donderdag 21 mei 2009

Waarom (2003)


In een opkomende helderheid

Life’s nonsense pierces us with strange relation
(Wallace Stevens)



God, ik zou wel willen. Feit is echter dat ik om precies te zijn nihil komma nul van de wereld begrijp, dat relaties binnen de species mens voor mij gewikkeld zijn in rokken van duisternis, en dat elke samenhang tussen de fenomenen me ontgaat. Daarom omhels ik, strikt platonisch en volmondig experimenteel, Sandra Kim: ‘J’aime j’aime la vie’. Wel wordt van mij in het dagelijks leven verwacht dat ik handel door zonder verpinken taal uit te stoten in ordelijke en voor alles ordentelijke meningen jegens de ander, door besluiten te nemen. Ik praktiseer die concessiepolitiek waarschijnlijk naar beste vermogen, maar de netto opbrengst blijkt gering. Het is allemaal ik en ik en ik, en altijd moet door voor A te kiezen B als oneigenlijk worden uitgebannen. Zo’n beroepspraktijk lijkt mij niet zozeer communicatief als wel reductionistisch en doelmatig, met een betekenisdictum dat onafwendbare lekken bewust dicht, verhult. Heet die milieubelasting soms fatsoen? Werd het in de negentiende eeuw uitgevonden en wanneer en waar kan ik mij daar nog op afrekenen? En indien een samenhangsuggestie al verhoogd rendement brengen zou, is haar drijfveer niet onverschilligheid? Mogelijk trek ik een scherm op tegen de wereld om oordelen uit te kunnen wasemen en willekeurige besluiten door te kunnen voeren.
Schematisch berust mijn dagelijkse werkzame leven op het afwezig maken van dingen en mensen. Het afwezig spreken, wellicht. Mocht het niet zo pathetisch klinken, dan had het een totalitair drama kunnen heten, een penetreren in alles wat de ander aan deze en gene zijde van de huid met zich meedraagt. Een aantasten van autonomie. Gelukkig zou de wereld even hard of zacht doordraaien om zijn as indien ik de waffel zou houden of er domweg niet was.
Nu volgt De Onherroepelijke Wending In De Nieuwe Alinea, soepeltjes gelardeerd met De Jongste Wetenschappelijke Inzichten. Op het moment dat ik achter mijn computer ga zitten om te schrijven tracht ik het hele affiche van de realiteit te schetsen. Dat houdt onder meer in dat ik mezelf eindelijk kan dumpen en mijn karkas als het ware wordt bevleesd. Wat ik intyp is zo onbemiddeld mogelijke ervaring. Dan beleef ik een waarheidje van Foucault: ‘De taal is in stukken gehakt, in zichzelf verdeeld, en anders gemaakt; zij heeft haar oorspronkelijke helderheid verloren; de taal is een geheim dat binnenin zich, maar aan de oppervlakte, de ontcijferbare tekens draagt van wat ze zeggen wil. Ze is tegelijk verstopte openbaring, en openbaring die langzamerhand in een opkomende helderheid zichtbaar gaat worden.’ Ik vermoed dat het bij mij dan concreet tussen twee polen gaat bewegen. Die van een mateloze verliefdheid op de wereld waarbij, onverbeterlijke minnaars eigen, elk futiel symptoom (niet het allesverklarende maar het gemiste telefoontje, niet de aankomende maar de vertrekkende trein) voor heel eventuele aanhankelijkheid gewogen wordt. Kribbigheid is de pendeldiplomaat naar de andere pool, van de huiver voor de afgrond, voor de afwijzing. Alles of niets, de overmaat of het merg. Dat wat ik normaliter ten faveure van de negentiende eeuw inslik, kan aan bod komen en de lieve vrede hoeft niet bewaard te worden. Zij het dat ik nog steeds zou willen, begeleid door de muziek van Sloterdijk: ‘De geest van de utopie hoort minder toe aan het zichzelf vooruitstralende worden van het betere dan aan het altijd nog zichzelf licht gevende Nog-zijn van het begonnene. Er gloeit geen voor-schijn, maar er is na-licht.’ Ik beschouw deze toonval als een onthulling, een term die, als ik me op het glibberige pad van de etymologie mag begeven, de vertaling is van APOKALUPSIS.
Schrijven komt voor mij neer op aanwezig maken. Dat is een trage, amateuristische en illegaal aanvoelende rondgang, waaruit ik monddood tevoorschijn kom. Met het preciezer worden van het spreken, neemt het zwijgen evenredig toe. Een gepruts en gepel. Ik kap ermee op het moment dat ik me niet langer de auteur maar de lezer van de onderhavige tekst waan. Vanuit dat vermoeden is het mij een raadsel gebleven waarom er een, liefst gelijkende, foto op de achterflap van een boek moet.
Wel vraag ik me af waarom ik de moeite neem om achter een bureau te gaan zitten, bijvoorbeeld als de zon schijnt of wanneer er gegeten en gedronken kan worden en meer van die geneugten. Het ‘schrijverschap’ blijkt nog altijd sacraal in zijn hoedanigheid van sociaal alibi, om mensen niet onder ogen te hoeven komen. Ik constateer dat het zitten achter een computer ook fysiek verslavend is, en gelukkig kan ik erbij roken. De volgende vraag luidt waarom ik het tot nu toe nodig heb geacht de resultaten van die arbeid openbaar te maken. Kennelijk ben ik nog zo ijdel een stem te willen laten horen die uit vele contradictoire stemmen bestaat. Dat moet er haast op duiden dat ik met het tonen van een woelige, democratische wereld protesteer tegen wat ik een hermetische want gekortwiekte wereld noem. Zo’n project is een buitenpersoonlijke utopie. En stiekempjes ga ik er, aangenaam woordeloos geworden, als het ware alsnog op zoek naar de ander. Dan is de tekst, om Celan te citeren, ‘eenzaam en onderweg’ en staat in het teken van ‘het geheim van de ontmoeting’.

Yang xxxix/3 (nov 2003)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.