Vertaalslag
Het verschil als van dag en nacht tussen België en Nederland strekt zich uiteraard ook uit over de taal, de motor voor basaal begrip. Jonge voorgelezenen moeten evengoed creativiteit, empathie en verhitte verbeelding uit de kast halen om uit hun vakliteratuur tot een vergelijk te komen.
Zo is ons drieënhalfjarige taalkundig genie S., na het succes dat de gebonden editie van Bobbi op het potje bij haar verwekt heeft, begonnen in de Noord-Nederlandse pageturner De dag dat… ik mijn speen wegdeed. Bij de titel ontstaat voor haar meteen een raadsel rond de niet geheel onbelangrijke ‘speen’, dat door het synoniem ‘tutje’ eenvoudig opgelost kan worden. Dat is echter schrijftaal, want gesproken hebben we het over een ‘tuutje’. En dat woord betekent in Noord-Brabant, waar ik geboren en getogen ben, iets anders. Ik weet dat uit Rituelen uit 1980 van Cees Nooteboom. In die roman slingert een vrouwelijk bijpersonage uit die provincie precies deze term naar het geslachtsdeel van een mannelijke hoofdpersoon, om er diens besnedenheid mee aan te duiden: ‘Moar ge hèt gin tuutje’. Wat ingewikkeld om aan S. uit te leggen, maar zulke verwarring kan op termijn beter bestreden worden.
Voor een door het moderne tijdsgewoel in zijn welwillendheid toch al onzeker geraakte ouder is het een klus om het gebied rond de lendenstreek tweelandelijk in kaart te brengen. Gelukkig werden er voorbereidingen getroffen door Jeroen Brouwers. Hij legde uit dat in een Vlaamse roman bij grachtengordeluitgeverijen een rokje dan wel kort kan zijn, maar ook weer niet zo kort dat Amsterdam permanent tussen Sodom en Gomorra ligt: een dan zichtbaar wordende ‘bil’ duidt op een lichaamsdeel dat in het Noord-Nederlands ‘dij’ heet. Zelf besefte ik toen meteen waarom sommige Vlamingen mijn werk ronduit onbegrijpelijk vinden, geworteld als het is in de traditie van de belligerente literator van onze familie, mijn KNIL-opa Christiaan Kregting, die ooit aan het rijmen sloeg voor een prijsvraag van een bepaald wasmerk: ‘Zelfs de billen van een homo / krijg je schoon met Omo’.
Van een nog grotere complexiteit lijkt me de bilaterale wanorde rond het woord ‘poep’. Ten noorden van de Moerdijk slaat dat op iets waar S., in combinatie met ‘scheetjes’, veel over spreekt, maar waarvoor zij een alternatieve betiteling heeft. Die zorgde voor consternatie tijdens het recentste wereldkampioenschap voetbal, toen bij Nederland-Brazilië een dreigend uitgesproken observatie van de commentator mij de zenuwen gaf en haar de slappe lach: ‘Kaka aan de bal’. In België is ‘poep’ daarentegen een equivalent van twee noordelijke billen (en dus niet van een dij). Ik moet me dat altijd goed inprenten indien ik op familiebezoek ga en niet al in de trein tot pedagogische dadaïst gedegradeerd wil worden wanneer ik ten einde raad mijn dochter toeroep: ‘Ga op je poep zitten’. Voor de werkelijkheid die deze uitdrukking in mijn geboorteland schept, zij verwezen naar het oeuvre van Markies De Sade.
Een nieuwe dimensie aan de onderbuikdeemstering gaf een boek dat S. onlangs cadeau kreeg van genoemde familie. Het was een internationale beststeller van Werner Holzwarth uit 1989, met tekeningen van Wolf Erlbruch: Vom kleinen Maulwurf, der wissen wollte, wer ihm auf den Kopf gemacht hat. Het boek is zelfs vertaald in het Fries, dat geen dialect is maar een heuse taal: Fan de lytse mol, dy’t witte wol wa’t him op 'e kop skiten hat. Ook daarin beleefde het, haha, herdruk na herdruk.
Voor de aan S. geschonken vertaling in het Nederlands, waarvan de eerste editie in 1990 op de markt kwam, tekende de ervaren Ineke Ris. Zij vond het één van de allerleukste opdrachten uit haar loopbaan. En een succes blijkt het ook. Naast de reguliere versie is er een gebonden editie van, een mini-uitgave, al dan niet met een pluchen mol erbij, een kartonboekje en een pop-up, wat dat ook moge wezen. Die anklang komt wellicht mede doordat het boek praktische diensten bewijst. Een rijpere lezer getuigde: ‘Mijn jongste vond het nooit leuk om naar het toilet te gaan, maar met dit boekje bij de hand lukte het wel.’ Zelf zou ik willen wijzen op de titel, die de lading van het boek dekt maar me aan de pregnante kant dunkt: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft.
Voor Noord-Nederlanders van alle leeftijden is meteen duidelijk wat de dramatische actie is; kenners van de specifieke lyrische traditie aldaar zullen mogelijk zelfs De Raggende Manne een milde comeback horen maken. Ten zuiden van de Moerdijk zullen de wenkbrauwen echter gaan fronsen. De jongeren onder hen zijn makkelijk bij te lichten, uitgaand van het gulle alternatief van mijn dochter en krijgen er dan een alliteratie bij cadeau: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop kaka heeft gedaan. Omdat ook dit kinderboek de muzikale structuur in een vraag- en antwoordspel heeft en de notoir bijziende mol bij zo’n beetje elk denkbaar dier informeert of die op zijn kop kaka heeft gedaan en daar steeds een ontkenning op volgt, ontstaat er gaandeweg bij de voorlezer hooguit uithoudingsvermogen- en concentratiehinder bij de geïmproviseerde vertaling naar het Vlaams. Gelukkig blijft de geest fris omdat het betreffende dier ook telkens de technische term voor zijn uitwerpsel laat vallen, van vijg over keutel naar vla.
Oudere Vlamingen vanaf ongeveer twaalf jaar hebben bij de titel Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft geheel andere associaties, omdat ‘poepen’ slang is voor cohabiteren, wat bijna Latijn is voor de oudste beweging der wereld. Ik noem die dode taal mede, omdat ze verbonden is met katholiek onderwijs en dus op tragische wijze ook met de onherroepelijkheden die heden expliciet in het nieuws zijn. Een van de bizarre details rond het seksueel misbruik is dat de slachtoffers in het openbaar de criminelen bij hun weinig tot de fantasie overlatende bijnaam noemden, zonder dat er iets gebeurde, laat staan veranderde. Tot die bijnamen behoorden niet alleen de trekker en den bok maar ook poepke. Dat was toen. Na de recente televisiereeks Van vlees en bloed die gaat over een slagersfamilie in de Kempen, schijnt de outdoorvariant ‘bospoepen’ een nationale sport geworden voor door de week en in het weekend.
Dat de vertaling van dit boek is geïnitieerd door uitgeverij C. de Vries-Brouwers b.v.b.a., die volgens het colofon Antwerps-Rotterdams is maar in eerstgenoemde Vlaamse stad gevestigd blijkt en sinds 1946 actief, maakt de gekozen titel nog pregnanter. Ze is gericht op de Noord-Nederlandse markt, waar de meeste lezers zijn en waar sinds jaar en dag, ondanks Christoffel Plantijn wiens vruchten misschien niet voor niets door de UNESCO tot het werelderfgoed worden gerekend, het epicentrum van het literatuurbedrijf ligt. Dat anders gezegd heden het zuidelijke filiaal van een klaarblijkelijk tweelandelijke firma akkoord gaat met een titel die het profijt en het begrip elders legt, is een vorm van aanpassing die een lange geschiedenis heeft. Evengoed kan het dat de vertaalster, afkomstig uit Noord-Nederland, geen weet heeft van de bijkomende betekenis van ‘poepen’ in Zuid-Nederland. Ook dat gebrek aan kennis heeft een respectabele traditie.
Of de titelacrobatiek nu dus berust op accommodatie of desinteresse, ik weet niet of onze S. ervan op de hoogte moet worden gesteld. Wel doet ze nog geen jaar met oneindig veel plezier aan ‘kleutergym’ en heeft ze last van een flonkerend geheugen. Na kennisname van de plot antwoordt ze op de allereerste van de ontelbaar vaak herhaalde vraag van de mol wie er kaka heeft gedaan op zijn kop: ‘Het is Bullebak, het is de hond van de slager!’ En wanneer de protagonist, door S. meestal Molly de Mol genoemd (naar het gelijknamige boek van Kate Veale waar dat dier in een vuilnisbak valt en vervolgens slechts uit de gemeentestortplaats weet te ontsnappen door een slakkenspoor van zijn vriendin Lilly Gelatine), na toepassing van het principe oog om oog, tand om tand kan wederkeren naar waar hij vandaan kwam, blijkt haar eindoordeel altijd weer relevant: ‘De mol gaat terug in zijn hol’.
De Manke Usurpator
zondag 17 oktober 2010
zondag 30 mei 2010
Authentieke taal (2004)
En de bal die joeg in de touwen
1.
‘the melos yields the mode and the mode the manners’
James Joyce
Het zou me niet verbazen wanneer de mens in zijn natuurlijke staat, selfsupporting, permanent heeft gezwegen. Pas toen hij bij het voorzien in zijn behoefte anderen nodig had, zal het gebaar zijn ingevoerd en even later de blues. Ook die lapmiddelen volstonden niet en op den duur is verbaliteit ontstaan die, met een gegroeide differentiatie in de vraag, complexer werd. Wij weten inmiddels niet beter. Maar hoe praat een mens eigenlijk, ook in frontsituaties jegens de ander? Als ik de commentaren bij het Polygoonjournaal mag geloven: in volzinnen met een tinkeling van fijne cadansen, en met antwoorden na keurige pauzes op vragen. Nu geldt dat journaal als gedateerd, het is inmiddels opgeheven, dus mijn geloof telt niet, stoelt op een herinnering. Toch beklijft de indruk dat de mens ook in zijn mimetischer momenten naadloos communiceert. Zelfs uit famous last words mag worden afgeleid dat de naderende capitulatie in elk geval niet syntactisch is.
Volgens mij vertoont al dat moois in werkelijkheid meer rafels. Maar misschien ben ik in dit idee te particulier, nadat ik voor het eerst van mijn leven een tekst onder ogen kreeg die de letterlijke neerslag was van een gesprek dat ik gevoerd had. Ik waande me een verpersoonlijkte globalisering, opgeslokt door zijn resten. En vooral een levende anakoloet, voor de gelegenheid op een stoel neergeplant bij een minidiscplayer. Mogelijk kan een punctie in enigszins recente literatuur der Lage Landen de bewijslast verleggen.
Korte inhoud van het voorafgaande.
De Tweede Wereldoorlog was amper voorbij of de Vijftigers ontketenden de revolutie door onder meer, in de wederopbouwtijd van schaarste en gehaktbrood zonder al te veel gehakt, te associëren met woorden. Dat leek een warmbloedig protest tegen een duffe moraal, ze lonkten naar het irrationele ook. Niet veel later kwamen er tekenen dat het daarmee maar weer afgelopen moest zijn. Yes, but not like that! Het van oorsprong Vlaamse tijdschrift Gard Sivik maakte een begin met de herstart en in de bundel Geboorte-stad (1958) van tussenfiguur Sybren Polet was al een, vanuit neonieuw perspectief, aangename koelheid te voelen die een artikelenreeks van literatuurhistoricus Calis ving met de catchphrase ‘daling van temperatuur’. Als aanvulling op Atonaal, Vijf 5 tigers en Rodenko’s fameuze bloemlezing Nieuwe griffels schone leien, die de Vijftigers in een traditie had geplaatst en daarmee definitief geïnstitutionaliseerd, maakten René Gysen en Hans Sleutelaar er in 1960 ook eentje: Met andere woorden. Door Armando werd vanaf 1961 een verbinding aangegaan met de Nul-Zéro groep, en hij propageerde twee jaar later plechtig het ‘einde van de Renaissance. Begin van wat men voorlopig noemt “Het Nieuwe Realisme”. Voor het eerst in de kunstgeschiedenis levert de kunstenaar geen commentaar op de werkelijkheid. Hij interpreteert niet. Hij aanvaardt de werkelijkheid.’
Zoals bekend toonde het omslag van Gard Siviks 33ste nummer (januari/februari 1964) een snelheidsbord waar door het getal vijftig een streep was gezet. Een Nieuwe Datum In de Poëzie, heette het, en C.B. Vaandrager en Hans Verhagen gooiden kopieën van het omslag op het eerstvolgende Boekenbal in het publiek. Een plengoffer aan literatuur die, buiten de bebouwde kom van de intentie, geen literatuur meer wou zijn? En toen ging ook het gangbare bohémienbeeld van de kunstenaar op de helling, toen het internationaler georiënteerde avant-garde tijdschrift De Nieuwe Stijl onder de titel ‘Parade der Proleten’ veertig bladzijden lang uitpakte over het dragen van een baard boven sloeberkledij, en over zelfoverschatting in de reguliere kunstkolommen. Een nieuwe traditie vestigde zich, en was zo pril niet of er kwam vanzelfsprekend een satire op. In de roman Tjeempie! of Liesje in Luiletterland (1968) van de voormalige Vijftiger Campert gaf schrijver Cees Bakels ‘informaatsie zonder emootsie’ en vertolkte ‘koel de eigentijdse stem’ zonder ‘intupputtaatsie, dzjust de pleen fekts’.
Journalistiek in de pas opgerichte Haagse Post maakte zich opzichtig afwezig door louter de geïnterviewde te laten spreken in een historisch presens. Het geijkte woord moest het maar doen, met adequaat en letterlijk economisch taalgebruik. De auteur leek een cameraoog te zijn geworden, een zeer bescheiden Olympiër, methodisch zuiver in zijn perceptie. Alsof Eisenstein nooit had bestaan. Ook zou je denken dat het ontbreken van enigerlei vertellerscommentaar de recipiënt uitlokt tot het debiteren van een moraal. Desalniettemin, wanneer er officieel ooit een mimetische weergave van de gespreksstijl is geweest, dan moet het in deze periode van de literatuurgeschiedenis zijn. ‘Werkmethode: isoleren, annexeren. Dus: authenticiteit’, berichtte Armando wellicht ten overvloede als primeur.
2.
Het interviewboek De ssers (1967) zou het meest consequente product van De Nieuwe Stijl en de Haagse Post zijn. Het was bepaald controversieel. Eindelijk zat Holland weer goed in zijn vel en werd er werk gemaakt van een auto voor eenieder en een boterham met tevredenheid waarop een biefstuk lag – om met dit boek herinnerd te worden aan het feit dat dat vel ruim twee decennia daarvóór dicht tegen het been had gekleefd. En dan kregen de helpers aan dat onvrijillige dieet nog het woord ook! Aafjes’ beruchte verwijt aan het adres van Vijftiger Lucebert indachtig, leek de ss letterlijk alsnog de literatuur binnengemarcheerd. Anderzijds doneerde de positief over het werkstuk gestemde Willem Frederik Hermans terstond de jijbak dat het moreel hoogstaande Nederland evengoed had geheuld door mee te werken aan de moord op percentueel het grootste aantal joden in Europa.
De geïnterviewden toonden geen spijt.
Getuige hun inleiding hadden Armando en Hans Sleutelaar 2500 foliovellen tot hun beschikking die hun gesprekken met acht Hollandse Waffen-ssers woordelijk weergaven. Daarna schrapten Armando en Sleutelaar hun vragen en opmerkingen, en dat leverde een boek van 474 pagina’s op. Redelijkerwijs zal er dus meer geschrapt zijn en lijkt het de vraag of de lezer niet voornamelijk op lassen stuit. Volgens het tweetal was er echter geenszins ingeboet aan authenticiteit. De geïnterviewden hadden de teksten zelfs geautoriseerd. Ten overvloede ondertekenden Armando en Sleutelaar hun inleiding met ‘de samenstellers’.
Om het corpus niet persoonsgebonden te laten zijn, geef ik van elk van de acht in De ssers sprekende Nederlandse vrijwilligers voor het Duitse kamp een ongeveer even groot fragment, dat in het boek wordt voorafgegaan door een witregel, dus waarschijnlijk door een vraag.
Er was een speciale formule toen wij beëdigd werden in Sennheim: dat we enkel ingezet werden tegen het Communisme en niet in het Westen. Dus niet tegen de Engelsen of Amerikanen. Dat was redelijk, want de Engelsen en Amerikanen beschouwde je eigenlijk nog wel als je broedervolk.
Wat ik hier goed aan vind, is het woord ‘formule’. Dat is namelijk niet de precieze term, en zo gaat dat als je praat, en tegelijk moet je verder. En dan ga je achterwaarts denken terwijl je vooruit doorbabbelt, en daarom komt mij de volgorde in de laatste nevenschikkende bijzin niet helemaal authentiek voor – zeg ik bijna vier decennia jaar later. In de hedendaagse spreekpraktijk zou ze luiden: ‘(…) beschouwde je wel nog als je broedervolk eigenlijk.’ Of reëler zelfs: ‘(…) beschouwde je wel als je broedervolk eigenlijk nog.’ Het gebruik van de passief in het begin, nota bene ook wel lijdende vorm geheten, dunkt me eveneens opmerkelijk, alsof de man zich lichtjes onttrekt aan de eventuele consequenties van het feit dat hij ooit elders in bezwarende omstandigheden heeft vertoefd. Aldus kan hij overstappen van ‘we’ naar ‘je’. Twintig jaar later constateerde Armando dan ook met recht, denk ik, dat mensen ook hun vreselijkste daden in een bedje kunnen leggen en met woorden toedekken. Overigens weet ik geen goed alternatief voor ‘formule’.
Goed, man-tegen-man-gevechten wil zeggen, je ziet dat je eigen kameraden met bajonetten doorstoken worden. Dus je steekt de tegenstander ook met het bajonet. Je vecht met geweerkolven, je vecht met pioniersschoppen, met dolken. Niet alleen dat je tegenstander dat gebeurt, je ziet van je eigen kameraden ook dat die dat gebeurt.
Waarom meen ik hier ineens een voetballer te horen? Komt het door de, van de vorige ss-er wat afwijkende, singularis modestiae ‘je’, dat Ronald Koeman, inclusief het evenmin kinderachtige ‘mijn persoontje’, later tot grote hoogten zou opstuwen? De aanvang dunkt me ware spreektaal. De bijzin begint niet met het correcte ‘dat’, nee, door de emotie van de herbeleving ga je in één adem een nieuwe hoofdzin construeren. Ook treffend is daarin het pleonasme ‘eigen kameraden’, dat de luisteraar wil overtuigen van de noodzaak én het noodlottige aan het in wezen abjecte in crisissituaties. Daardoor wordt de tweede zin merkwaardig stijfjes. Dit zie je aan het verkeerde, al te deftige lidwoord ‘het’ voor ‘bajonet’ (hypercorrectie), maar vooral aan een lichte vorm van depersonalisatie: je steekt zo’n ding immers ín iemand. Of ben ik nu een purist? Depersonalisatie lijkt begrijpelijk vanuit het standpunt van de dader die, ter instandhouding van zijn geweten, het slachtoffer als ding wil zien. De opzet van het boek werkt hier ook aan mee: terecht merkte Hermans op dat het beter De ssers, vijfentwintig jaar later had kunnen heten, er heeft zich eelt kunnen vormen op huid en ziel. Het kan echter goed dat ik nu echt aan het hineininterpretieren ben geslagen, omdat een aantal factoren oncontroleerbaar is: de stressfactor ten tijde van het interview, ontwikkelingen in een dialect dat mij sowieso onbekend is… Zelfs kan ik me voorstellen dat ‘de tegenstander met het bajonet steken’ hip klonk, en dat de spreker er, gestreeld door de aandacht, als het ware een projectie mee pleegde in de richting van zijn jonge, spraakmakende ondervragers. In de zin die Darwin schijnt te hebben bedoeld: the survival of the accommodatest. Voor het gemak uitgaand van depersonalisatie borduurt de derde zin voort op de tweede, met een retorische touch. De vierde is dan ineens weer natuurlijk, vooral in het cruijffiaanse ‘dat die dat gebeurt’.
Ik kan me nog herinneren, toen de Stabartzt de eerste keer bij m’n bed kwam, toen ik weer bij kennis was. Hij pakte m’n hand en feliciteerde me. Hij zegt, nou, hoe was het in de hel? Dat kan ik me nog altijd herinneren. Een beetje rauw klonk het, maar het was hartelijk bedoeld.
Dit begint veelbelovend. Overmand door de herinnering wordt hier niet verteld met behulp van het correcte ‘dat’ maar met ‘toen’ – het vermaledijde voegwoord dat kinderen op de lagere school in opstellen niet mogen gebruiken omdat het dan opdissen wordt in ettelijke wederwaardigheden zonder pointe. Ook ‘was’ treft doel, want dat moet officieel ‘kwam’ zijn en zo’n contaminatie zit in spreektaal gebakken. Pas in de vierde zin krijg ik twijfels, en wel door het bijwoord ‘altijd’. Dat gebruik je niet in deze context, en zeker niet in the spur of the moment. Dan zeg je, met nadruk: ‘Dat kan ik me nóg herinneren.’ Of ‘nu nog’. De vijfde zin veegt vervolgens de vloer aan met mijn indruk van authenticiteit, door de prolepsis. Met het voorop plaatsen van ‘een beetje rauw’ voel je de stilering. Puur zal het iets als ‘Het klonk een beetje rauw’ enz. zijn geweest, en in combinatie met het vervolg had dat geresulteerd in een hele mooie zin eigenlijk. Mooi is hier alleen het woord niet (en deze zin deugt evenmin, want lijkt een toespeling op een essaybundel over recente poëzie).
Van zo’n man als Göring kon ik het accepteren, hè. Die was immers ook zo praalziek, had mooie sterren en zo. Maar die dreef de spot met zichzelf. Göring stond er voor bekend dat hij een man was, die zei, nou jongens, wat is de nieuwste mop over mij? En dan moesten ze hem de nieuwste mop vertellen.
Dit ziet er waarheidsgetrouw uit. Of niet? Spreekt er iemand zowel in termen van ‘en zo’ en ‘er voor bekend’ als van ‘praalziek’? Of zegt het meer over mijzelf dat ik door die vraag te stellen ongeloof hecht aan die vereniging van twee op het oog uiteenlopende taalclusters in het gesproken woord (behoud ik mij dat recht toe of althans mijn werk, want godverdomme wat is dat toch belangrijk)? Ik ken wel de gewaarwording te schrikken van een bepaalde term die de mond blijkt te hebben verlaten: dat dan meteen willen compenseren met iets contrairs – en daar in mijn werk uren op oefenen. Kan het trouwens zijn dat ik te argwanend ben, en het woordje ‘van’ verwacht tussen ‘zei’ en ‘nou’, of is dat te hedendaags? Ergo, waar ben ik? Waarom schiet me te binnen dat Göring was getrouwd met een gravin die Fock heette?
Er valt niets meer te verontschuldigen. Helemaal niets. Helemaal niets. Verontschuldigen wil zeggen, dat je samen nog een gemeenschappelijke norm vindt, waarmee je bepaalde daden meet. En die is hier niet meer.
In de politiek is het een bekend fenomeen dat men op momenten dat de tekst even wegzinkt in het moeras van het bewustzijn de laatste woorden herhaalt. Frits Bolkestein was zo bedreven in die truc, dat ik zijn voornaam uit zijn mond steevast als ‘Frats’ verstond. Maar bij hem betrof het zakelijke zaken, in een betoog. Wat hier wordt gezegd, valt binnen het kader van een persoonlijke zaak, een getuigenis (van dit laatste woord wil ik gezegd hebben dat het zowel vrouwelijk is als onzijdig). En als men het dan niet meer weet, stokt men. Na ‘Helemaal niets’ ligt het in de rede dat het stil wordt. Anderzijds wordt hier vanuit het heden over iets in het verleden gesproken. Het kader is een rechtvaardiging, of ten minste een mate van begrip. Het heeft er alle schijn van dat dat du moment wordt opgeroepen. Merkwaardig in de slotregel vind ik daarom ‘is’ (de onvoltooid verleden tijd lag voor de hand) en ‘hier’ (in plaats van ‘daar’). Maar mogelijk boor ik daarmee als mens in een blootliggende zenuw van de ander. Wat is de mens? En typ ik dit trouwens neer met mijn hele lichaam?
De soldaten kregen bijvoorbeeld brieven van verloofdes die het uitmaakten, omdat ze gehoord hadden dat hun been eraf was geschoten. Die jongens kregen het zo ontzettend op hun zenuwen, hè, die gingen huilen en schreeuwen en dan kregen ze natuurlijk een spuitje om te kalmeren. Dat was zo ontzettend!
Dit komt in de buurt. Een reden voor mijn vermoeden is, dat in de vaart van het vertellen de verwijswoorden niet meer eenduidig verwijzen naar het voorafgaande. In de eerste zin zou ‘hun’ in de kluts bijvoorbeeld kunnen slaan op ‘verloofdes’, wat in deze context een onbedoeld, en daarom naturel, komisch effect sorteert. Ook authentiek dunkt me het licht foutieve ‘die’ na het tussenwerpsel ‘hè’: partiële infectie. Het is mijn makke dat ik inmiddels na Jaap Stam, die naar eigen zeggen Kampen op de kaart heeft gezet, het bijwoord ‘natuurlijk’ echter weer onnatuurlijk vind. In zekere zin geldt dit eveneens voor ‘ontzettend’: daar verwacht ik ‘vreselijk’, maar misschien is dat te wuft, in de verloofdenlijn. Juist daarom zou ‘ontzettend’ wel eens echt kunnen zijn. Wel wat voorlijk voor zijn tijd.
Ja, en dat deze transporten niet prettig waren, dat is logisch. Niet wat het vervoer betreft, want wij zijn ook in beestenwagens vervoerd en ik vond het nog wel prettiger ook. Ik zat liever in een beestenwagen, in een goederenwagen, met pakken stro, dan in een coupé, want daar kon je nooit gaan liggen.
De tweede zin vind ik heel curieus, omdat het voegwoord ‘want’ een oorzakelijkheid aangeeft die het achterste deel van de bijzin ontkent. Dat dunkt me vooral curieus, omdat daarvóór de altijd misleidende want retorische term ‘logisch’ was gehanteerd. Bovendien is ‘nog wel (…) ook’ opmerkelijk, omdat hier toch echt ‘eigenlijk’ voor de hand ligt. Of niet? Ben ik weer aan het dissolveren en acht ik dat gepast vanwege de semantische kernen ‘eigen’ en ‘lijk’ in het perspectief van de reële historische keerzijde aan de gememoreerde transporten? Of zie ik dan mijn eigen afgrond als gestalte, of toch maar: de afgrond die ik bij de spreker veronderstel? Waarachtig vind ik in elk geval vervolgens, ja we zijn alweer helemaal terug in handige bruistabletvorm, het toevoegsel ‘met pakken stro’ dat de zin onderbreekt, zoals dat gaat indien je praat, hink-stapspronggewijs. Het oorzakelijke voegwoord dat daar dan weer op volgt, is logisch.
Hitler dood! Een gekke gewaarwording, een gekke gewaarwording… Kerels met hun borst vol onderscheidingstekens lieten hun tranen de vrije loop.
Je hebt er jaren voor gevochten.
Je hebt je kameraden zien vallen.
Je hebt er alles voor over gehad.
Hier lijkt de vermetele techniek van de herhaling bij gebrek aan woorden te worden toegepast. Of ze ook naturel is, lijkt vers twee. Voor mij botst het woord ‘gekke’ al met ‘gewaarwording’ (esthetische alliteratie) en zeker met ‘kerels’. En de uitdrukking ‘tranen de vrije loop laten’ lijkt me niet op zo’n stevige orale basis te berusten, al moet ik erkennen, nee, domweg vaststellen dat spreektaal voortdurend schrijftaal citeert. De drie slotzinnen vind ik aan de akelige kant. Misschien zijn ze werkelijk zo uitgesproken, en dan hoor ik de galm van het Polygoonjournaal. Maar het feit dat Armando en Sleutelaar ze telkens op een nieuwe regel laten beginnen, valt niet anders te interpreteren dan als een auteursingreep die methodisch onmogelijk als zuiver te kenmerken is. Ik vermoed dat hier een las is gemaakt.
Waren de samenstellers wetenschappers in het laboratorium van de werkelijkheid of hebben ze vooral geluisterd naar wat ze dachten te zullen horen? Op basis van de luttele hierboven besproken acht fragmentjes, lijkt het mij gegrond om in elk geval de heersende ethische bezwaren tegen het boek niet bij voorbaat hypocriet of invalabel te verklaren. Er werd immers gesproken binnen een retorische context en dat geeft collateral damage. Voorzover dat niet duidelijk was, leverde de herdruk van De ssers voor die retoriek aanvullend bewijs: de volgorde van de sprekers is er omgedraaid. En aangezien de door mij gebruikte vierde druk uit 1990 nog een latere is, zou ik moeten nagaan of ook daarin herschikking is aangebracht. Dat wil ik niet doen, niet eens zozeer uit luiheid, als wel in een poging één raadsel expliciet te conserveren: één van de acht sprekers, oorspronkelijk de derde, is namelijk een vrouw. Wie o wie?
3.
‘Herhalen, herhaken, kelen, betrachten:
een sublieme overeenkomst tussen zovele werkelijkheden’
Marcel van Maele
Ik ben groot geworden met gesproken taal op de radio. Met name bij voetbalverslagen, onschuldig maar half in de illegaliteit, leek het, omdat ik dan al lang moest slapen en, geheel volgens wetten der anekdotiek, een transistortje mee onder de dekens nam. En welja, daar heb ik dan weer een citaat over: ‘toen ik voor het eerst / radiobeschrijvingen hoorde ik dacht dat ze de sport daarmee / regisseerden, niet versloegen’. Dat staat in Fredy Neptune van Les Murray, waar de aposiopese ‘hoorde ik dacht’ in a nutshell aangeeft wat radio zo bijzonder kan maken: iets onvoltooids, anakoloetisch graag, dat inderdaad de suggestie wekt dat taal de bal over het veld stuurt.
Een radioverslag is gericht op een dialoog met de luisteraar, zij het dat die uiteraard niets kan terugzeggen. Da’s quarantaine en die maakt dit genre handzaam voor mijn onderzoek. Voor het diagnosticeren van waarheidsgetrouwheid in de spreektaal heeft het voetbalverslag nog een voordeel. Men loopt in zijn gebabbel altijd achter bij de gebeurtenissen op het veld en mag het gat met het heden niet laten gapen – verslag mag geen commentaar worden. Het gevaar van reconstructie is daarbij afgewend. En ook: men wil, al is het beroepshalve, zijn ervaring delen.
Niet heel veel jaren na de verschijning van De ssers, in het seizoen 1969-1970, speelde Feijenoord in de tweede ronde van de Europacup 1 tegen het machtige ac Milan. Dat werd een ongekend succes. De 1-0 nederlaag in de uitwedstrijd poetsten de Rotterdammers in eigen stadion weg. Van die legendarische thuiswedstrijd, op 26 november 1969, is een singletje gemaakt, waaruit ik eerst de betreurde commentator (qua leeftijd een jongere neef van de ss-ers) Theo Koomen citeer uit zijn verslag voor de radio:
En over of zit-ie erin nee nee toch hij zit erin hij zit erin ik dacht dat-ie over zeilde maar hij zit erin het is een doelpunt ik dacht dat-ie erover zeilde maar hij dook in de hoek en Cudicini staat daar verslagen in het doel en Jansen wordt daar door alle Feijenoorders wordt-ie omhelst en gepakt en Treytel is eruit en iedereen iedereen is is gek geworden en ze staan hier voor m’n ramen te dansen.
Dit is nou eens pure spreektaal. Ik pleeg daarmee een ernstige tautologie, want wat kan een radioverslag anders zijn? Toch lijkt me de constatering gerechtvaardigd. De herhalingen, het zichzelf corrigeren en ook niet, de programmatische nevenschikking – als ik nog wist wie ik was, zou ik bijna zeggen dat ik mezelf erin herkende. Maar ik besef wel dat dit in laatste instantie een ethische uitspraak is, omdat Koomen onbemiddeld en, zeker vergeleken bij Armando en Sleutelaar, belangenvrij zijn verslag lijkt te doen. Bovendien was hij een Hollander, geboortegetrouw bevooroordeeld enthousiast over de ontwikkelingen in het wedstrijdverloop. En dus klopt mijn uitspraak niet, is hij evengoed retorisch.
De bejubelde doelpuntenmaker was Wim Jansen, die qua leeftijd een zoon van de ss-ers had kunnen zijn. Op een vraag naar de genese van zijn goal antwoordde hij:
Nou ik kreeg dus de bal op rechts aangespeeld en ik wilde dus een voorzet geven maar toen zwaaide-die dus over de keeper op de verste paal zo het net in.
Wederom pure spreektaal. Ik wil vooral wijzen op het gebruik van het woord ‘dus’: het maakt gebeurtenissen logisch en doelmatig, terwijl het commentaar van Koomen al suggereerde dat er bij het doelpunt sprake was van enig toeval, zoals een inzicht uit verstrooidheid heet te kunnen rijzen. De aanrichter bevestigt dat nu. Eigenlijk is al zijn ge-‘dus’ één groot manifest van ongeloof.
De wedstrijd ging verder, ik geef het woord terug aan Koomen (men moet weten dat in die tijd, kinderloze opa vertelt, radioverslagen niet permanent met de wedstrijd mee werden uitgezonden: nog los van verplichte interferenties van het anp-journaal op de hele uren, heerste er überhaupt een inhaalprocedure, men ‘schakelde over naar onze verslaggever ter plekke’ en hoorde dan in het ideale geval een hoogtepunt, dat in feite een fragment was):
Een juichtoon een juichkreet door het stadion van de 66.000 Coen Moulijn die was z’n tegenstander gepasseerd naderde Schnellinger Schnellinger kon er niet meer bij kwám de voorzet kwám op het hoofd van Van Hanegem en Van Hanegem dook als een snoek en de bal die joeg in de touwen en zelfs Cudicini die er nog naar dook was reddeloos.
Is dit belangenvrij? De ironie wil dat Theo Koomen zo’n beetje de grootste fantast denkbaar was, die er, achter op de motor, bij verslagen van Touretappes niet voor terugdeinsde heroïsche ontsnappingen aan den volke te melden, terwijl het peloton in gesloten gelid langs korenvelden pedaleerde. Eerder een mythomaan dan een journalist dus. Maar ik ben weer eens te snel in mijn oordeel – al wordt dat nu onderhand een stijlfiguur, oppassen Marc met die praattoon, dat je niet in het opzettelijke maniërisme verstrikt raakt dat het werk van Kees ’t Hart, met name de essays, inmiddels in het teken doet staan van het hulpeloos-sterke voorbehoud – me realiserend dat Koomen, wellicht als tegenwicht voor die mythomanie, ook naar de andere kant kon doorschieten. Als één der eersten stelde hij het dopinggebruik bij wielrenners aan de kaak, wat hem op een boycot kwam te staan van het peloton dat blufte dat hij een vuile katholieke leugenaar was.
Voor een in elk geval iets nuchterder commentaar aan de microfoon gaat andermaal het woord naar de doelpuntenmaker, die destijds al De Kromme werd genoemd:
Ja ik kreeg die bal van links dus en toen kopte ik ’m d’r in en toen haalde ik ’m dus uit het net gewoon en toen keek ik dus op die klok hoe lang er nog te spelen was ja voor de rest op dat moment sta je d’r niet bij stil dacht ik.
Atavisme of affirmatie? De passage lijkt wat je noemt ontwapenend, maar dat is een vreemd en misplaatst woord omdat de ratio van de situatie parallellen vertoont met die van soldaten in volle actie. Nog vreemder is het dat ik moet denken aan de ideologie die Armando achteraf aan zijn beweging poogde te hechten: ‘een wanhopige poging om de consumptiemaatschappij te bejahen’. Becommentarieerd doen alle ‘dus’-sen van Van Hanegem, in wat vanwege het voetbal een populaire cultuur mag heten, hetgeen baardloze, huns ondanks wel degelijk artistieke journalisten diametraal op provo en kabouters en wat dies meer in de jaren zestig wilden aanrichten. En de journalisten hebben aan het langste eind getrokken, mét ironie. En vooral met ellipsen.
Voor de formele kant aan frase van De Kromme past slechts één waardering: zonder woorden.
‘In den beginne was het woord, en het woord was bij God’. Nou, van mij had Hij het mogen houden. Wat is taal toch een *** voor wie niet tuk is op parentheses, al dan niet in de gedaante van noten, haakjes en gedachtestrepen. En wellicht is de waarheid inderdaad niet tijdloos, en is tijdloosheid zelf, zoals Walter Benjamin beweerde, een exponent van een burgerlijk waarheidsbegrip. Ik acht het evenmin onmogelijk dat waarheid intentieloos is. Dat wij een ander begrijpen is eigenlijk een mirakel, dat we onszelf, in wie we toch een meerderheidsbelang hebben, denken te begrijpen wellicht nog meer. Omdat zwijgen inmiddels toch echt een verwijt is geworden, blijft díe dialoog ook een punt van aandacht; wij wachten op het begin van de Renaissance.
In: Yang xxxx/3 (okt 2004)
maandag 4 januari 2010
Etiquette (2005)
Aan gene zijde van het behang
1.
Voor de ruit verdrongen zich tallozen in volgorde van afgang. Toch moest dood vogeltjes zoveelste moeder eerst even melden, de schouders naar achteren werpend, dat rancune geen pas gaf. Ze hadden gezegd dat de velden vol wonderbaarlijk wit lagen. Fatsoen behelsde geen ander omkijken dan dat van de montere blik waaraan geen monnikskapspier te pas kwam. ‘Dat ligt vast en dat weet je maar al te goed.’ Dood vogeltje zag zoute bergen van steen die het al had laten gaan. Anders uitgedrukt, rancune was niet chic, leidde tot ongerichte plasmastroming; men diende geen zenuwknoop bloot. Men moest überhaupt nooit zijn tanden laten zien maar de veren opsteken en die slechts in goedertieren gezelschap laten hangen. O Sint-Apollinia, in hets handen bliezen dood vogeltjes kiezen bleekzucht, de terechtwijzingen in (wie ongevraagd zijn diepste zielenroerselen blootlegt, wordt een poseur). Maar wacht even, dacht het, wie nooit ongelijk bekent zal evenmin zijn excuses aanbieden: hoogst bereikbaar is het perforeerbare neem me niet kwalijk. Het was in een winkel in tweedehands computers, om om te smelten tot vegaburgers. Dood vogeltje jongleerde alweer met de kruipolie, terwijl het doorgewinterde berichten kreeg uit hets vullingen. Door wilde het, door.
Dit is het eerste deel van een drietraps prozagedicht dat ‘Van de etiquette’ heet. Maar wat is etiquette eigenlijk? Noem het een stelsel van concrete regels, aan de hand waarvan we, als we dat willen, goede manieren vertonen. Ze moeten door stilzwijgende toepassing het leven voor de onbekende ander, aan gene zijde van het behang[1], een beetje draaglijk maken en daarmee, in de kapspiegel van hun tevredenheid, voor onszelf. We kunnen dan met recht ‘we’ zeggen. Zo zat ik eens in de tram, het was er vol, en er kwam een oude dame binnen. Ze keek naar het eerste het beste bankje, dat was ingenomen door een moeder en kind. En die bleven daar, ondanks de zegswijze dat opstaan voor een ouder iemand niemand misstaat. De oude dame sprak die wijsheid toch maar even uit, de moeder reageerde erop en de oude dame wenste haar kind vervolgens een bestaan vol ongeneeslijke ziektes toe.
Zo’n in een etiquette vastgelegde beschaafdheid lijkt me per saldo een abstractie. Ze valt bijvoorbeeld te verbinden met het christendom dat het artikel van de naastenliefde mede zal hebben uitgevonden ter meerdere glorie van de donateur. Wie op het ondermaanse goed is en doet (de volgorde is me nooit helemaal duidelijk geworden), schijnt iets zeer moois te wachten te staan. Vandaar wellicht dat de laatste woorden van paus Johannes Paulus ii op 2 april 2005, vertaald uit het Pools dan, een certitude behelzen: ‘Laat me nu naar het huis van de Vader gaan.’ Het behang in dat huis moet transparant zijn; over de gedragsregels ter plekke is nooit opheldering gekomen.
In een etiquette vastgelegde beschaafdheid lijkt me ook iets wat afhankelijk is van gewoontes in een land. Elk behang heeft zijn kleur. In het Oosten, om me even te bezondigen aan een essentialisme vanuit het miniuniversum alhier, ben je bepaald onbeleefd wanneer je niet onmiddellijk, ongeacht of anderen naast je ook wat hebben, een bord eten verorbert dat je voorgezet krijgt. Ook boeren en bongen zijn er sterk aanbevolen, als teken dat het eten je heeft gesmaakt. Ik geloof niet dat zulke culinaire gedragingen in het Westen erg populair zijn. Buiten de huiselijke kring wel te verstaan; binnen de muren aan deze zijde van het behang, ‘zolang de anderen het maar niet zien’, lijkt vergoelijking en dus vergeving nog wel te vinden.[2] Deze regels ten bate van het oog van derden ten faveure van het eigen ogenpaar lijken hier een bijkans transcendente waarheid, waarvan we in de praktijk misschien vergeten dat ze qua geldigheid behalve ruimtelijke ook tijdelijke beperkingen heeft; ik hoef vermoedelijk niet naar de nog altijd fijne studie Het civilisatieproces van Norbert Elias te verwijzen, om te beweren dat wat vroeger onbeleefd heette, dat nu niet meer hoeft te zijn, en vice versa.
Ik geloof ook dat dood vogeltje problemen heeft met die rare concepten. De winkel voor de tweedehands computers waar het zich bevindt, lijkt het type gebouw dat makelaars wel als ‘instapklaar’ aanprijzen: plavuizen alom, pvc kozijnen, verlaagde plafonds, en licht, elektra en water werken. Wil het vogeltje door het behang heen? Het krijgt te stellen met opvattingen over ‘rancune’, en heeft zelf zo zijn ideeën over poseurs. Zijn dat dingen vanuit de huiskamer of juist vanaf de maan bekeken? In elk geval zijn het abstracties en het feit doet zich voor dat dood vogeltje daar bepaald lichamelijk op reageert, tot aan de vullingen toe. Ontvangt het satellietsignalen uit het Oosten of geschiedt een en ander uit initieel onbegrip? Iets wat onbestaanbaar lijkt, blijkt in elk geval een bestaanbare repercussie te kunnen hebben.
2.
Voor een goed stabiliteitspact moest dood vogeltje honnepon zijn, opschietend met een sluimerende politieke verkoudheid. Zeer koud is het dat het verbrandt en hetzelf tot grote blijdschap stemt. Winnaars hebben geen pijn, hun iets anders toewensen is laag, de bloem narcis. Of intelligibel ongewenst en dat dan niet opbiechten. Inslikken? Het is niet slim om te zeggen dat je slim bent. Het is wel dom om te zeggen dat je dom bent.
Als er tegenwoordig íets abstract wordt genoemd, is het wel de politiek. Op regeringsniveau worden er grote beslissingen genomen die de zogenaamde gewone man concreet voelt, en hij is daar zelden blij mee. Want hij voelt zich uniek, geen geval waarop veralgemenisering toegepast mag worden. Ja, hij weet wel dat beslissingen niet per geval genomen kunnen worden en noodzakelijkerwijs een collectief gelden, maar toch: de geschiedenis voltrekt zich aan hém. En ja, hij weet wel dat hij niet echt de enige is, maar zo voelt hij dat niet. En dat kan tot onlust leiden en, in een worstcase scenario, tot – alsnog collectieve – bonje van stakingen, vuurhaarden en dies meer.
Vandaar misschien dat politici tegenwoordig, in recidive feitelijk want het item heeft al vaak op de agenda gestaan, pogen om ‘de kloof tussen de burger en de politiek te dichten’. Ook media doen daar aan mee, door die politici met behulp van itempjes vol human interest in hun dagelijkse doen en laten te portretteren, met de suggestie dat alles zich aan deze zijde van het behang afspeelt. Nu is het onontkoombaar dat we de ander altijd benaderen op grond van het beeld dat we van hem of haar hebben, maar de pogingen van media lijken toch te berusten op een arrogant idee van de gewone man, een idee dat je populistisch moet noemen. Ik herinner me uit Nederland de in zijn verlegenheid wat afstandelijke vvd-lijsttrekker Joris Voorhoeve. De man moest door een verkiezingsspot ‘menselijker’ gemaakt worden en hij gooide op het strand met een bal naar zijn kinderen.[3] Dit had zo’n treurige neerslag dat hij er abstracter door leek dan ooit: een tot overmaat van ramp ‘intellectueel’ te noemen politicus die, wederom binnen de muren, liever achter zijn bureau zat.
De vertoonde concreetheid heeft volgens mij averechtse effecten. Ook op de Vlaamse televisie, waar ik woonachtigheidshalve naar kijk, zag men bij de recentste verkiezingen de politicus in zijn tuin, aan het fornuis, maar men zag hem ook aan dure diners aanzitten, vergaderen aan tafels waar permanent broodjes en Spa werden aangesleept, in mooie auto’s het land rondgereden worden, enzovoort. En hoe de partij sp.a ook de slogan Socialisme zal gezellig zijn of niet zijn ingang trachtte te doen vinden[4], met zulke knakkers wilde men al helemaal niets van doen hebben. Thuis in Antwerpen moet ik met lede ogen toezien wat dat voor effecten heeft: een stem op het nationalistische, inmiddels tot Vlaams Belang herdoopte, Vlaams Blok, dat nog net iets concreter zegt dat politici zakkenvullers zijn – ‘winnaars’, om met dood vogeltje te spreken, die geen pijn hebben. Die retoriek heeft dood vogeltje van sportprogramma’s. En het Vlaams Belang gaat ondertussen bijvoorbeeld voorbij aan de complexe, in zekere zin abstracte internationale milieupolitiek, door op zijn allerconcreetst op zwerfvuil voor de deur te wijzen, plus op de hegemoniale aanwezigheid in de straat van Turkse slagers en de afwezigheid van Vlaamse. En kom niet aan de Vlaming zijn charcuterie! Hij voelt zich verplaatst in een huis dat makelaars wel als ‘charmant’ aanprijzen: de vorige bewoner heeft het grondig volgens zijn zeer uitgesproken smaak vertimmerd. Het Vlaams Belang krijgt zijn moedwillige cynisme over het bestaande beloond met meer stemmen, en zal die blijven krijgen omdat het van fatsoenlijke partijen niet mag meeregeren, waarmee het op circulaire wijze andermaal zijn stelling bevestigd ziet dat de concrete wereld van de gewone man wordt miskend.
Het erge is wel dat bij die zogenaamde gewone man door alle media-inspanningen het idee schijnt post te vatten dat er een of ander complot tegen hem gaande is. Alles echter binnen de mate van het voorstelbare. Na de aanslagen in New York, Madrid en Londen schijnt de vrees voor een groot islamitisch gevaar niet zo erg groot; kennelijk appelleert het fenomeen van een goed georganiseerd terrorisme ten koste van massale slachtoffers weer aan té abstract ideeën.[5] Juist de kleine criminaliteit heeft de aura onstuitbaar in opmars te zijn, van vernieling over diefstal tot roofmoord. De realitytelevisie laat het immers zien en de krant zegt het, al dan niet met statistieken.
In dit verband zou je dat complot moeten identificeren met de abstractie. En de rol van de zogenaamd gewone man met die van het concrete slachtoffer, het slachtoffer dat zich structureel, zoals Tzvetan Todorov in een fraaie beschouwing over de herinnering opmerkte, in een profijtelijke situatie bevindt, want altijd in het centrum van de aandacht en dus van de erkenning. Om die paradoxale, of beter perverse situatie te continueren, kan het slachtoffer maar beter níet vergoed worden voor zijn leed. Het behang aan deze zijde monsterend, mag de ‘schuld’ van hem bij les autres blijven, buiten. Want het nationalisme is, om Danilo Kiš aan te halen, de ideologie van de gegarandeerde, maar uitgestelde overwinning.[6]
Taal blijkt in elk geval al geen bindmiddel voor een natie, terwijl een meer in aanmerking komend iets, solidariteit, om allerlei redenen niet opportuun schijnt te zijn. Ook vergaten media in Vlaanderen bij al hun populisme een simpel voorlichtend dingetje, namelijk dat de genoemde verkiezingen ook een beetje over Europa gingen, waar het gros van de beslissingen over afzonderlijke naties valt. Dat is wellicht de ultieme abstractie, een ver-van-mijn-bed-show die niet prime time wordt uitgezonden. En expliciete verkiezingen over Europa, zoals die in Nederland met alle desastreusiteit van dien zijn gehouden, nee, daar begint men hier niet aan. Ze zijn wel goed, maar niet gek.[7]
3.
Voor het af was. Als een ouwel om een toegevouwen brief spannen de netten om hets buikje dat anders niet te bruinen is. Van de agaten zon, zeker gevangen door de onberispelijke steppen, mocht de straling niet worden onderschat. Het zou ook infaam zijn, berispt dood vogeltje hetzelf tot het nut van het algemeen en voor de veiligheid excommuniceert het het. Maar het vloeit waar het niet gaan kan en is dat een mirakel? ‘Als je ogen iets onaangenaams zien sla je gauw je handen ervoor of doe je ze dicht. Maar sla jij je handen maar eens voor je gedachten, doe jij je gedachten maar eens dicht,’ schreef Charlotte Mutsaers. Hoe zou het eigenlijk zijn indien dood vogeltje met dezelfde maatstaven bejegend werd als die waarmee het hets autres bejegent? Was het de bok met de orthopedische schoenen? Het beluistert muziek. Claxons en ongelukken vallen steevast ritmisch perfect. Ook wil dood vogeltje een tartaartje bakken om een boterham door de jus te kunnen halen. En eindelijk mocht het er bij prijsaanpassing uit. Poppen werden gerold, velden aangerand door gras – dat kon bijten.
Er zit iets onaanraakbaars aan ons bestaan waarvoor veel termen voorhanden zijn. Daaruit kies ik maar even het woordje ‘lot’. In meer of mindere dramatische mate hechten we daar geloof aan: het in glas vervatte icoontje dat we ondanks de drukte accuraat aan de pas bezette muur hebben gespijkerd, slaat ineens in stukken uiteen tegen de plavuizen. Zulke dingen gebeuren, en sommigen spreken dan van een ‘ongelukje’, en iets meer mensen van dat vervloekte ‘lot’. Dan wordt het concrete voorval een abstractie, en het gebeurt dat de menselijke soort, religieus of niet, zich daardoor geleid voelt. Vooral aan de overzijde van de Atlantische Oceaan ziet men dat anders. Men moet het leven in eigen hand nemen, met goede wil kan de krantenjongen altijd miljonair worden (the American Dream).
Het curieuze is nu dat dat transatlantische geloof veelal ingebed is in een veel groter geloof, in een sujet dat God wordt genoemd. Ik heb soms het idee dat Hij een pseudoniem is voor de vrijemarkteconomie die mensen verandert in wolkenkrabbers. En met dat idee treedt een tweede curiositeit in werking: om de breideling van de vrijemarkteconomie tegen te gaan, heeft aan deze zijde van de oceaan lang de overtuiging geheerst dat de overheid kon en moest ingrijpen, zodat het lekkende huisje van zwakkeren alsnog een solide doorzonwoning kon wezen. De maatschappij heette evenzeer maakbaar, de abstractie van het ‘lot’ kreeg haar concrete tegenwicht in ‘sturing’ waarvan vooral door ‘zwakkeren’ vruchten konden worden geplukt.
Dit bleek volgens een meerderheid van politici en publieke opinies fout te lopen,[8] het kostte te veel geld en begunstigde vooral profiteurs. Vanuit Amerika had Ronald Reagan al bericht dat de overheid (de ambtenarij, altijd die ambtenarij!) niet het antwoord maar het probleem was. Maakbaar heetten en heten hooguit nog niet-westerse landen waar door middel van, eventueel onder vn-vlag uitgevoerde, interventies ‘vrijheid en democratie’ gebracht moeten worden. En ondertussen is men overgestapt op de strategie van de privatisering, die het individu in staat stelt om zichzelf bij te verzekeren, zijn lot of, in een mooie baan, vrije dagen te kopen, en voormalige staatsbedrijven om de beurs op te gaan. Een en ander wordt bewolkt met fijne woorden die alle op ‘kwaliteit’ duiden, een voor mensen die over geen of weinig middelen beschikken, laat staan over dubbel glas, bijna utopisch begrip.[9]
Ik weet het niet. Ik geloof steeds sterker dat de abstractie inderdaad regeert, op allerlei niveaus trouwens. Ook bij bedrijven, die hun autonomie opgeven in fusies, in het kader van ‘duurzame groei’. In het meest expanderende geval worden ze multinationals die lokale overheden overwoekeren. Daar wordt de wereld niet mooier op, maar volgens mij blijft ze tastbaar, zij het enige kwadraten onbegrijpelijker.[10] Dat lijkt echter in eerste instantie een kwestie van zelfbesef (een demon, te vinden in de bezemkast van onze geest), dat bewoners van dezelfde wereld kunnen omzeilen door zich via commitment te laten uitputten. Vanwege het aan hen buiten hun verantwoording toebedeelde werk voelen ze zich verantwoordelijk de handen dusdanig vol te hebben, dat ze geeneens een gedachte hoeven te laten opkomen, ter uitvoering waarvan dezelfde, overvolle handen zouden moeten worden ineengeslagen. Als slachtoffer weigeren zij slachtoffer te zijn, en dat getuigt in zekere zin van goede manieren, wat mij in zekere zin lofwaardig lijkt. Maar misschien is dit een kwestie van murw overleven, zonder de reeds in de zeventiende eeuw uitgevonden en in huizen gematerialiseerde scheiding tussen wonen en werken.[11] Al veranderen in een exclusief economisch geworden arbeidsethos regels en zeden voortdurend, wie die contingente abstracties opvolgt blijft the fittest.[12]
Zelf zie ik literatuur als een middel om aan zo’n etiquette te ontkomen, en als het ware een vrijstaat in het hart van de staat te implanteren. Om te beginnen doe ik dit met behulp van een veredeld soort homeopathie, door al die bizarre taalgebruiken domweg, en ja: met tandengeknars[13], in mijn teksten op te nemen en als het goed is op schandelijke wijze op elkaar te laten parasiteren. Deze outsourcing klinkt misschien gemakzuchtig, maar ik doe dat ook omdat ik begrip graag zie groeien. Dus zal ik eerst uit media de abstracties moeten overnemen, voordat ik, in een schier bodemloos vat van taal, begrijp wat ermee geambieerd wordt (men hoeft Foucault niet te lezen om zich te realiseren dat wie die het woord neemt of op schrift stelt macht heeft) Dood vogeltje ziet op het laatst slechts om zich heen, en weet zich bevrijd door ‘prijsaanpassing’ – maar ik weet inmiddels dat dat heel concreet prijsverhoging betekent. Een eufemisme dus, gebaseerd op demagogie. Het vogeltje mag zonder kapspiegel zijn woning verlaten. Een eerste schrede naar een gefundeerde poging om onbeschaamd ‘we’ te zeggen, misschien zelfs naar een collectivisme waarvoor geen bewustzijnsvernauwing of pastoraal patois van node is?
Daarom zou ik tot slot graag iets uit een essaybundel van Arjen Mulder willen aanhalen, als hij de kraakbeweging memoreert in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Die krakers trokken bij voorkeur in panden die makelaars wel als ‘authentiek’ aanprijzen: sinds de bouw nooit meer naar omgekeken en dus ‘met behoud van originele elementen’. Uitgerekend in die biotoop hebben krakers volgens Mulder nooit hun eigen taal ontwikkeld, en slechts de bestaande taal geparodieerd. Waarom zouden ze ook, ze zochten een ruimte buiten de voorgeschreven orde, los van de ondraaglijke – ik zou zeggen: abstracte – verplichting het zinvolle leven te leiden dat hun ouders zeiden te leiden omdat hún ouders dat voorschreven. Voor Mulder heeft de kraakbeweging een tussentijd gerepresenteerd, kiezend voor gene zijde van het behang, maar dan zonder etiquette: ‘Als media ergens niet tegen kunnen, is het wel dat ze er soms niet zijn. Alles moet geregistreerd. Alles moet toegankelijk gemaakt. En deze eisen zijn gebaseerd op goede argumenten. De mensenrechten! Het recht op informatie! Verantwoordelijk burgerschap! Maar ieder woord kan overal voor worden gebruikt. Daarom: het recht om niet geïnformeerd te worden. Het recht geen mens te zijn! Jullie houden jullie codes maar!’[14]
[1] Ik gebruik deze metafoor in plaats van de in deze context al zo vaak gebezigde – en binnen zijn beperkte geografie al te divers toegepaste – van het gordijn. Zie voor een beknopte geschiedenis van die huisdecoratie Thera Wijsenbeek-Olthuis in Huub de Jonge, Ons soort mensen. Levensstijlen in Nederland. sun: Nijmegen 1997.
[2] ‘Juist doordat we elkaar zo na staan, kunnen we niet altijd uitmaken wat de ander wil, slaan of strelen.’ (Franz Kafka, Brieven aan Ottla en andere familieleden. Querido: Amsterdam 1980)
[3] Deze herinnering is op haar beurt mediaal gekleurd, want stamt uit een televisiesketch van Youp van ’t Hek. Overigens markeert mijn spellingscontrole ‘vvd-lijsttrekker’ en suggereert als alternatief: ‘vodlijsttrekker’.
[4] Hier wordt uitgerekend een concept omhelsd dat aan de gehate noorderburen wordt toegeschreven. Zie Henk Driessens ‘Over de grenzen van de gezelligheid’ in Ons soort mensen. Ook memoreerde Hans Achterhuis in Politiek van goede bedoelingen (Boom: Amsterdam 1999) dat een decennium eerder bij de verkiezingen voor Europa parlementariërs zelfs ten tijde van de etnische conflicten in Kosovo bleven optreden in televisiequizzen, gesteund door folkloristische reclamespots over de respectievelijke landen.
[5] Dit blijkens een enquête onder Vlamingen over terreur. Bijna bevestigend voor mijn hypothese is dit onderdeel: ‘De aanslagen hebben wel invloed op ons gevoel. Drie Vlamingen op de tien beweren dat ze wantrouwiger zijn geworden tegenover moslims. Opmerkelijk is dat het vooral mensen zijn die nauwelijks moslims in hun omgeving hebben wonen.’ (De Standaard, 7-9-2005)
[6] Todorov en Kis geciteerd uit: Ga ik weet niet waar, haal ik weet niet wat. Een keuze uit honderd keer Raster, samengesteld door Piet Meeuse, K. Michel, Kees Nieuwenhuijzen, Willem van Toorn, Jacq Vogelaar, Marjoleine de Vos. Bezige Bij: Amsterdam 2002. Vgl. ook Ischa Meijer in Brief aan mijn moeder (Bert Bakker: Amsterdam 19755): ‘De zondebok is pas dan tevreden als hij, hoe of waar dan ook, zich in zijn vastgeroeste rol-gedaante kan presenteren. Zijn uitgestrekte nek wordt tot prooi van wie-dan-ook. Zijn eigen gevoelsleven heeft, naar zijn “mening”, hoe langer hoe minder recht van bestaan – in tegendeel: de, tot in het absurde toe, afhankelijke houding, die almaar sterker naar zelfkwelling neigt, bepaalt hoe langer hoe meer zijn identiteit.’ Wie, van de andere kant bezien, voor zo’n zondebok een gevoel van medelijden ontplooit reduceert hem ook tot slachtoffer, meent Achterhuis (zie noot 4) lucide theoretisch volgens de praktijk. Ik ben het met hem eens dat er aan medelijden een gemakzuchtig, zelfbeschermend en als het ware jezuïtisch trekje zit; tegelijk dunkt me dat wie in de allernaaktste praktijk blíjft deconstrueren niets anders rest dan dadenloosheid.
[7] ‘Maar moet ik werkelijk gecompliceerd worden onder de gecompliceerden?’ (Hugo von Hofmannsthal, De roos en de schrijftafel. Athenaeum–Polak & Van Gennep: Amsterdam 1994) Voor de tegenstem van het moderne Nederland kan nog worden gewezen op het feit dat nationalisme zich niet zozeer uit in patriottisme, als wel in negatieve gevoelens, bijv. anti-Duits, anti-Amerikaans (zie James C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig. Boom: Amsterdam/ Meppel 19993).
[8] De volgorde is nooit helemaal duidelijk. Vgl. Jean Baudrillard in De fatale strategieën (Duizend & Een: Amsterdam 20024): ‘Wat zijn dat voor mensen die opiniepeilingen nodig hebben om beslissingen te nemen, en voor wie de tests een strategische plaats innemen? Ze bezitten geen enkel initiatief meer, en dat nog wel door de valkstrik van het medium waaraan zij hun macht toevertrouwen. Alle media bevatten deze schitterende valstrik: ze vernietigen de politieke functie van een samenleving en bevredigen zo het ironisch onbewuste van de menigte, die in het verborgene blijft neigen tot de symbolische moord op de politieke klasse.’
[9] Wouter Bos, oppositieleider van de voormalig socialistische PvdA, noemde bij de Algemene Beschouwingen ministers in het nota bene christenrechtse kabinet ‘ouderwetse socialisten’: ‘Ze kunnen slecht tegen kritiek, ze geloven heilig in hun eigen politieke correctheid en ze denken dat als je in Den Haag aan een paar knoppen draait, je een hele samenleving kunt veranderen.’ (de Volkskrant, 22-9-2005) Vgl. tevens nummer 42 op de beste boeken van de twintigste eeuw volgens de Edmund Burke Stichting: ‘Milton Friedman, Capitalism and Freedom (1962). Een verklaring waarom de vrije markt en de vrije samenleving onmiskenbaar met elkaar verbonden zijn. Nu het communisme langzaam uit het collectieve geheugen wordt weggespoeld, is het goed kennis te blijven nemen van die fundamentele waarheid.’ (http://www.burkestichting.nl/nl/studenten/boeken20steeeuw.html )
[10] Vgl. Michael Hardt en Antonio Negri in Empire (Van Gennep: Amsterdam 2002): ‘De grote industriële machten produceren niet uitsluitend goederen, maar ook subjectiviteiten. Zij produceren instrumentele subjectiviteiten binnen de biopolitieke context: behoeften, maatschappelijke relaties, lichamen en geesten, ofwel: zij produceren producenten.’ Ik volg deze auteurs in hun detectie van de symptomen, maar niet in hun even paranoïde, grootschalige als optimistisch aandoende bestrijding ervan, waartoe juist dóór de globalisering ‘de massa’ zou moeten ageren.
[11] Een kleine eeuw daarna deed in het Nederlands het substantief ‘beschaving’ zijn intrede, volgens J. Huizinga in Geschonden wereld. Een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving (Tjeenk Willink: Haarlem 1946). Hetzelfde boek dateert, zonder een verband te leggen, de aantasting van de christelijke zedenleer in precies die tijd, bijvoorbeeld door Rousseaus ‘nobele wilde’. Tevens kan gedacht worden aan de toenmalige opkomst van de middenklasse. En van het kapitalisme, dat Max Weber naar verluidt in verband heeft gebracht met het protestantisme, vooral in de calvinistische variant: men draagt persoonlijke verantwoordelijkheid, dus ook voor een marktgerichte economie.
[12] ‘Alles aanvaarden is niets meer bezitten.’ (Maurice Gilliams, Winter te Antwerpen, geciteerd uit: Vita brevis. Verzameld werk. Meulenhoff: Amsterdam 1984) Anderzijds leerde Woutertje Pieterse al: ‘Logische geleidelijkheid is geen suikerpot of jurk, waarin men ’t minste scheurtje opmerkt en betreurt.’ (Contact: Amsterdam 19954 )
[13] ‘Zodra ik mij nergens meer kwaad over maak, zal ik als een pop waar men de stok heeft uitgehaald, in elkaar zakken.’ (Gustave Flaubert, Haat is een deugd. Een keuze uit de correspondentie. Arbeiderspers: Amsterdam 19885) Vgl. J. Ritzerfeld in Grensovergang Oestiloeg (Bezige Bij: Amsterdam 1984): ‘Die tijd gebruiken om de rommel, de ballast kwijt te raken, uit te schakelen. Niet door hem af te trekken van wat ik ben, maar door hem te accentueren in wat ik ben. Te verdubbelen, en in die zin op te tellen bij wat ik ben.’
[14] Het buitenmediale. Perdu: Amsterdam 1991.
In: Parmentier xiv/3+4 (november 2005)
zondag 29 november 2009
Fietsen (2007)
‘Dat zij de aarde zullen erven’: naar een ecologica van poëzie
voor S.
In het universum van Guido Gezelle hebben wij ons nooit goed kunnen verplaatsen. Er schuilt te veel onomstotelijke waarheid in die niet zozeer lijkt gebaseerd op ervaring als wel op geur (van de Grote Koffiebrander). Iets aan het oeuvre van de priester-dichter weet ons echter steevast te bekoren: het kiest partij voor de natuur die zich geconfronteerd ziet met een al te prominent, want op vele fronten verbetering aspirerend rentmeesterschap van de mens. Diens verlangen naar comfort en positie genereert nalatigheid en misdraging.
Inzake Gezelle moeten we er bij nader toezien mee leven dat hij in zijn poëzie langs een omweg alsnog de mens centraal stelt. Het zij zo, de man bewoog zich door een paradoxale negentiende eeuw – optimistisch over de technologische mogelijkheden en panisch voor de cultureel-maatschappelijke repercussies daarvan. Met dat voorbehoud bezorgt één gedicht ons toch een fikse kater. Het staat in de bundel Rijmsnoer (1897) en gaat over een ‘schrijwiel’. Dit is een voorloper van de fiets. De aandrijving geschiedt nog niet met behulp van pedalen en een ketting, maar door zich à la Fred Flintstone met de voeten af te zetten tegen de grond. Hebben we het dan eigenlijk over een wat barokke manier van lopen of over tweebenig steppen? Niet helemaal. Zitten de wegdeksamenstelling en de hellingsrichting mee, dan kan de berijder van het schrijwiel zich zalig laten rollen. Bovendien hoeft hij, en daar kan zelfs een hypermoderne lifestylishe step niet tegenop, zijn bagage niet zelf te dragen.
Niettemin ziet de licht conservatieve Bruggeling, die toch woordentassen zal hebben moeten vervoeren, geen heil in het transportmiddel. Hij beschimpt het terwijl hij het bezingt. Zal zijn priesterrok een ritje sowieso niet hebben vergemakkelijkt, Gezelles voornaamste bezwaar getuigt van een modern te noemen luiheid: ‘en ’k moet uw lijf,/ zittende op en af uw’ zâle,/ draven doen, door mijn bedrijf’. De vereiste, hippisch gepercipieerde, bewegingen zijn hem te ‘driftig’. Hij gaat liever lopen. En als hij daar geen zin in heeft of de beraamde afstand of vracht te groot is, weet hij een door de beeldspraak al voorbereid alternatief: ‘’k hure een wagen, ’k hure een ros’. Alles beter dan dat hij ‘den asem kwijt’ zou raken.
Nu kan het dat Gezelles longinhoud minder ontzagwekkend is geweest dan die van zijn hoofd, maar juist vanwege de bedenkingen die dat laatstgenoemd lichaamsdeel heeft laten rijzen, verwondert het gedicht ons. Het schrijwiel is namelijk geruisloos, wat lastig beweerd kan worden van een eveneens door Gezelle bedicht transportmiddel: de trein. Wanneer dat ‘stoomgevaarte’ voorbijkomt ‘davert’ de aarde, stelde de poëet al in zijn debuut Dichtoefeningen (1858) vast, en moet zelfs de landman ‘met bevend herte’ de arbeid even staken. Hangend op zijn riek voelt hij van doen te hebben met niet minder dan ‘’t ijselijkst serpentenhoofd/ met een kronkelend lijf’: een uitvinding van de duivel, inclusief een vanwege de kolenuitstoot nefaste impact op het milieu. Als toegewijd katholiek ontwaarde Gezelle wel een lichtpuntje aan de stoomtrein: hij fungeerde als glasvezel avant la lettre want je raakte er snel mee in een buitengewest om ‘glorie te oogsten/ voor den Heere’. Ook een andere goede zaak, de Vlaamse taal, zag Gezelle het liefst terrein winnen ‘zoo snel als op hunne ijzeren staven,/ de stoomgevaarten henen draven’. Toch had hij in zijn afkeuren niet naar de andere kant hoeven doorslaan. Of was hij over tweewielers valselijk voorgelicht door een, van de beeldenstormers uit het Noorden, overgewaaide kindertraditional?
En Jezus zei tot zijn discipelen
Wie niet lopen kan moet tippelen
Maar Petrus die was niet bang
En sprong bij Jezus op de stang
Maar arme Petrus sprong voor niets
Want Jezus had een damesfiets
Wij achten het onwaarschijnlijk dat Gezelle zich door dit soort agitprop liet leiden. Kortom, zijn afkeer voor het schrijwiel was redelijkerwijs misplaatst.
Is immers de tot in Gezelles metaforiek doorgedrongen optie paard en wagen, als mens- en natuurvriendelijker wijze van voortbewegen werkelijk zo ideaal? Wij betwijfelen het. Ook dit transportmiddel zorgt voor geluidsoverlast, zeker indien het met ‘’s peerdenvolks ijzeren stappen’ gaat over rustiek ogende kasseien. Vraag het vandaag aan bewoners van de Brugse binnenstad die hun ramen tot in de sponningen horen trillen, als er langs hun huis toeristen per genoemd, ongetwijfeld als authentiek ervaren vervoermiddel rondgeleid worden. Daarbij wasemt een paard een dermate penetrante geur uit dat we ons niet kunnen indenken dat men gras, bloemen of desnoods de zon op de stenen of de aarde kan ruiken. Wel gissen we dat Gezelle een intuïtieve voorkeur voor het dier heeft gekoesterd, omdat het in de Apocalyps opduikt als teken van Onomkeerbaar Betere Tijden. Eveneens in de negentiende eeuw meende Hegel trouwens dat zijn idee over het einde van de geschiedenis kracht werd bijgezet toen hij vanuit zijn raam in Jena Napoleon voorbij zag hobbelen te paard.
Geenszins willen wij suggereren dat kerk en keizerrijk beter af waren geweest indien ze (de representatie van) het paard hadden ingeruild voor het schrijwiel. Even cyclisch als het geluk is immers de ellende. Hooguit lijkt ons, geheel onbevooroordeeld, dat paard en wagen de interactie met de omgeving verstoren, zij het niet in dezelfde mate als de trein. Om nog te zwijgen van de auto die bepaald niet in het Flintstonestadium is blijven steken: vier maal vier levert inmiddels een gecalculeerde uitkomst op die significant afwijkt van wat we op school hebben leren opdreunen. Maar dat was in de tijd dat we zonder kenteken eindeloos rondjes over de koer maakten in een skelter ofwel gocart, waarvan voor het raggen door bos, heide en duinpan een mastodontische variant op de markt is gekomen die quad heet en die door de Nederlandse wet als driewieler beschouwd wordt.
Wat haalt het dan van paard en wagen? De Amerikaanse filmqueeste Easy Rider (Dennis Hopper, 1969) had een antwoord: de motor. Dit ding gold als ultieme vorm van vrijheid. Men doorkruiste er zonder uitgestippelde route het land mee en wanneer men vermoeid was, maakte men een vuurtje, at en dronk wat zich zoal aandiende en legde zich op bronmossen terneder voor de nacht. Hoe ver staat dit af van de bijna uitgestorven topos van oer-Hollands vermaak, als bedicht door Renée van Riessen:
Twee op de brommer, leren jassen
tegen de wind. Eén lichaam zijn ze
dat zijn beste jaren gehad heeft.
Met mondvoorraad onder haar dijen.
Tassen vol broodjes, een thermoskan
met koffie. Twee op een deken
in de berm, zij schenkt en snijdt
de worst op het brood met voorzichtige handen.[1]
Het vervoermiddel lijkt geaccommodeerd aan zijn berijders: massief onpretentieuze lulligheid en geen eurocent te veel. Terwijl de brommer, in de twee strofen technisch parallel gesteld aan een deken, angst voor het buiten belichaamt[2] en zo vergelijkbaar wordt met de expliciet toeristische en grootschaliger caravan, breken de twee jonge coureurs in Easy Rider door provincialistische demarcatielijnen heen, gulzig de wereld tegemoet. Dat hun motorstuur hoger op het frame staat gemonteerd, met de handvatten verder uiteen dan normaal, benadrukt die uitdagende openheid[3]. Even missionair als Gezelle hang- en sluitwerk om de waarheid aangebracht had, rukken de hippies van dienst het los. Zij zwichten niet voor prescriptieve opvattingen, hebben ze niet eens nodig, één als ze zijn met ‘de natuur’. We gebruiken hier aanhalingstekens, omdat het concept vaag is: het verwijst naar zowel de onbedaarlijk leuterende menselijke inborst als naar het sprakeloos omringende groen. De paradox blijkt dan dat de motor een integrale ervaring van de omgeving belemmert. Of zouden de berijders rotsvast geloven dat ze door de wind in hun gezicht waarlijk in contact staan met wat hen omringt? Het ook door de bloemenkinderen voortgebrachte duivelskoppel lawaai & stank maakte dat al onmogelijk, niet het minst voor elke medemens die zich toevallig in hun buurt ophield.
Aardig is dat de Nederlandstalige poëzie een voorafschaduwing van de film bevat, die een alternatief vervoermiddel beproeft. In het titelgedicht van Lady Godiva op scooter uit 1960 rept Sybren Polet van ‘bloemen,/ je beweegreden/ die geen remmingen kent’. Zowel vrijheid als natuur zijn er ter meerdere eer en glorie van de mens, die ze ontbolsterd kan beleven. En de scooter naturiseert, hij heet een ‘mensvormig veulen’. Dat verwijst onder meer naar de historische Lady Godiva, echtgenote van de heer van Coventry, wiens onderdanen leden onder de belastingdruk, ondanks smeekbedes van Godiva om verlaging. Toen manlief ten slotte beloofde haar verzoek in te willigen indien zij naakt te paard door de stad zou rijden, ging de dame op deze uitdaging in. En de heer hield woord. Overigens stelde hij door een straatverbod voor de bewoners zijn echtgenote, als ware ze een cowboy op de weg naar de shoot-out voor de saloon, niet echt bloot aan verlustigende middeleeuwse blikken (alleen de legendarische Peeping Tom trok zich daar niks van aan). Tevens had amazone Godiva haar lange haar en juwelen aan.
Het paardenmotief van de vermaarde experimenteel Polet vlijt zich tegen Gezelle aan, bij wie natuur en mens eveneens moeilijk te ontwarren zijn. Schildert de negentiende-eeuwse priester-dichter bomen vaak af als mensen, van wie bijvoorbeeld ‘hoofd en armen afgesneên’ zijn, de twintigste-eeuwer Polet laat het loof van ‘de bomen – oude jezuïeten en dominees – buigende bomen’ de borsten kussen van Lady Godiva. Haar naam betekent ‘door God gegeven’ (Godgifu), een kwestie van de omstandigheden benutten door uitruil. De boomactie dunkt ons dus veeleer vrolijk dan ondeugend in denken en doen, en komt bovendien minder grimmig over dan Easy Rider. Wellicht is de scooter daar debet aan. Het ding gaat minder snel dan een motor, terwijl het wel theatraliteit bezit. In Italië gooit het hoge ogen, als hulpmiddel bij de verleiding. Een motor gromt, een scooter tuit zijn lippen. Niettemin heeft Polets slotkwatrijn bijna iets overmoedigs:
Rijd dan, rijd, rijd – immers wijs zijn
de eenvoudigen van lichaam
van wie gezongen is
dat zij de aarde zullen erven –
En inderdaad, de opzichtige omkeringen van de Bijbel blijken geen stand te hebben gehouden. Sinds de jaren zestig, waarin Polet net wat ouder was dan de babyboomers die toen en later het mediale beeld ervan hebben ingekleurd en zo de rolschaatsen van hun overmoed inruilden voor de inlineskates van het beroepsopportunisme, zijn de tijden veranderd. Eenvoudig doorrijden, zoals dichterlijk werd aanbevolen, blijkt de kortste route naar een blinde muur[4]. De ongekende mogelijkheden staan inmiddels onder het gesternte van de god Pragma. Wat valt er nog te doen? In zijn memoires maakte de auteur zelf de balans op: ‘Nu nomadisch leven voor de westerse mens niet meer mogelijk is, rest ons alleen nog nomadisch denken en schrijven, een dynamiek die voor het scheppen bepalender is dan de “maakbaarheid”, waarop vooral door links‘ socialistische en marxistische schrijvers – en in mindere mate ook door mij – de nadruk werd gelegd.’[5]
En zo moet ook de scooter het veld ruimen. Een leuk detail bij Polet is dat hij het ding zelf heeft afgeschreven. Op zijn website staan foto’s uit de jonge jaren waarin hij een scooter bestuurt, zijn vrouw achterop, maar volgens zijn memoires maakte hij later tochten door het onbekende per mobilhome. Die mag een variant heten op de caravan, die zoals gezegd te verbinden valt met de brommer. De benaming ‘mobilhome’ onthult echter dat het ding huis en vervoermiddel ineen is, probleemloos te parkeren in een woestenij waar de caravaneigenaar vergeefs zal zoeken naar het stopcontact. Maar toch, ook bij deze uitvinding wielt de mens nog immer uit voor zijn uitlaat (een woord dat niet voor niets net afwijkt van ‘aflaat’ en als synoniem ‘knalpijp’ heeft), onecologisch tot en met. Hoe mentaal verantwoord ook, de mobilhome gebruikt evengoed fossiele brandstof, is lawaaiig en stinkt.
Moeten we alsnog verhippiseren en het schrijwiel nemen? Of zijn paard en wagen de meest acceptabele panacee tegen al ons ongemak? Voor vrachttransport is de auto, met allerlei varianten, vermoedelijk vele malen efficiënter want tijdbesparender (over het schrijwiel past in dit verband slechts eerbiedige stilte). En als het gaat om de vervoerservaring dan leunen scooter en motor nog betrekkelijk dicht tegen het paard-en-wagengevoel aan, zonder dus de bezwaren van geur en volume weg te nemen. Is er werkelijk niets wat ons in vervoering voorbij de laatste dingen brengt? Stomtoevallig weten wij misschien een alternatief. Het is een nakomeling van het schrijwiel en het is onduidelijk of Gezelle haar ooit te zien kreeg. De gebruiksmodi zijn alvast legio: heroïsche sport om te bekijken, lichte recreatie om te doen, beperkt woonwerkverkeer om te ontzondigen en, in België, excuus om op maximaal twintig kilometer traps neer te strijken voor het zondagse Beloofde Clubpintje. Maar met name voor ervaring, noncompetitief dus, is dit medium onovertroffen. Toegegeven, luxepaardjes vervloeken het knip- en plakwerk dat in Vlaanderen voor fietspad doorgaat, want prefereren lief lopende asfaltpaden. In een vlaag van eerlijkheid weten ze echter dat aangestampte aarde even fijn is. Op welk parcours ook, de fiets laat het landschap naar eigen vermogen en wens aan zich voorbij trekken, zonder iets aan reuk of zicht in te boeten. Of zoals Gorter het uitdrukte: ‘Geuren, vocht- en kouzoete –/ voort gaan de rijende wielen/ om de trappende voeten –/ oogzwerven en zweetrillen.’ Dit staat in de Verzen van 1890, dus vóór Gezelles schrijwiel. Maar ja, Herman Gorter was een generatie jonger. En een Hollander en een sportman en een zeiler en een schaatser en een cyclist (hij was zelfs het stadium van de velocipède voorbij). Nu nog pedaleert men zichzelf desgewenst open en verdrijft eventuele sores tot een mantra[6].
Voor vrachtvervoer valt de fiets evenmin te onderschatten. Er bestaan aërodynamische karren, die men eenvoudig aan de achteras of -vork kan vastklikken. Dan kunnen er heus een paar boodschappen meer mee dan een Senseo-pad. Of, als een exclusieve Peeping Tom, een kind met zicht op der ouders achterwerken. Misschien behelst die positie niet direct het ultieme consumentengenot, maar is ze wel nuttig voor het, desnoods onbewuste, besef waar kracht, energie en kinese vandaan kunnen komen. Zoals een gedachte het product is van een door het hersenraderwerk aangedreven spier die we wil noemen – en die we kunnen trainen. ‘Wees als een onberoerde lier/ die geen stem heeft/ die alle stemmen heeft’ (Zbigniew Herbert).
[1] Geciteerd uit Guus Middag: ‘Twee op een brommer’, in: Ik maak nooit iets mee en andere avonturen, Amsterdam, 1995.
[2] Dat blijkt mede uit het taallek in het legendarische Nederlandse verkeersopschrift ‘FIETSPAD: dus niet brommen’, dat fietsen de vrijheid verleent die de brommer heeft opgegeven. Wel wordt de gevangenis als typische binnenruimte gewoonlijk ervaren als een vreemd en gevaarlijk ‘buiten’.
[3] Vgl. heden de cruiser, een fiets die met soortgelijk stuur en bredere banden bijvoorbeeld kan worden ingezet op het strand – aan de branding, waar normaliter koninklijke hoogheden te paard te spotten zijn. Als antipode kan de pocketbike gelden, waarvan het erg lage zadel de berijder, wil hij niet metamorfoseren tot amandelschaafsel, ertoe noopt zijn knieën wijd te spreiden, met het baarmoederlijke bijeffect van biddende voeten. Een van de doelstellingen van een wedstrijdclub terzake, geciteerd uit het Reglement 2007, luidt echter: ‘de jeugd in de gelegenheid stellen zich optimaal voor te bereiden op een leven vol mobiliteit’.
[4] ‘Het is een fataal misverstand om te denken dat je ofwel kosmopolitisch moet zijn en dan elke band en binding met een bepaalde streek moet verloochenen ofwel je leven lang zou vastzitten aan de streek waarin je geboren bent en geborneerd moet blijven.’ (Ton Lemaire, Met open zinnen. Natuur, landschap, aarde, Amsterdam, 2002)
[5] Polet, Een geschreven leven 2, Amsterdam, 2005.
[6] Is daar een minimale beweging per seconde voor nodig of een toename van vermoeidheid? Vgl. Fernando Pessoa: ‘Onder het wandelen heb ik volmaakte zinnen bedacht die ik me later thuis niet meer herinner. Ik weet niet of de ontzaglijke poëtische kracht van die zinnen voortkomt uit het feit dat ze hebben bestaan of dat ze nooit hebben bestaan (nooit werden geschreven).’ (geciteerd uit: Het boek der rusteloosheid door Bernardo Soares, Amsterdam, 1995)
[met Dietlinde Willockx]
In: Streven LXXIV/6 (juni 2007)
maandag 5 oktober 2009
Esthetisering (1999)
Van god los maar niet heus
‘en feeën die ons helpen te vergeten
dat ze niet bestaan’
Jan Hanlo
Oranje won van Duitsland bij de EK 88. Na de wedstrijd gezien te hebben belandde ik in een stadscentrum, waar het druk was. Er werden leuzen gescandeerd als Beckenbauer ’raus. Vrolijkheid raakte in een kolk van knipogende woede, rond fonteinen ook. Een ‘spontaan volksfeest’ liep uit op een tribunaal. Er kwam televisie bij.
Het waren vooral jongeren die met gezochte uitzinnigheid reageerden op de winst van het Nederlands elftal. Ze refereerden aan de Tweede Wereldoorlog die ze, evenals hun ouders vermoedelijk, niet hadden meegemaakt – zich lavend aan de overlevering, een met plaatjes verlucht verhaal. Nu ontvouwde zich een gedenkwaardige nacht. Zíj schreven geschiedenis, rechtstreeks!
Er is een overeenkomst tussen het beleven van een oorlog en het refereren eraan: men strijdt tegen een vastgestelde vijand, waarbij men deel uitmaakt van een gemeenschap. Dit gemeenschapsidee is denkbeeldig. In het ene, reële geval is het ieder voor zich, in het andere is de vijand geen vijand meer. Toch wil men zich aan het gemeenschapsidee kluisteren.
Het handhaven van een illusie tegen beter weten in is een concept, waarbij ik gelijkenis zie met opvattingen die Frans Kellendonk over literatuur ontwikkelde. In zijn weergaloze essays bepleitte hij kunst die nadrukkelijk onecht is, in een van de werkelijkheid afgeschermde sfeer. Dan ontstaat het effect van ironie ofwel oprecht veinzen, Kellendonks naar eigen zeggen ontgoochelde vorm van geloven. Hij wilde overtuigd zijn van iets waarvan hij niet overtuigd was. De avond in 1988 bood een extreem staaltje oprecht veinzen. Daags erna werd Duitsland weer Nederlands beste handelspartner.
Oek de Jong heeft aan Kellendonks opvattingen enige historische achtergrond verleend. Kellendonk groeide op in de jaren vijftig, een wereld met vooroorlogse zekerheden. Het geloof dicteerde normen en waarden, en een klassieke opvoeding bracht verbondenheid met culturele tradities. Schematisch bezien werden mensen tezamen gehouden en liet de maatschappij weinig later haar mombakkes van overzichtelijkheid vallen.[1] Religies kampten met secularisering, het onderwijs werd gedemocratiseerd en, meen ik, babyboomers begonnen hun gestage mars naar de top (alwaar aangekomen de hakken in het zand werden gezet: Clinton en Blair schraagden hun interventie te Kosovo met deugden die ze vroeger van smalende hoofdletters hadden voorzien). Eeuwenoude hiërarchische verhoudingen kregen een tik die ze schijnbaar niet te boven zouden komen. Gemeenschapszin was op alle fronten ondermijnd. Kellendonk, voor wie geloof en twijfel complementair waren, besefte dat, bestempelde zich als postchristen. Hij had het katholicisme verlaten en stelde er met zijn oprecht veinzen metafysisch denken zonder metafysica tegenover.
De artistieke biotoop van Kellendonks concept situeert De Jong ook. Hij memoreerde Wallace Stevens’ adagium ‘the final belief is to believe in a fiction, which you know to be a fiction, there being nothing else. The exquisite truth is to know that it is a fiction and that you believe in it willingly.’ Ik zie naast de frappante parallel ook verschil met oprecht veinzen. Stevens hangt volgaarne aan verdichting. Is dat geloof voor hem afdoende of desnoods absoluut, Kellendonk zag er de voorlopigheid van in. Volgens hem moest ironie zichzelf elk ogenblik kunnen corrigeren. Kellendonk ademde graag wat hij noemde de lucht van het voorbehoud.
Het verschil kan verband houden met de omstandigheden waaraan de opinies ontsproten. Stevens heeft zijn adagium waarschijnlijk in Tweede Wereldoorlog geformuleerd. De wens leek de vader van de gedachte. Ik betwijfel of ik het adagium uiteindelijk serieus mag nemen, ook de schoonste fantasie weerstaat honger en pijn niet. Kellendonks opinie zie ik als aanlenging van dit werkelijkheidsvermijdend denken. Volgens de Schrift is het aardse bestaan ijdel. Het eeuwige, boventijdelijke leven moest je ware zijn. Maar dat geluk was niet kenbaar, berustte louter op een algemene voorstelling. Kellendonk ruilde algemeen in tegen persoonlijk, dogma tegen verbeelding. Het katholicisme kwalificerend als ‘heilzame fictie’ heeft hij de kenbaarheid van het eeuwige geluk geseculariseerd.
Wellicht voltooide Kellendonk, die literatuur definieerde als een debat tussen het ik en het zelf, een proces dat met de Romantiek was ingezet. Men keerde zich van de maatschappij af ten gunste van eigen emoties. Voorheen kende kunst publiek nut en gaf een richtsnoer. Nu werd verbeelding het toverwoord. Dat is het gebleven, ook in een ontkerkelijkte samenleving. Nog luidt de dominante – metafysisch geënte – opvatting dat kunst troost biedt.
Bij Kellendonks opinies over kunst en religie betrok De Jong tot slot de schrijfdaad. Volgens hem moet de auteur geloven in wat hij schept. Maar dat gaat ook op voor de lezer die de schepping onder ogen krijgt. Kan niet is geen reden. Batavus Droogstoppel die – waar hij bij economisch verkeer de identieke papierwaarde van een geeltje en een snip weg zou wuiven – de geschreven regel ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur’ alleen aanneemt als het vier uur en guur is, betoont een geringe ontvankelijkheid voor literatuur. De lezer moet het narratief contract uitdienen. Met het opslaan van een boek en het consumeren van het eerste woord, respecteert hij de vorm waarin de gebeurtenissen zijn gegoten en begint te doen alsof ze bestaan. Dat is Stevens én dat is oprecht veinzen.
Lezers verwachten door het narratief contract geen link met één bepaalde of bekende situatie. Terwijl een krantenbericht kan uitnodigen tot een ingezonden brief of het formeren van een actiegroep, zet literatuur niet gauw tot daden aan. Ook wanneer een feit wordt opgerakeld of zelfs, zoals in Max Havelaar, verandering in de werkelijkheid geambieerd, voelen weinig lezers zich tot handelen gemaand. Hier is ook een term voor, de esthetische conventie: de lezer is bereid aan directe verwijzingen naar een gevestigd werkelijkheidsmodel minder belang te hechten en de vraag naar de onmiddellijke praktische of morele relevantie van de tekst niet te stellen.
Ik vind deze houding willekeurig en vrijblijvend, de lezer gaat door een paradoxale catharsis. Hij leeft mee met wat hij als niet-waargebeurd ziet en weet zich na afloop – onwerkelijkheid onderdrukt nooit gevoel voor waarheid – gelouterd door wat hij onschadelijk had gemaakt.
Esthetisch lezen heeft trekken van een spel.
Volgens Huizinga’s Homo ludens uit 1938 ligt het wezen van het spel ten grondslag aan onze cultuur. Die vooroorlogse hypothese blijkt omineus. De huidige maatschappij is doordesemd van aan spel ontleende beeldspraak die het percentage werkelijkheid op een verraderlijke manier verhogen. Wetten heten ‘spelregels’; wie zich er niet aan houdt krijgt straf. Even leek er een inbreuk op dit verdrag te komen toen werd gepleit voor ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’. Hierop kwam protest, overtredingen zouden het einde doen zoekraken. Menige draconische ingreep kon vervolgens als onafwendbaar doorgevoerd worden. Bijvoorbeeld in de bijstand: het ‘vangnet’ bleek een ‘hangmat’ (in Duitsland wil de sociaal-democratische bondskanselier Schröder nu een ‘trampoline’). Eufemismen sorteren geen kinderachtige effecten.
Met esthetisering als symptoom ga ik uit de recente geschiedenis twee voorvallen releveren waar nooit iemand van zal hebben vernomen.
Aan het eind van de zomer van 1997 overleed Diana ‘Lady Di’ Spencer. Ik kan over haar niets ten goede of ten kwade beweren. Dat treft, want ik ken haar niet. Wel schijnt ze gescheiden te zijn geweest van haar man en die man is prins te Engeland. En toen ging Diana dood. Hier is zoveel over beweerd – Heijne sprak van een orgie – dat ze van de uren die in die inspanningen zijn geïnvesteerd Methusalem had kunnen overleven. Willekeur lag erbij op de loer. Bijna tegelijk stierven ook Moeder Theresa, Georg Solti en Mobutu, hetgeen publicitair verbleekte onder een ongekende slagschaduw.
Diana stierf na een auto-ongeluk, dat zou zijn veroorzaakt door opdringerige paparazzi. De beschuldigende vinger ging prompt naar hen uit, terwijl zij kunnen arbeiden omdat er naar hun foto’s vraag is. Tweeëneenhalf miljard individuen over de wereld verenigden zich even in rouw omdat ze Diana hadden vermoord. Oprecht veinzen buiten proportie (toen Nietzsche bij god de dood constateerde reageerden er minder mensen), maar troost schijnt een waardevast artikel te zijn.
In de week naar de begrafenis werd het spel met verve gespeeld. Het Engelse volk bekritiseerde zijn koningshuis, dat een formele rouwverklaring had afgelegd en weigerde van vakantie terug te komen. De roep om openlijke betrokkenheid werd zo luid dat koningin Elisabeth alsnog afreisde naar de hoofdstad om zich onder het volk te begeven. Ze sprak tegen mensen die dranghekken vasthielden met één hand en met de andere hand foto’s maakten. Er werd weer rechtstreeks geschiedenis geschreven. Ook hield de koningin een persoonlijke televisietoespraak. Van de autocue las ze een tekst met een onechtheid die Kellendonk niet had durven bedenken. Het volk was gesust.
De uitvaartdienst in Westminster Abbey lag per minuut lag vast. Een onzekere factor was Elton John, die een voor de gelegenheid aangepast lied zou vertolken. Hij had moeten beloven ‘niet te gaan huilen zoals bij Gianni Versace’ (de modeontwerper door wiens overlijden eerder dat jaar Amerika voor een week een gemeenschapsidee verwierf). Om de kans op brokken te reduceren was de pianopartij van Elton tevoren opgenomen. Hij hoefde alleen live te zingen, wat wel enige concentratie vergt met een orkestband. Elton huilde niet. De andere onzekere factor was Charles Spencer, broer van de overledene, die inderdaad een toespraak hield waarin hij onder meer netjes de vloer aanveegde met het Engelse koningshuis. Toch bleef het protocol in tact en geloofde menig toeschouwer het theater. Pas een dag later gaf een edelman Charles Spencer op zijn flikker, omdat die uit een verscheurd gezin kwam, zelf huwelijksproblemen had en in Zuid-Afrika woonde.
Er was ook een niet op cd of video verkrijgbare rouwdienst. Op het landgoed van de Spencers waar publiek noch pers werd toegelaten. Een plechtigheid in besloten kring, zoals dat gaat bij mensen.
Mijn tweede historische gebeurtenis is van dezelfde tijd, ditmaal uit eigen land. De in Amsterdam woonachtige familie Gümüs dreigde naar Turkije te worden teruggestuurd. De pater familias, met het bijna uitgestorven ambacht van kleermaker, had niet aan de spelregels voldaan. Hij was te kort legaal in Holland werkzaam. Als zodanig werd hij witte illegaal genoemd, want waar werkelijkheid dreigt is beeldspraak snel gevonden. Tegen de nakende uitzetting hadden buurtbewoners uit De Pijp een actiegroep in het leven geroepen. Er was nauwelijks aandacht voor.
Bredere belangstelling voor de zaak kwam toen een bewogen Van Thijn zijn ‘politieke lot’ aan Gümüs verbond. Van Thijn getuigde het lidmaatschap van de PvdA op te zeggen, indien de staatssecretaris (van dezelfde partij) tot uitzetting zou besluiten. Hij leek vrijblijvendheid weg te bonjouren. Wel was de willekeur aan zijn inspanning evident: er verkeren duizenden, onbekende mensen in de situatie van Gümüs. Mocht voor hem dan een uitzondering worden gemaakt? Gümüs werd speelbal van een debat. De plaatselijke intelligentsia belegde een avond in Paradiso, een CDA-fractievoorzitter zei burgerlijk ongehoorzaam dat het Amsterdamse bestuur een eventueel besluit tot remigratie niet moest uitvoeren.
Naarmate de werkelijkheid dichter bij Gümüs kwam, werd zijn zaak voor de politiek heikeler. Iemand moest ‘de kar trekken.’ De staatssecretaris verwees de zaak door naar het kabinet en het kabinet verzocht de Tweede Kamer om een beslissing. Toen geschiedde het onvermijdelijke: de meerderheid gebood uitzetting. Even onvermijdelijk was het gedrag van de hoofdrolspelers. Gümüs weigerde tijdens zijn persconferentie Nederlands te praten. En Van Thijn trok de consequenties uit zijn opvatting niet en wou zich hooguit beraden op zijn lidmaatschap van de partij. Hij bleef. De tweede besefte eerder dan de eerste dat het spel was uitgespeeld. Wel gaf Van Thijn een snok aan zijn inzichten. Hij bleef bij de partij omdat Gümüs dat had gevraagd. Ook stelde de politicus dat Gümüs ‘het gezicht had kunnen zijn van een tolerant beleid in de multiculturele samenleving’. Met de term gezicht was Gümüs weer van zijn individuele trekken ontdaan. Van Thijn had zijn private gezicht gered – door middel van een esthetische operatie.
Van de CDA-fractievoorzitter werd niets vernomen.
De twee voorvallen uit de recente geschiedenis hebben gemeen dat ze als feit onbestuurbaar schenen en zijn gaan varen onder de vlag van een narratief contract. Dispariteit bleek niet opportuun. Mensen veranderden in personages, gebeurtenissen werden gebundeld in causale verhalen. Vervolgens raakte door de esthetische conventie, lijkt de diagnose, de thuishaven van de werkelijkheid definitief onbereikbaar.
Vergeleken bij Diana zal Gümüs sneller uit het nieuws zijn. Zijn casus berustte meer expliciet op economisch belang (Rosemöller: ‘Als Gümüs een vliegtuig was, had hij in Nederland mogen blijven’). Hij kreeg nog wel een ton van de Prince de Lignac, maar dat behelsde een feitelijkheid. De kleermaker is een beperkter personage over wie de sprookjes opraken. Op een goed moment is alles rondverteld. Diana biedt daarentegen stof tot verdichting en heeft, zolang er geen te heftige beursschommelingen komen, tijd van leven. Ze opent de deur naar metamorfosen, een principe waarvan Meeuse in zijn essay Het laatste fabeldier vermakelijke voorbeelden gaf. Verhalen verlenen Diana ‘de taaiste vorm van onsterfelijkheid’. Bovendien moet bij Gümüs worden bedacht, dat als er niets meer te verzinnen valt je goed moet kunnen vergeten.
Nog in de kerstbijlage 1998 van De Groene Amsterdammer werd het leven van de princess of Wales uitgeduid aan de hand van theorieën van een Franse paleontograaf annex literatuurwetenschapper. Eerder had het blad Diana tot pornoster gepromoveerd. Wat? Had ze er een verborgen leven op nagehouden? Het bleek te gaan om het ‘beeldenspel’ dat ze had ontketend.
Terwijl dichters zich gaande de eeuw van vergelijkingen afwendden, doen wetenschappers steeds krachtiger een beroep op die kunstgreep. Men meent representaties genoemde uitingen in de werkelijkheid te kunnen lezen. Immaterialisering blijkt een gegeven. Ook de wereld schijnt thans een verhaal te zijn, vol ‘narratologische en fictionele structuren’. (Lijk ik ze zelf bij Diana en Gümüs te hebben ontwaard, het was nog erger: ik hield een ‘metaverhaal’ over die kunstgrepen. In Heijne’s woorden stelde ik de orgie ter discussie, waarmee ik bon ton ben van over-overbewustheid.) Zo deed de gereputeerde cultuurfilosoof Finkielkraut over de oorlog in voormalig Joegoslavië de uitspraak ‘Kroatië is een metafoor.’ Dat vind ik stuitend. En onfris, dat aarde verandert in kontkrummels van het schuiven op de bureaustoel.
Geestgrond is letterlijke geestgrond geworden. Niemand schrikt nog als een gebeurtenis uit de actualiteit ‘symbolisch’ blijkt of een ‘sjabloon’ laat zien. Een publiek persoon heeft een ‘voorbeeldfunctie’. Er wordt over zekere mensen gepraat als ‘iconen’ of ‘idolen’ wier reputaties ‘mythische proporties’ hebben aangenomen, enzovoort. Is de cynische geleerdheid van Baudrillard met zijn precessie van de simulacra een feit? Hij knipte het lintje door voor het tijdperk van simulatie dat, Baudrillard zegt het, liquidatie van alle referenties gelast door een kunstmatige wederopstanding in de tekensystemen, een materie rekbaarder dan betekenis. Dan is er geen imitatie meer, noch verdubbeling en zelfs geen parodie – het draait om de ‘substitutie van het reële’.
Ik begrijp wel dat je boven de krant makkelijker de ontbijtboterham binnenkrijgt door bij kennisname van pijnlijkheden iets zogenaamd achterliggends op te voeren, een grotere structuur ten behoeve van ‘verderstrekkende’ zin en betekenis. Een mechanische greep uit de vergaarbak van de cultuurgeschiedenis zal de eetlust niet doen vergaan.
Een schril voorbeeld van de cerebraal-verantwoorde hoogmoed die bij deze construeringen aan de dag wordt gelegd vind ik het televisieprogramma Het blauwe licht, waarin Anil Ramdas en Stephan Sanders met wisselende gasten aanpalende camerabeelden aan een kritische blik onderwerpen. De aandacht voor "lage kunst" lijkt bereidwillig, maar Het blauwe licht openbaart negentiende-eeuwse superioriteit. Zei Wittgenstein inzake het heuristisch proces dat je de ladder moet omvergooien na erop geklommen te zijn, Ramdas en Sanders werken precies andersom in wat ik anillise noem: motieven worden eerst gesteld en dan welsprekend ontrafeld. Er ontplooit zich hogere semiotische duiding. Ramdas en Sanders weten ‘wat er werkelijk aan de hand is’, ze begrijpen en verklaren alles. Psychologische portretten doemen alla prima, er worden culturele doopcelen gelicht, ideologieën gepoerd. Een trillend neusvleugeltje is al een geweldig betekenisvol iets, alsof Balzacs fysiologieën nooit zijn weggeweest.
Het blauwe licht wordt georganiseerd door de VPRO en De Balie, twee nationale centra van de goede smaak. Uit highbrow media zijn Ramdas en Sanders sowieso niet weg te branden. Hoe onbeschoft het ook klinkt (en tegenstrijdig in mijn betoog), ze belichamen een type interpreet bij wie iets nooit is wat het is, maar een essentie verbergt die slechts door schranderheid kan worden ontsluierd. Vermeende verhulling smeekt om onthulling, de anillise is standaard. Oorspronkelijk isoleerden kranten dergelijke columnistische acrobatiek nog door een vette, zwarte streep van de berichtgeving. We schijnen nu niet meer te onderkennen dat deze esthetiek de werkelijkheid omzeilt. Welke werkelijkheid?, zal een snugger iemand repliceren die door het modernisme is gegaan en zijn mitsen en maren kent. De werkelijkheid wordt immers gekleurd door onze waarneming, en wat we zeggen legt feilen aan de taal bloot. Volgens Kellendonks meest optimistische schatting delen we een ‘plak van de werkelijkheid, een smal reepje van een groot en pikkedonker bos, zoals dat, vol valse schaduwen en spookachtige verkleurd, oplicht in het schijnsel van een zaklantaarn’. Deze charmante vergelijking leunt op Plato, weet de snuggere iemand die ook wijs het hoofd kan schudden bij een waarheidsaanspraak.
Op de repliek van zo’n voorwaardelijk wezen kan ik niet anders dan fijntjes antwoorden: een werkelijkheid die niet in je dichtgeleerde kop zit. En doe een beroep op enige dichtregels van Stevens, wanneer hij het verlangen aanroert om in een metafoor te geloven: ‘It is to stick to the nicer knowledge of/ Belief, that what it believes in is not true.’ Misschien is de werkelijkheid die ik hovaardig bedoel niet steeds amusant. Ze zou wel eens verifieerbaar kunnen zijn, zelfs in de jeukende handen van de interpreet.
Waar werkelijkheid schijnt te moeten ontaarden in een tekst, zorgt de esthetische conventie ervoor dat een tekst niet in werkelijkheid ontaardt. Dissidenten die een boek met een bepaalde actualiteit in verband brengen, wordt een ‘mimetische lezing’ verweten door de gemiddelde literatuurkundige. Men heeft dan wel de termen referentialiteit en context gelanceerd, dat dunken me respectievelijk logeerkamer en tuinhuis van Villa Fictie. Plechtstatig uitgedrukt blijft het object buiten het linguïstische systeem irrelevant.
Hier ga ik slechts in op hoe de schrijver binnen de esthetische gedachte functioneert.
Het eerste wat je in de collegebanken leert over de schrijver is dat je hem moet vergeten. Alleen de verteller mag worden uitgevogeld. De waterscheiding kun je liëren aan de ergocentrische leer, in den beginne, vlak na de Tweede Wereldoorlog, gerechtvaardigd door Wellek & Warren in Theory of Literature en met Wimsatts en Beardsleys term intentional fallacy. Door een fictionaliteitsprincipe te postuleren zou in literatuur elk ‘ik’ altijd losstaan van een historische persoonlijkheid. Een tekst heeft geen – romantische – zelfexpressie. Behalve dat een auteursintentie onachterhaalbaar is vindt men haar, en daar verraden zich des interpreets jeukende handen, ook niet wenselijk.
Wat later begon men de verteller te verdunnen. Hij moest ressorteren onder de vertelinstantie, een begrip dat gezichtsloosheid suggereert, als een loket. Ook repte men, de Nouveau Roman indachtig, van een camera. Men wilde hooguit stemmen horen. Maar ook deze zijn van een mens (die de camera heeft gemaakt).
De onschadelijkmaking van de schrijver was in de tweede fase gekomen. In het roerige jaar 1968 verklaarde Barthes de auteur, als door de kapitalistische maatschappij geschapen bourgeois bron van betekenis, dood. Elke stem van de auteur, die Barthes honend met een hoofdletter spelde, heette te zijn vernietigd. Klinkt dit democratisch, zeker bij Barthes galmde ‘De koning is dood, leve de koning’. De weg lag open voor interpretaties die niet virtuoos genoeg konden zijn, de kroon op het behandelde werk. Maar de kroon viel op de test van de interpreet. Barthes’ mort de l’auteur was een naissance du lecteur die tekst zag als weefsel van citaten. Schrijven was, en dit woord werd razend modieus, een zaak van ‘inschrijven’. Er kon slechts menging optreden met bestaande taal. Volgens Barthes was er nooit sprake van gevoel, humeur of expressie, maar van een oneindig woordenboek. Hij bekende dat maatschappij, geschiedenis, psyche en vrijheid bij zijn concept niet meer meedoen. Hij komt uit Frankrijk, een democratie. Volosinov vermocht die luxe niet te delen, toen hij onder meer stelde dat we nooit woorden zeggen of horen, maar wat (on)waar is, (niet) goed, (on)belangrijk, (on)aangenaam, et cetera.
Ligt de principiële aanwezigheid van tenminste één stem literatuurkundigen zwaar op de maag, modernistische schrijvers wellicht ook. Ze schermden met een term als depersonalisatie en varianten daarop. Eliot heeft werk gemaakt van de these dat de dichter niet zozeer meedeelt als wel wordt meegedeeld. Hij leek de schrijver als medium (vertelinstantie!) te zien. Terecht werd tegengeworpen dat Eliot een gedicht maakte dat The waste land heette, een titel met een retorische component. Een dooddoener wellicht, maar in dit verband een nuance. Eén van Eliots voorlopers was Mallarmé, door Barthes opgevoerd bij de bewering dat het bij Mallarmé de taal was die sprak.[2] Deze kristallijnen gedachte herinnert aan Diego Maradonna die ‘de hand van God’ voelde toen hij op de WK 86 hands maakte en scoorde.
Taal is hoe dan ook door een persoon op papier gezet. Als ik mijn praktijkdefinitie Dichten is omgaan met het verlangen naar de linkerkantlijn mag opwerpen, lijkt me dat Mallarmé tenminste redenen had voor de volgorde waarin hij woorden presenteerde, een regel afbrak, wit inlaste. Vervolgens rangschikte hij zijn gedichten en zette er eventueel motto’s bij. Zonder enige intentie? Ik heb het niet eens over herschrijven.
Barthesiaanse esthetische houdingen pardonneren geen ‘ik’ meer. Men gewaagt liever van subject dat een illusie schijnt te zijn, noch authentiek noch uniek noch autonoom. We kunnen beter almachtig interpreteren en beginnen met Wittgensteins ladder weg te halen, lijkt de boodschap. Bal poneerde eens dat ‘het vertellend subject’ in het communicatieschema geplaatst moet worden aan de rechterkant, bij de ontvanger, niet links bij de zender.[3] De Ramdassen en Sandersen onder de literatuurkundigen hebben het voor het intikken. Het valt zwaar dan niet mee te schamperen met Ter Balkt:
Het ik is een ding op de weg die geen weg
meer is en ook is ieder ding nu een ander ding
Ik ben niet zo naïef te denken dat literatuur werkelijkheid afbeeldt. Wel dat een schrijver zich uitspreekt, langs een omweg van variabele afstand waarvoor Kellendonk de term ideeënmuziek reserveerde. Na publicatie van de grimmige roman Mystiek lichaam, een ‘moderne moraliteit’, heeft hij ondervonden dat hij een ik had. Een samenspel van meningen in een verhalende context uit de mond van diverse bordkartonnen personages en vertellers werd door snuggere recensenten gereduceerd tot antisemitisme.
Kellendonk reageerde gestoken en bitter, en daardoor wellicht overtrokken. Zijn al te relativerende eindconclusie: het was maar literatuur, die Plato wijselijk uit de staat had verbannen. Toch had Kellendonk in de roman standpunten gedebiteerd (ideeënmuziek stoelt, alle fragmentatie van het subject ten spijt, op een geheel), zoals hij voor verschijning van Mystiek lichaam verklaarde: ‘Wanneer ik de behoefte had om hier en daar even mijn hart te luchten, om door het verhaal heen te sloffen en af en toe wat te essayeren, dan deed ik dat (...) Echt het achterste van je tong laten zien kun je nooit, maar ik heb ’m in dit boek wel een flink eind uitgestoken’. Een grote stap voorwaarts vergeleken met het absolute voorbehoud van de modernistische Revisor-clan waaruit Kellendonk afkomstig was. Mystiek lichaam hoorde, als weinig ander boek van het tijdvak, ín de staat. Met de aanroep van Plato neutraliseerde hij zijn werk jammerlijk.
Kellendonk had het slecht getroffen met het literaire klimaat. Men moet inmiddels een slipcursus hebben gevolgd om de auteur van vlees en bloed te ontwijken. Hij of zij treedt vanzelfsprekend op voor de televisie en biedt een kijkje in ‘de mens achter de persoon’. Ook in andere media is het openhartige interview populair. Er wordt, om Kees ‘t Hart aan te halen, ‘documentatie van de werkelijkheid’ geleverd. Ten slotte heeft menig schrijver een column, waarin thema’s aan de orde komen als Het Eerste Tandje Breekt Door Bij De Kleine, Het Lekt In Mijn Broek en Wie Ik Tegenkwam Op Weg Naar Het Café. Biografische kafuitstoot lijkt een verplicht nummer. De literatuurkunde onderkent dergelijke manifestaties overigens door er een term voor te bedingen: het ‘public character’ (Booth) dat geenszins mag worden verward met schrijver noch verteller. Ik hoop dat de literatuurkunde gelijk heeft, maar ik vrees van niet altijd.
Vlees en bloed blijft hoe dan ook uit papier gespaard. Behalve in politiek correcte kringen, waar een aansprakelijkheidsverzekering tot over het graf gewenst lijkt. Rabelais is voor Gargantua en Pantagruel verketterd omdat hij onvoldoende ‘narratieve ruimte’ bood aan vrouwen. Een ander uiterste, dat ritselt van de kettingformulieren.
Vermijdend denken aan de hand van spelelementen domineert westerse samenlevingen. Gods rentmeester tegenwoordig is de voorlichter. De functie werd ingesteld om een zo voordelig mogelijk beeld te scheppen van de organisatie uit wier naam men optreedt. Dat is pas representatie.
Aankleding is belangrijker geworden dan hetgeen aangekleed wordt. In de meest letterlijke zin geldt dit voor de dracht die in een beetje baan vereist is. Men praat niet namens zichzelf maar streeft een doel na namens een hogere instantie.[4] Dan moet je ‘een goed plaatje krijgen’. Ook babyboomers die niet willen doorgaan voor aftandse hippie zijn tenminste uitgedost met een stropdas die thuis, een andere sfeer, wordt afgegord. In de publieke wereld handhaaft ritueel gedrag zich, als iets buitentijdelijks, bovenzinnelijks. Ik hanteer Platoonse termen, om residuen van hiërarchisch denken te signaleren. De aloude overzichtelijke wereld is volgens mij geenszins van het toneel verdwenen.
Spelgedrag gaat mensen beheersen vanaf dat ze zich van zichzelf bewust raken, vanaf de peutertijd dus. Dit is het merkwaardige aan kinderen, patroonheiligen van de Romantiek vanwege hun natuurlijkheid. Is er iemand uitgekookter dan het kind dat zijn doel wil bereiken? Voor een toffeetje gebruikt het middelen waar Machiavelli van had gelekkerbekt.
Een stropdas is een verstelde slab.
Het is verleidelijk – en elitair – te veronderstellen dat in snuggere kringen onecht gedrag wordt doorzien en de omslag naar de onoverzichtelijkheid van het dagelijks leven wel is gemaakt. Maar ook daar zijn conventies dermate obstinaat, dat de werkelijkheid buitengesloten kan blijven. Bijvoorbeeld door de democratisering van het onderwijs greep, ondanks haar gunstige kanten, in sneltreinvaart een verbluffende kennisvernietiging plaats. Geen hooggeleerde kon of kan daarmee instemmen. Evenmin is er één die op grond van die redelijke waarneming werk weigerde dan wel het op oude voet voortzette. Voor geboden werd geknield.
Mogelijk is het mooi om heden en verleden zelden te nemen zoals ze zijn, maar steeds aan te passen aan de eigen behoeften. Wellicht kun je dat met Meeuse een teken van vitaliteit noemen; niets blijkt onmogelijk. Meeuse, in dezelfde tijd opgegroeid als Kellendonk, beroept zich uiteindelijk ook op Stevens’ adagium. Dat mag zingeving heten. Maar ik kan dit louter mooi vinden uit artistiek oogpunt. Er blijft zoiets als de werkelijkheid, ‘dat ongrijpbare fantoom’ in termen van Meeuse. Zo tastbaar als een handvol zand. Je kunt er verhaal van maken, inderdaad, maar dan verleen je altijd een mate van verband, samenhang, logica – een tegenzet.
Ik moet nu terugkomen op columns. Ze lijken persoonlijk, bevatten menigmaal een (liefst afwijkende, maar in elk geval mooi geformuleerde) opinie. Over het alledaagse, waar anekdotes vol poehaïstische karakteriseringen tot verhaal gesmeed worden, en ook nog over Diana of Gümüs die onder geroutineerde handen in personages veranderen. Ik meen dat in deze ad hoc-esthetisering de kneep zat waarom bij de Kosovo-crisis Nederlandse schrijvers in stilte vervielen en daarna gingen bakkeleien over zich wel of niet te engageren. Bij een buitentekstuele oorlog die een genuanceerd, universeel probleem stelt, moet men de spelhouding laten varen en uit een ander vaatje tappen, dat van het werkelijke repertoire.
Reportages, heet van de naald, gaven daar een indruk van. Nadrukkelijk niet gemaakt door schrijvers.
Is het typisch Nederlands dat ze zich tot de burenruzie beperkten en het kwaad slechts in elkaars navel proefden? Dit verwijt van purisme is gebaseerd op ethiek, op grond waarvan wordt verwacht dat bij uitstek schrijvers hun stem bij grote maatschappelijke vraagstukken laten horen. In een veronderstelde esthetische expertise echter – de fraai omkranste opinie, psychologisch inlevingsvermogen. Er moet, liefst door identificatie met de goeden, van betrokkenheid kond worden gedaan. De veronderstellingen ontdekte Möring toen hij bekende dat hij vanachter de schrijftafel niets over de Kosovo-crisis te vertellen had en hem hoon ten deel viel: ‘Zeg nooit dat je geen opzienbarende mening over een onderwerp hebt, want dat is een opzienbarende mening.’ Möring ondervond dat niet elk voorval uit de actualiteit zich leent voor een professionele opinie tegen basisinkomen, fles wijn of publicitaire rugwind. Hij zat klem, wou niet gemakzuchtig verkondigen ‘verbijsterd’ en ‘machteloos’ te zijn, noch positie zoeken in het commentaarcultuurlijke spectrum van platbombarderen tot witte duiven loslaten. Dat zou tekst opleveren van, in Kellendonks terminologie, de eerste persoon meervoud.
Kennelijk verwachtte Möring van zichzelf wat bijzonders als schrijver. Kunst die, na afstand genomen te hebben in tijd en ruimte, het zogenaamde abstracte drama toegankelijk maakt in kleine, concrete verhalen. De implicatie is dat literatuur andermaal aanvullend is, met dank aan de verbeelding. Bijstellen, herroepen – alles is weer mogelijk, op papier geboren tot papier weergekeerd. Elk gevaar is bezworen, kunst en leven niet tot elkaar veroordeeld maar gesplitst. Zoals Kellendonk het in zijn essays wilde maar zichzelf in Mystiek lichaam niet helemaal kon gehoorzamen. Bij alle opzichtige kunstmatigheid steekt zijn tong soms inderdaad uit.
Uitgerekend het kunstmatige deed Plato literatuur verwerpen. Werkelijkheid, redeneerde hij, is vervangen door woorden en beelden, waarmee een wereld van schijn en bedrog het licht ziet. Wel kon de invloedrijke filosoof genade opbrengen voor de diegesis in verhalen, voor zover ze gebruik maakten van de indirecte rede en een pedagogische functie hadden. Het overige spreken is volgens Plato onethisch en onrechtmatig. Met name de mimesis in het drama: op het toneel zeggen spelers tekst die door een ander is opgetekend, ze menen dus niet wat ze zeggen, kunnen geen verantwoording voor hun teksten afleggen – laat staan dat er consequenties kunnen worden getrokken na de voorstelling.[5]
Plato ziet anders gezegd risico’s aan het narratief contract en verwerpt het bij voorbaat, onwetend dat het veiligheidsslot van de esthetische conventie pas in de Romantiek zou worden geïnstalleerd. Immanente kwaliteiten gingen als criterium dienen. Tegelijk werd de literaire canon opgeschoond door verwijdering van menig genre dat direct de wereld in wilde.
Het is het “doen alsof” dat Plato afwijst en dat Kellendonk wil omhelzen.
Ik zou ze wel in debat willen zien, hopend dat ze elkaars ongelijk bewezen. Daar heeft de literatuur wat aan en de staat ook. De huidige tijd mag worden verlost van de esthetische farce: de werkelijkheid als een boek tegemoet treden en aan een boek werkelijkheid ontzeggen. Ik kan de farce ook in EK-termen uitdrukken: werkelijkheid als vijand, snuggere iemanden als gemeenschap. Maar misschien hebben heilige verbonden het eeuwige leven.
[1] Vergelijk Droom uit 1988 van Kees Ouwens (in het bijzonder het gedicht ‘Nee, allang niet meer’) waarin de omslag wordt beschreven zonder nostalgie. Kellendonk had Ouwens’ tot dan toe verschenen boeken alle in bezit.
[2] Vaessens stelt dat het mes aan twee kanten sneed. Het gecanoniseerde modernisme (en symbolisme), dat dus geen relatie wilde zien tussen werk en maker, rechtvaardigde de naar erkenning zoekende ergocentrische praktijk. Opvattingen over het scheppen konden worden ‘bewezen’ en geprezen (zie: Thomas Vaessens, Circus Dubio & Schroom. Nijhoff, Van Ostaijen en de mentaliteit van het modernisme. Amsterdam/Antwerpen, 1998).
[3] Helaas bevestigt Vervaeck in een waardevol boek dit beeld. ‘Het gaat niet meer om vaste kernen, maar om beweeglijke snijpunten. Niet meer om subjecten die een tekst uitvinden en manipuleren, maar om beelden die elkaar voortbrengen en die zo de tekst opbouwen’ (zie: Bart Vervaeck. Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman. Brussel/ Nijmegen, 1999).
[4] Teruggekoppeld naar de ergocentrische literatuurbenadering: Schmid las een door Dostojevski nominaal ondertekende, eerder in een krant verschenen voetnoot uit Aantekeningen uit het ondergrondse als afkomstig van ‘de journalist’ Fjodor Dostojevski. Alleen zo kon de Dechiffrierungskode bewaard blijven (zie: Wolf Schmid, Der Textaufbau in den Erzählungen Dostojevskijs. München, 1973).
[5] Zie: Samuel IJsseling, Mimesis. Over schijn en zijn. Baarn, 1990.
Bibliografie
Mieke Bal: ‘Naar zijn beeld en gelijkenis, of de identiteit van en tussen instanties’, in: Forum der Letteren 1987/1, 43-49.
Roland Barthes: ‘La mort de l’auteur’, in: Oeuvres complètes. Tome II 1966–1973. Édition établie et présentée par Éric Marty. Parijs, 1994: 491-495.
Jean Baudrillard: In de schaduw van de zwijgende meerderheden. Vertaling Ruurd Bakker e.a. Amsterdam, 1986.
Wayne C. Booth: Critical Understanding. The Power and Limits of Pluralism. Chicago/London, 1979.
H.M. van den Brink: ‘God troont op de gezangen van mensen. Een gesprek met Frans Kellendonk’, in: NRC-Handelsblad, 9-5-1986.
Aart Brouwer: ‘De oermoord op prinses Diana’, in: De Groene Amsterdammer, 16-12-1998.
Douwe Fokkema & Elrud Ibsch: Literatuurwetenschap & cultuuroverdracht. Muiderberg, 1992.
Kees 't Hart: ‘Voor de afgrond’, in: De Revisor 1994/5+6, 30-35.
Bas Heijne: ‘De grote orgie. Onze cultuur is de cultuur van het commentaar’, in: NRC-Handelsblad, 24-12-1997.
J. Huizinga: Homo ludens. Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur. Groningen, 1974 (1938)
Oek de Jong: Een man die in de toekomst springt. Amsterdam, 1997.
Frans Kellendonk: De veren van de zwaan. Essays. Amsterdam, 1987.
Piet Meeuse: Doorkijkjes. Over de werkelijkheid van beelden. Amsterdam, 1995.
Marcel Möring: ‘Kosovo kan kunst worden’, in: Trouw, 1-5-1999.
Joost Niemöller: ‘Diana de pornoster’, in: De Groene Amsterdammer, 10-09-1997.
Plato: Constitutie. Politeia. Vertaald door Gerard Koolschijn. Amsterdam, 1997.
Weert Schenk: ‘Diep ontgoochelde Ed. van Thijn gaat zich als PvdA-lid storten in debat over vreemdelingenbeleid. “Gümüs wil dat ik blijf. De klap is al hard genoeg”’, in: de Volkskrant, 10-09-1997.
Graaf Spencer: ‘Woorden van rouw en bitterheid’, in: de Volkskrant, 08-09-1997.
Wallace Stevens: Opus Posthumous. Edited, with an Introduction by Samuel French Morse. New York, 1977 (1957).
V.N. Volosinov: Marxism and the philosophy of language. New York/ Londen, 1973 (1930).
René Wellek & Austin Warren: Theorie der literatuur. Vertaald door Tom Etty, T. Anbeek en J. Fontijn. Amsterdam, 1974 (1948).
W.K. Wimsatt jr.: ‘The Intentional Fallacy’, in: The verbal icon. Studies in the meaning of poetry. London, 1970: 3-18 (1946).
In: Parmentier ix/2 (najaar 1999)
Abonneren op:
Posts (Atom)