woensdag 13 mei 2009

School der Poëzie (1997)


Een uitspraak van iemand

‘Ich bin kaum ein unklarer Kopf zu nennen, aber auch kein klarer. Mit Nachtsicht: das Klärungsvermögen ist stark, das Verunklärende gibt aber nur im einzelnen nach.’
Robert Musil

In de tijd dat mijn debuutbundel verscheen, benaderde het literaire tijdschrift De Zingende Zaag me voor een manifest van maximaal drie pagina’s. Nu is er weer een boek en word ik door De Revisor besteld, andermaal voor drie pagina’s. Het lijkt wel of er iets in de lucht hangt of iemand.
Ik bof toch maar. En dat als dichter, panda der mensheid.
Heb ik wat te wensen eigenlijk, weet ik een koers? Dat is een vreemde vraag. Ik schrijf toch. Nee, het is volstrekt natuurlijk dat de panda zijn vilten pantoffels uittrekt om eens goed in de spiegel te kijken die gelijk een blik gunt op de overige continenten van de aarde die naar verluidt niet plat is maar ook niet helemaal rond.
Stel dat ik werkelijk een koers wist, zou ik dan verordineren dat iedereen die koers zette? Weer een vreemde vraag. Ik pleeg nog liever autoplagiaat. Jaco Pastorius was bassist. Hij ontwikkelde een eigen stijl die allerwege navolging kreeg. Jaco trof bassisten die beter Jaco speelde dan hijzelf. Ook raakte – we schrijven de jaren tachtig – het fenomeen MIDI in opkomst. Jaco kwam in een muziekzaak. Daar was een MIDI-synthesizer, met onder andere het gesampelde geluid Jaco Bass. Jaco speelde er ‘Teen town’ op, een eigen compositie. Op toetsen klonk toen zelfs Pastorius als Pastorius.
Het maken van een manifest op afroep begrijp ik niet goed. Wel vind ik het leuk dat dingen mooi worden vormgegeven.
Had de vorige keer de erfenis van de avant-garde als aanleiding, ditmaal is het Herman Gorter die een eeuw terug zijn School der poëzie uitbracht. Tegenwoordig schijnt bijna elke dag historisch te zijn. Toch is het niet uitgesloten dat er nu ook wel eens wat gebeurt.
Over Gorter hebben we op de middelbare school geleerd, dat hij bij de Tachtigers hoort en dat Verzen het hoogtepunt uit zijn werk is. We weten van de hogere school dat toen Gorter aan het clubblad De nieuwe gids wat gedichten aanbood die in het slot van Verzen zouden terechtkomen, oppertachtiger Willem Kloos tegen plaatsing was. Maar ze kwamen erin.

Dichten is een geïnspireerde bezigheid. Dat dacht ik in mijn eerste periode toen ik geen gedichten schreef, en in mijn tweede periode toen ik gedichten schreef over iemand die op mijzelf leek. Ik omringde me in de tweede periode met vulpen, papier en, i.v.m. vlekken op het manuscript, rode wijn. Ik schreef ’s nachts; de gedichten ontstonden in één vlaag. Ik was hoorbaar, liep veel door de kamer, tussen boeken. Het gangbare denken.
Inmiddels hangt boven mijn bureau een kaart van een kameel, wiens nek is bedekt met vier zoentjes. Ik de gesubsidieerde illegaal maak teksten op de computer. Mijn handschrift kan ik sinds lang niet meer lezen, daarover zou ik krasse verhalen kunnen doen. Ook ben ik geworden wat ik was, een ordinaire bierdrinker (maar nooit onder werk, dan neem ik azijn). Zelden voltooi ik iets op één dag. Vaker pruts ik aan een bijzinnetje, kraken mijn hersenen onder kruiselings over het scherm staande woorden waartussen het verband mij ontgaat. Ik doe mijn best.
Die woorden komen overal vandaan. Ik exploiteer reclame, praatprogrammaklanken en ambtenarenpatois. Tegelijk delf ik – slecht verliezer met scrabble – naar versteend Nederlands. Al die ingrediënten bestaan onafhankelijk in mijn teksten. Op de juiste wijze opgediend moeten ze samen een typische Kregting-toon voortbrengen. Geen woord is van mijzelf.
Waar begint het allemaal mee? Ik vrees dat woede mijn drijfveer is. Omtrent de wereld zie of hoor of lees ik iets, en wil protesteren. (Het ligt me niet mijn stem aan een groep te geven. De enige keer dat ik heb gedemonstreerd, duurde vijf minuten. Rondom klonken leuzen waarmee ik het hooguit half eens was.) Dus sluit ik me op, met wat steekwoorden.
Ik vrees ook dat in het uiteindelijke resultaat de wereld niet eenvoudig is terug te vinden. Ze wordt door het gedicht omringd, de woorden doen verwoede pogingen haar tegen te houden. Ik moet daar altijd wel om lachen en nogal hard ook, in het genre van geschater.
De reden van deze naar bewapening neigende weerstand is dat de woorden een alliantie aangaan. Ik kan slechts mijn gehoor daartegenover stellen, steeds hardop overlezend, intervenieer op ritme en klank. Mijn debuutbundel was vooral jazzrock, een welige en heftige vermenging van stijlen. Bijvoorbeeld ‘Malaga Virgen’ van bassist Percy Jones (die duidelijk door Pastorius heen is gegaan). Nu ben ik ouder en bij wijze van spreken rustiger, zet meer naast elkaar zodat de resultaten ordelijker lijken.
Melodieus zal ik wel nooit worden; instrumentaal blijf ik.
Aan elke tekst ligt een idee ten grondslag. Betekent dit dat mijn teksten ideeën bevatten? Eerst is er een soort opvatting, dan ga ik in de slag en ten slotte raak ik mezelf kwijt. Het verschil met de overheid is dat zij zich bewust terugtrekt. Ik probeer altijd wel een persoon in te voeren, een omtrek, heldere doorschenen oppervlakte.
Ik denk soms dat dit alles ‘geven en nemen’ is. Alleen voor mij? Ik citeer Dickinson 1563:

By homely gift and hindered Words
The human heart is told
Of Nothing –
“Nothing” is the force
That renovates the World –

Zovelen hebben gelijk en ik geloof ze niet. Zelf voel ik het meest voor de gedachte dat je je ergens nooit helemaal in kunt vinden. Dat met een ander overeenstemmen letterlijk op een misverstand berust maar eigenlijk vooral verdacht is. Dat is een uitspraak van iemand geweest, ik ben vergeten wie.
Wat is eensgezindheid of, erger, gelijkgezindheid anders dan hardnekkige blindheid? Voor consensus moet je geloof ik Latijn kennen of in de politiek gaan (en parasensus is Grieks, een ander soort politiek).
Kunstenaars die in dezelfde tijd werken zijn alleen voor buitenstaanders tijdgenoten. In werkelijkheid zie je gescheiden werelden. Dat is niet meer dan een biologische wet. Motieven om je, als beginneling, bewust bij anderen onder te brengen zou ik overigens wel weten.
Wie wil inzien hoe het zit met invloed op mijn poëzie zal haar moeten consumeren. Maar dan ook integraal, dan kunnen we samen kijken. Waar ik moeite mee heb, is het toesteken van een helpende hand die hoe dan ook hiërarchie verraadt. Een enjambement wijst al richting. Is het zo’n hand als van de pierrotachtige figuur in Fellini’s 8½, die boven het hoofd van een toeschouwer zweeft en diens gedachten vertaalt?
Heel belangrijk in literatuur is beeldspraak. Beeldspraak vergt talent. Bertrand was nog geen vijfentwintig toen hij een stuk in Gaspard de la nuit zo wist op te zetten: ‘Ce n’est point avec le froc et le chapelet, c’est avec le tambour de basque et l’habit de fou que j’entreprends, moi, la vie.’ Hier lees ik een nevenschikking van maximaal aangegrepen en uitgestelde vaardigheid. Een chiasme voor de betekenissen: de froc hoort bij de habit en de chapelet hoort bij de tambour. Tegelijk tracht de froc met de harde r een pact aan te gaan met de tambour, en waagt de chapelet in de warme a en zijn ingeslikte slotmedeklinker iets met de habit. Die initiatieven worden weerspiegeld in de overkoepelende zin, waarin moi eventjes een dam opwerpt. In een notendop lees ik het hele conflict tussen je en moi.
Een beeldspraak die faalt verbrijzelt de tekst, zijn omgeving, de maker.

Zoals misschien opvalt, reageer ik niet direct op Gorter. Ik erken dat dit overzichtelijk zou zijn.
In zijn ijzig-waardige bijdrage aan het manifestennummer van De Zingende Zaag had Erik Spinoy het over esthetisering: ‘de discussie die wordt aangekondigd, wordt bij voorbaat versmacht in het keurslijf van de opzet en vervangen door de simulatie van een discussie.’
Direct reageren ik doe dus niet. Ook omdat dat jegens de betrokken auteur zou getuigen van onbesnaarde hoogmoed (een eigenschap die anders van pas komt). Men moet een minimum aan kiesheid bewaren omwille van de arme figuur die ongevraagd wordt opgebracht. Menigeen kan zijn naam om een reden uitstrooien en met wat water erbij fijn poedelen. Vaak betreft het dan individuen die zelfs volgens de laatste literatuurgeschiedenis niet steeds hebben geharmonieerd. Ik kan me voorstellen dat de arme uit zijn graf herrijst om hen door zijn monocle aan zijn ene hand te bestuderen, en er vervolgens met zijn wandelstok in de andere hand op los te toffelen: ‘en nou ophouden jullie!’ Het badzand is kolengruis. Schrijven in of tegen een traditie is oneindig ingewikkeld.
Ik herinner aan de kaartlezende automobilist die een boom groet.
Ten slotte, heeft literatuur nut? Hoewel hij evenals een politicus minstens één grote boodschap per dag produceert, kiest de schrijver door zijn werk een omweg. Het zou de lezer niet direct aansporen tot handelen. Deze beperking is reëel, mede omdat een à tempo overzichtelijk wereldbeeld nuances vaak versmaden. Toch zou je als schrijver naar meer mogen streven. Literatuur kan ten minste, refererend aan de voetballerij, ‘iets extra’s brengen’. Ze noopt tot zorgvuldigheid. Een goede schrijver is een kind dat overal bij vraagt: waarom? Literatuur die geen herkenning op de korte termijn ambieert en met een afwijkende wijze van ademhalen systematiek verstikt, ontkracht vooroordelen waarmee levende en levenloze materie blijkt te worden bejegend.
Dit nut rijmt niet met de status van literatuur die in dit land weinig meer is dan snobistisch voor een dubbeltje, zelfs in verhouding tot andere kunsten. Daarom trekt menige panda zijn vilten pantoffels uit om te schrijven voor de krant (en zo journalisten het brood uit de mond te stoten) of om met universiteitsbobo’s in jury’s en commissies te gaan zitten ter beoordeling van collegae. Kennelijk heeft literatuur, laat staan poëzie, voor de staat geen nut.
Hierdoor voel ik me helemaal gelegitimeerd autonoom te zijn. En bij dezen wil ik verbieden dat iemand ooit iets uit dit stukje overneemt. Pas op hoor, als ik grappig doe kan ik erg woedend zijn.
Er moet een autonome poëzie zijn, die over de wereld gaat.

De Revisor xxiv/5+6 (dec 1997)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen

Opmerking: alleen leden van deze blog kunnen een reactie plaatsen.