donderdag 8 januari 2026

Martin Mooij (2014)

 


Poëzie verenigt



Half augustus overleed Martin Mooij. Enkele Nederlandse kranten wijdden een stukje aan zijn leven, het Belgische Poëziecentrum postte iets. Literaire nieuwsblogs zwegen. Toch haalde Mooij een kwart eeuw lang fantastische internationale dichters naar de Lage Landen, en trachtte ongeschoold publiek te interesseren voor het gedicht, omdat het “een menselijke stem” laat horen, “altijd kostbaar en onvervreemdbaar”.


Vlak voor de dood van Martin Mooij ontbrandde in de Lage Landen een poëziedebat. De Belgische Dichter des Vaderlands had stelling genomen in het drama in de Gazastrook. Daarmee zou hij poëzie ondergeschikt hebben gemaakt aan politiek. Wellicht had Mooij dit verwijt niet begrepen. Volgens hem was het onmogelijk zich met poëzie niet uit te spreken over alles wat mensen omringt.

Het is verleidelijk die opvatting tijdgebonden te noemen. Mooij was oprichter en bezieler van het Poetry International Festival, dat vanaf 1970 jaarlijks in Rotterdam plaatsvindt. Een reservaat voor kunst was toen allerminst gewenst. Mooij pendelde tussen een strijd voor rechtvaardigheid via poëzie uit alle werelddelen en bewustwording door dat moeilijk geachte genre bij een algemeen publiek.

Zo'n doel klinkt als een autistische illusie. Zelf kwam Mooij uit een arbeidersgezin zonder culturele achtergrond, maar waarin veel werd gelezen. En Rotterdam kon zich in 1971 beroemen op de komst van Pablo Neruda, strijdmakker van Salvador Allende en gangmaker van de meerderheid van de Chileense bevolking. Het festival pronkte ermee. In hoeverre was kennis daarbij inbegrepen?

 

Vrijheid

Om gedichten zo dicht mogelijk bij het volk te brengen, diende de voordracht als breekijzer. Een even democratische als hopeloze aangelegenheid. Lezen was er zelfs voor fijnproevers een dessert bij de collectieve ervaring van gedichten. Poëzie klonk rechtstreeks in de landstaal. Vertalingen door allround streekgenoten als C. Buddingh’ en Bob den Uyl werden snel gemaakt en onder toehoorders verspreid.

Tegelijk zouden Rotterdamse kinderen door deelnemende Nederlandse dichters poëzie leren schrijven, onder de noemer ‘Spelen met woorden’. Mooij zou Mooij niet zijn wanneer hij niet ook ‘Verzet in poëzie’ in het festival inbouwde. De latere Nobelprijswinnaar Wole Soyinka uit Nigeria viel erin te bewonderen.

Na vijf festivals – en midden in de koude-oorlogstijd – becijferde Mooij dat 26 procent van zijn dichters ofwel onderdrukt werd, of moest leven in gevangenschap (de Zuid-Afrikaan Breyten Breytenbach) of leed onder censuur. Vanaf 1979 stelde hij daartegen een Eregeld in aan een nooddruftige dichter, te beginnen met de Marokkaan Abdellativ Laabi.

Zelden was een titel adequater toen Mooij in 1990 uit twintig festivaljaargangen de bloemlezing Woorden in vrijheid publiceerde.

 

Arbeidswereld

Martin Mooij was ook een drijvende kracht achter de Sonde-reeks. In poëzie-uitgaven van de Rotterdamse Kunststichting verscheen werk van bijvoorbeeld Wim de Vries, een pijpenbuiger bij vliegtuigfabriek Fokker die oorlogstrauma’s trachtte weg te schrijven. Hij was bij een dierenasiel in contact gekomen met Mooijs steun en toeverlaat Buddingh’ (wiens foto bij een in memoriam afgebeeld werd). Deze leerde hem afstand te nemen tot het eigen lot en gaf hem inzicht in werk van officiële dichters.

De Vries was medeoprichter van het tijdschrift WAR, van de Werkgroep Arbeidersliteratuur Rotterdam. Mooij had daar sympathie voor en leidde op zijn beurt voor uitgeverij Van Gennep een reprint van Links richten uit, het legendarische activistentijdschrift uit het interbellum. Dat nawoord kreeg wegens adoratie van authenticiteit, stadschauvinisme en anekdotendrang een bijtende kritiek van J.F. Vogelaar. Toenmalig links oogde uniform en geschakeerd. Vogelaar werkte mee aan de theoretische ‘Kritiese Bibliotheek’ met vertalingen, die Van Gennep, soms met collega-uitgeverijen, de wereld in stuurde. In samenwerking met het VARA-tv-programma Van Onderen leverde Van Gennep tevens teksten uit ‘de arbeidswereld’.

Onder die vlag had De Vries al een duobundel uitgebracht met bouwvakker Pierre van Vollenhoven, met de sprekende titel M'n woord een wapen tot verweer. Een regel van De Vries, ‘De laatste traan zal als een bloesem opengaan’, liet Mooij afdrukken op een vuilniswagen. Zo kwam cultuur in Rotterdam letterlijk aan huis en ruimde er het puin weg.

Met zulke volksverheffende initiatieven was Mooij radicaler dan Huub Oosterhuis. Deze voormalige priester was nochtans politieker en vormender in zijn optreden. Oosterhuis organiseerde destijds manifestaties als Poëzie Hardop. Om luisteraars los te weken van de publieke opinie lazen acteurs bekende gedichten voor. Oosterhuis deinsde niet terug daarvoor regels te verknippen. Later trachtte hij met School der Poëzie jongeren te bereiken, door lessen en wedstrijden.

 

Institutionalisering

Het is moeilijk te zeggen of al die emancipatorische ideeën aansloegen. Dat ze niet konden bestaan zonder financiële steun, is wel zeker. Dat Mooij daartoe elk jaar creatieve oplossingen moest vinden ook. Aldus had hij voor de eerste editie een deal gesloten met de televisie. De camera kon toen echter ook registreren dat de zaal, waar onder meer een piepjonge Gerrit Komrij voorlas, nogal leeg was. Gebrek aan belangstelling genoot eveneens poëzie op de tram en vanuit bootjes in de haven.

Voetbalgedichten tijdens de WK74, aangevuurd door Buddingh’, hadden dan weer wel succes. Vanaf 1976 werd er ook met vrucht aan Poëzie in het Park gedaan in wat nu het Dunya Festival heet en toen mikte op ‘buitenlandse arbeiders met hun gezinnen’. Twee jaar daarna had Poetry een soortgelijk programma in Berlijn, in het overwegend door Turken bewoonde Kreuzberg.

Weer wat later trekt Mooij met dichters naar de voormalige Nederlandse kolonie Indonesië. Israël gaat in die constructie worden aangedaan, China, Colombia. Het zijn tekens van institutionalisering – die voor- en nadelen serveren. De in 1985 gestorven Buddingh’ maakt het niet meer mee dat in 1988 de EK voetbal poëzie wel weet weg te drukken. Noch dat in hetzelfde jaar Poetry International een stichting wordt. Ze ontvangt structurele subsidie voor een bureau met medewerkers, en wordt belast met de coördinatie van ‘letterenactiviteiten met een internationaal karakter’.

Deze ontwikkeling had Mooij gemeen met een dichter die hij heeft vertaald (Over de aardse liefde en meer, 1998): Bertolt Brecht. Beiden hadden ideologisch de wind in de rug van het decennium waarin ze furore maakten, namen het op voor de have-nots, voor veranderingsgezindheid. Brecht vond zich aan het eind van zijn leven terug in Oost-Berlijn, waar de overheid hem in staat stelde met eigen ensemble eigen toneelstukken in een eigen theater te brengen. Niet iedereen kon dat waarderen.

 

Stereotype

Afgelopen week was het weer raak. Journalist-auteur Marnix Peeters betichtte subsidiërende instanties oude kost op te warmen die geen hond lust. Zijn betoog en de superieure repliek van een letterenbaas behoren tot een breder discours. Daarin botsen twee partijen frontaal, keer op keer, zonder zelfs maar de schade op te nemen of een blik te werpen op de omstanders.

Ook Poetry International onder Mooij onderging dit lot. De pregnantste criticus was Gerrit Komrij. Eén groot stereotype behelsde voor hem die dure transnationale samenkomst. Niemand die meesmuilender kon zijn over het slag landgenoten die daaraan bleken deel te nemen, steevast onbekende grootheden, in veel talen beschikbaar. Niemand die vileiner kon zijn over soortgelijke festivals buiten West-Europa, waarbij dichtkunst louterend kon zijn voor ‘de psychische structuur’.

Rotterdam serveerde aan Komrij de ‘ribfluwelen revolutie’, die onder het mom van ‘experimenteel’ banvloeken uitsprak tegen spruitjesgeur. J. Bernlef, onmisbaar voor Poetry, was zijn pispaal. Behalve van hem zou Komrij wegens de bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw een proces aan zijn broek krijgen van Campert, Kouwenaar en Schierbeek. Allen hadden behoord tot de Vijftigers, een lichting geëngageerde dichters van Mooijs generatie. Ze waren stamgasten van Poetry. Campert schreef er een hilarische roman over, Ohi, hoho, bang, bang of Het lied van de vrijheid, die liet uitschijnen dat dichters met gemeenschapsgeld niet alleen dronken zijn van poëzie.

Ideologische en poëticale weerzin tegen het festival liepen bij Komrij dooreen. In die zin was hij consequent dat hij ook Huub Oosterhuis in de jaren zeventig onder vuur had genomen. Deze zou in zijn eigen gedichten, die verbluffende oplages haalden, poëzie ondergeschikt hebben gemaakt aan een halfzacht geloof.

Hoewel die kritiek na de val van de Muur vertrouwd werd, had het iets komisch dat Mooijs opvolger zich sterk maakte voor een ingebedde functie, de Dichter des Vaderlands, die over de actualiteit moest dichten – en dat de eerste, in 2000, Komrij was. Bizar is dat hij ook nog tweede keus was. Rutger Kopland, bij uitstek Mooijs vertegenwoordiger van “een menselijke stem”, weigerde de post te bekleden.

 

Netwerk

Poetry was oorspronkelijk een vrolijke chaos met een hoog improvisorisch gehalte. Een aanzet tot de eerste editie werd gegeven door de Joegoslavische dichter Vasko Popka, die Mooij in Londen allerlei namen aan de hand deed en zichzelf ook uitnodigde. Keuzes voor dichters maakte de festivalleiding verder op basis van persoonlijke expertise, die bij Mooij in de Duitse en Midden-Europese poëzie lag.

Tegenwoordig is het festival perfect geregisseerd. Persoonlijke netwerken dobberen door lobby’s. Letterenorganisaties en vertalers kunnen via dichters prestige verwerven voor hun plannen, literatuurwetenschappers maatschappelijke geloofwaardigheid om extra fondsen aan te boren. De huidige festivaldirectie eerde de overledene zo: ‘Overal waar je de naam Mooij noemt, opent dat deuren’.

Werd Komrij, enigszins in de geest van Mooij, tot zijn ambt geroepen door verkiezingen, de recentste Nederlandse Dichter des Vaderlands is de vrucht van outsourcing. Aan een ‘benoemingscommissie’, met een paar interessante leden. Zoals televisiepersoonlijkheid Arie Boomsma voor wie poëzie een spirituele kracht is. Of Mei Li Vos, namens de PvdA specialist in het statuut van ZZP’er (de ongevraagd zelfstandige die na de privatiseringsgolf het hoofd boven water moet houden). Hun Dichter des Vaderlands moest aan ‘profieleigenschappen’ voldoen die objectief getoetst konden worden.

Over de sociale functie van poëzie, die voor Martin Mooij hem vanzelfsprekend was, worstelde de commissie met haar, overigens verfrissende, keuze: ‘Het cultuurhistorisch bewustzijn, of, zo men wil, maatschappelijk engagement van Anne Vegter is niet nieuw, al lijkt het met de jaren wel sterker te worden. De titel van de bundel Aandelen en obligaties (2002) suggereert al dat economisch en financieel denken is doorgedrongen tot in alle uithoeken van de persoonlijke levenssfeer. (…) Eenduidige politiek zul je bij Vegter niet aantreffen’.

 

Mooijs erfenis

Al tijdens de jaren zeventig publiceerde Hans Magnus Enzensberger, lid van een heus advisory board van Poetry International, het beroemde opsommingsgedicht Weitere Gründe dafür, das die Dichter lügen. Het is vertaald door Martin Mooij:

 

(...)

Omdat in de mond van de arbeidersklasse

het woord arbeidersklasse niet voorkomt.

Omdat wie vertwijfeld is

geen zin heeft te zeggen:

'Ik ben vertwijfeld.'

(…)

Omdat het dus iemand anders is,

altijd een ander,

die spreekt,

en omdat degene,

van wie er sprake is,

zwijgt.

 

Met zijn eigen praktijk heeft Mooij deze ontluisterende stelling proberen te ontkrachten. Toch ligt vermoedelijk niet aan hem dat exponentieel meer mensen, ook uit de arbeidersklasse, inmiddels vrij spreken. Op het internet. Door dat medium krijgen meer facetten aan Mooijs ideaal kans: tot ver over de landsgrenzen ontstaan gemeenschappen. Het web dient echter ook hyperindividualisme en censuur. De lust om te spreken is omgekeerd evenredig aan die om te luisteren.

Mooijs breekijzer van de voordracht heeft tot even ambivalente resultaten geleid. Poëzie wordt amper meer gelezen, laat staan verkocht, en zelfs in universitair letterenonderwijs is ze niet vanzelfsprekend. De grootste aantrekkingskracht hebben inderdaad nog dichters die op podia te bewonderen zijn. Poëzie overleeft voornamelijk als evenement.

De Belgische Dichter des Vaderlands behoorde overigens tot de laatste jaargang die Mooij bundelde in Woorden in vrijheid. Wie Charles Ducals gedicht uit 1990 leest, 'De hertog en ik', zou in de genoemde ‘zij’ poëzie zelf kunnen lezen, die zich door auteur noch lezer laat marginaliseren:

 

Twee mannen trokken een kar door het bos,

door de modder van lichtschuwe wegen,

in dienst van een vrouw die verdeelde

en heerste. Hun lust, hun last stond zij

 

naakt boven hen, de zweep in de hand,

trots, door geen man ooit bezeten

dan in het offer van een gespleten

bestaan. De ene man ik, de ander gezant

 

van de nacht die zijn angst door mij joeg.

Wij trokken samen, de hertog leidde,

hij kende het bos in al zijn geheimen.

De vrouw zag het onderscheid. Sloeg.

 

Zou het iets zijn om de functie van hertog postuum toe te bedelen aan Martin Mooij?

 

Op: DeWereldMorgen (31 augustus 2014)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.