Poëzie
verenigt
Half
augustus overleed Martin Mooij. Enkele Nederlandse kranten wijdden een stukje
aan zijn leven, het Belgische Poëziecentrum postte iets. Literaire nieuwsblogs
zwegen. Toch haalde Mooij een kwart eeuw lang fantastische internationale
dichters naar de Lage Landen, en trachtte ongeschoold publiek te interesseren
voor het gedicht, omdat het “een menselijke stem” laat horen, “altijd kostbaar
en onvervreemdbaar”.
Vlak voor de dood van Martin Mooij ontbrandde in de Lage Landen een poëziedebat. De Belgische Dichter des Vaderlands had stelling genomen in het drama in de Gazastrook. Daarmee zou hij poëzie ondergeschikt hebben gemaakt aan politiek. Wellicht had Mooij dit verwijt niet begrepen. Volgens hem was het onmogelijk zich met poëzie niet uit te spreken over alles wat mensen omringt.
Het is
verleidelijk die opvatting tijdgebonden te noemen. Mooij was oprichter en bezieler
van het Poetry International Festival, dat vanaf 1970 jaarlijks in Rotterdam
plaatsvindt. Een reservaat voor kunst was toen allerminst gewenst. Mooij
pendelde tussen een strijd voor rechtvaardigheid via poëzie uit alle
werelddelen en bewustwording door dat moeilijk geachte genre bij een algemeen
publiek.
Zo'n
doel klinkt als een autistische illusie. Zelf kwam Mooij uit een arbeidersgezin
zonder culturele achtergrond, maar waarin veel werd gelezen. En Rotterdam kon zich
in 1971 beroemen op de komst van Pablo Neruda,
strijdmakker van Salvador Allende en gangmaker van de meerderheid van de
Chileense bevolking. Het festival pronkte ermee. In hoeverre was kennis daarbij
inbegrepen?
Vrijheid
Om
gedichten zo dicht mogelijk bij het volk te brengen, diende de voordracht als
breekijzer. Een even democratische als hopeloze aangelegenheid. Lezen was er zelfs
voor fijnproevers een dessert bij de collectieve ervaring van gedichten. Poëzie
klonk rechtstreeks in de landstaal. Vertalingen door allround streekgenoten als C.
Buddingh’ en Bob
den Uyl werden snel gemaakt en onder toehoorders verspreid.
Tegelijk
zouden Rotterdamse kinderen door deelnemende Nederlandse dichters poëzie leren
schrijven, onder de noemer ‘Spelen met woorden’. Mooij zou Mooij niet zijn
wanneer hij niet ook ‘Verzet in poëzie’ in het festival inbouwde. De latere
Nobelprijswinnaar Wole
Soyinka uit Nigeria viel erin te bewonderen.
Na vijf
festivals – en midden in de koude-oorlogstijd – becijferde Mooij dat 26 procent
van zijn dichters ofwel onderdrukt werd, of moest leven in gevangenschap (de
Zuid-Afrikaan Breyten
Breytenbach) of leed onder censuur. Vanaf 1979 stelde hij daartegen een
Eregeld in aan een nooddruftige dichter, te beginnen met de Marokkaan Abdellativ Laabi.
Zelden
was een titel adequater toen Mooij in 1990 uit twintig festivaljaargangen de
bloemlezing Woorden in vrijheid publiceerde.
Arbeidswereld
Martin Mooij
was ook een drijvende kracht achter de Sonde-reeks. In poëzie-uitgaven van de
Rotterdamse Kunststichting verscheen werk van bijvoorbeeld Wim de Vries, een
pijpenbuiger bij vliegtuigfabriek Fokker die oorlogstrauma’s trachtte weg te
schrijven. Hij was bij een dierenasiel in contact gekomen met Mooijs steun en
toeverlaat Buddingh’ (wiens
foto bij een in memoriam afgebeeld werd). Deze leerde hem afstand te nemen
tot het eigen lot en gaf hem inzicht in werk van officiële dichters.
De Vries
was medeoprichter van het tijdschrift
WAR, van de Werkgroep Arbeidersliteratuur Rotterdam. Mooij had daar
sympathie voor en leidde op zijn beurt voor uitgeverij Van Gennep een reprint van Links
richten uit, het legendarische activistentijdschrift uit het interbellum.
Dat nawoord kreeg wegens adoratie van authenticiteit, stadschauvinisme en
anekdotendrang een bijtende
kritiek van J.F. Vogelaar. Toenmalig links oogde uniform en geschakeerd. Vogelaar
werkte mee aan de theoretische ‘Kritiese Bibliotheek’ met vertalingen, die Van
Gennep, soms met collega-uitgeverijen, de wereld in stuurde. In samenwerking
met het VARA-tv-programma Van
Onderen leverde Van Gennep tevens teksten uit ‘de arbeidswereld’.
Onder
die vlag had De Vries al een duobundel uitgebracht met bouwvakker Pierre van
Vollenhoven, met de sprekende titel M'n woord een wapen tot verweer.
Een regel van De Vries, ‘De laatste traan zal als een bloesem opengaan’, liet
Mooij afdrukken op een vuilniswagen. Zo kwam cultuur in Rotterdam letterlijk
aan huis en ruimde er het puin weg.
Met
zulke volksverheffende initiatieven was Mooij radicaler dan Huub Oosterhuis. Deze voormalige priester
was nochtans politieker en vormender in zijn optreden. Oosterhuis organiseerde
destijds manifestaties als Poëzie Hardop. Om luisteraars los te weken van de
publieke opinie lazen acteurs bekende gedichten voor. Oosterhuis deinsde niet
terug daarvoor regels te verknippen. Later trachtte hij met School der Poëzie
jongeren te bereiken, door lessen en wedstrijden.
Institutionalisering
Het is
moeilijk te zeggen of al die emancipatorische ideeën aansloegen. Dat ze niet
konden bestaan zonder financiële steun, is wel zeker. Dat Mooij daartoe elk
jaar creatieve oplossingen moest vinden ook. Aldus had hij voor de eerste
editie een deal gesloten met de televisie. De camera kon toen echter ook
registreren dat de zaal, waar onder meer een piepjonge Gerrit Komrij voorlas, nogal
leeg was. Gebrek aan belangstelling genoot eveneens poëzie op de tram en vanuit
bootjes in de haven.
Voetbalgedichten
tijdens de WK74, aangevuurd door Buddingh’, hadden dan weer wel succes. Vanaf
1976 werd er ook met vrucht aan Poëzie in het Park gedaan in wat nu het Dunya
Festival heet en toen mikte op ‘buitenlandse arbeiders met hun gezinnen’. Twee jaar
daarna had Poetry een soortgelijk programma in Berlijn, in het overwegend door
Turken bewoonde Kreuzberg.
Weer wat
later trekt Mooij met dichters naar de voormalige Nederlandse kolonie
Indonesië. Israël gaat in die constructie worden aangedaan, China, Colombia.
Het zijn tekens van institutionalisering – die voor- en nadelen serveren. De in
1985 gestorven Buddingh’ maakt het niet meer mee dat in 1988 de EK voetbal
poëzie wel weet weg te drukken. Noch dat in hetzelfde jaar Poetry International
een stichting wordt. Ze ontvangt structurele subsidie voor een bureau met
medewerkers, en wordt belast met de coördinatie van ‘letterenactiviteiten met
een internationaal karakter’.
Deze
ontwikkeling had Mooij gemeen met een dichter die hij heeft vertaald (Over
de aardse liefde en meer, 1998): Bertolt Brecht. Beiden
hadden ideologisch de wind in de rug van het decennium waarin ze furore
maakten, namen het op voor de have-nots, voor veranderingsgezindheid. Brecht
vond zich aan het eind van zijn leven terug in Oost-Berlijn, waar de overheid
hem in staat stelde met eigen ensemble eigen toneelstukken in een eigen theater
te brengen. Niet iedereen kon dat waarderen.
Stereotype
Afgelopen
week was het weer raak. Journalist-auteur Marnix Peeters betichtte
subsidiërende instanties oude kost op te warmen die geen hond lust. Zijn
betoog en de superieure repliek van een letterenbaas behoren tot een breder
discours. Daarin botsen twee partijen frontaal, keer op keer, zonder zelfs maar
de schade op te nemen of een
blik te werpen op de omstanders.
Ook
Poetry International onder Mooij onderging dit lot. De pregnantste criticus was
Gerrit Komrij. Eén groot stereotype behelsde voor hem die dure transnationale
samenkomst. Niemand die meesmuilender kon zijn over het slag landgenoten die
daaraan bleken deel te nemen, steevast onbekende grootheden, in veel talen
beschikbaar. Niemand die vileiner kon zijn over soortgelijke festivals buiten
West-Europa, waarbij dichtkunst louterend kon zijn voor ‘de psychische
structuur’.
Rotterdam
serveerde aan Komrij de ‘ribfluwelen revolutie’, die onder het mom van
‘experimenteel’ banvloeken uitsprak tegen spruitjesgeur. J.
Bernlef, onmisbaar voor Poetry, was zijn pispaal. Behalve van hem zou Komrij
wegens de bloemlezing De Nederlandse poëzie van de 19e en 20e eeuw een
proces aan zijn broek krijgen van Campert, Kouwenaar en Schierbeek. Allen
hadden behoord tot de
Vijftigers, een lichting geëngageerde dichters van Mooijs generatie. Ze
waren stamgasten van Poetry. Campert schreef er een hilarische roman over, Ohi,
hoho, bang, bang of Het lied van de vrijheid, die liet uitschijnen dat
dichters met gemeenschapsgeld niet alleen dronken zijn van poëzie.
Ideologische
en poëticale weerzin tegen het festival liepen bij Komrij dooreen. In die zin
was hij consequent dat hij ook Huub Oosterhuis in de jaren zeventig onder
vuur had genomen. Deze zou in zijn eigen gedichten, die verbluffende
oplages haalden, poëzie ondergeschikt hebben gemaakt aan een halfzacht geloof.
Hoewel die
kritiek na de val van de Muur vertrouwd werd, had het iets komisch dat Mooijs
opvolger zich sterk maakte voor een ingebedde functie, de Dichter des
Vaderlands, die over de actualiteit moest dichten – en dat de eerste, in 2000, Komrij
was. Bizar is dat hij ook nog tweede keus was. Rutger Kopland,
bij uitstek Mooijs vertegenwoordiger van “een menselijke stem”, weigerde de post
te bekleden.
Netwerk
Poetry was
oorspronkelijk een vrolijke chaos met een hoog improvisorisch gehalte. Een
aanzet tot de eerste editie werd gegeven door de Joegoslavische dichter Vasko
Popka, die Mooij in Londen allerlei namen aan de hand deed en zichzelf ook
uitnodigde. Keuzes voor dichters maakte de festivalleiding verder op basis van
persoonlijke expertise, die bij Mooij in de Duitse en Midden-Europese poëzie
lag.
Tegenwoordig
is het festival perfect geregisseerd. Persoonlijke netwerken dobberen door
lobby’s. Letterenorganisaties en vertalers kunnen via dichters prestige
verwerven voor hun plannen, literatuurwetenschappers maatschappelijke
geloofwaardigheid om extra fondsen aan te boren. De huidige festivaldirectie
eerde de overledene zo: ‘Overal
waar je de naam Mooij noemt, opent dat deuren’.
Werd
Komrij, enigszins in de geest van Mooij, tot zijn ambt geroepen door verkiezingen,
de recentste Nederlandse Dichter des Vaderlands is de vrucht van outsourcing.
Aan een ‘benoemingscommissie’, met een paar interessante leden. Zoals
televisiepersoonlijkheid Arie Boomsma voor wie poëzie een spirituele kracht is. Of Mei
Li Vos, namens de PvdA specialist in het statuut van ZZP’er (de ongevraagd
zelfstandige die na de privatiseringsgolf het hoofd boven water moet houden). Hun
Dichter des Vaderlands moest aan ‘profieleigenschappen’ voldoen die
objectief getoetst konden worden.
Over de sociale
functie van poëzie, die voor Martin Mooij hem vanzelfsprekend was, worstelde de
commissie met
haar, overigens verfrissende, keuze: ‘Het cultuurhistorisch bewustzijn, of,
zo men wil, maatschappelijk engagement van Anne Vegter is niet nieuw, al lijkt
het met de jaren wel sterker te worden. De titel van de bundel Aandelen en
obligaties (2002) suggereert al dat economisch en financieel denken is
doorgedrongen tot in alle uithoeken van de persoonlijke levenssfeer. (…)
Eenduidige politiek zul je bij Vegter niet aantreffen’.
Mooijs
erfenis
Al
tijdens de jaren zeventig publiceerde Hans Magnus Enzensberger, lid van een
heus advisory board van Poetry International, het beroemde
opsommingsgedicht Weitere
Gründe dafür, das die Dichter lügen. Het is vertaald door Martin Mooij:
(...)
Omdat
in de mond van de arbeidersklasse
het
woord arbeidersklasse niet voorkomt.
Omdat
wie vertwijfeld is
geen
zin heeft te zeggen:
'Ik
ben vertwijfeld.'
(…)
Omdat
het dus iemand anders is,
altijd
een ander,
die
spreekt,
en
omdat degene,
van
wie er sprake is,
zwijgt.
Met zijn
eigen praktijk heeft Mooij deze ontluisterende stelling proberen te ontkrachten.
Toch ligt vermoedelijk niet aan hem dat exponentieel meer mensen, ook uit de
arbeidersklasse, inmiddels vrij spreken. Op het internet. Door dat medium krijgen
meer facetten aan Mooijs ideaal kans: tot ver over de landsgrenzen ontstaan
gemeenschappen. Het web dient echter ook hyperindividualisme en censuur. De lust
om te spreken is omgekeerd evenredig aan die om te luisteren.
Mooijs
breekijzer van de voordracht heeft tot even ambivalente resultaten geleid.
Poëzie wordt amper meer gelezen, laat staan verkocht, en zelfs
in universitair letterenonderwijs is ze niet vanzelfsprekend. De grootste
aantrekkingskracht hebben inderdaad nog dichters die op podia te bewonderen
zijn. Poëzie overleeft voornamelijk als evenement.
De
Belgische Dichter des Vaderlands behoorde overigens tot de laatste jaargang die
Mooij bundelde in Woorden in vrijheid. Wie Charles Ducals gedicht uit
1990 leest, 'De hertog en ik', zou in de genoemde ‘zij’ poëzie zelf kunnen
lezen, die zich door auteur noch lezer laat marginaliseren:
Twee
mannen trokken een kar door het bos,
door
de modder van lichtschuwe wegen,
in
dienst van een vrouw die verdeelde
en
heerste. Hun lust, hun last stond zij
naakt
boven hen, de zweep in de hand,
trots,
door geen man ooit bezeten
dan
in het offer van een gespleten
bestaan.
De ene man ik, de ander gezant
van
de nacht die zijn angst door mij joeg.
Wij
trokken samen, de hertog leidde,
hij
kende het bos in al zijn geheimen.
De
vrouw zag het onderscheid. Sloeg.
Zou het iets
zijn om de functie van hertog postuum toe te bedelen aan Martin Mooij?
Op:
DeWereldMorgen (31 augustus 2014)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.