vrijdag 1 februari 2013
Multatuli (1997-1999, 2006-2013)
‘Begrypen is genot’. Inmenging en versmelting in Max Havelaar
1. Inleiding
Uit literatuur stijgt heel wat commentaar op van vertellers, maar moet die kunst daarbij haar grenzen kennen? Uitspraken over de alledaagse wereld kunnen stokpaardjes van de auteur uitserveren die de vrijheid van interpretatie inperken. Ze verbreken bovendien de verhaallijn en storen zo de suspension of disbelief. Dat ethische en formele kwesties dus onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, blijkt ook uit Max Havelaar of de koffiveilingen der Nederlandsche Handelmaatschappy, Multatuli’s fameuze boek waarvan een eerste uitgave in 1860 verscheen. Aan het slot worden, formeel, de personages uit de plot geveegd. Multatuli neemt de pen op. Hij geeft te kennen wat hij vindt en wat er, ethisch, moet veranderen. Met die intentie, en ik citeer uit de op de dubbel aangevulde uitgave van 1881 gebaseerde editie-Kets (1992), offert hij het voorgaande: ‘Ik vraag geen verschooning voor den vorm van myn boek. Die vorm kwam my geschikt voor ter bereiking van myn doel’ (235).
Max Havelaar dient als middel. Catalogiseert men de tekst als roman, dan wordt hij een roman à thèse. De ‘vorm’ valt te verbinden met de omweg van de fictie, waarin er tussen de vele personages twee, de titelheld en Sjaalman, zijn te identificeren met de auteur. Het boek ambieert een buitenliterair effect: verbetering van de positie van de Javaan én rehabilitatie van Multatuli, nom de plûme van voormalig assistent-resident Eduard Douwes Dekker. Van hem mag na zijn zelf aangevraagde ontslag te Lebak de vigerende situatie op de schop. Het woord moet daad worden, voor die boodschap gebruikt Multatuli kapitalen in de term HOOFDSTREKKING.[1]
Dergelijke machtsmiddelen liggen gevoelig bij wie niets dan de tekst wil onderzoeken. Sötemann hield in zijn bewonderenswaardige studie van Max Havelaar volgens het esthetische dogma van eenheid, complexiteit en intensiteit bewust bij het punt van de buitenliteraire werkelijkheid op. Daarmee ontkende hij haar niet (zijn inleiding bevat zelfs een beknopte schets van de koffiehandel), hij stelde er alleen een andere benadering tegenover. Het was 1966, en Sötemann wilde ruimte scheppen voor een structuralistische literatuurbeschouwing in de Lage Landen (Goedegebuure/Heynders 1996: 67). Als hij bij het slot van Max Havelaar ‘een haast onbehaaglijk reële indruk’ (1966: 106) krijgt, verraadt de opeenvolging van bijvoeglijke naamwoorden onder welke vlag zijn studie geschreven is. Werd daarover al tamelijk snel bericht (Van der Paardt 1978), ondergesneeuwd blijft wat een referentiële ambitie zoals Multatuli die had, met literatuur doet en met de wereld.
Van buitenaf valt alvast te signaleren dat eind 2006, als radertje binnen De canon van Nederland, Max Havelaar toch vereeuwigd is als aanklacht tegen wantoestanden in Indië: ‘Het boek is inmiddels in meer dan 140 talen uitgegeven en werd in 1999 door de Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer in de New York Times betiteld als “The Book That Killed Colonialism”.’ Interessant, tot in hun nickname, zijn twee virtuele reacties daarop:
Re: Max Havelaar
Ach kijk eens aan! De invloed van de PvdA is weer zichtbaar in de klaslokalen. Nutteloze onzin. Leer die kids maar eens iets over de 80 jarige oorlog; dát was namelijk WEL DEGELIJK belangrijk voor de ontwikkeling van Nederland.
Douwe Egberts op 17 oktober 2006
Re: Max Havelaar
Het boek de Max Havelaar werd al in de klaslokalen besproken voordat de PvdA bestond.
Het verhaal speelt zich af in de periode van het cultuurstelsel.
De Indonesische boren werden gedwongen een deel van hun land te verbouwen met producten waar Nederland veel geld aan kon verdienen.
Boeren moesten harder werken om hun normale voedseloogst daarnaast te kunnen binnenhalen..Wat niet altijd lukte
Ondermeer werd het nederlandse spoorwegnet met deze winsten aangelegd en slavenhouders in de West werden afgekocht hiermee toen eindelijk het verbod op slavernij werd ingesteld..
Het "bezit" van Indonesie is zeer wel een factor geweest in de ontwikkeling van Nederland.. en het hoort bij de vaderlandse geschiedenis.
Te snappen is dat iemand die vooral "nationale trots" zoekt voor het opkrikken van de eigenwaarde liever dit niet wilt horen
Indisch4ever op 18 oktober 2006[2]
Hoewel elk boek diverse interpretaties kan losmaken, liggen de overtuigingen zelden zo ver uiteen als hier. Er staan behalve poëticale opvattingen kennelijk belangen tegenover elkaar, van groepen, wat het des te problematischer maakt om, zoals verknochte lezers doen, te spreken van ‘de Max Havelaar’. Of het nu gaat om automutilatie of kannibalisme, de onophefbare kritische spanning zit natuurlijk al in het slot dat, zoals Vervaeck aangaf,[3] met het opnemen van de pen de pen verbeurd verklaart. Wel is Multatuli’s boek sinds 1988 naamgever van het fairtrademerk, dat in de Googlehiërarchie zelfs vóór zijn bron is gedrongen. Wat is er gebeurd?
woensdag 23 januari 2013
Koffie: de groslijst (2005-2012)
‘Aan tafel. 8 ladychefs in de kleren’, De Standaard Magazine 23-1-2010
Jan-Frederik Abbeloos: ‘George Clooney drinkt thee’, De Standaard, 11-10- 2012
Hans Abbing: Van hoge naar nieuwe kunst. Historische Uitgeverij: Groningen 2009
Ludo Abicht: De Verlichting vandaag. Houtekiet: Antwerpen/Amsterdam 2007
Hans Achterhuis: Politiek van goede bedoelingen. Boom: Amsterdam 1999
Hans Achterhuis: Met alle geweld. Een filosofische zoektocht. Lemniscaat: Rotterdam 2008
‘Achterklap Foto's - 23 oktober 2008’
http://www.ad.nl/koffietest/
Theodor W. Adorno: Minima Moralia. Vertaald door M. Mok. Spectrum: Utrecht 1971
Remieg Aerts: Het aanzien van de politiek. Geschiedenis van een functionele fictie. Bert Bakker: Amsterdam 2009
A.F.Th.: Het schervengericht. Querido: Amsterdam 2007
http://www.ah.nl/perla/
http://www.aholdcoffeecompany.nl/nl/
Wilma van den Akker: Nageljongenstraat. Holland: Haarlem 2008
Alain: Over het geluk. De Prom: Baarn 1996
http://alembert.fr/index.php
Alzheimer Nederland: ‘Waar drinkt u koffie uit?’, NRC, 23/24-8-2012
Haroon Ali: ‘Fietsen op gereclyclede koffiecups’, de Volkskrant, 6-11-2010
Labels:
column,
essay,
humor,
letterkunde,
maatschappijkritiek,
muziek,
poëtica,
poëzie,
proza
dinsdag 15 mei 2012
Het onvoltooide (2011-2012)
1.
‘Er is altijd een beter motto’
(Anonymus, 11e eeuw)
Op een grappige manier bevredigt het onvoltooide gedicht een vraag naar reality. Het is nog van alles aan het passen, wanneer het wordt betrapt door de buitenwereld zonder zich zelfs maar in iets toonbaars te hebben kunnen hijsen. De onberispelijk afgeklede drukletter is niet nabij. Het gedicht staat nog in potlood, zodat er wijzigingen door te voeren zijn die in het radicaalste geval kunnen leiden tot volledige verdwijning onder de bruutheid van de gum. Mochten er ambitie en gelegenheid zijn geweest om het af te maken, dan was er iets verloren aan gegaan: het vermogen te kunnen veranderen. Die verandering is niet neutraal, blijkt uit twee literaire benamingen voor het onvoltooide. Uit statu nascendi valt af te leiden dat er iets groters op komst is. Indachtig de aristotelische teleologie, een doelgerichtheid volgens welke de bal altijd in het netje gaat, zal het kind als onvoltooide volwassene rijpen. En work in progress verraadt dat er in de verandering verbetering of zelfs vooruitgang te bespeuren is, of die nu op esthetisch of ethisch vlak ligt.
Aan het bestaan van auteurs, en de mensheid in het algemeen, valt minder te veranderen. Zelfs Michael Jackson wist met peperdure zuurstoftanks op zijn ranch Neverland het eeuwige leven annex de voltooide tijd niet te implementeren. De dood, in rouwadvertenties vaak gekoppeld aan het motto ‘Het is volbracht’, valt buiten de menselijke invloedsfeer. Voor een kunstwerk moet voltooiing de dood zijn, toebehorend aan musea, waar fixeerlagen van het onveranderlijke zijn aangebracht. Maar literatuur geldt toch als een onuitputtelijke bron, voor lezers én schrijvers? De sonnetten van Shakespeare bleken niet meer definitief, nadat ze in handen waren gevallen van K. Silem Mohammad. In zijn Sonnagrams husselt deze de letters van het klassieke materiaal door elkaar, waarna de restanten de titel vormen. Zo kan Sonnet XLII ‘That thou hast her, it is not all my grief’ in de eenentwintigste eeuw metamorfoseren tot ‘Sheriff Ed Rebuffed Her (“Hey, Hey, Hey, Hey, Hey!”), Then He Fell’. Punt is alleen dat dit resultaat zelf weer bevriest.
In het onvoltooide kunstwerk botsen moleculen echter continu alle kanten op omdat hun training nooit afloopt – caught in the act! De handeling voltrekt zich schijnbaar nog in een werkplaats. Men spreekt van een denkbeweging. Die term is ook gegeven aan nagelaten dagboeken van Ludwig Wittgenstein, in bezit geraakt van zijn zus, en moet dus bedoeld zijn als een karakteristiek. Daarbij luidde het dat filosofische notities waren vermengd met persoonlijke bespiegelingen zodat er, naast een scherper beeld van de mens, een vage samenhang en continuïteit kon oprijzen met Wittgensteins spaarzame officiële werk. ‘De denkbeweging in mijn filosoferen zou je terug moeten kunnen vinden in de geschiedenis van mijn geest en van de zedelijke begrippen daarin & in het begrip van mijn situatie.’ Soepeltjes kwam die taal niet op papier. Volgens de bezorgers van de Denkbewegungen is er een worsteling gaande, een innerlijke nood die bij de verwoording stuit op de grenzen van wat (menselijk) gezegd en (wetenschappelijk) verklaard kan worden. Aldus heten die dagboekaantekeningen intens en authentiek. Een tot één zin samengebalde herinnering aan Clara Schumann staat er met een tussenpoos van negen maanden tweemaal in. Het ontplooide denken blijkt nooit verstard en vernieuwt zichzelf voordurend, iets wat tot uiting komt in een veelvoud van varianten en versies, inclusief een geheimschrift waarvan de code overigens makkelijk te kraken is.
Is een denkbeweging daarom ook bijzonder in relatie tot het onaffe? Tekent dat niet eerder een zekere gemakzucht of is het een goedkope manier om door suggestie eventjes wat geld te verdienen?
woensdag 25 april 2012
Hans Groenewegen (2012)
Driemaal heeft Hans Groenewegen nu een selectie uit zijn kritieken en kronieken over poëzie gebundeld. Met schrijven zin verzamelen vind ik een belangrijk boek, maar het stemt me ook weemoedig. Het lijkt een afscheid van een tijd waarin literatuurbeschouwers een dialoog mochten aangaan met teksten. Maar papieren media zien hier geen heil meer in.
Groenewegen toont wat leesoefening inhoudt. Dat is avontuurlijk en leerzaam, zonder dwang. Omdat Groenewegen beschrijft hoe zijn ervaringen met een gedicht voortschrijden, worden ze behalve controleerbaar ook betwistbaar. Dit kan als zwakte worden opgevat, in termen van ‘Laat die man eens ophouden met over zichzelf te praten’. Maar die man blijkt over gedichten te praten, en zichzelf als proefdier te gebruiken.
Heeft iemand die denkt zoiets beter te kunnen daar nu gelegenheid voor?
dinsdag 21 februari 2012
Sybren Polet (2012)
Het spreekt me enorm aan om een kunstenaar te blijven benaderen alsof hij een beginner is, zoals Sybren Polet aan het slot van Donorwoorden aanbeveelt. Natuurlijk werpt het vruchten af de vergelijking met en de verhouding tot een oeuvre in het oog te houden, maar dat heeft ook een risico: toegepaste formules kunnen een interpretatieschema inslijpen dat principieel teleologisch is.
Wanneer Polet in de genoemde bundel een ‘85-jarige debutant’ opvoert, zal ik, net over de helft van dat leven, zo vrij zijn één gedicht uit Donorwoorden te lezen:
Alibi
Hoor, er zit iets verbaals in de lucht.
En ik, tweemaal geborene,
luister het bijna op lichaamstemperatuur.
Twee-eenheid is materie genoeg, is
massa genoeg voor eenzelvige wijmensen
Voor hen is alle werkelijkheid alibi
voor andere alibi’s.
Oorsprongmensen als oversprongmensen.
Zeg me wat je werkelijk denkt
En ik denk het werkelijker na
(met inbegrip van mijzelf,
mijzelf als alibi.)
En ja, er hangt iets verbaals in de lucht,
iets dat je bijna kunt spreken.
Van begin af wordt de lezer bij het gedicht betrokken met een aanspreking. Omdat er iets in de lucht zit. In de omgangstaal duidt dat op verandering. Volgens mij ten goede, in tegenstelling tot ‘er hangt iets in de lucht’ uit Polets slotstrofe, dat ook op verandering wijst maar ten kwade, iets dreigends, strange fruit. Wanneer er iets in de lucht zit, spreekt men van lenteachtige dingen, kriebels, positieve vibraties. Zo wordt het meest opmerkelijke woord uit de beginzin, ‘verbaals’, als een blijde boodschap ingehaald. In de schriftelijke mededeling die poëzie geworden is, gaat live gesproken worden, waarnaar geluisterd moet.
Wanneer Polet in de genoemde bundel een ‘85-jarige debutant’ opvoert, zal ik, net over de helft van dat leven, zo vrij zijn één gedicht uit Donorwoorden te lezen:
Alibi
Hoor, er zit iets verbaals in de lucht.
En ik, tweemaal geborene,
luister het bijna op lichaamstemperatuur.
Twee-eenheid is materie genoeg, is
massa genoeg voor eenzelvige wijmensen
Voor hen is alle werkelijkheid alibi
voor andere alibi’s.
Oorsprongmensen als oversprongmensen.
Zeg me wat je werkelijk denkt
En ik denk het werkelijker na
(met inbegrip van mijzelf,
mijzelf als alibi.)
En ja, er hangt iets verbaals in de lucht,
iets dat je bijna kunt spreken.
Van begin af wordt de lezer bij het gedicht betrokken met een aanspreking. Omdat er iets in de lucht zit. In de omgangstaal duidt dat op verandering. Volgens mij ten goede, in tegenstelling tot ‘er hangt iets in de lucht’ uit Polets slotstrofe, dat ook op verandering wijst maar ten kwade, iets dreigends, strange fruit. Wanneer er iets in de lucht zit, spreekt men van lenteachtige dingen, kriebels, positieve vibraties. Zo wordt het meest opmerkelijke woord uit de beginzin, ‘verbaals’, als een blijde boodschap ingehaald. In de schriftelijke mededeling die poëzie geworden is, gaat live gesproken worden, waarnaar geluisterd moet.
zondag 18 september 2011
Jan Swammerdam (1992)
Glossarium Jan Swammerdam
Afbeelding. Niet overgeleverd. Op Rembrandts ‘Anatomische les’ is de man met het perkament (chirurgijn Hartman Hartmansz) met ~ geïdentificeerd. Jan Stolker maakte er een vervalsing van.
Aristoteles. Dacht dat metamorfose gevolg was van plotselinge ontwikkeling. Door ondoorzichtig omhulsel omgeven pop zag hij als ei met vormloze substantie.
Arts. Na studie geneeskunde (1661-1663) beroep van ~, nooit gepraktiseerd.
Bekennen, Kleur. ‘ik moet verhuysen van mijn vader, die bij mijn suster en haar man blijft wonen, soo dat ik van voor neemen ben op het lant te gaan, indien dat ik by tijts, geen conclusie heb.’ (brief van ~ op 41-jarige leeftijd)
Biografie. Reductie door interpretatie. Verzameling trefwoorden.
Blasius, Gerhard. Gewoon hoogleraar in 1666, stadbibliothecaris in 1670.
Blind, Half. Werd ~ volgens Oek de Jong van het staren in de microscoop (gevolg), pogend in iets buiten zichzelf bestaands God te vinden (oorzaak). De vinger Gods in een luis.
Boek. Volgens ~ metafoor van natuur: ‘een geduurigh opgeslagen boeck gelijk.’
Boek, Dooie Dat. Idee van Thijssens Kees de jongen, een dooie diender pur sang, bij een werk ‘over bijen en mieren.’
Boerhaave, Herman. Eerste biograaf van ~, bezorger van ~ tweedelige Bijbel der Natuure (1737/38). Religieus dichterlijke aspect van ~ is hieruit weggelaten.
Bourignon, Antoinette. Van oorsprong katholiek. Kruising tussen Berendien uut Wisp en Jenny Goeree. Eigende zich met instemming van ~ status toe van personage uit Openbaringen 12:1-6. Vond dat ware christenen vader, moeder en zichzelf moesten haten.
Brieven. Schreef ~ regelmatig. Verzoeken erin werden niet altijd gehonoreerd, ook omdat ze soms de plaats van bestemming niet bereikten: ‘so ben se niet int vagevier maar in de hel geraakt.’
Afbeelding. Niet overgeleverd. Op Rembrandts ‘Anatomische les’ is de man met het perkament (chirurgijn Hartman Hartmansz) met ~ geïdentificeerd. Jan Stolker maakte er een vervalsing van.
Aristoteles. Dacht dat metamorfose gevolg was van plotselinge ontwikkeling. Door ondoorzichtig omhulsel omgeven pop zag hij als ei met vormloze substantie.
Arts. Na studie geneeskunde (1661-1663) beroep van ~, nooit gepraktiseerd.
Bekennen, Kleur. ‘ik moet verhuysen van mijn vader, die bij mijn suster en haar man blijft wonen, soo dat ik van voor neemen ben op het lant te gaan, indien dat ik by tijts, geen conclusie heb.’ (brief van ~ op 41-jarige leeftijd)
Biografie. Reductie door interpretatie. Verzameling trefwoorden.
Blasius, Gerhard. Gewoon hoogleraar in 1666, stadbibliothecaris in 1670.
Blind, Half. Werd ~ volgens Oek de Jong van het staren in de microscoop (gevolg), pogend in iets buiten zichzelf bestaands God te vinden (oorzaak). De vinger Gods in een luis.
Boek. Volgens ~ metafoor van natuur: ‘een geduurigh opgeslagen boeck gelijk.’
Boek, Dooie Dat. Idee van Thijssens Kees de jongen, een dooie diender pur sang, bij een werk ‘over bijen en mieren.’
Boerhaave, Herman. Eerste biograaf van ~, bezorger van ~ tweedelige Bijbel der Natuure (1737/38). Religieus dichterlijke aspect van ~ is hieruit weggelaten.
Bourignon, Antoinette. Van oorsprong katholiek. Kruising tussen Berendien uut Wisp en Jenny Goeree. Eigende zich met instemming van ~ status toe van personage uit Openbaringen 12:1-6. Vond dat ware christenen vader, moeder en zichzelf moesten haten.
Brieven. Schreef ~ regelmatig. Verzoeken erin werden niet altijd gehonoreerd, ook omdat ze soms de plaats van bestemming niet bereikten: ‘so ben se niet int vagevier maar in de hel geraakt.’
vrijdag 24 juni 2011
De werkplek (2005)
De coördinaten van het andere
I will not praise that purpose not to sell
1.
Op een metalen blad van ongeveer vijftig bij dertig centimeter een schriftje, half schuilgaand onder twee gekafte boeken. Rondom, op de vloerbedekking tot aan de ficus benjamin, meer schriftjes en boeken. Er is thee. Mijn knieën tegen het blad, dat aan de zijkant een lade heeft. Ik ril nog na van een spreekbeurt, handelend over Ischa Meijers Brief aan mijn moeder. Men moest erg lachen, dus had ik één citaat maar niet gegeven: ‘Want altijd en overal loert het gevaar dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word.’ Nu het velletje tegenover me op ooghoogte, aan de met bruine rauhfaser behangen muur, met formules over sinus, cosinus en tangens en integraalberekening die langs mediamieke weg in mijn hoofd moeten raken; de vloerbedekking heeft ongetwijfeld haar eigen wetten van statisch-zijn. Radio afgestemd op Hilversum 3, ‘de betere popzender’. Straks zal ik die liedjes wel à l’improviste naspelen op de studiepiano, twee verdiepingen lager, me overal en nergens wetend, dus evengoed weer hier. Op zoek naar verbanden maak ik een notitie, die moet worden vergeleken met een passage uit een boek dat niet te vinden is. Ik kijk opzij, naar beneden, en op de vloerbedekking ontwaar ik het boek en ik wil het pakken. Onwillekeurig gaan mijn knieën omhoog en het blad schiet uit de twee diagonale staafjes, waarvan de uiteinden in metalen kolommen aan de muur gehaakt zijn. Alles valt over me heen. En op zijn beurt, en veel harder lijkt het, schiet de lade los en daaruit verspreiden zich stickers, hartsbriefjes (‘als je echt van iemand houdt, kun je zijn stront eten’), punaises.
Een terugtrekkende beweging van ongeveer anderhalve meter en ik ga onverstoorbaar voort. Maar op bed schrijvend kan ik mijn handschrift niet lezen. Dan pak ik een boek en sla het open. Wat is echter een geschikte houding? Na een minuut slaapt mijn arm. Ik daal met het boek de trap af naar de badkamer, waar ik ruik aan de asbak. Die is daar geplaatst toen de ene buurman, die met zijn handen werkt, na een sneeuwnacht het dak van zijn auto bezaaid met peuken aantrof. Mijn vader beloofde beterschap en gooit zijn peuken nu in de wc.
Op het toilet lees ik – de andere buurman, die in de verkoop zit, heeft zijn boeken op één kamer, wat aftrekbaar schijnt te zijn bij de belastingen.
2.
Als een dommelende krokodil heb ik op als ‘jaren zeventig’ gekwalificeerde zitkussens – één tegen de rug, één onder de billen – mijn corpus doorgenomen. Onder het enige raam, schuin, aan de ronde grenen eettafel die mijn zus heeft afgedankt, maakte ik aantekeningen: nooit naar achter overhellen, dan begeeft de leuning van de stoel het. Er is melk. Een dag op bed om de lijn alvast uit te tekenen. Dan loop ik naar het schrijftafeltje, overgenomen van een lagere school, en leg er een nieuwe blocnote op. Veel meer past niet en mijn knieën komen over de rand; de rubberen strip is weggepulkt.
Ik knip de bureaulamp aan en pak een balpen en schrijf mijn thesis. De muur waartegen het tafeltje staat, scheidt me van een liftje. Daarachter zijn vrieskisten. Wanneer familie en vrienden op de begane grond het zware fluwelen gordijn wegschuiven, brengt de lift het lijk in kwestie ernaartoe. Na een halfuur weer het geluid van de lift, nu opwaarts. Rechts van me weet ik de Fender Rhodes Stage Piano 73.
Na een maand ben ik klaar. Het is me niet duidelijk of de aarde doorgedraaid heeft. Wel heb ik kennelijk gegeten en gedronken, want ik loop nog rond. Gelopen heb ik sowieso, op momenten dat de rug- en nekpijn me overvielen. Op die momenten zal ik ook hebben geslapen; het bed ziet er onopgemaakt uit en er liggen lege zakken bolognesechips.
De tijd tot de uitreiking mag ik benutten voor een stage bij een krant, die rooms zou zijn geweest. De immense redactiezaal hangt vol rook, radio’s en televisies staan aan en om de haverklap klinkt er een bel: ‘Het systeem gaat plat!’ Mijn debuutopdracht is een overzicht van de voorstellingen van het weekend. Als ik een paar alinea’s af heb, staat de chef naast me. “Wat ben jij in hemelsnaam aan het doen?” Hij trekt het kladblok onder me vandaan en wijst op een computer. En opschieten alsjeblieft, want we moeten zo naar het bijkantoor. Dat blijkt De Blonde Pater te heten.
Als slotopdracht mag ik een stuk schrijven over Solzjenitzyn, van wie ik banden gezien heb in een wandbrede boekenkast bij mijn tante. Mij worden stapels artikelen in de handen geduwd. Ik zeur net zo lang tot ik weg mag. “Haha, Marc gaat op retraite.” Met een vriendin kan ik twee dagen in een huis in de bossen zitten. De treinreis valt tegen met al die bagage. We wandelen en wandelen en twee dagen later gaat de bagage onuitgepakt terug en lees ik thuis diagonaal de artikelen en typ op mijn oude Adler in een uurtje het stuk. Daarna pak ik Friedrich Nietzsches De vrolijke wetenschap erbij: ‘Uit trots houdt hij vast aan een zaak, die hij is gaan doorzien – maar hij noemt het “trouw”.’
Binnenkort ga ik een computer kopen.
I will not praise that purpose not to sell
1.
Op een metalen blad van ongeveer vijftig bij dertig centimeter een schriftje, half schuilgaand onder twee gekafte boeken. Rondom, op de vloerbedekking tot aan de ficus benjamin, meer schriftjes en boeken. Er is thee. Mijn knieën tegen het blad, dat aan de zijkant een lade heeft. Ik ril nog na van een spreekbeurt, handelend over Ischa Meijers Brief aan mijn moeder. Men moest erg lachen, dus had ik één citaat maar niet gegeven: ‘Want altijd en overal loert het gevaar dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word.’ Nu het velletje tegenover me op ooghoogte, aan de met bruine rauhfaser behangen muur, met formules over sinus, cosinus en tangens en integraalberekening die langs mediamieke weg in mijn hoofd moeten raken; de vloerbedekking heeft ongetwijfeld haar eigen wetten van statisch-zijn. Radio afgestemd op Hilversum 3, ‘de betere popzender’. Straks zal ik die liedjes wel à l’improviste naspelen op de studiepiano, twee verdiepingen lager, me overal en nergens wetend, dus evengoed weer hier. Op zoek naar verbanden maak ik een notitie, die moet worden vergeleken met een passage uit een boek dat niet te vinden is. Ik kijk opzij, naar beneden, en op de vloerbedekking ontwaar ik het boek en ik wil het pakken. Onwillekeurig gaan mijn knieën omhoog en het blad schiet uit de twee diagonale staafjes, waarvan de uiteinden in metalen kolommen aan de muur gehaakt zijn. Alles valt over me heen. En op zijn beurt, en veel harder lijkt het, schiet de lade los en daaruit verspreiden zich stickers, hartsbriefjes (‘als je echt van iemand houdt, kun je zijn stront eten’), punaises.
Een terugtrekkende beweging van ongeveer anderhalve meter en ik ga onverstoorbaar voort. Maar op bed schrijvend kan ik mijn handschrift niet lezen. Dan pak ik een boek en sla het open. Wat is echter een geschikte houding? Na een minuut slaapt mijn arm. Ik daal met het boek de trap af naar de badkamer, waar ik ruik aan de asbak. Die is daar geplaatst toen de ene buurman, die met zijn handen werkt, na een sneeuwnacht het dak van zijn auto bezaaid met peuken aantrof. Mijn vader beloofde beterschap en gooit zijn peuken nu in de wc.
Op het toilet lees ik – de andere buurman, die in de verkoop zit, heeft zijn boeken op één kamer, wat aftrekbaar schijnt te zijn bij de belastingen.
2.
Als een dommelende krokodil heb ik op als ‘jaren zeventig’ gekwalificeerde zitkussens – één tegen de rug, één onder de billen – mijn corpus doorgenomen. Onder het enige raam, schuin, aan de ronde grenen eettafel die mijn zus heeft afgedankt, maakte ik aantekeningen: nooit naar achter overhellen, dan begeeft de leuning van de stoel het. Er is melk. Een dag op bed om de lijn alvast uit te tekenen. Dan loop ik naar het schrijftafeltje, overgenomen van een lagere school, en leg er een nieuwe blocnote op. Veel meer past niet en mijn knieën komen over de rand; de rubberen strip is weggepulkt.
Ik knip de bureaulamp aan en pak een balpen en schrijf mijn thesis. De muur waartegen het tafeltje staat, scheidt me van een liftje. Daarachter zijn vrieskisten. Wanneer familie en vrienden op de begane grond het zware fluwelen gordijn wegschuiven, brengt de lift het lijk in kwestie ernaartoe. Na een halfuur weer het geluid van de lift, nu opwaarts. Rechts van me weet ik de Fender Rhodes Stage Piano 73.
Na een maand ben ik klaar. Het is me niet duidelijk of de aarde doorgedraaid heeft. Wel heb ik kennelijk gegeten en gedronken, want ik loop nog rond. Gelopen heb ik sowieso, op momenten dat de rug- en nekpijn me overvielen. Op die momenten zal ik ook hebben geslapen; het bed ziet er onopgemaakt uit en er liggen lege zakken bolognesechips.
De tijd tot de uitreiking mag ik benutten voor een stage bij een krant, die rooms zou zijn geweest. De immense redactiezaal hangt vol rook, radio’s en televisies staan aan en om de haverklap klinkt er een bel: ‘Het systeem gaat plat!’ Mijn debuutopdracht is een overzicht van de voorstellingen van het weekend. Als ik een paar alinea’s af heb, staat de chef naast me. “Wat ben jij in hemelsnaam aan het doen?” Hij trekt het kladblok onder me vandaan en wijst op een computer. En opschieten alsjeblieft, want we moeten zo naar het bijkantoor. Dat blijkt De Blonde Pater te heten.
Als slotopdracht mag ik een stuk schrijven over Solzjenitzyn, van wie ik banden gezien heb in een wandbrede boekenkast bij mijn tante. Mij worden stapels artikelen in de handen geduwd. Ik zeur net zo lang tot ik weg mag. “Haha, Marc gaat op retraite.” Met een vriendin kan ik twee dagen in een huis in de bossen zitten. De treinreis valt tegen met al die bagage. We wandelen en wandelen en twee dagen later gaat de bagage onuitgepakt terug en lees ik thuis diagonaal de artikelen en typ op mijn oude Adler in een uurtje het stuk. Daarna pak ik Friedrich Nietzsches De vrolijke wetenschap erbij: ‘Uit trots houdt hij vast aan een zaak, die hij is gaan doorzien – maar hij noemt het “trouw”.’
Binnenkort ga ik een computer kopen.
woensdag 2 februari 2011
J.M.H. Berckmans (2001)
De kornetten en trompetten van Jericho
ter nagedachtenis van Jan Kostwinder
`En kontakt moet ge hebben. Kontakt is het allerbelangrijkste dat er bestaat. Als ge geen kontakt hebt zijt ge dood. Gij zult misschien denken dat ge 't beter weet maar kontakt hebt ge nodig. Zonder kontakt kunt ge niet bestaan.' In deze monoloog uit Het zomert in Barakstad (1993) van J.M.H. Berckmans ziet de lezer een tragische dronkeman lallen. Verder bladerend door het werk van de Antwerpse schrijver plaatst hij hem tussen laveloze soortgenoten met permanent kastekort, dégénerés in cafés en stempellokalen, omringd door sociale werkers en deurwaarders en schoonheden wier houdbaarheidsdatum is verstreken. Hij ruikt de geur van koffie met brood en spek (op hoogtijdagen biefstuk met friet), besmeurde kleren en kotsplakkaten. Alles stevent af op de ondergang, iets waarvoor Berckmans van stonde af de term defaitisme reserveerde die hij gul door zijn werk heeft gestrooid. Het verlatene trekt aan het oog voorbij, droefenis, de dood die te verkiezen lijkt boven het leven.
De lezer waant zich een socioloog van de skid row.
Tegelijk hoort hij de dronkeman die, zoals de overlevering wil, altijd de waarheid zegt. De woorden zijn op zo'n wijze geordend dat het gedram van mensen die ver boven hun tax zitten maximaal tot uitdrukking komt. In vijf zinnen beweert de hoofdpersoon feitelijk steeds hetzelfde, een functionele herhaling met varianten. Via zijn oren voelt de lezer een ongemak ontstaan, dat zich fysiek over hem uitspreidt. Zo'n effect kan louter worden gesorteerd door strengheid. De monoloog komt dan ook uit een verhaal waarbij in de schaduw van de hoofdpersoon een als Jean-Marie aangeduide schrijver figureert, uit wie een beeld ontstaat van een professional, iemand die zijn vak doodserieus neemt. Als Jean-Marie uit een kroeg wordt gesmeten, is de krenking dubbel: `dat hij een bekende schrijver is en naar Humo en naar De Morgen zou schrijven.' Bovendien blijkt hij ter voorstudie van de hoofdpersoon een bandopnemertje te hebben laten meedraaien aan de bar. Het aldus verkregen materiaal moet Jean-Marie hebben geoptimaliseerd tot skaz.
Het verhaal heet `Aantekening over De Beuckelaer Jean-Pierre.' Dat doet kinderlijk en bescheiden aan, maar het is ook zakelijk. Een oefening in literatuur, die Antwerpen de grimmige naam Barakstad heeft verleend.
Over het werk van Berckmans ligt een schijn. Hij zou bloemrijke anekdotes serveren over wat door hygiënische hoofden `de onderkant van de samenleving' wordt genoemd. Voor het werk in kwestie kan die term niet letterlijk genoeg genomen worden. Het ware hoofdpersonage bij Berckmans lijkt de reet, soms met een guitig, de dood in de pot brengend anglicisme `ashool' geheten. De meest frequent gepleegde handeling is het afvegen van de poep na een boodschap, iets wat wegens ontbreken van toiletpapier, acute diarree of vergaande verwaarlozing veelal tot mislukken gedoemd is. Louter de kapitalen waarin Berckmans BROEKSCHIJTERIJ heeft vervat staan pal. Voeg daar een autodatering als `het tijdperk van de latrine' aan toe, grinnik over `mijn rectum plus quam perfectum van de vuiligheid' en een mythe is geboren. Berckmans' werk kan erdoor gaan gelden als document humain, met authenticiteit als keurmerk.
Ik op mijn beurt wil geenszins voorbijgaan aan de onafzienbare ellende die Berckmans reveleert, maar evenmin aan de literatuur die hij ervan heeft gemaakt. Dan doel ik niet op een dirty realism, maar op iets wat klinkt. Dit kan esthetisch overkomen, zeker vanwege mijn onbekendheid met de Umwelt, het milieu en dialect dat Berckmans opvoert. Café De Raaf is voor mij een naam die, om het lomp te stellen, eerder een gedicht van Edgar Allan Poe oproept. Bij die beperking wil ik toch staande houden dat ik als lezer nauwelijks enige afstand van deze teksten hoef te nemen om vooral vorm te zien.
Ik zou verder willen gaan: een op de inhoud gerichte aandacht voor hetgeen Berckmans publiceert lijkt, hoe paradoxaal ook, esthetisch en belust. Hoe moet ik het zeggen - het aanprijzen van een street credibility heeft iets van het detecteren van onkruid tussen trottoirtegels vanuit een wolkenkrabber. Wellicht kan ik de blikrichting in dit beeld benutten. Mijn twijfels richten zich op een verticale aandacht die in de tekst een aantal universalia waarneemt. Die benadering ziet voorbij aan de horizontale lijnen, uitzaaiingen ter plekke, die specifiek zijn voor literatuur, en ook voor dit oeuvre. Weer anders gezegd: het verondersteld circulaire zal plaats moeten maken voor het feitelijk lineaire. Ondanks alle zever die bij Berckmans vanwege slechtzittende tandprotheses wordt gestort, ondanks alle stront die vanwege incontinentie vloeit, blijft zijn taal hard, uitgehouwen.
Het is maar wat de lezer wil weten. Wanneer onder een verhaal staat `With a little help from Alfred Rosengarten Nevada', dan kan die naam aan een vriend worden toegeschreven en snellen er aldus gedachten naar het nummer van The Beatles, eventueel in de uitvoering van de populaire innemer Joe Cocker. Maar het onderschrift hoort bij de titel en die luidt `Hoe het is', naar een ascetische tekst van Samuel Beckett. Over diens Malone dies meldt Taxi naar de Boerhavestraat (1995) terloops: `Het einde van de westerse literatuur. Zo niet het allereerste begin.'
ter nagedachtenis van Jan Kostwinder
`En kontakt moet ge hebben. Kontakt is het allerbelangrijkste dat er bestaat. Als ge geen kontakt hebt zijt ge dood. Gij zult misschien denken dat ge 't beter weet maar kontakt hebt ge nodig. Zonder kontakt kunt ge niet bestaan.' In deze monoloog uit Het zomert in Barakstad (1993) van J.M.H. Berckmans ziet de lezer een tragische dronkeman lallen. Verder bladerend door het werk van de Antwerpse schrijver plaatst hij hem tussen laveloze soortgenoten met permanent kastekort, dégénerés in cafés en stempellokalen, omringd door sociale werkers en deurwaarders en schoonheden wier houdbaarheidsdatum is verstreken. Hij ruikt de geur van koffie met brood en spek (op hoogtijdagen biefstuk met friet), besmeurde kleren en kotsplakkaten. Alles stevent af op de ondergang, iets waarvoor Berckmans van stonde af de term defaitisme reserveerde die hij gul door zijn werk heeft gestrooid. Het verlatene trekt aan het oog voorbij, droefenis, de dood die te verkiezen lijkt boven het leven.
De lezer waant zich een socioloog van de skid row.
Tegelijk hoort hij de dronkeman die, zoals de overlevering wil, altijd de waarheid zegt. De woorden zijn op zo'n wijze geordend dat het gedram van mensen die ver boven hun tax zitten maximaal tot uitdrukking komt. In vijf zinnen beweert de hoofdpersoon feitelijk steeds hetzelfde, een functionele herhaling met varianten. Via zijn oren voelt de lezer een ongemak ontstaan, dat zich fysiek over hem uitspreidt. Zo'n effect kan louter worden gesorteerd door strengheid. De monoloog komt dan ook uit een verhaal waarbij in de schaduw van de hoofdpersoon een als Jean-Marie aangeduide schrijver figureert, uit wie een beeld ontstaat van een professional, iemand die zijn vak doodserieus neemt. Als Jean-Marie uit een kroeg wordt gesmeten, is de krenking dubbel: `dat hij een bekende schrijver is en naar Humo en naar De Morgen zou schrijven.' Bovendien blijkt hij ter voorstudie van de hoofdpersoon een bandopnemertje te hebben laten meedraaien aan de bar. Het aldus verkregen materiaal moet Jean-Marie hebben geoptimaliseerd tot skaz.
Het verhaal heet `Aantekening over De Beuckelaer Jean-Pierre.' Dat doet kinderlijk en bescheiden aan, maar het is ook zakelijk. Een oefening in literatuur, die Antwerpen de grimmige naam Barakstad heeft verleend.
Over het werk van Berckmans ligt een schijn. Hij zou bloemrijke anekdotes serveren over wat door hygiënische hoofden `de onderkant van de samenleving' wordt genoemd. Voor het werk in kwestie kan die term niet letterlijk genoeg genomen worden. Het ware hoofdpersonage bij Berckmans lijkt de reet, soms met een guitig, de dood in de pot brengend anglicisme `ashool' geheten. De meest frequent gepleegde handeling is het afvegen van de poep na een boodschap, iets wat wegens ontbreken van toiletpapier, acute diarree of vergaande verwaarlozing veelal tot mislukken gedoemd is. Louter de kapitalen waarin Berckmans BROEKSCHIJTERIJ heeft vervat staan pal. Voeg daar een autodatering als `het tijdperk van de latrine' aan toe, grinnik over `mijn rectum plus quam perfectum van de vuiligheid' en een mythe is geboren. Berckmans' werk kan erdoor gaan gelden als document humain, met authenticiteit als keurmerk.
Ik op mijn beurt wil geenszins voorbijgaan aan de onafzienbare ellende die Berckmans reveleert, maar evenmin aan de literatuur die hij ervan heeft gemaakt. Dan doel ik niet op een dirty realism, maar op iets wat klinkt. Dit kan esthetisch overkomen, zeker vanwege mijn onbekendheid met de Umwelt, het milieu en dialect dat Berckmans opvoert. Café De Raaf is voor mij een naam die, om het lomp te stellen, eerder een gedicht van Edgar Allan Poe oproept. Bij die beperking wil ik toch staande houden dat ik als lezer nauwelijks enige afstand van deze teksten hoef te nemen om vooral vorm te zien.
Ik zou verder willen gaan: een op de inhoud gerichte aandacht voor hetgeen Berckmans publiceert lijkt, hoe paradoxaal ook, esthetisch en belust. Hoe moet ik het zeggen - het aanprijzen van een street credibility heeft iets van het detecteren van onkruid tussen trottoirtegels vanuit een wolkenkrabber. Wellicht kan ik de blikrichting in dit beeld benutten. Mijn twijfels richten zich op een verticale aandacht die in de tekst een aantal universalia waarneemt. Die benadering ziet voorbij aan de horizontale lijnen, uitzaaiingen ter plekke, die specifiek zijn voor literatuur, en ook voor dit oeuvre. Weer anders gezegd: het verondersteld circulaire zal plaats moeten maken voor het feitelijk lineaire. Ondanks alle zever die bij Berckmans vanwege slechtzittende tandprotheses wordt gestort, ondanks alle stront die vanwege incontinentie vloeit, blijft zijn taal hard, uitgehouwen.
Het is maar wat de lezer wil weten. Wanneer onder een verhaal staat `With a little help from Alfred Rosengarten Nevada', dan kan die naam aan een vriend worden toegeschreven en snellen er aldus gedachten naar het nummer van The Beatles, eventueel in de uitvoering van de populaire innemer Joe Cocker. Maar het onderschrift hoort bij de titel en die luidt `Hoe het is', naar een ascetische tekst van Samuel Beckett. Over diens Malone dies meldt Taxi naar de Boerhavestraat (1995) terloops: `Het einde van de westerse literatuur. Zo niet het allereerste begin.'
maandag 29 november 2010
Willem Elsschot (2010)
‘En dan begint het gedonder opnieuw’
Stel dat Willem Elsschot zich had laten kunnen katapulteren naar de eenentwintigste eeuw om zijn eigen reclameman te zijn, hoe zou hij dan zijn werk promoten? Zou hij het zinrijk vinden het te smoren in loftuiting en dweperij, terwijl literatuur nu controversieel moet zijn? Die eigenschap draagt bij aan het summum, ofwel: ‘het debat’. Deze bijeenkomst Elsschot zeer kritisch beschouw ik daarom als uitstekende marketing. Graag doe ik eraan mee. Dat is overigens ook eigenbelang want zo kan ik mijn eigen niche uitventen.
Alleen snap ik niet goed waarom mij is gevraagd uitgerekend iets over Elsschot te zeggen. Diens werk is mij grotendeels onbekend, net als de secundaire literatuur. Hooguit drie boeken heb ik van hem gelezen, en dat ik hiervan niet eens zeker ben, tekent de geringe indruk die ze op mij achtergelaten hebben. Het zullen overigens mijn Hollandse genen zijn die dit op zichzelf beschamende feit niet als hinderlijk ervaren, er zijn immers veel andere boeken die mijn nieuwsgierigheid sterker prikkelen.
Helaas kan ik dus amper bijdragen aan het debat. Gelukkig bestaat dat in Vlaanderen niet, wegens infrastructurele redenen. Ook zal ik op geen enkele lange teen trappen door mijn probleem met Elsschots werk te verklappen: ik vind het saai. Tegelijk dringt in mij het besef door dat dit een curieus probleem is, omdat Elsschots boeken weinig pagina’s tellen. De teksten zijn voorbij voor je het weet, dus hoe kunnen ze dan langdradig overkomen?
Voor deze gelegenheid heb ik een steekproef genomen door Het Tankschip te lezen. Deze novelle is niet bepaald Elsschots debuut. Hij had de stiel al in de vingers, en daarom dunkt het me redelijk het te testen. Ik kende Het Tankschip ook niet, dus stond er fris tegenover. In elk geval letterlijk is het een waardevolle tekst; toen de voor zoonlief gesigneerde eerste druk uit 1942 werd ontvreemd uit een antiquariaatvitrine, schatte men voor 2000 euro lichter gemaakt te zijn. Zelf gebruik ik de officiële editie uit 2003, bezorgd door Peter de Bruijn.
In het nawoord van die uitgave is de hoofdreden voor mijn keuze te vinden, als Elsschot getuigenis aflegt van het schrijfproces van die ‘verdomde novelle’, dat zo’n twee jaar vergde:
‘Als ik het geschreven heb, begint het pas goed. Dan ga ik schrappen en bijvoegen; vooral schrappen. Zo veel tot ik op een geven moment tegen mezelf zeg: nu moet je ophouden anders blijft er helemaal niet meer over. Ik schrijf met de hand en na al dat schrappen en bijvoegen ga ik het tikken. En dan begint het gedonder opnieuw: weer schrappen, weer bijvoegen.’
De dunheid van Elsschots boeken is derhalve te wijten aan het feit dat ze uitgepuurd zijn. Dat soort economisch schrijven intrigeert mij, niet alleen omdat Elsschot daarom volgens de recente Boekenbeursbijlage van Knack als ‘de meest Nederlandse aller Vlaamse schrijvers’ geldt, maar ook omdat het een democratische ingang biedt voor een onderzoekje. Elsschot koos bewust niet voor redundantie, zoals de volgens dezelfde bron meest gelezen Nederlandse auteur in Vlaanderen, Herman Koch, dat deed in Red ons, Maria Montanelli uit 1989.
‘Ik heb nooit begrepen waarom de ouders van een kind dat achterlijk is, hem daarbij ook nog de verkeerde kleren aantrekken, zodat het nog meer opvalt. In de pauze stond hij in zijn winterjas op het schoolplein en kauwde langzaam op zijn boterhammen, die hij uit een plastic doos met deksel haalde, waarbij er altijd een paar broodkruimels op zijn kin bleven hangen en er ook wat speeksel uit zijn mondhoeken naar beneden liep. Het was zo’n zielig gezicht dat je had willen weten wie die ouders waren, dat ze hem daar zo in zijn veel te warme kleren broodkruimels lieten morsen en kwijl langs zijn gezicht lieten druppelen [eigenlijk kan het hele stuk achter de komma weg]. Maar als ik zeg zielig gezicht, dan is dat ook niet helemaal wat ik bedoel.’
Cursief zette ik alle overbodigheid. Het redundante effect wordt voornamelijk gesorteerd doordat de hoofdpersoon meer babbelt en opinieert dan verslag doet. Zogezegd veeleer skaz dan ambtenarentaal. Hoewel in Het Tankschip, dat een raamvertelling is, de meeste informatie evenmin komt van een verteller, maar tijdens een lang gesprek uit de directe rede van met name het personage Boorman, is dat relaas veel strakker. Waar bij Koch echter de hoofdpersoon naar eigen zeggen al niet slaagt te verwoorden wat hij bedoelt, is het een van de kenmerken bij Elsschots fameuze figuur dat deze dat al te goed kan. Boorman verpersoonlijkt aldus doelgerichtheid.
In die zin acht ik Het Tankschip een vaardig boek. Maar of het bijdraagt tot mijn leesvreugde, waag ik te betwijfelen. Mij zou het niet verbazen als dit project interessanter was geworden indien Boorman minder had gesproken en er een verhaal was opgezet met gelijkwaardiger actoren, zodat de krachten meer over het drama waren verdeeld. Nu koerst Elsschot eigenlijk rechtdoor op dezelfde weg.
En of er in Het Tankschip inderdaad geen woord te veel in staat? Ik zal u niet vermoeien of tergen met opsommingen van zinsneden waar Elsschots voornemen niet helemaal gestand is gedaan. Niemand is perfect noch kan zijn eigen woorden altijd nakomen en schoolmeesterij zal evengoed vergissinkjes bevatten. Misschien is het wel aardig een aantal stopwoorden en weerkerende uitdrukkingen te signaleren dat gelijkelijk is verdeeld over zowel de diverse sprekende personages als over de verteller: ‘dan ook’ als het gaat om een logica, ‘even’ als het gaat om een gebeurtenis, ‘eenig’ als het gaat om een aantal, ‘steeds’ als het gaat om een gevoel, en ‘opeens’ als het gaat om een verrassing. Ten slotte zeggen personages nogal eens wat tegen elkaar ‘met een *** blik’.
Noodzakelijk zijn zulke woorden niet. Voorts levert Elsschot pleonasmen als ‘door grootdoenerij imponeren’, ‘innerlijk koken van nieuwsgierigheid’ en ‘heftig gebonk’. Deze zijn echter evengoed op te vatten als superieure ironie, het punt waar het bij mij een beetje spaak loopt. Ik ben net te weinig proleet om stijl niet te kunnen waarderen, en geloof ook in de Russisch-formalistische idee van de-automatisering. Maar die beoogde een hernieuwde blik op de wereld, terwijl Elsschot zijn stijl inzette om een communicatiepatroon uit te tekenen, een ethologie waarin, voor zover ik het me herinner, de idealist Laarmans het aflegt tegen Boorman. Wanneer het mij zou lukken daarbij behorende ironie te smaken, dan hang ik de goede verstaander uit en behoor ik tot de vereniging Ons Soort Mensen waarvan de auteur uiteraard erelid is.
Die constatering geeft aan Het Tankschip een hedendaags tintje dat mij verrast, en voor Elsschotkenners wellicht logisch is. Sinds de klassenmaatschappij opgeheven schijnt, heeft namelijk een hardnekkige overtuiging postgevat over asymmetrie. Het begon ermee dat politici zakkenvullers zijn. Vanaf de kredietcrisis is daar het lastig te ontkennen feit bij gekomen dat zelfs falende bankiers, in nood bijgestaan door de overheid, bonussen mogen opstrijken. Dit terwijl ze netto slechts mooie woorden verkopen, en de zogeheten gewone man ondertussen degene is die dat allemaal met zijn belastinggeld moet betalen en die er telkens wordt ingeluisd. De plot van Het Tankschip drijft zelfs op het gegeven dat er door de verkoop van een schip eigen kapitaal niet in de staatskas zou verdwijnen. Of men dat nu als sociale kritiek ziet of als erkenning van een realiteit, Boorman blijft de grote ritselaar, wiens trucs men grinnikend of woedend moet gadeslaan, bij wijze van absolutie of catharsis voor het eigen leven.
Mij blijft het duister of dat de reden is waarom ik boeken lees, maar dat doet er niet toe. Het gaat om Boormans doelgerichtheid die bij ontstentenis van een valabele werkelijkheid louter in woorden gestalte kan krijgen en zich in Het Tankschip misschien niet helemaal perfect ontvouwt. Wie onder het schrappingsdogma althans alle verwante taalgevallen bij elkaar veegt, komt in Elsschots novelle, als ik het goed heb geteld, 248 woorden te veel tegen.
Pleeg ik nu heiligschennis? Ik kan het me niet voorstellen. Wat mij zou boeien is de reden waarom Elsschot zo fanaat zei te schrappen. Intuïtief kan daarop het antwoord zijn dat lezers dan meer kunnen invullen in plaats van uitgeduid te krijgen hoe en waarom een verhaal loopt zoals het loopt. De context moet voldoende ophelderen. Door de dosering van de auteur wordt lezen een vorm van meeschrijven, een onderhuids compliment aan de schranderheid van de lezer annex klant – indien die daar gevoelig voor is.
Op dit punt wil ik terugkeren naar het schrijfproces van Het Tankschip, waarbij in een bepaald stadium de novelle opgedragen werd aan de nagedachtenis van Menno ter Braak, die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zelfmoord pleegde. Met diens naam is in de literatuurgeschiedenis een ander, E. du Perron, nooit ver weg, alsmede hun tijdschrift Forum. Het illustere tweetal lustte schrijvers niet die nooit definitief afstand namen van het naturalisme. Ze vonden hen provinciaal, wat tot uitdrukking kwam in een zogeheten huiskamerrealisme. Hieronder vielen populaire streekromans en de moderne avonturenroman, die vanzelfsprekend een flinke omvang hadden. Een bijzonder doelwit bleek Theun de Vries, over wie Du Perron verzuchtte: ‘wat schrijft die Theun toch maar dikke boeken!!!’ Zijn eigen ultieme roman Het land van herkomst was anders ook niet echt anorectisch.
Nee, dan Elsschot, een held voor de mannen van Forum. In een stuk waar hij een link legde met Nescio essayeerde Ter Braak: ‘De romans van Willem Elsschot zijn geschreven in heel gewoon Nederlands, dat hier en daar de Vlaming weliswaar verraadt, maar nergens het provinciale taaleigen opdrijft tot een cultus. Dat wil zeggen, dat de romans van Elsschot hun betekenis danken niet aan het feit, dat ons het water in de mond komt als wij ze lezen; Elsschots taal is vrij van alle extravagantie, sober, soms scherp afgebeten, een andermaal precies vertellend, met de koele humor van de waarnemer.’
Wat men ook als Vlaming in deze Hollandse wijsheden kan proeven, hier wil ik nagaan hoe deze legitimatie van Elsschot, waaruit met een fikse dosis projectie een geur opstijgt die vette provincialen moest verjagen, zich voortplantte in de literatuur van Noord-Nederland. De schrapmythe exploiteer ik dus niet teksteditorisch-interpretatief, maar poëticaal-politiek.
In 1963 verscheen een roman die volkomen in de geest van het roemruchte tijdschrift was geschreven, met handelingen en meningen van enige studenten Nederlands te Amsterdam: Bij nader inzien van J.J. Voskuil. Toch zou ik dit boek evengoed een streekroman van de Oudemanhuispoort kunnen noemen, al was het om de uitputtende nauwgezetheid waarmee ieder wissewasje genoteerd wordt en dat de duizend pagina’s ruim overstijgt. (Uit dezelfde kring van Forum-adolescenten kwam Frida Vogels, wier cyclus De harde kern dertig jaar later veel critici verleidde het duizelingwekkende aantal pagina’s te vermelden, met de verzekering dat het dundruk was.)
Bij nader inzien kende een wisselende ontvangst, die terug te voeren was op poëticale premissen. Het tekstgerichte tijdschrift Merlyn wilde in zijn benaderingswijze afrekenen met de erfenis van het personalistische Forum, van wie Ter Braak tegen zijn maat Du Perron bijvoorbeeld kon beweren: ‘Het sympathieke in Elsschot is, dat hij geen seconde de dupe is van zijn eigen zwendelarij; hij is een combinatie van Laarmans en Boorman en als ik me niet vergis au fond een uiterst geschikte kerel’. Over Voskuils megaroman was Merlyn-redacteur Kees Fens negatief. Hij had een voorkeur voor teksten die ‘naar het epigrammatische’ neigen. Ontzag schiep hij voor ogenschijnlijk eenvoudige, veelal uit de journalistiek stammende kortebaanschrijvers als Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt. Hun puntige stijl was volgens Fens in de Nederlandse literatuur schaars vertegenwoordigd, mede als gevolg van ‘een wat overernstige, misschien ook moralistische traditie’. Fens tracht op zijn beurt aan te haken bij de smaak van Forum, door aan Voskuil die achtergrond te ontnemen. Voor hem, Fens dus, loopt er een geldige lijn van Nescio en Elsschot naar de vroege Reve tot Alberts, allen gekende auteurs van dunne boekjes.
Precies die lijn wordt in de jaren zeventig geëxploiteerd, getuige ook een bloemlezing van verhalen uit dat decennium, ingeleid door Aad Nuis. Hij gewaagt dan van een ‘ironisch-realisme’, helder én met een geringe omvang. Dit bevestigt het Forum-schema betreffende de omvang en ontkent het betreffende een neonaturalistische mentaliteit. Wel worden Nescio en Elsschot andermaal kroongetuigen voor de goede zaak. Terwijl Jeroen Brouwers een soortgelijke diagnose stelt en die boeken juist in hun pretentieloosheid vervloekt, kunnen ze Nuis’ goedkeuring wegdragen, temeer daar hij lijvige en ambitieuze romanprojecten als van Joyce & Co, Polet en Vogelaar, die in diezelfde tijd hun voltooiing naderen, minder kan waarderen.
Een decennium later bevestigt Aad Nuis in een serie colleges te Groningen zijn voorkeur voor dunne literatuur. Hij rekt het begrip zelfs uit. Dun verwijst naar een stijlopvatting, die opponeert tegen ‘de Brouwerse moerassen’ die dik vertegenwoordigen. Nuis parafraseert deze tegenstelling in het zuinig omspringen met woorden versus flamboyante overdaad. Aldus zou de Nederlandse literatuur vooral dun zijn, een overjarige constatering gevoegd bij een dito epitheton: calvinistisch. Vlaamse schrijvers heten in dat licht dik of, om een ander befaamd epitheton te gebruiken, barok.
Daarbij noemt Nuis Elsschot als uitzondering. Met hem daagt dat andere cliché, de kunst van het weglaten. Dik schrijven lijkt Nuis minder authentiek Nederlands, ‘meer iets voor Amerikanen of Duitsers uit Dantzig of iemand als Rushdie.’ Nuis’ voorbeelden van de Nederlandse variant hierop zijn weinig vleiend, zeker bij kwalificaties als ‘grote zelflitanieën’ en ‘stapelaars van formaat die hun teksten op zeer uiteenlopende manieren volstoppen’.
Ook hanteert Nuis het begrippenpaar exuberant-intiem. Exuberant staat bij hem voor grote woorden en dito constructies en ideeën. Niet zo best kennelijk. Wie zou hem deze opinie euvel duiden? Hij is niet meer onder ons, net als Willem Elsschot. Wel zat Nuis lang in de politiek, bij een partij die Ter Braak volgens hem zeker ook had gekozen. Hij, Nuis dus, werd nog staatssecretaris van de linkse hobby’s cultuur, kunst en media, en hij moest ongetwijfeld lijvige rapporten doorworstelen. Doelgerichtheid is dan lijfsbehoud – een koninkrijk voor een memootje.
Ik zou haast gaan denken aan volkswijsheden dat zij die veel woorden nodig hebben leugenachtig zijn en dat, als nauwelijks meer impliciete ethische en devote categorie, eenvoud het kenmerk is van het ware. Zo mogelijk nog meer onbetwistbaar, want een empirisch feit, is dat in Van Dale, Nederlands officieelste woordenboek, als voorbeeld bij het lemma dunheid een zin stond, die bijna zeker door Boorman is aangedragen: ‘de dunheid van het boekje is een voordeel’.
Toespraak bij De stad van Elsschot, Letterenhuis, Antwerpen 21-11-2010
Stel dat Willem Elsschot zich had laten kunnen katapulteren naar de eenentwintigste eeuw om zijn eigen reclameman te zijn, hoe zou hij dan zijn werk promoten? Zou hij het zinrijk vinden het te smoren in loftuiting en dweperij, terwijl literatuur nu controversieel moet zijn? Die eigenschap draagt bij aan het summum, ofwel: ‘het debat’. Deze bijeenkomst Elsschot zeer kritisch beschouw ik daarom als uitstekende marketing. Graag doe ik eraan mee. Dat is overigens ook eigenbelang want zo kan ik mijn eigen niche uitventen.
Alleen snap ik niet goed waarom mij is gevraagd uitgerekend iets over Elsschot te zeggen. Diens werk is mij grotendeels onbekend, net als de secundaire literatuur. Hooguit drie boeken heb ik van hem gelezen, en dat ik hiervan niet eens zeker ben, tekent de geringe indruk die ze op mij achtergelaten hebben. Het zullen overigens mijn Hollandse genen zijn die dit op zichzelf beschamende feit niet als hinderlijk ervaren, er zijn immers veel andere boeken die mijn nieuwsgierigheid sterker prikkelen.
Helaas kan ik dus amper bijdragen aan het debat. Gelukkig bestaat dat in Vlaanderen niet, wegens infrastructurele redenen. Ook zal ik op geen enkele lange teen trappen door mijn probleem met Elsschots werk te verklappen: ik vind het saai. Tegelijk dringt in mij het besef door dat dit een curieus probleem is, omdat Elsschots boeken weinig pagina’s tellen. De teksten zijn voorbij voor je het weet, dus hoe kunnen ze dan langdradig overkomen?
Voor deze gelegenheid heb ik een steekproef genomen door Het Tankschip te lezen. Deze novelle is niet bepaald Elsschots debuut. Hij had de stiel al in de vingers, en daarom dunkt het me redelijk het te testen. Ik kende Het Tankschip ook niet, dus stond er fris tegenover. In elk geval letterlijk is het een waardevolle tekst; toen de voor zoonlief gesigneerde eerste druk uit 1942 werd ontvreemd uit een antiquariaatvitrine, schatte men voor 2000 euro lichter gemaakt te zijn. Zelf gebruik ik de officiële editie uit 2003, bezorgd door Peter de Bruijn.
In het nawoord van die uitgave is de hoofdreden voor mijn keuze te vinden, als Elsschot getuigenis aflegt van het schrijfproces van die ‘verdomde novelle’, dat zo’n twee jaar vergde:
‘Als ik het geschreven heb, begint het pas goed. Dan ga ik schrappen en bijvoegen; vooral schrappen. Zo veel tot ik op een geven moment tegen mezelf zeg: nu moet je ophouden anders blijft er helemaal niet meer over. Ik schrijf met de hand en na al dat schrappen en bijvoegen ga ik het tikken. En dan begint het gedonder opnieuw: weer schrappen, weer bijvoegen.’
De dunheid van Elsschots boeken is derhalve te wijten aan het feit dat ze uitgepuurd zijn. Dat soort economisch schrijven intrigeert mij, niet alleen omdat Elsschot daarom volgens de recente Boekenbeursbijlage van Knack als ‘de meest Nederlandse aller Vlaamse schrijvers’ geldt, maar ook omdat het een democratische ingang biedt voor een onderzoekje. Elsschot koos bewust niet voor redundantie, zoals de volgens dezelfde bron meest gelezen Nederlandse auteur in Vlaanderen, Herman Koch, dat deed in Red ons, Maria Montanelli uit 1989.
‘Ik heb nooit begrepen waarom de ouders van een kind dat achterlijk is, hem daarbij ook nog de verkeerde kleren aantrekken, zodat het nog meer opvalt. In de pauze stond hij in zijn winterjas op het schoolplein en kauwde langzaam op zijn boterhammen, die hij uit een plastic doos met deksel haalde, waarbij er altijd een paar broodkruimels op zijn kin bleven hangen en er ook wat speeksel uit zijn mondhoeken naar beneden liep. Het was zo’n zielig gezicht dat je had willen weten wie die ouders waren, dat ze hem daar zo in zijn veel te warme kleren broodkruimels lieten morsen en kwijl langs zijn gezicht lieten druppelen [eigenlijk kan het hele stuk achter de komma weg]. Maar als ik zeg zielig gezicht, dan is dat ook niet helemaal wat ik bedoel.’
Cursief zette ik alle overbodigheid. Het redundante effect wordt voornamelijk gesorteerd doordat de hoofdpersoon meer babbelt en opinieert dan verslag doet. Zogezegd veeleer skaz dan ambtenarentaal. Hoewel in Het Tankschip, dat een raamvertelling is, de meeste informatie evenmin komt van een verteller, maar tijdens een lang gesprek uit de directe rede van met name het personage Boorman, is dat relaas veel strakker. Waar bij Koch echter de hoofdpersoon naar eigen zeggen al niet slaagt te verwoorden wat hij bedoelt, is het een van de kenmerken bij Elsschots fameuze figuur dat deze dat al te goed kan. Boorman verpersoonlijkt aldus doelgerichtheid.
In die zin acht ik Het Tankschip een vaardig boek. Maar of het bijdraagt tot mijn leesvreugde, waag ik te betwijfelen. Mij zou het niet verbazen als dit project interessanter was geworden indien Boorman minder had gesproken en er een verhaal was opgezet met gelijkwaardiger actoren, zodat de krachten meer over het drama waren verdeeld. Nu koerst Elsschot eigenlijk rechtdoor op dezelfde weg.
En of er in Het Tankschip inderdaad geen woord te veel in staat? Ik zal u niet vermoeien of tergen met opsommingen van zinsneden waar Elsschots voornemen niet helemaal gestand is gedaan. Niemand is perfect noch kan zijn eigen woorden altijd nakomen en schoolmeesterij zal evengoed vergissinkjes bevatten. Misschien is het wel aardig een aantal stopwoorden en weerkerende uitdrukkingen te signaleren dat gelijkelijk is verdeeld over zowel de diverse sprekende personages als over de verteller: ‘dan ook’ als het gaat om een logica, ‘even’ als het gaat om een gebeurtenis, ‘eenig’ als het gaat om een aantal, ‘steeds’ als het gaat om een gevoel, en ‘opeens’ als het gaat om een verrassing. Ten slotte zeggen personages nogal eens wat tegen elkaar ‘met een *** blik’.
Noodzakelijk zijn zulke woorden niet. Voorts levert Elsschot pleonasmen als ‘door grootdoenerij imponeren’, ‘innerlijk koken van nieuwsgierigheid’ en ‘heftig gebonk’. Deze zijn echter evengoed op te vatten als superieure ironie, het punt waar het bij mij een beetje spaak loopt. Ik ben net te weinig proleet om stijl niet te kunnen waarderen, en geloof ook in de Russisch-formalistische idee van de-automatisering. Maar die beoogde een hernieuwde blik op de wereld, terwijl Elsschot zijn stijl inzette om een communicatiepatroon uit te tekenen, een ethologie waarin, voor zover ik het me herinner, de idealist Laarmans het aflegt tegen Boorman. Wanneer het mij zou lukken daarbij behorende ironie te smaken, dan hang ik de goede verstaander uit en behoor ik tot de vereniging Ons Soort Mensen waarvan de auteur uiteraard erelid is.
Die constatering geeft aan Het Tankschip een hedendaags tintje dat mij verrast, en voor Elsschotkenners wellicht logisch is. Sinds de klassenmaatschappij opgeheven schijnt, heeft namelijk een hardnekkige overtuiging postgevat over asymmetrie. Het begon ermee dat politici zakkenvullers zijn. Vanaf de kredietcrisis is daar het lastig te ontkennen feit bij gekomen dat zelfs falende bankiers, in nood bijgestaan door de overheid, bonussen mogen opstrijken. Dit terwijl ze netto slechts mooie woorden verkopen, en de zogeheten gewone man ondertussen degene is die dat allemaal met zijn belastinggeld moet betalen en die er telkens wordt ingeluisd. De plot van Het Tankschip drijft zelfs op het gegeven dat er door de verkoop van een schip eigen kapitaal niet in de staatskas zou verdwijnen. Of men dat nu als sociale kritiek ziet of als erkenning van een realiteit, Boorman blijft de grote ritselaar, wiens trucs men grinnikend of woedend moet gadeslaan, bij wijze van absolutie of catharsis voor het eigen leven.
Mij blijft het duister of dat de reden is waarom ik boeken lees, maar dat doet er niet toe. Het gaat om Boormans doelgerichtheid die bij ontstentenis van een valabele werkelijkheid louter in woorden gestalte kan krijgen en zich in Het Tankschip misschien niet helemaal perfect ontvouwt. Wie onder het schrappingsdogma althans alle verwante taalgevallen bij elkaar veegt, komt in Elsschots novelle, als ik het goed heb geteld, 248 woorden te veel tegen.
Pleeg ik nu heiligschennis? Ik kan het me niet voorstellen. Wat mij zou boeien is de reden waarom Elsschot zo fanaat zei te schrappen. Intuïtief kan daarop het antwoord zijn dat lezers dan meer kunnen invullen in plaats van uitgeduid te krijgen hoe en waarom een verhaal loopt zoals het loopt. De context moet voldoende ophelderen. Door de dosering van de auteur wordt lezen een vorm van meeschrijven, een onderhuids compliment aan de schranderheid van de lezer annex klant – indien die daar gevoelig voor is.
Op dit punt wil ik terugkeren naar het schrijfproces van Het Tankschip, waarbij in een bepaald stadium de novelle opgedragen werd aan de nagedachtenis van Menno ter Braak, die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zelfmoord pleegde. Met diens naam is in de literatuurgeschiedenis een ander, E. du Perron, nooit ver weg, alsmede hun tijdschrift Forum. Het illustere tweetal lustte schrijvers niet die nooit definitief afstand namen van het naturalisme. Ze vonden hen provinciaal, wat tot uitdrukking kwam in een zogeheten huiskamerrealisme. Hieronder vielen populaire streekromans en de moderne avonturenroman, die vanzelfsprekend een flinke omvang hadden. Een bijzonder doelwit bleek Theun de Vries, over wie Du Perron verzuchtte: ‘wat schrijft die Theun toch maar dikke boeken!!!’ Zijn eigen ultieme roman Het land van herkomst was anders ook niet echt anorectisch.
Nee, dan Elsschot, een held voor de mannen van Forum. In een stuk waar hij een link legde met Nescio essayeerde Ter Braak: ‘De romans van Willem Elsschot zijn geschreven in heel gewoon Nederlands, dat hier en daar de Vlaming weliswaar verraadt, maar nergens het provinciale taaleigen opdrijft tot een cultus. Dat wil zeggen, dat de romans van Elsschot hun betekenis danken niet aan het feit, dat ons het water in de mond komt als wij ze lezen; Elsschots taal is vrij van alle extravagantie, sober, soms scherp afgebeten, een andermaal precies vertellend, met de koele humor van de waarnemer.’
Wat men ook als Vlaming in deze Hollandse wijsheden kan proeven, hier wil ik nagaan hoe deze legitimatie van Elsschot, waaruit met een fikse dosis projectie een geur opstijgt die vette provincialen moest verjagen, zich voortplantte in de literatuur van Noord-Nederland. De schrapmythe exploiteer ik dus niet teksteditorisch-interpretatief, maar poëticaal-politiek.
In 1963 verscheen een roman die volkomen in de geest van het roemruchte tijdschrift was geschreven, met handelingen en meningen van enige studenten Nederlands te Amsterdam: Bij nader inzien van J.J. Voskuil. Toch zou ik dit boek evengoed een streekroman van de Oudemanhuispoort kunnen noemen, al was het om de uitputtende nauwgezetheid waarmee ieder wissewasje genoteerd wordt en dat de duizend pagina’s ruim overstijgt. (Uit dezelfde kring van Forum-adolescenten kwam Frida Vogels, wier cyclus De harde kern dertig jaar later veel critici verleidde het duizelingwekkende aantal pagina’s te vermelden, met de verzekering dat het dundruk was.)
Bij nader inzien kende een wisselende ontvangst, die terug te voeren was op poëticale premissen. Het tekstgerichte tijdschrift Merlyn wilde in zijn benaderingswijze afrekenen met de erfenis van het personalistische Forum, van wie Ter Braak tegen zijn maat Du Perron bijvoorbeeld kon beweren: ‘Het sympathieke in Elsschot is, dat hij geen seconde de dupe is van zijn eigen zwendelarij; hij is een combinatie van Laarmans en Boorman en als ik me niet vergis au fond een uiterst geschikte kerel’. Over Voskuils megaroman was Merlyn-redacteur Kees Fens negatief. Hij had een voorkeur voor teksten die ‘naar het epigrammatische’ neigen. Ontzag schiep hij voor ogenschijnlijk eenvoudige, veelal uit de journalistiek stammende kortebaanschrijvers als Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt. Hun puntige stijl was volgens Fens in de Nederlandse literatuur schaars vertegenwoordigd, mede als gevolg van ‘een wat overernstige, misschien ook moralistische traditie’. Fens tracht op zijn beurt aan te haken bij de smaak van Forum, door aan Voskuil die achtergrond te ontnemen. Voor hem, Fens dus, loopt er een geldige lijn van Nescio en Elsschot naar de vroege Reve tot Alberts, allen gekende auteurs van dunne boekjes.
Precies die lijn wordt in de jaren zeventig geëxploiteerd, getuige ook een bloemlezing van verhalen uit dat decennium, ingeleid door Aad Nuis. Hij gewaagt dan van een ‘ironisch-realisme’, helder én met een geringe omvang. Dit bevestigt het Forum-schema betreffende de omvang en ontkent het betreffende een neonaturalistische mentaliteit. Wel worden Nescio en Elsschot andermaal kroongetuigen voor de goede zaak. Terwijl Jeroen Brouwers een soortgelijke diagnose stelt en die boeken juist in hun pretentieloosheid vervloekt, kunnen ze Nuis’ goedkeuring wegdragen, temeer daar hij lijvige en ambitieuze romanprojecten als van Joyce & Co, Polet en Vogelaar, die in diezelfde tijd hun voltooiing naderen, minder kan waarderen.
Een decennium later bevestigt Aad Nuis in een serie colleges te Groningen zijn voorkeur voor dunne literatuur. Hij rekt het begrip zelfs uit. Dun verwijst naar een stijlopvatting, die opponeert tegen ‘de Brouwerse moerassen’ die dik vertegenwoordigen. Nuis parafraseert deze tegenstelling in het zuinig omspringen met woorden versus flamboyante overdaad. Aldus zou de Nederlandse literatuur vooral dun zijn, een overjarige constatering gevoegd bij een dito epitheton: calvinistisch. Vlaamse schrijvers heten in dat licht dik of, om een ander befaamd epitheton te gebruiken, barok.
Daarbij noemt Nuis Elsschot als uitzondering. Met hem daagt dat andere cliché, de kunst van het weglaten. Dik schrijven lijkt Nuis minder authentiek Nederlands, ‘meer iets voor Amerikanen of Duitsers uit Dantzig of iemand als Rushdie.’ Nuis’ voorbeelden van de Nederlandse variant hierop zijn weinig vleiend, zeker bij kwalificaties als ‘grote zelflitanieën’ en ‘stapelaars van formaat die hun teksten op zeer uiteenlopende manieren volstoppen’.
Ook hanteert Nuis het begrippenpaar exuberant-intiem. Exuberant staat bij hem voor grote woorden en dito constructies en ideeën. Niet zo best kennelijk. Wie zou hem deze opinie euvel duiden? Hij is niet meer onder ons, net als Willem Elsschot. Wel zat Nuis lang in de politiek, bij een partij die Ter Braak volgens hem zeker ook had gekozen. Hij, Nuis dus, werd nog staatssecretaris van de linkse hobby’s cultuur, kunst en media, en hij moest ongetwijfeld lijvige rapporten doorworstelen. Doelgerichtheid is dan lijfsbehoud – een koninkrijk voor een memootje.
Ik zou haast gaan denken aan volkswijsheden dat zij die veel woorden nodig hebben leugenachtig zijn en dat, als nauwelijks meer impliciete ethische en devote categorie, eenvoud het kenmerk is van het ware. Zo mogelijk nog meer onbetwistbaar, want een empirisch feit, is dat in Van Dale, Nederlands officieelste woordenboek, als voorbeeld bij het lemma dunheid een zin stond, die bijna zeker door Boorman is aangedragen: ‘de dunheid van het boekje is een voordeel’.
Toespraak bij De stad van Elsschot, Letterenhuis, Antwerpen 21-11-2010
zondag 7 november 2010
Rein Bloem (2010)
‘Weinig badwater ging verloren’
Anderhalve maand geleden had Huub Beurskens een posting over J.H. Leopold. Met een technische kritiek brak hij diens poëzie, blijkbaar door dichters én letterkundigen gewaardeerd, in mootjes. Een opsomming van wikkend becommentarieerde details moest bewijzen dat Leopold zowel niet kon incanteren als verbeelden. Hierop kwam een intense reactie van de poëzieblog De Contrabas. Daar werd met geen woord gerept over Leopold, laat staan over diens gedichten, en met veel woorden over determinanten bij Beurskens in verband met zijn integriteit aangaande recente affaires die slechts de website zelf leken aan te belangen. Toch trof me tussen alle roodkonigheid een half hoofdzinnetje, dat een observatie van een Dritte im Bunde op het sociale netwerk Facebook citeerde: ‘Deze poëzie verweert zichzelf wel’.
Mij interesseert dit idee, omdat het appelleert aan een utopie. Dit althans wanneer ik geloof hecht aan een stelling, die ik enige tijd geleden lanceerde maar die eerlijk gezegd door weinigen wordt onderschreven: dat uitgevers hun boeken te weinig van binnenuit kennen om ze adequaat te kunnen introduceren bij potentiële lezers. Ik vrees dus dat voor wie het genre een warm hart toedraagt alle poëzie, inclusief die van Leopold, openbaar moet worden gelezen en herlezen, en in die simpele hobby bijna beschermd als een opgejaagd dier. Dat er, om eens een geduchte term te gebruiken, content aan moet worden verleend.
Als er iemand daartoe in staat is, dan toch wel Rein Bloem. Dit blijkt andermaal uit de selectie Lees dat en herlees dat, waaraan Perdu haar naam heeft mogen verbinden maar die ongetwijfeld is gefinancierd door alle uitgevers van de Lage Landen wier backlist de afgelopen veertig jaar door Bloem, overigens ook door zijn vertalingen, bij elke denkbare doelgroep onder de aandacht is gebracht. Specifiek over één gedicht van Leopold schreef hij bijvoorbeeld een kort artikel voor Raster in 1998 en daarover vertelde hij destijds ook op de radio.
Wel dekt het werkwoord ‘vertellen’ niet wat Bloem deed en waarom hij tot een van mijn helden behoort. Enthousiasmeren: dat is wat hij deed. Tegelijk verrichte hij met het artikel een knappe prestatie binnen de tak van sport die sinds onheuglijke tijden met de spelregels zit te hummelen en die de neerlandistiek wordt genoemd. We horen Bloem niet over Leopolds uitgeversperikelen en zijn strategieën een plaats in het bestel te krijgen, noch over de poëtica die uit Leopolds beschouwingen te destilleren valt, noch over de kritische ontvangst toen en nu van zijn teksten, noch over zijn ouders en geliefden of over de drukgeschiedenis, noch over de maatschappij en Leopolds engagement daarmee.
Nee, voor al die belangwekkendheden heeft Rein Bloem het te druk. Hij houdt zich namelijk bezig met lezen van de tekst die hij onder handen heeft en met verklaren waarom er staat wat er staat. Zo behandelt hij, misschien nog net wat meer op de vierkante millimeter dan Beurskens, een puntkomma, een aantal lettergrepen, een pars pro toto, een enjambement, een rijm, een neologisme, een herhaald voorzetsel, een hoofdletter en een verledentijdsvorm.
Literatuur is in de eerste plaats een bijzondere vorm van taalbehandeling. Niet voor niets noemt Bloem in dit stuk zijn leermeester Wytze Gerbens Hellinga. Deze heeft, samen met H. van der Merwe Scholz, in 1955 een volgens mij cruciale bijdrage geleverd aan de neerlandistiek: Kreatiwe analise van taalgebruik. Prinsipes van stilistiek op linguistiese grondslag. Maar Bloem zou Bloem niet zijn wanneer hij van Leopold geen ander gedicht behandelt dan zijn leermeester het tot tranen toe had gedaan. Wel besprak Bloem van Leopolds ‘Schepen liggen er’ alleen al de eerste twee regels naar eigen zeggen uitentreuren in lezingen, essays en lessen. ‘Schepen liggen er, pats daar liggen ze. Een normale zinsbouw zou die onmiddellijkheid niet veroorzaakt hebben. Concreter kan het niet, ware het niet dat wij, volop aanwezige toeschouwers, tegelijkertijd buitengesloten worden, we weten immers niet waar we zijn’.
Hellinga, niet direct herinnerd om zijn scheutigheid, is ook degene geweest die aan de jonge Bloem na een mislukt examen een boek gaf van ene Mallarmé, met de tekst ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ die volgens de oudere Bloem aan de basis staat van een precaire, desgewenst wit te noemen traditie in de Lage Landen.
Het Leopoldstuk is niet helemaal representatief voor Bloem. Sporadisch begaf hij zich in het mijnenveld van auteursintenties en biografische anekdotes. Dat waren de voor mij wat minder aantrekkelijke kanten aan Bloems exploraties, die wellicht zijn opgevat als pushing van een poëtica of exclusiviteitsbeding van een auteur. Ik denk niet dat die diagnose op waarheid berust, maar ontwaar wel tekens die in de richting kunnen wijzen, met name Bloems legitieme constatering dat door het venttijdschrift Forum ‘de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie (kunst en misschien wel samenleving) met vijfentwintig jaar vertraagd’ is.
Bloem pleegde dus ook inhaalmanoeuvres, waarmee het besef rijst van zowel hun urgentie als hun soms roekeloze haast. Mij lijkt het daarom vruchtbaarder zijn pleidooien te bezien in hun functie en effect, omdat de literatuur die ze willen dienen kennelijk niet meteen toegankelijk is. Bloem wil niet alleen ‘de mythe van moeilijk’ ontkrachten, hij wil bovenal – en daar is-ie weer – enthousiasmeren door anderen uit te nodigen mee te doen. Dat zeg ik zo expliciet omdat aan enthousiasmeren nog een kantje zit, dat Rein Bloem verre van zich heeft weten te houden: het wijzen op de eigen voortreffelijk- en ruimhartigheid, en lezers daarmee impliciet op hun dom- en beperktheid.
Dergelijk egogebonk of fanatisme kent Bloem niet, hij probeert de lezers zich juist even te laten concentreren om een kader af te leggen, door in altijd montere taal een logica op te zetten die even complex is als een goochelaar die een truc vertoont. Zelf beweerde Bloem: ‘Ik ben nu eenmaal minder uitbundig, meer van het verstandelijke zou je zeggen. Maar van alle manieren om te zeggen dat je van iets houdt, is dat er ook een’. Kortom, zulk enthousiasme is niet eens eng. En voor alle duidelijkheid, wereldvreemd wordt de kunsttaal er volgens Bloem evenmin van, getuige zijn observatie tijdens het lezen van Van Ostaijen: ‘Poëzie verlegt de horizon, transponeert de zichtbare werkelijkheid zonder die geweld aan te doen; integendeel, die werkelijkheid blijft voor ogen staan, maar krijgt een nieuwe dimensie’. Zijn eigen werkzaamheden daarbij schaart Bloem in het Leopoldartikeltje niet onder de analyse, maar onder de kanttekeningen.
Tot slot is mijn fascinatie precies door dit stuk gewekt omdat Rein Bloem bekent dat Leopolds Verzen 1897 behoorde tot het talloze dat hij op twintigjarige leeftijd had gelezen, ‘een stortvloed van gedichten’. Het mooie is dat die hem blijvend hebben bepaald, ‘weinig badwater ging verloren, ik put er nog dagelijks uit’. Dit verklaart meteen Bloems soms idiosyncratische wendingen in een betoog, als hij schijnbaar vanuit het niets een verwijzing op touw zet naar een bron uit een andere era en taal: het kunststuk van dienst draagt hij, in een lichamelijke intertekstualiteit, sinds zijn adolescentie met zich mee.
Dit vind ik razend knap. Vooral omdat het iets ongelooflijks heeft zich professioneel bezig te houden met poëzie. Sporadisch is mij dat overkomen, momenteel ook weer – en ik heb me daar altijd bespottelijk bij gevoeld. Ik lees nu veel non-fictie tegenover al die gedichten, om de actualiteit niet te vergeten. Maar Rein Bloem laat zien dat dit onzin is, snobisme waarschijnlijk. Hij toont in en met zijn schrijven wat het is, leven met literatuur. Dan gaat het dus om ervaring, bijvoorbeeld bij een gedicht ‘dat deze tekst op mij werkt alsof ik er zelf bij ben geweest, ik heb iets onmogelijks gezien en ademloos genoten van niets’. Daar is niks elitairs aan. Ik geloof Bloem als hij van zichzelf zegt dat hij altijd leest alsof hij 10 tot 14 jaar was.
Bloem bewijst ook dat Leopold geen moeilijke dichter was, net zo min als Faverey en Ouwens dat volgens hem waren. Dat Bloem, onder de vlag van drie decennia oude polemieken, nog altijd wordt weggezet als apologeet voor een beperkt aantal hermetici, vind ik triest. Omdat dit dus niet rijmt met zijn beleving van literatuur. En voor de volledigheid, hoewel ik snap dat beeldvorming bitter weinig met feiten uitstaande heeft, herinner ik er even aan dat Bloem warme pleidooien hield voor werk van heel andere, voor mijn part dan toegankelijk te noemen dichters, zoals Chris Honingh en Philip Ingelse.
Die open mind is wellicht mede in de hand gewerkt door de diversiteit van de teksten zelf. Als dat zo is, dan heeft kunst een functie, een verkwikkend effect zou ik moeten zeggen, en dus een rendement. Rein Bloem heeft content verstrekt, aan auteurs, aan uitgeverijen, aan lezers en, gelukkig maar, aan zijn eigen leven en dierbaren. En doordat zijn stukken openbaar zijn, wordt die content gedeeld ten bate van een gemeenschap die zo groot kan zijn als ze zelf wil. Misschien is dat toch goed om in het achterhoofd te houden, in tijden dat regeringen boven kunsten staan te zwaaien met kaasschaven die lijken op harakirizwaarden.
Toespraak voor Stichting Perdu, Amsterdam, 5-11-2010
Anderhalve maand geleden had Huub Beurskens een posting over J.H. Leopold. Met een technische kritiek brak hij diens poëzie, blijkbaar door dichters én letterkundigen gewaardeerd, in mootjes. Een opsomming van wikkend becommentarieerde details moest bewijzen dat Leopold zowel niet kon incanteren als verbeelden. Hierop kwam een intense reactie van de poëzieblog De Contrabas. Daar werd met geen woord gerept over Leopold, laat staan over diens gedichten, en met veel woorden over determinanten bij Beurskens in verband met zijn integriteit aangaande recente affaires die slechts de website zelf leken aan te belangen. Toch trof me tussen alle roodkonigheid een half hoofdzinnetje, dat een observatie van een Dritte im Bunde op het sociale netwerk Facebook citeerde: ‘Deze poëzie verweert zichzelf wel’.
Mij interesseert dit idee, omdat het appelleert aan een utopie. Dit althans wanneer ik geloof hecht aan een stelling, die ik enige tijd geleden lanceerde maar die eerlijk gezegd door weinigen wordt onderschreven: dat uitgevers hun boeken te weinig van binnenuit kennen om ze adequaat te kunnen introduceren bij potentiële lezers. Ik vrees dus dat voor wie het genre een warm hart toedraagt alle poëzie, inclusief die van Leopold, openbaar moet worden gelezen en herlezen, en in die simpele hobby bijna beschermd als een opgejaagd dier. Dat er, om eens een geduchte term te gebruiken, content aan moet worden verleend.
Als er iemand daartoe in staat is, dan toch wel Rein Bloem. Dit blijkt andermaal uit de selectie Lees dat en herlees dat, waaraan Perdu haar naam heeft mogen verbinden maar die ongetwijfeld is gefinancierd door alle uitgevers van de Lage Landen wier backlist de afgelopen veertig jaar door Bloem, overigens ook door zijn vertalingen, bij elke denkbare doelgroep onder de aandacht is gebracht. Specifiek over één gedicht van Leopold schreef hij bijvoorbeeld een kort artikel voor Raster in 1998 en daarover vertelde hij destijds ook op de radio.
Wel dekt het werkwoord ‘vertellen’ niet wat Bloem deed en waarom hij tot een van mijn helden behoort. Enthousiasmeren: dat is wat hij deed. Tegelijk verrichte hij met het artikel een knappe prestatie binnen de tak van sport die sinds onheuglijke tijden met de spelregels zit te hummelen en die de neerlandistiek wordt genoemd. We horen Bloem niet over Leopolds uitgeversperikelen en zijn strategieën een plaats in het bestel te krijgen, noch over de poëtica die uit Leopolds beschouwingen te destilleren valt, noch over de kritische ontvangst toen en nu van zijn teksten, noch over zijn ouders en geliefden of over de drukgeschiedenis, noch over de maatschappij en Leopolds engagement daarmee.
Nee, voor al die belangwekkendheden heeft Rein Bloem het te druk. Hij houdt zich namelijk bezig met lezen van de tekst die hij onder handen heeft en met verklaren waarom er staat wat er staat. Zo behandelt hij, misschien nog net wat meer op de vierkante millimeter dan Beurskens, een puntkomma, een aantal lettergrepen, een pars pro toto, een enjambement, een rijm, een neologisme, een herhaald voorzetsel, een hoofdletter en een verledentijdsvorm.
Literatuur is in de eerste plaats een bijzondere vorm van taalbehandeling. Niet voor niets noemt Bloem in dit stuk zijn leermeester Wytze Gerbens Hellinga. Deze heeft, samen met H. van der Merwe Scholz, in 1955 een volgens mij cruciale bijdrage geleverd aan de neerlandistiek: Kreatiwe analise van taalgebruik. Prinsipes van stilistiek op linguistiese grondslag. Maar Bloem zou Bloem niet zijn wanneer hij van Leopold geen ander gedicht behandelt dan zijn leermeester het tot tranen toe had gedaan. Wel besprak Bloem van Leopolds ‘Schepen liggen er’ alleen al de eerste twee regels naar eigen zeggen uitentreuren in lezingen, essays en lessen. ‘Schepen liggen er, pats daar liggen ze. Een normale zinsbouw zou die onmiddellijkheid niet veroorzaakt hebben. Concreter kan het niet, ware het niet dat wij, volop aanwezige toeschouwers, tegelijkertijd buitengesloten worden, we weten immers niet waar we zijn’.
Hellinga, niet direct herinnerd om zijn scheutigheid, is ook degene geweest die aan de jonge Bloem na een mislukt examen een boek gaf van ene Mallarmé, met de tekst ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ die volgens de oudere Bloem aan de basis staat van een precaire, desgewenst wit te noemen traditie in de Lage Landen.
Het Leopoldstuk is niet helemaal representatief voor Bloem. Sporadisch begaf hij zich in het mijnenveld van auteursintenties en biografische anekdotes. Dat waren de voor mij wat minder aantrekkelijke kanten aan Bloems exploraties, die wellicht zijn opgevat als pushing van een poëtica of exclusiviteitsbeding van een auteur. Ik denk niet dat die diagnose op waarheid berust, maar ontwaar wel tekens die in de richting kunnen wijzen, met name Bloems legitieme constatering dat door het venttijdschrift Forum ‘de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie (kunst en misschien wel samenleving) met vijfentwintig jaar vertraagd’ is.
Bloem pleegde dus ook inhaalmanoeuvres, waarmee het besef rijst van zowel hun urgentie als hun soms roekeloze haast. Mij lijkt het daarom vruchtbaarder zijn pleidooien te bezien in hun functie en effect, omdat de literatuur die ze willen dienen kennelijk niet meteen toegankelijk is. Bloem wil niet alleen ‘de mythe van moeilijk’ ontkrachten, hij wil bovenal – en daar is-ie weer – enthousiasmeren door anderen uit te nodigen mee te doen. Dat zeg ik zo expliciet omdat aan enthousiasmeren nog een kantje zit, dat Rein Bloem verre van zich heeft weten te houden: het wijzen op de eigen voortreffelijk- en ruimhartigheid, en lezers daarmee impliciet op hun dom- en beperktheid.
Dergelijk egogebonk of fanatisme kent Bloem niet, hij probeert de lezers zich juist even te laten concentreren om een kader af te leggen, door in altijd montere taal een logica op te zetten die even complex is als een goochelaar die een truc vertoont. Zelf beweerde Bloem: ‘Ik ben nu eenmaal minder uitbundig, meer van het verstandelijke zou je zeggen. Maar van alle manieren om te zeggen dat je van iets houdt, is dat er ook een’. Kortom, zulk enthousiasme is niet eens eng. En voor alle duidelijkheid, wereldvreemd wordt de kunsttaal er volgens Bloem evenmin van, getuige zijn observatie tijdens het lezen van Van Ostaijen: ‘Poëzie verlegt de horizon, transponeert de zichtbare werkelijkheid zonder die geweld aan te doen; integendeel, die werkelijkheid blijft voor ogen staan, maar krijgt een nieuwe dimensie’. Zijn eigen werkzaamheden daarbij schaart Bloem in het Leopoldartikeltje niet onder de analyse, maar onder de kanttekeningen.
Tot slot is mijn fascinatie precies door dit stuk gewekt omdat Rein Bloem bekent dat Leopolds Verzen 1897 behoorde tot het talloze dat hij op twintigjarige leeftijd had gelezen, ‘een stortvloed van gedichten’. Het mooie is dat die hem blijvend hebben bepaald, ‘weinig badwater ging verloren, ik put er nog dagelijks uit’. Dit verklaart meteen Bloems soms idiosyncratische wendingen in een betoog, als hij schijnbaar vanuit het niets een verwijzing op touw zet naar een bron uit een andere era en taal: het kunststuk van dienst draagt hij, in een lichamelijke intertekstualiteit, sinds zijn adolescentie met zich mee.
Dit vind ik razend knap. Vooral omdat het iets ongelooflijks heeft zich professioneel bezig te houden met poëzie. Sporadisch is mij dat overkomen, momenteel ook weer – en ik heb me daar altijd bespottelijk bij gevoeld. Ik lees nu veel non-fictie tegenover al die gedichten, om de actualiteit niet te vergeten. Maar Rein Bloem laat zien dat dit onzin is, snobisme waarschijnlijk. Hij toont in en met zijn schrijven wat het is, leven met literatuur. Dan gaat het dus om ervaring, bijvoorbeeld bij een gedicht ‘dat deze tekst op mij werkt alsof ik er zelf bij ben geweest, ik heb iets onmogelijks gezien en ademloos genoten van niets’. Daar is niks elitairs aan. Ik geloof Bloem als hij van zichzelf zegt dat hij altijd leest alsof hij 10 tot 14 jaar was.
Bloem bewijst ook dat Leopold geen moeilijke dichter was, net zo min als Faverey en Ouwens dat volgens hem waren. Dat Bloem, onder de vlag van drie decennia oude polemieken, nog altijd wordt weggezet als apologeet voor een beperkt aantal hermetici, vind ik triest. Omdat dit dus niet rijmt met zijn beleving van literatuur. En voor de volledigheid, hoewel ik snap dat beeldvorming bitter weinig met feiten uitstaande heeft, herinner ik er even aan dat Bloem warme pleidooien hield voor werk van heel andere, voor mijn part dan toegankelijk te noemen dichters, zoals Chris Honingh en Philip Ingelse.
Die open mind is wellicht mede in de hand gewerkt door de diversiteit van de teksten zelf. Als dat zo is, dan heeft kunst een functie, een verkwikkend effect zou ik moeten zeggen, en dus een rendement. Rein Bloem heeft content verstrekt, aan auteurs, aan uitgeverijen, aan lezers en, gelukkig maar, aan zijn eigen leven en dierbaren. En doordat zijn stukken openbaar zijn, wordt die content gedeeld ten bate van een gemeenschap die zo groot kan zijn als ze zelf wil. Misschien is dat toch goed om in het achterhoofd te houden, in tijden dat regeringen boven kunsten staan te zwaaien met kaasschaven die lijken op harakirizwaarden.
Toespraak voor Stichting Perdu, Amsterdam, 5-11-2010
Abonneren op:
Posts (Atom)
