dinsdag 10 februari 2009

Tommy Cooper (2004)


‘Hahaha’

Het was 15 april 1984, op het podium van Her Majesty’s Theatre in Londen, toen Tommy Cooper, voor het oog van miljoenen televisiekijkers, tijdens zijn act ineenzeeg – een acute hartaanval. Hij stierf kort daarna, om precies te zijn tien minuten later in een ambulance, een voldoende scherpe tijdsboog om te kunnen spreken van ‘sterven in het harnas’. Cooper was immers een podiumbeest, een komiek. Dat het in de zaal aanwezige publiek in eerste instantie om het neerstorten moest lachen, kan als bewijs gelden van Coopers vakmanschap. Ietwat hees lachte hij zelf overigens steevast het hardst, zij het eenmalig dus niet als laatste.
Thomas Frederick Cooper werd geboren op 19 maart 1922 te Caerphilly in Zuid Wales. Hij maakte deel uit van de scouts, misschien geïnspireerd door zijn opa die in India gestationeerd was geweest en de auteur zou zijn van het standaardwerk Tips on the manly art of mapfolding (Benares, 1870). Zeker is dat Tommy scheepstimmerman en bokser was, en uiteindelijk in het bange jaar 1940 in het leger ging. Daar kwam hij bij de cavalerie en in Egypte raakte hij gewond. Hij maakte van die nood een deugd door, als een Britse versie van Bob Hope, de manschappen te vermaken. Eigenlijk wilde Cooper optreden als goochelaar maar tijdens de auditie mislukte zijn truc, ongetwijfeld met een touw of een zakdoek of een speelkaart, en dat vonden de keuzeheren veel leuker. En bij een gig in een café te Caïro was Cooper zijn helmhoed vergeten en leende van de dienstdoende ober zijn fez. The rest is history, zegt men dan: het hoofddeksel zou zijn handelsmerk worden.
Met wat Pierre Bourdieu de ‘retrospectieve illusie’ noemt, wordt het verleidelijk Coopers sneven in het goochelwezen als de notoire tragiek van de komiek te beschouwen. Zeker als het leven in kwestie zich ontrolt ‘vanaf een oorsprong, voorgesteld als een vertrekpunt maar ook als een eerste oorzaak of, nog beter, een grondbeginsel, tot aan een einde dat tegelijk doel is’. En dat Cooper dan af en toe een truc deed die wél slaagde, past bij de lach en de traan. Cynisch gesteld had hij zich bij zo’n coherent gepresenteerd en voorbeschikt leven geen betere dood dan die in het harnas kunnen ensceneren; het zou een teken zijn aan de wand van wat historians menen te zien. Het geval wil alleen dat Cooper nog een tijdje militair bleef. En dat hij, na in 1947 afgezwaaid te zijn, met wisselend succes een music-hallact probeerde, pendelend tussen televisieshows en de reguliere bühne van het variététheater. Er was een tijd dat hij 52 shows per week gaf.
Pas rond het midden van de jaren zestig was Coopers roem gevestigd, uiteraard met de iets te strakke rode fez op het hoofd, waar zijn haar op oorhoogte uit piekte. Wel bleef hij verknocht – en volgens deskundigen intrinsiek vaardiger – aan podium en zichtbaar publiek, en versmaadde daar soms fijne televisieoptredens voor. Dat kon ook, omdat hij een lucratieve artiest was geworden all over the world. In 1977 kreeg Cooper te Rome zijn eerste hartaanval en toen zijn longen ook begonnen op te spelen, moest hij eigenlijk het sigarenroken opgeven.
Dat er na zijn dood een levendige industrie met gadgets ontstond, berust vermoedelijk op de vele Tommy Cooper-shows die, ingezet met de zelf ingezongen standard ‘The Sjeikh Of Araby’, de beeldbuizen aller landen niet-aflatend leken te vertonen. Er doemde daar minder een komiek uit op dan een komische strategie. Er is en blijft het goochelen, waarover hij in 1975, verlucht door grappen, een boek schreef: Just like that! De titel bevat al iets van de verbazing die zogenaamd in Coopers bolle ogen te lezen viel, wanneer een truc lukte. Per ongeluk? Het is eigenlijk nooit duidelijk geworden of het publiek stiekem verwachtte dat de illusionist zijn vaardigheden beheerste – de clou is vooruitgeschoven. Daarnaast pleegde Cooper grappen die zo flauw waren dat ze de luisteraar tergden, hem boos maakten bijna dat zijn lichaam ze klaarblijkelijk toch leuk vond: ‘So I got home, and the phone was ringing. I picked it up, and said “Who's speaking please?” And a voice said “You are”.’
Er zit in dit citaat iets wat ik de Tommy Cooper-ervaring wil noemen. Op gezette tijden heb ik die. De recentste was bij een concert van Sonny Rollins, waar een man African percussion heette te spelen (met een zelfde waarschijnlijkheidsgraad als dat koning Boudewijn moslim was). Voorbij de helft van het concert wees Rollins de man een solo toe en ik zag hem naarstig om zich heen kijken. Wat nu? Hij greep naar elk dingetje dat hij rondom zich kon vinden, slingerde eraan op diverse afstanden van de microfoon en toen waren alle materies uitgeput. En opeens zag hij op een meter afstand een met huid bespannen doos, waar hij zich letterlijk op stortte en die hij met handen en voeten begon te bewerken. Het duurde ongeveer tien minuten, volkomen uit de context en het publiek vond het fantastisch.
De Tommy Cooper-ervaring berust hierop, dat je je plots realiseert op aarde geworpen te zijn. Als enige, terwijl iedereen er allang blijkt te zijn. De anderen kijken je zo welwillend aan dat je er verlegen van wordt. Ze scheppen een verwachting die je geneigd bent te voldoen door iets te doen. Je probeert wat, telkens iets anders en telkens krijg je reactie. Gaandeweg lijkt het er sterk op dat je bestaat. Een binnenstebuiten gekeerd solipsisme.
De show waarin Cooper zijn einde vond, kwam voort uit een samenwerking met confrater Jimmy Tarbuck. De mannen kenden elkaar sinds 1964. Na zeven minuten sloeg de ster tegen het canvas, de gordijnen gingen dicht. Het publiek hoorde Cooper hevig ademen door zijn opgespelde microfoontje en lachte: hij zou toch niet in slaap gevallen zijn?! Zelfs Tarbuck verkeerde in de veronderstelling dat zijn kameraad iedereen weer eens bij het ootje nam, al was het wat raar dat deze mond-op-mondbeademing kreeg. En omdat de show sowieso verder moet, ging Tarbuck na een commercial break het podium op en begon, zonder precies te weten wat er hand was, moppen te vertellen.
Joseph Brodsky: ‘In echte tragedies sterft niet de held, / maar sterven scheurend, avond na avond opgesteld, / de versleten coulissen.’

De Morgen, 30 juni 2004

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.