlandse popmuziek geweest, niet weg te denken uit de media, conform zijn berkeleyaanse motto ‘Zijn is waargenomen worden’. Het koninkrijk bleek gegrondvest op een georganiseerde chaos, en weinigen kunnen zich aan de top handhaven wanneer resultaten uitblijven. Brood had op het hoogtepunt van zijn roem zijn biezen gepakt. In het beloofde land Amerika flanste hij de elpee Go nutz in elkaar, die eensluidend werd afgeserveerd door de meegereisde pers: ‘no guts’. Een geval van zelfhaat? Plots werd Brood verweten dat hij overpubliciteit had gezocht... door journalisten. De U-bocht in de waardering was complex. En het werd heel stil rond de zanger/pianist. De oude stiel van tekenaar pakte Brood op, en hij trachtte er de vruchten van te plukken voor zijn auditieve wederopbouw.
Begeleid door rhythm ‘n blues in de ware zin van het woord deed Brood opgeld met verhalen over het triumviraat sex and drugs and rock ‘n roll. Levensgenieting door middel van verantwoorde onbetrouwbaarheid en effectieve amnesie (‘spijt is wat de koe schijt’) was zijn parool. Ontelbaar zijn de reportages waarin de journalist van dienst een nacht stukslaat met de ster, gevoed door diens op pure ervaring gestoelde wisecracks, soms ook bij monde van in de steek gelaten vriendinnen, getuigend dat Herman eigenlijk een Erg Lieve Jongen was Op Wie Je Niet Kwaad Kon Worden. Broods heroïne werd van stonde af door zijn manager in overlevingsdoses verstrekt en later mocht hij belastingschulden vereffenen met gelegenheidsschilderijen voor aan de muren van ‘s lands inningskantoren. Terwijl hij meestal gehuld was in kekke showbizzkledij of in een guerrilla-achtig bespikkeld gevechtstenue, pacificeerde hij bij tijd en wijle zichzelf door kostuums te dragen. Brood mocht doen wat God verboden had, hij was tegelijk iemand die bijna sentimenteel hamerde op fatsoen, bijvoorbeeld jegens de moeder.
In overeenstemming met dat – veelvuldig naar buiten gebrachte – principe van de wiedergutmachung publiceerde hij in 1988 de dichtbundel Zoon van alle moeders. Die bevatte inderdaad rijmloze poëzie, en wekte over het geheel een onaangepaste en soms zelfs autistische indruk. Brood, geboren in 1946, was opgegroeid met gedichten van de Vijftigers en de Zestigers (met name Vaandrager) die ogenschijnlijk allerminst conventioneel mochten heten. Anarchie lag meer in de lijn van de directe expertise. Ook voor wat betreft de muziek: de jonge Brood was een fan van Little Richard en van Art Blakey. Wel bekende hij als wat oudere, bekende meneer dol te zijn op Johnny Jordaan en tante Leen, waarmee het profiel van tegenstrijdigheid en voorbehoud weer getekend was. Zijn mentaliteit slokte als het ware alles op tussen het vrije vers en de vormvastheid, tussen desintegratie en assimilatie. Ik vermoed dat Brood het allemaal inbouwde om een ontsnappingsroute te hebben. Naar de raderen van de publiciteitsmachine van de literatuur die de tekst is gaan verdringen, was het niet meer dan logisch dat Brood uit Zoon van alle moeders moest voordragen bij prestigieuze gelegenheden. Zo trad hij op op Poetry International en werd door het kennerspubliek weggehoond. Naderhand verklaarde Brood grijnzend dat hij had gelezen uit het werk van zijn iets hoger aangeschreven vriend Lucebert.
Pendelend tussen non-conformisme en aanpassing, als een eeuwig kind dat op latere leeftijd dan maar zijn haren zwart verfde, kon Brood het zich veroorloven volstrekt zijn eigen zin door te voeren. Hij schilderde in ijltempo het ene doek na het ander vol dat, zeker gaande zijn carrière, voor grof geld van de hand ging omdat het Een Brood was. Een concessie was wel dat hij nooit helemaal serieus genomen werd, en dat verdisconteerde de ster dan door méér van het omstredene te praktiseren. En dus gaf hij regelmatig schilderijen, amper opgedroogd, aan willekeurige voorbijgangers cadeau. Maar hoe Brood ook shockeerde en hoe overbewust hij ook ageerde tegen doorgeschoten tolerantie, het werd allemaal gedoogd.
Stengun of waterpistool? Het bizarre van zijn status bleek nadat een zieke Brood, incontinent en kaal, in 2001 zelfmoord had gepleegd door een duik van het dak van het Hilton Hotel. Terwijl een wagen met Broods stoffelijke resten door de stad reed, riep het massaal toegestroomde publiek: ‘Herman bedankt’. De rat bleef een knuffeldier. Zoals dat moet gaan, kreeg Brood na zijn dood zijn eerste nummer 1 hit met een abominabele versie van ‘My way’ en verkoos het blad Management Team Herman Brood postuum tot ‘merk van het jaar’. En zijn oude kameraad Chabot, al jarenlang aan de weg timmerend als auteur van obscure boeken, wist niet hoe snel hij delen moest publiceren van een domesticerende biografie die wilde openbaren ‘hoe Herman werkelijk was’. Ze werden en worden bestsellers, omzwermd door interviews die zulke zoete koeken nu eenmaal schijnen uit te lokken.
Natuurlijk heeft ook poëzie die niet rijmt haar middelen om een vreedzame indruk te maken: ritme, assonantie, enz. En door experimentelen vermaledijde sonnetten zijn in anti-vorm inmiddels volledig geaccepteerd en geaccommodeerd. Wie Lucebert ooit heeft horen voordragen, schijnt niet te zijn ontkomen aan de indruk een ouderwetse bard te hebben getroffen. Aldus is rijm werkelijk niet meer dan een geintje, dat voor de zekerheid mogelijk alleen in een beroepsleger moet worden geapprecieerd. Hooguit kun je je afvragen of er erg veel muziek in zit, laat staan dat er oorlogen mee gewonnen kunnen worden. Over ordentelijkheid spreken we niet.

De Morgen, 1 oktober 2003

Woodstock (2003)


‘No rain! no rain!’

Vier Amerikaanse midtwintigers kwamen op het idee in augustus 1969 een popfestival te organiseren. Boer Max Yasgur, uit het dorpje Bethel dat 2366 inwoners had, stelde zijn weiden beschikbaar. In een overmoedige bui – het hippiedom verkeerde in zijn hoogtijdagen – verwachtten de jongens zestigduizend bezoekers, die drie dagen lang muzikaal begeleide geestverkwikking zouden kunnen ervaren.
De droom kreeg rare randjes door een zachte maar dwingende toestroom. Hekken om Yasgurs terrein gingen tegen de vlakte, en de organisatoren kondigden af dat het betalende festival gratis werd. Vierhonderdduizend kinderlijke volwassenen kwamen opdagen en per minuut leek het festival, Woodstock, legendarischer te worden. Er ontstond een micromaatschappij. In de loop van de dagen zagen twee baby’s het levenslicht en er waren vier miskramen.
Had de aanzwellende massa iets van troepenbewegingen bij een oorlog, het klimaat was extreem vreedzaam en de werkelijkheid kreeg zowaar iets van een idylle, omwolkt door hyperbewuste naïveteit. Legereenheden voorzagen op vrijwillige basis het tot rampgebied uitgeroepen terrein van voedsel en medicatie. De eeuwenoude theorie van het christendom kreeg eindelijk haar praxis: broederlijkheid door te delen.
Ook een zondvloed kon het saamhorige gedierte des velds niet uiteendrijven. Toen de lucht betrok, bracht de organisatie de apparatuur in veiligheid en informeerde het publiek. Ook met de tip: ‘Hey, if we think really hard, maybe we can stop this rain.’ En het publiek dreinde: ‘No rain, no rain’. Het gebed werd vooralsnog niet verhoord. Zonder reclamatie trouwens, allen achtten de zondvloed nice and clean en okay en fine, en de weide veranderde in een modderpoel waar halfnaakt doorheen geroetsjt werd. Alles bleef onverstoorbaar ludiek in leven, en ten slotte pakte blank en zwart alles wat geluid maakte en instigeerden een ritme waardoorheen men triomfantelijk huilde. De gemeenschap was gevestigd; het werd droog. Op een busje was al Even God loves America te lezen geweest en een non had het V-teken gemaakt.
De volgende donatie van boven kwam van helikopters met het manna van bloemen en droge kleren. Bethel deed zijn naam eer aan – oord waar aartsvader Jacob in een visioen engelen over een ladder zag stijgen en dalen. De hemel leek binnen handbereik.
Een wijkplaats was Woodstock. In de gelijknamige, fenomenale documentaire uit 1970 door Michael Wadleigh vatte een bezoeker het zo samen: ‘the Hamlet-trip, you know: to be or not to be’. Het reële zijn leek voorbehouden aan de jongeren, met real communication. Ze keerden zich tegen hun ouders, door wier moraal de genietingen van het leven onaangeraakt passeerden. De Woodstockgangers werden wel gekarakteriseerd als een leger van vreedzame guerrillastrijders.
Tijdens het festival zong John Sebastian het liedje ‘Younger Generation’ (dat hij voor The Lovin’ Spoonful had gemaakt). Blijmoedig vroeg hij zich af waarom ouders altijd square werden bevonden met hun cardinal rules. En wat als hijzelf vader was van een kind? ‘And all my deepest worries must be his cartoons.’ Voor vernieuwing, lijkt de suggestie, is het paradigma van de vadermoord aangewezen. Uiteraard klonk er tijdens Woodstock soms meer dat nu bevreemdend voorkomt, maar de meeste muziek was wonderschoon: Joe Cocker voordat hij zich bekeerde tot het designalcoholisme, Crosby, Stills & Nash, Jimi Hendrix, Sly and the Family Stone. Hen verbond protest tegen het gereduceerde leven, met een pleidooi voor het experiment ten behoeve van een nobeler, bevrijder zelf en daarmee ten behoeve van een betere maatschappij. Zij zouden bewijzen dat die wel degelijk maakbaar was.
Frappant in de documentaire Woodstock is echter het achterwege blijven van een generatiekloof. Een enkele uitzondering daargelaten tonen ouderen uit de omgeving, politiemensen maar ook een Port-o-San Man die onverstoorbaar toiletten schoonmaakt, zich positief, mogelijk in zachtaardige afgunst op de loutere fun die werd ontplooid. De gepredikte peace lijkt even overgeslagen, wellicht metonymisch – meer milde ouders verklaren een kind te hebben dat in Vietnam vecht. Voor telefooncellen staan lange rijen hippies die even naar hun ouders willen bellen om te zeggen dat ze goed zijn aangekomen; op de eerste dag werden er vijfhonderdduizend interlokale belletjes gepleegd. Max Yasgur, die een dubbelganger lijkt van Arafat, spreekt de festivalgangers dan ook lovend toe, waarmee de zegen wel is gegeven.
Wel demonstreert Woodstock dat genietingen faciliteiten behoeven. Het gros van de aanwezigen mag, al dan niet door LSD, in hogere sferen verkeren, een aantal leeftijdsgenoten houdt zich, omgekeerd genereus, constant bezig met de logistiek. De documentaire heeft vaak twee beelden naast elkaar, bijna als iconografie van deze meerstemmigheid (en wederzijdse afhankelijkheid).
Pas na afloop werd het slagveld zichtbaar. Meteen in de vorm van een gigantische hoeveelheid afval dat, volgens mij een primeur, gescheiden opgehaald werd. Op de wat langere termijn bleek het effect echt zuur. De festivalgangers zijn alsnog volwassen geworden – ouders, grootouders soms al. Ongewis is of de pedagogische intentie van John Sebastian (‘And I must be permissive, understanding of the younger generation’) gestand is gedaan. Het cliché van de rijpere mens luidt: een illusie armer maar de droom niet vergeten. Hier lijkt het anders: ludiek verrijkt en de droom verdrongen. De festivalgangers hebben inmiddels machtsposities ingenomen waarin ze, onder het mom van een herstel van oude waarden, rentabiliteit heilig hebben verklaard. Maar misschien stopte hun huidige Honorabele Bondgenoot destijds gewoon kiemen van het neoliberalisme in de regen.
Zijn de jongeren van toen geboren historici geweest, wapendragers van de wijsheid achteraf? De wijsheid moest eerst even wereldkundig gemaakt in kranten, en alles wat in de krant staat is nu eenmaal waar. En uiteraard kampt hetgeen tegenwoordig historisch heet met herdenkingen. Vijfentwintig jaar na dato kwam er een tweede Woodstock, waar Crosby, Stills & Nash wederom optraden, op zijn minst sterk verouderd – wel zetten ze door het concert hun zoveelste comeback luister bij. Van het oorspronkelijke Woodstock resten gadgets, verkrijgbaar via Internet: ongebruikte en naar believen ingelijste toegangskaartjes, inclusief een Letter of Authenticity.
Uit protest tegen de Vietnamstrategie had Hendrix het volkslied ‘Star-Spangled Banner’ magistraal aan flarden gespeeld, maar alle naden van de vlag zijn gelijmd zodat er weer in preventieve aanvallen kan worden gegrossierd. Robert Musil laat in De man zonder eigenschappen Ulrich concluderen: ‘Het menselijk wezen is even gemakkelijk in staat tot kannibalisme als tot de kritiek van de zuivere rede; als de omstandigheden ernaar zijn kan het met dezelfde overtuigingen en eigenschappen zowel het een als het ander, en heel grote uiterlijke verschillen corresponderen daarbij met heel kleine innerlijke.’

De Morgen, 11 juni 2003