zondag 30 mei 2010

Authentieke taal (2004)



En de bal die joeg in de touwen



1.
‘the melos yields the mode and the mode the manners’
James Joyce

Het zou me niet verbazen wanneer de mens in zijn natuurlijke staat, selfsupporting, permanent heeft gezwegen. Pas toen hij bij het voorzien in zijn behoefte anderen nodig had, zal het gebaar zijn ingevoerd en even later de blues. Ook die lapmiddelen volstonden niet en op den duur is verbaliteit ontstaan die, met een gegroeide differentiatie in de vraag, complexer werd. Wij weten inmiddels niet beter. Maar hoe praat een mens eigenlijk, ook in frontsituaties jegens de ander? Als ik de commentaren bij het Polygoonjournaal mag geloven: in volzinnen met een tinkeling van fijne cadansen, en met antwoorden na keurige pauzes op vragen. Nu geldt dat journaal als gedateerd, het is inmiddels opgeheven, dus mijn geloof telt niet, stoelt op een herinnering. Toch beklijft de indruk dat de mens ook in zijn mimetischer momenten naadloos communiceert. Zelfs uit famous last words mag worden afgeleid dat de naderende capitulatie in elk geval niet syntactisch is.
Volgens mij vertoont al dat moois in werkelijkheid meer rafels. Maar misschien ben ik in dit idee te particulier, nadat ik voor het eerst van mijn leven een tekst onder ogen kreeg die de letterlijke neerslag was van een gesprek dat ik gevoerd had. Ik waande me een verpersoonlijkte globalisering, opgeslokt door zijn resten. En vooral een levende anakoloet, voor de gelegenheid op een stoel neergeplant bij een minidiscplayer. Mogelijk kan een punctie in enigszins recente literatuur der Lage Landen de bewijslast verleggen.
Korte inhoud van het voorafgaande.
De Tweede Wereldoorlog was amper voorbij of de Vijftigers ontketenden de revolutie door onder meer, in de wederopbouwtijd van schaarste en gehaktbrood zonder al te veel gehakt, te associëren met woorden. Dat leek een warmbloedig protest tegen een duffe moraal, ze lonkten naar het irrationele ook. Niet veel later kwamen er tekenen dat het daarmee maar weer afgelopen moest zijn. Yes, but not like that! Het van oorsprong Vlaamse tijdschrift Gard Sivik maakte een begin met de herstart en in de bundel Geboorte-stad (1958) van tussenfiguur Sybren Polet was al een, vanuit neonieuw perspectief, aangename koelheid te voelen die een artikelenreeks van literatuurhistoricus Calis ving met de catchphrase ‘daling van temperatuur’. Als aanvulling op Atonaal, Vijf 5 tigers en Rodenko’s fameuze bloemlezing Nieuwe griffels schone leien, die de Vijftigers in een traditie had geplaatst en daarmee definitief geïnstitutionaliseerd, maakten René Gysen en Hans Sleutelaar er in 1960 ook eentje: Met andere woorden. Door Armando werd vanaf 1961 een verbinding aangegaan met de Nul-Zéro groep, en hij propageerde twee jaar later plechtig het ‘einde van de Renaissance. Begin van wat men voorlopig noemt “Het Nieuwe Realisme”. Voor het eerst in de kunstgeschiedenis levert de kunstenaar geen commentaar op de werkelijkheid. Hij interpreteert niet. Hij aanvaardt de werkelijkheid.’
Zoals bekend toonde het omslag van Gard Siviks 33ste nummer (januari/februari 1964) een snelheidsbord waar door het getal vijftig een streep was gezet. Een Nieuwe Datum In de Poëzie, heette het, en C.B. Vaandrager en Hans Verhagen gooiden kopieën van het omslag op het eerstvolgende Boekenbal in het publiek. Een plengoffer aan literatuur die, buiten de bebouwde kom van de intentie, geen literatuur meer wou zijn? En toen ging ook het gangbare bohémienbeeld van de kunstenaar op de helling, toen het internationaler georiënteerde avant-garde tijdschrift De Nieuwe Stijl onder de titel ‘Parade der Proleten’ veertig bladzijden lang uitpakte over het dragen van een baard boven sloeberkledij, en over zelfoverschatting in de reguliere kunstkolommen. Een nieuwe traditie vestigde zich, en was zo pril niet of er kwam vanzelfsprekend een satire op. In de roman Tjeempie! of Liesje in Luiletterland (1968) van de voormalige Vijftiger Campert gaf schrijver Cees Bakels ‘informaatsie zonder emootsie’ en vertolkte ‘koel de eigentijdse stem’ zonder ‘intupputtaatsie, dzjust de pleen fekts’.
Journalistiek in de pas opgerichte Haagse Post maakte zich opzichtig afwezig door louter de geïnterviewde te laten spreken in een historisch presens. Het geijkte woord moest het maar doen, met adequaat en letterlijk economisch taalgebruik. De auteur leek een cameraoog te zijn geworden, een zeer bescheiden Olympiër, methodisch zuiver in zijn perceptie. Alsof Eisenstein nooit had bestaan. Ook zou je denken dat het ontbreken van enigerlei vertellerscommentaar de recipiënt uitlokt tot het debiteren van een moraal. Desalniettemin, wanneer er officieel ooit een mimetische weergave van de gespreksstijl is geweest, dan moet het in deze periode van de literatuurgeschiedenis zijn. ‘Werkmethode: isoleren, annexeren. Dus: authenticiteit’, berichtte Armando wellicht ten overvloede als primeur.


2.
Het interviewboek De ssers (1967) zou het meest consequente product van De Nieuwe Stijl en de Haagse Post zijn. Het was bepaald controversieel. Eindelijk zat Holland weer goed in zijn vel en werd er werk gemaakt van een auto voor eenieder en een boterham met tevredenheid waarop een biefstuk lag – om met dit boek herinnerd te worden aan het feit dat dat vel ruim twee decennia daarvóór dicht tegen het been had gekleefd. En dan kregen de helpers aan dat onvrijillige dieet nog het woord ook! Aafjes’ beruchte verwijt aan het adres van Vijftiger Lucebert indachtig, leek de ss letterlijk alsnog de literatuur binnengemarcheerd. Anderzijds doneerde de positief over het werkstuk gestemde Willem Frederik Hermans terstond de jijbak dat het moreel hoogstaande Nederland evengoed had geheuld door mee te werken aan de moord op percentueel het grootste aantal joden in Europa.
De geïnterviewden toonden geen spijt.
Getuige hun inleiding hadden Armando en Hans Sleutelaar 2500 foliovellen tot hun beschikking die hun gesprekken met acht Hollandse Waffen-ssers woordelijk weergaven. Daarna schrapten Armando en Sleutelaar hun vragen en opmerkingen, en dat leverde een boek van 474 pagina’s op. Redelijkerwijs zal er dus meer geschrapt zijn en lijkt het de vraag of de lezer niet voornamelijk op lassen stuit. Volgens het tweetal was er echter geenszins ingeboet aan authenticiteit. De geïnterviewden hadden de teksten zelfs geautoriseerd. Ten overvloede ondertekenden Armando en Sleutelaar hun inleiding met ‘de samenstellers’.
Om het corpus niet persoonsgebonden te laten zijn, geef ik van elk van de acht in De ssers sprekende Nederlandse vrijwilligers voor het Duitse kamp een ongeveer even groot fragment, dat in het boek wordt voorafgegaan door een witregel, dus waarschijnlijk door een vraag.

Er was een speciale formule toen wij beëdigd werden in Sennheim: dat we enkel ingezet werden tegen het Communisme en niet in het Westen. Dus niet tegen de Engelsen of Amerikanen. Dat was redelijk, want de Engelsen en Amerikanen beschouwde je eigenlijk nog wel als je broedervolk.

Wat ik hier goed aan vind, is het woord ‘formule’. Dat is namelijk niet de precieze term, en zo gaat dat als je praat, en tegelijk moet je verder. En dan ga je achterwaarts denken terwijl je vooruit doorbabbelt, en daarom komt mij de volgorde in de laatste nevenschikkende bijzin niet helemaal authentiek voor – zeg ik bijna vier decennia jaar later. In de hedendaagse spreekpraktijk zou ze luiden: ‘(…) beschouwde je wel nog als je broedervolk eigenlijk.’ Of reëler zelfs: ‘(…) beschouwde je wel als je broedervolk eigenlijk nog.’ Het gebruik van de passief in het begin, nota bene ook wel lijdende vorm geheten, dunkt me eveneens opmerkelijk, alsof de man zich lichtjes onttrekt aan de eventuele consequenties van het feit dat hij ooit elders in bezwarende omstandigheden heeft vertoefd. Aldus kan hij overstappen van ‘we’ naar ‘je’. Twintig jaar later constateerde Armando dan ook met recht, denk ik, dat mensen ook hun vreselijkste daden in een bedje kunnen leggen en met woorden toedekken. Overigens weet ik geen goed alternatief voor ‘formule’.

Goed, man-tegen-man-gevechten wil zeggen, je ziet dat je eigen kameraden met bajonetten doorstoken worden. Dus je steekt de tegenstander ook met het bajonet. Je vecht met geweerkolven, je vecht met pioniersschoppen, met dolken. Niet alleen dat je tegenstander dat gebeurt, je ziet van je eigen kameraden ook dat die dat gebeurt.

Waarom meen ik hier ineens een voetballer te horen? Komt het door de, van de vorige ss-er wat afwijkende, singularis modestiae ‘je’, dat Ronald Koeman, inclusief het evenmin kinderachtige ‘mijn persoontje’, later tot grote hoogten zou opstuwen? De aanvang dunkt me ware spreektaal. De bijzin begint niet met het correcte ‘dat’, nee, door de emotie van de herbeleving ga je in één adem een nieuwe hoofdzin construeren. Ook treffend is daarin het pleonasme ‘eigen kameraden’, dat de luisteraar wil overtuigen van de noodzaak én het noodlottige aan het in wezen abjecte in crisissituaties. Daardoor wordt de tweede zin merkwaardig stijfjes. Dit zie je aan het verkeerde, al te deftige lidwoord ‘het’ voor ‘bajonet’ (hypercorrectie), maar vooral aan een lichte vorm van depersonalisatie: je steekt zo’n ding immers ín iemand. Of ben ik nu een purist? Depersonalisatie lijkt begrijpelijk vanuit het standpunt van de dader die, ter instandhouding van zijn geweten, het slachtoffer als ding wil zien. De opzet van het boek werkt hier ook aan mee: terecht merkte Hermans op dat het beter De ssers, vijfentwintig jaar later had kunnen heten, er heeft zich eelt kunnen vormen op huid en ziel. Het kan echter goed dat ik nu echt aan het hineininterpretieren ben geslagen, omdat een aantal factoren oncontroleerbaar is: de stressfactor ten tijde van het interview, ontwikkelingen in een dialect dat mij sowieso onbekend is… Zelfs kan ik me voorstellen dat ‘de tegenstander met het bajonet steken’ hip klonk, en dat de spreker er, gestreeld door de aandacht, als het ware een projectie mee pleegde in de richting van zijn jonge, spraakmakende ondervragers. In de zin die Darwin schijnt te hebben bedoeld: the survival of the accommodatest. Voor het gemak uitgaand van depersonalisatie borduurt de derde zin voort op de tweede, met een retorische touch. De vierde is dan ineens weer natuurlijk, vooral in het cruijffiaanse ‘dat die dat gebeurt’.

Ik kan me nog herinneren, toen de Stabartzt de eerste keer bij m’n bed kwam, toen ik weer bij kennis was. Hij pakte m’n hand en feliciteerde me. Hij zegt, nou, hoe was het in de hel? Dat kan ik me nog altijd herinneren. Een beetje rauw klonk het, maar het was hartelijk bedoeld.

Dit begint veelbelovend. Overmand door de herinnering wordt hier niet verteld met behulp van het correcte ‘dat’ maar met ‘toen’ – het vermaledijde voegwoord dat kinderen op de lagere school in opstellen niet mogen gebruiken omdat het dan opdissen wordt in ettelijke wederwaardigheden zonder pointe. Ook ‘was’ treft doel, want dat moet officieel ‘kwam’ zijn en zo’n contaminatie zit in spreektaal gebakken. Pas in de vierde zin krijg ik twijfels, en wel door het bijwoord ‘altijd’. Dat gebruik je niet in deze context, en zeker niet in the spur of the moment. Dan zeg je, met nadruk: ‘Dat kan ik me nóg herinneren.’ Of ‘nu nog’. De vijfde zin veegt vervolgens de vloer aan met mijn indruk van authenticiteit, door de prolepsis. Met het voorop plaatsen van ‘een beetje rauw’ voel je de stilering. Puur zal het iets als ‘Het klonk een beetje rauw’ enz. zijn geweest, en in combinatie met het vervolg had dat geresulteerd in een hele mooie zin eigenlijk. Mooi is hier alleen het woord niet (en deze zin deugt evenmin, want lijkt een toespeling op een essaybundel over recente poëzie).

Van zo’n man als Göring kon ik het accepteren, hè. Die was immers ook zo praalziek, had mooie sterren en zo. Maar die dreef de spot met zichzelf. Göring stond er voor bekend dat hij een man was, die zei, nou jongens, wat is de nieuwste mop over mij? En dan moesten ze hem de nieuwste mop vertellen.

Dit ziet er waarheidsgetrouw uit. Of niet? Spreekt er iemand zowel in termen van ‘en zo’ en ‘er voor bekend’ als van ‘praalziek’? Of zegt het meer over mijzelf dat ik door die vraag te stellen ongeloof hecht aan die vereniging van twee op het oog uiteenlopende taalclusters in het gesproken woord (behoud ik mij dat recht toe of althans mijn werk, want godverdomme wat is dat toch belangrijk)? Ik ken wel de gewaarwording te schrikken van een bepaalde term die de mond blijkt te hebben verlaten: dat dan meteen willen compenseren met iets contrairs – en daar in mijn werk uren op oefenen. Kan het trouwens zijn dat ik te argwanend ben, en het woordje ‘van’ verwacht tussen ‘zei’ en ‘nou’, of is dat te hedendaags? Ergo, waar ben ik? Waarom schiet me te binnen dat Göring was getrouwd met een gravin die Fock heette?

Er valt niets meer te verontschuldigen. Helemaal niets. Helemaal niets. Verontschuldigen wil zeggen, dat je samen nog een gemeenschappelijke norm vindt, waarmee je bepaalde daden meet. En die is hier niet meer.

In de politiek is het een bekend fenomeen dat men op momenten dat de tekst even wegzinkt in het moeras van het bewustzijn de laatste woorden herhaalt. Frits Bolkestein was zo bedreven in die truc, dat ik zijn voornaam uit zijn mond steevast als ‘Frats’ verstond. Maar bij hem betrof het zakelijke zaken, in een betoog. Wat hier wordt gezegd, valt binnen het kader van een persoonlijke zaak, een getuigenis (van dit laatste woord wil ik gezegd hebben dat het zowel vrouwelijk is als onzijdig). En als men het dan niet meer weet, stokt men. Na ‘Helemaal niets’ ligt het in de rede dat het stil wordt. Anderzijds wordt hier vanuit het heden over iets in het verleden gesproken. Het kader is een rechtvaardiging, of ten minste een mate van begrip. Het heeft er alle schijn van dat dat du moment wordt opgeroepen. Merkwaardig in de slotregel vind ik daarom ‘is’ (de onvoltooid verleden tijd lag voor de hand) en ‘hier’ (in plaats van ‘daar’). Maar mogelijk boor ik daarmee als mens in een blootliggende zenuw van de ander. Wat is de mens? En typ ik dit trouwens neer met mijn hele lichaam?

De soldaten kregen bijvoorbeeld brieven van verloofdes die het uitmaakten, omdat ze gehoord hadden dat hun been eraf was geschoten. Die jongens kregen het zo ontzettend op hun zenuwen, hè, die gingen huilen en schreeuwen en dan kregen ze natuurlijk een spuitje om te kalmeren. Dat was zo ontzettend!

Dit komt in de buurt. Een reden voor mijn vermoeden is, dat in de vaart van het vertellen de verwijswoorden niet meer eenduidig verwijzen naar het voorafgaande. In de eerste zin zou ‘hun’ in de kluts bijvoorbeeld kunnen slaan op ‘verloofdes’, wat in deze context een onbedoeld, en daarom naturel, komisch effect sorteert. Ook authentiek dunkt me het licht foutieve ‘die’ na het tussenwerpsel ‘hè’: partiële infectie. Het is mijn makke dat ik inmiddels na Jaap Stam, die naar eigen zeggen Kampen op de kaart heeft gezet, het bijwoord ‘natuurlijk’ echter weer onnatuurlijk vind. In zekere zin geldt dit eveneens voor ‘ontzettend’: daar verwacht ik ‘vreselijk’, maar misschien is dat te wuft, in de verloofdenlijn. Juist daarom zou ‘ontzettend’ wel eens echt kunnen zijn. Wel wat voorlijk voor zijn tijd.

Ja, en dat deze transporten niet prettig waren, dat is logisch. Niet wat het vervoer betreft, want wij zijn ook in beestenwagens vervoerd en ik vond het nog wel prettiger ook. Ik zat liever in een beestenwagen, in een goederenwagen, met pakken stro, dan in een coupé, want daar kon je nooit gaan liggen.

De tweede zin vind ik heel curieus, omdat het voegwoord ‘want’ een oorzakelijkheid aangeeft die het achterste deel van de bijzin ontkent. Dat dunkt me vooral curieus, omdat daarvóór de altijd misleidende want retorische term ‘logisch’ was gehanteerd. Bovendien is ‘nog wel (…) ook’ opmerkelijk, omdat hier toch echt ‘eigenlijk’ voor de hand ligt. Of niet? Ben ik weer aan het dissolveren en acht ik dat gepast vanwege de semantische kernen ‘eigen’ en ‘lijk’ in het perspectief van de reële historische keerzijde aan de gememoreerde transporten? Of zie ik dan mijn eigen afgrond als gestalte, of toch maar: de afgrond die ik bij de spreker veronderstel? Waarachtig vind ik in elk geval vervolgens, ja we zijn alweer helemaal terug in handige bruistabletvorm, het toevoegsel ‘met pakken stro’ dat de zin onderbreekt, zoals dat gaat indien je praat, hink-stapspronggewijs. Het oorzakelijke voegwoord dat daar dan weer op volgt, is logisch.

Hitler dood! Een gekke gewaarwording, een gekke gewaarwording… Kerels met hun borst vol onderscheidingstekens lieten hun tranen de vrije loop.
Je hebt er jaren voor gevochten.
Je hebt je kameraden zien vallen.
Je hebt er alles voor over gehad.


Hier lijkt de vermetele techniek van de herhaling bij gebrek aan woorden te worden toegepast. Of ze ook naturel is, lijkt vers twee. Voor mij botst het woord ‘gekke’ al met ‘gewaarwording’ (esthetische alliteratie) en zeker met ‘kerels’. En de uitdrukking ‘tranen de vrije loop laten’ lijkt me niet op zo’n stevige orale basis te berusten, al moet ik erkennen, nee, domweg vaststellen dat spreektaal voortdurend schrijftaal citeert. De drie slotzinnen vind ik aan de akelige kant. Misschien zijn ze werkelijk zo uitgesproken, en dan hoor ik de galm van het Polygoonjournaal. Maar het feit dat Armando en Sleutelaar ze telkens op een nieuwe regel laten beginnen, valt niet anders te interpreteren dan als een auteursingreep die methodisch onmogelijk als zuiver te kenmerken is. Ik vermoed dat hier een las is gemaakt.
Waren de samenstellers wetenschappers in het laboratorium van de werkelijkheid of hebben ze vooral geluisterd naar wat ze dachten te zullen horen? Op basis van de luttele hierboven besproken acht fragmentjes, lijkt het mij gegrond om in elk geval de heersende ethische bezwaren tegen het boek niet bij voorbaat hypocriet of invalabel te verklaren. Er werd immers gesproken binnen een retorische context en dat geeft collateral damage. Voorzover dat niet duidelijk was, leverde de herdruk van De ssers voor die retoriek aanvullend bewijs: de volgorde van de sprekers is er omgedraaid. En aangezien de door mij gebruikte vierde druk uit 1990 nog een latere is, zou ik moeten nagaan of ook daarin herschikking is aangebracht. Dat wil ik niet doen, niet eens zozeer uit luiheid, als wel in een poging één raadsel expliciet te conserveren: één van de acht sprekers, oorspronkelijk de derde, is namelijk een vrouw. Wie o wie?


3.
‘Herhalen, herhaken, kelen, betrachten:
een sublieme overeenkomst tussen zovele werkelijkheden’
Marcel van Maele

Ik ben groot geworden met gesproken taal op de radio. Met name bij voetbalverslagen, onschuldig maar half in de illegaliteit, leek het, omdat ik dan al lang moest slapen en, geheel volgens wetten der anekdotiek, een transistortje mee onder de dekens nam. En welja, daar heb ik dan weer een citaat over: ‘toen ik voor het eerst / radiobeschrijvingen hoorde ik dacht dat ze de sport daarmee / regisseerden, niet versloegen’. Dat staat in Fredy Neptune van Les Murray, waar de aposiopese ‘hoorde ik dacht’ in a nutshell aangeeft wat radio zo bijzonder kan maken: iets onvoltooids, anakoloetisch graag, dat inderdaad de suggestie wekt dat taal de bal over het veld stuurt.
Een radioverslag is gericht op een dialoog met de luisteraar, zij het dat die uiteraard niets kan terugzeggen. Da’s quarantaine en die maakt dit genre handzaam voor mijn onderzoek. Voor het diagnosticeren van waarheidsgetrouwheid in de spreektaal heeft het voetbalverslag nog een voordeel. Men loopt in zijn gebabbel altijd achter bij de gebeurtenissen op het veld en mag het gat met het heden niet laten gapen – verslag mag geen commentaar worden. Het gevaar van reconstructie is daarbij afgewend. En ook: men wil, al is het beroepshalve, zijn ervaring delen.
Niet heel veel jaren na de verschijning van De ssers, in het seizoen 1969-1970, speelde Feijenoord in de tweede ronde van de Europacup 1 tegen het machtige ac Milan. Dat werd een ongekend succes. De 1-0 nederlaag in de uitwedstrijd poetsten de Rotterdammers in eigen stadion weg. Van die legendarische thuiswedstrijd, op 26 november 1969, is een singletje gemaakt, waaruit ik eerst de betreurde commentator (qua leeftijd een jongere neef van de ss-ers) Theo Koomen citeer uit zijn verslag voor de radio:

En over of zit-ie erin nee nee toch hij zit erin hij zit erin ik dacht dat-ie over zeilde maar hij zit erin het is een doelpunt ik dacht dat-ie erover zeilde maar hij dook in de hoek en Cudicini staat daar verslagen in het doel en Jansen wordt daar door alle Feijenoorders wordt-ie omhelst en gepakt en Treytel is eruit en iedereen iedereen is is gek geworden en ze staan hier voor m’n ramen te dansen.

Dit is nou eens pure spreektaal. Ik pleeg daarmee een ernstige tautologie, want wat kan een radioverslag anders zijn? Toch lijkt me de constatering gerechtvaardigd. De herhalingen, het zichzelf corrigeren en ook niet, de programmatische nevenschikking – als ik nog wist wie ik was, zou ik bijna zeggen dat ik mezelf erin herkende. Maar ik besef wel dat dit in laatste instantie een ethische uitspraak is, omdat Koomen onbemiddeld en, zeker vergeleken bij Armando en Sleutelaar, belangenvrij zijn verslag lijkt te doen. Bovendien was hij een Hollander, geboortegetrouw bevooroordeeld enthousiast over de ontwikkelingen in het wedstrijdverloop. En dus klopt mijn uitspraak niet, is hij evengoed retorisch.
De bejubelde doelpuntenmaker was Wim Jansen, die qua leeftijd een zoon van de ss-ers had kunnen zijn. Op een vraag naar de genese van zijn goal antwoordde hij:

Nou ik kreeg dus de bal op rechts aangespeeld en ik wilde dus een voorzet geven maar toen zwaaide-die dus over de keeper op de verste paal zo het net in.

Wederom pure spreektaal. Ik wil vooral wijzen op het gebruik van het woord ‘dus’: het maakt gebeurtenissen logisch en doelmatig, terwijl het commentaar van Koomen al suggereerde dat er bij het doelpunt sprake was van enig toeval, zoals een inzicht uit verstrooidheid heet te kunnen rijzen. De aanrichter bevestigt dat nu. Eigenlijk is al zijn ge-‘dus’ één groot manifest van ongeloof.
De wedstrijd ging verder, ik geef het woord terug aan Koomen (men moet weten dat in die tijd, kinderloze opa vertelt, radioverslagen niet permanent met de wedstrijd mee werden uitgezonden: nog los van verplichte interferenties van het anp-journaal op de hele uren, heerste er überhaupt een inhaalprocedure, men ‘schakelde over naar onze verslaggever ter plekke’ en hoorde dan in het ideale geval een hoogtepunt, dat in feite een fragment was):

Een juichtoon een juichkreet door het stadion van de 66.000 Coen Moulijn die was z’n tegenstander gepasseerd naderde Schnellinger Schnellinger kon er niet meer bij kwám de voorzet kwám op het hoofd van Van Hanegem en Van Hanegem dook als een snoek en de bal die joeg in de touwen en zelfs Cudicini die er nog naar dook was reddeloos.

Is dit belangenvrij? De ironie wil dat Theo Koomen zo’n beetje de grootste fantast denkbaar was, die er, achter op de motor, bij verslagen van Touretappes niet voor terugdeinsde heroïsche ontsnappingen aan den volke te melden, terwijl het peloton in gesloten gelid langs korenvelden pedaleerde. Eerder een mythomaan dan een journalist dus. Maar ik ben weer eens te snel in mijn oordeel – al wordt dat nu onderhand een stijlfiguur, oppassen Marc met die praattoon, dat je niet in het opzettelijke maniërisme verstrikt raakt dat het werk van Kees ’t Hart, met name de essays, inmiddels in het teken doet staan van het hulpeloos-sterke voorbehoud – me realiserend dat Koomen, wellicht als tegenwicht voor die mythomanie, ook naar de andere kant kon doorschieten. Als één der eersten stelde hij het dopinggebruik bij wielrenners aan de kaak, wat hem op een boycot kwam te staan van het peloton dat blufte dat hij een vuile katholieke leugenaar was.
Voor een in elk geval iets nuchterder commentaar aan de microfoon gaat andermaal het woord naar de doelpuntenmaker, die destijds al De Kromme werd genoemd:

Ja ik kreeg die bal van links dus en toen kopte ik ’m d’r in en toen haalde ik ’m dus uit het net gewoon en toen keek ik dus op die klok hoe lang er nog te spelen was ja voor de rest op dat moment sta je d’r niet bij stil dacht ik.

Atavisme of affirmatie? De passage lijkt wat je noemt ontwapenend, maar dat is een vreemd en misplaatst woord omdat de ratio van de situatie parallellen vertoont met die van soldaten in volle actie. Nog vreemder is het dat ik moet denken aan de ideologie die Armando achteraf aan zijn beweging poogde te hechten: ‘een wanhopige poging om de consumptiemaatschappij te bejahen’. Becommentarieerd doen alle ‘dus’-sen van Van Hanegem, in wat vanwege het voetbal een populaire cultuur mag heten, hetgeen baardloze, huns ondanks wel degelijk artistieke journalisten diametraal op provo en kabouters en wat dies meer in de jaren zestig wilden aanrichten. En de journalisten hebben aan het langste eind getrokken, mét ironie. En vooral met ellipsen.
Voor de formele kant aan frase van De Kromme past slechts één waardering: zonder woorden.
‘In den beginne was het woord, en het woord was bij God’. Nou, van mij had Hij het mogen houden. Wat is taal toch een *** voor wie niet tuk is op parentheses, al dan niet in de gedaante van noten, haakjes en gedachtestrepen. En wellicht is de waarheid inderdaad niet tijdloos, en is tijdloosheid zelf, zoals Walter Benjamin beweerde, een exponent van een burgerlijk waarheidsbegrip. Ik acht het evenmin onmogelijk dat waarheid intentieloos is. Dat wij een ander begrijpen is eigenlijk een mirakel, dat we onszelf, in wie we toch een meerderheidsbelang hebben, denken te begrijpen wellicht nog meer. Omdat zwijgen inmiddels toch echt een verwijt is geworden, blijft díe dialoog ook een punt van aandacht; wij wachten op het begin van de Renaissance.


In: Yang xxxx/3 (okt 2004)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.