donderdag 5 februari 2009

Dood vogeltje. Vluchtstroken (2006)


ISBN 90-284-2150-5, 49 blz.
Omslagontwerp: Erwin van Wanrooy





In opzet

Dood vogeltje onderkent zeer zeker de neiging om de dingen in het groot te zien en dit wordt geen excuus, maar de brokkelige restanten slaap die het uit hets ogen wreef kwalificeerde dood vogeltjes moeder, handen bij acquit in de zij, altijd als olifantjes. ‘In de schuimranden tussen kleine schelpen in, klaverbloemblaadjes,’ zegt Bashō terwijl hij nota bene bananenboom heet. Geen excuus, maar altijd.

Alles loopt anders dan dood vogeltje wenst en zo kan het twee dingen doen: berusten of stampei maken. Dood vogeltje is een exemplaar van het tweede, hets vlucht is een opeenvolging van breuken – van wie nam het op een goed moment geen afscheid. Tot dood vogeltje las van de Babylonische koning Hammoerabi die zo toornig was inzake de instorting van een brug over de Hellespont, dat hij, onder andere, de zee liet geselen en er ketens in gooide, zodat ze eeuwig gevangen was. Dood vogeltje moest lachen om die krachteloze actie. Daarna werd het kwaad. Zo toornig, eeuwig gevangen.

Dan maar ‘gewoon even helemaal nergens aan denken’ en dood vogeltje ligt aan een baai, hets fiets tegen prikkeldraad van recht boven. Van de koplamp resteert de metalen bevestiging, er zit een elastiek om dat naar het spatbord leidt want het wiel loopt aan. Het elastiek staat strak, het waait, het elastiek begint te zingen, dan houdt het op en dan weer door. Dood vogeltje durft niet eens ergens aan te denken. Er zit een elastiek dat naar het spatbord leidt.


Wat betekent het wanneer teksten ‘vluchtstroken’ heten? Marc Kregting onderzoekt het in Dood vogeltje, waarvan het titelpersonage zich in elk geval voorneemt opzij te springen als het ontploft. Het dode vogeltje is man noch vrouw, heeft een schimmige afkomst en verblijft overal tijdelijk. Vooral is het druk met doorreizen en bivakkeren, om weerwerk te bieden aan omringende geschiedenissen, wijsheden en actualiteiten.
Het dode vogeltje blijkt niet in staat tot enige beperking. Het slokt op en spuugt uit, komt meermalen om van liefde en haat, van verzoening en wraak. Over voetbal, interpunctie, post, lippokken en afstandsbediening trekt het vogeltje menigmaal pronte conclusies, om ze terloops te corrigeren. Altijd is het eenzaam en onderweg. Mag dit een drama zijn, het is er wel een met strijdbare en slapstickachtige contouren.
Kregting zet andermaal een stap verder in zijn eigenzinnige oeuvre. Niet eerder was een boek van hem zo open en grotesk, laveerde hij met zijn oninwisselbare stijl zo behendig tussen poëzie, proza, essay en aforisme. ‘Sterven aan de gevolgen van een losbandig of een gebonden leven?’ Dood vogeltje doolt vol vederlichte polemische zinnen over een aardbol die misschien wel voor zichzelf op de vlucht is.

‘Het werk zit slim in elkaar, het rijm is doordacht’ (Anneke Brassinga, Vrij Nederland)
‘gestapelde associatieve teksten’ (Martje Breedt Bruyn, Vrij Nederland)
‘zeer intrigerend’ (Frans Budé,
http://www.nicolemontagne.nl/gast/gast.html)
‘Kregtings vogeltje heeft een handje weg van taxonomische dwangarbeid: (…) Dat het (cursivering maakt de ondode leesbaar) zich nergens aan de zombie vergrijpt, doet vermoeden dat het zich eenvoudigweg schikt naar de politiek van ons kent ons. Zombies bijten geen zombies. Het zou ook kunnen betekenen dat de zombie zich niet zo makkelijk laat vastpinnen. Het was van meet af aan onderhevig aan de uiteenrijtende kracht van de double bind’ (Serge Delbruyère, Alphavillle)
Dood vogeltje is het vernuftige resultaat van een dichter die de durf heeft getoond een (willekeurige?) greep te doen in de kassa van zijn geheugen en die vervolgens is gaan uitwerken, polijsten, verfraaien. (…) In de Middeleeuwen tot ver in de twintigste eeuw aan zou Kregting deze geschriften hoogstwaarschijnlijk moeten bekopen met de dood of opsluiting. Anno 2006 is dit een bizar en tot nadenken stemmend relaas geworden dat aan de grenzen van de beleving reikt’ (Stijn Ekkers, Boeken.VPRO
)
‘De “vluchtstroken” benoemen, terwijl ze zoeken naar wat ze willen zeggen, ontstellend raak een angstaanjagende gemoedstoestand, een verbeelding, misschien wel, van de dood. Dood vogeltje is een zeer, zeer rijke bundel. Een aangrijpende bundel die je al direct aan het begin bij de kladden pakt en pas ver na lezing van het slotgedicht weer loslaat’ (Edwin Fagel, De Recensent)
‘een bijzonder veelzijdig en boeiend, maar ook veeleisend auteur (…) Woorden, ideeën worden hernomen en gevarieerd, sommige titels echoën andere… Die extra samenhang op het niveau van de taal wordt echter doorkruist door de manier waarop de teksten zelf dat idee van een bevattelijke eenduidigheid problematiseren. Het blijft voortdurend aarzelend zoeken, in het besef dat elke lezer noodzakelijk een buitenstaander is’ (Dirk de Geest, De Leeswolf)
‘De ontsporing die Dood vogeltje in de lezersziel veroorzaakt is helemaal niet rampzalig, maar integendeel zeer heilzaam’ (Joris Gerits, Poëziekrant)
‘De benoeming van driemaal drieëndertig gedichtblokken als “vluchtstroken” betekent dat het manieren zijn om aan de centrale maatschappelijke, literaire, filosofische strijd te ontkomen. Tegelijk verwijst het woord naar de baan bezijden de hoofdweg waarop je, terwijl je daarbij de verkeersregels overtreedt, waarneembaar en beoordelend mee kunt rijden.’ (Hans Groenewegen, Met schrijven zin verzamelen)
‘verbluffend origineel (…) een gecomprimeerd, bijna driedimensionaal taalwerk (…) een verrassende kijk op de werkelijkheid, een bizarre, maar overtuigend overkomende “logica” die tot hilarische momenten leidt, en tal van stilistische en lexicale vondsten (…) Kregting gaat voorbij het punt waar het Surrealisme is blijven steken, zijn taalspel overstijgt traditionele thematieken en motieven en roept een nieuwe leeshouding op’ (Albert Hagenaars, Biblion)
‘intrigerende prozagedichten vol verrassende associaties die de werkelijkheid van alledag lichtjes ontwrichten en ze daardoor fonkelend nieuw maakt. Wie op de uitdaging van Dood vogeltje ingaat wordt rijkelijk beloond’ (juryrapport Hugues C. Pernathprijs)

‘In de bundel wordt het lyrische ik getransformeerd tot een onzijdig verkleinwoord, vederlicht animaal en toch een beetje engelachtig (…) ingewikkeldheid, rusteloze gedrevenheid en een ongebreidelde verbeelding [zijn] prominent aanwezige kwaliteiten.’ (juryrapport provincie Antwerpen)
‘een van Nederlands meest gedurfde poëtische projecten’ (www.perdu.nl)

‘Ondanks de lichte toon, heeft het ook iets onbehaaglijks. Dood vogeltjes vreemde hersenspinsels worden op een vanzelfsprekende en terloopse manier beschreven. Ze doen denken aan de redenering van een krankzinnige, die zijn eigen logica volkomen vanzelfsprekend vindt, maar de toehoorder de rillingen over de rug doet lopen. (…) Kregting ontmaskert de kracht van literatuur met de literatuur zelf, en bewijst daarmee juist de kracht van literatuur en dus zijn eigen ongelijk’ (Floor van Renssen, dwb)
'Ontsporende associaties' (Matthijs de Ridder, Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis)
‘Dit vogelpasteitje verscheen eind 2006 en valt gelukkig nog tot ver in 2008 te degusteren’ (Daniël Rovers, De Standaard)
‘[B]ehoort tot het meest desolate werk dat ik ken. (…) Kregtings literatuur brengt de rafelranden van het sociale verkeer in beeld, en stoot ongehoorde stemgeluiden onze taal binnen’ (Johan Sonnenschein, Awater)
‘het is aan de lezer de tekst te injecteren met het kraakbeen van logica, psychologie, narratief en grammatica. Zijn nevengeschikte zinnen schuren zich aan elkaar, zijn witregels doen als cuts telkens nieuwe scènes in strofes verschijnen, en de wereld waarnaar ze verwijzen rouleert in hoog tempo. Iedere intertekst waarmee men Kregtings teksten benaderd geeft zich bloot als te beperkt, een meervoudige benadering is permanente vereiste. (…) Deze onbeslisbaarheid is de kracht en de zwakte van Kregtings werk’ (Johan Sonnenschein, Neerlandistiek.nl)
‘De dichter laadt bij deze vorm, door de volslagen vrijheid die deze hem biedt, qua inhoud, taal, klank en ritme toch enige verantwoordelijkheid op zich. En die verantwoordelijkheid kan Kregting in deze bundel niet dragen. Zijn vrijblijvende schrijfstijl leidt tot een eenvormig geheel zonder de noodzakelijke schijn van richting of drama. De observaties en gedachten zijn, schijnbaar nauwelijks geredigeerd, achter elkaar gezet en de alinea's lijken onderling volledig uitwisselbaar. Daar komen de moeilijkdoenerige woordkeus, het modieus taalgebruik en het hoogst irritante bezittelijk voornaamwoord “hets” nog bij’ (Bouke Vlierhuis, Meander)
‘beslist een aanrader (…). Het is dicht en geestig en lijkt op niemand anders’ (Samuel Vriezen, De Contrabas
)

Winnaar Gouden Bult in de categorie ‘beste openheid’ bij de Perdu Poëzieprijzen 2006
Nominatie Hugues C. Pernathprijs 2007
Prijs voor Letterkunde 2009 Provincie Antwerpen

Gebloemleesd:
- ‘In sport’ in: Chrétien Breukers, 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005, in 666 en een stuk of wat gedichten. BnM: Nijmegen 2006.
- ‘Van de etiquette’ in: Hotel Parnassus. Poëzie uit de hele wereld. Stichting Poetry International: Rotterdam 2010.

Vertaald:
- ‘Concerning etiquette’, Poetry International Web, 2010 (vert. Astrid Alben).
- ‘Testamentarisch’, ‘Im Sport’, ‘Betitelt’, ‘Sitzend’, ‘Met dem Fahrrad’, in: Literaturmagasin Poet 18 (voorjaar 2015) (vert. Stefan Wieczorek)

integrale voorlezing door twaalf dichters, Perdu, Amsterdam (2008)