maandag 15 juni 2009

Yves Leterme (2009)


De definitieve doorbraak van de vierde macht

‘Als het onze perversie is om nooit de reële gebeurtenis te wensen maar haar spektakel, nooit de dingen maar hun teken en de geheime spot van hun teken – dan wil dit zeggen dat we er niet zo’n behoefte aan hebben dat de dingen veranderen, of het moet zijn dat de verandering ons verleidt.’
Jean Baudrillard


Hoewel ruimtelijk inzicht niet mijn sterkste punt is, weet ik vrij zeker dat iemand pas na zijn overlijden een in memoriam kan krijgen. Mocht dit inderdaad de regel zijn, dan is de spreekwoordelijke uitzondering daarop Yves Leterme. Op vrijdagmorgen 19 december 2008 had de site van De Standaard een lang biografisch artikel, waarin gedecideerd afscheid werd genomen van de premier. In die functie was de man toen echter nog volop in de weer (dat meldde ook het aanpalende bericht ‘Leterme rekt doodsstrijd’). Omdat andere Vlaamse kranten teksten publiceerden die soortgelijke vreugdevuren ontstaken, leek de wens de vader van de gedachte. Zelfs toen er ’s middags als onderdeel van de zaak, gecentreerd rond de Fortisbank, een persbericht verscheen waarin gemeld werd dat een raadsheer van het Hof van Beroep door een collega ‘fysiek, verbaal en mentaal zwaar belaagd’ was, bleef de aandacht gericht op één persoon die ‘het land in gijzeling’ hield. Men rook zijn bloed – de zondebok was op offerafstand geraakt.
Deze human interest kreeg trekken van een tendensroman. Als ik mij even beperk tot de (door Bart Brinckman verzorgde) biografie van De Standaard, dan wordt het hoofdpersonage niet steeds bij naam genoemd maar heet hij ook ‘een koppige West-Vlaming’, ‘de West-Vlaming’ die ‘het schoolvoorbeeld van een rancuneuze binnenvetter’ is, en ten slotte ‘de Ieperling’. Hier acteert een flat character, zoals ‘de neger’ die een goed ritmegevoel heeft en ‘de jood’ die geld opstrijkt uit een internationaal complot. Dat deze twee varianten in de media zelden opduiken, komt uiteraard doordat ze het discriminatieverbod overtreden. Bij Leterme blijkt dat niet van kracht. Zijn door hem overigens gretig geëxploiteerde geografische afkomst determineerde een gebrek aan geestelijke souplesse. Er werd bijvoorbeeld een parallel geschetst met oud-wielrenner Michel Pollentier die ‘ook uit de Westhoek’ komt, zodat diens onhandige dopingaffaire op Alpe d’Huez de val van de premier verhelderde.
Nu hoeft er niet gewichtig gedaan te worden over de omstandigheid dat de meeste Vlaamse kwaliteitsjournalisten wonen in de driehoek Antwerpen-Gent-Brussel. Het is eigenlijk wel grappig dat zij bij bijvoorbeeld Steve Stevaert steevast aangeven dat hij uit Limburg of Hasselt komt – in België zijn er niet alleen drie anderstalige regio’s, Vlaanderen herbergt zijn eigen buitenlanden. Toch rijst de indruk dat inzake Leterme, geen knuffelwestvlaming zoals Arno of Flip Kowlier, dit onschuldige delict scherper is. Hij wordt zogezegd genotvol gediscrimineerd. Terwijl die houding bij het Vlaams Belang, die haar toepaste op buitenlanders, leidde tot een cordon sanitaire, lijkt datzelfde verbond van fatsoenlijke smaak gesloten rond de inboorling Leterme om het delict toe te dekken met openbaarheid. Een leidmotief waarmee dit personage, en het vasthoudende deel van zijn kiezers en partijgenoten, wordt gekenschetst is dat van Calimero, het televisie-eendje dat zich tekortgedaan voelde door de boze buitenwereld. Aan die negatieve eigenschap wordt vervolgens meer of minder expliciet voedsel gegeven.
Ook daarvan biedt het stuk in De Standaard voorbeelden: ‘Feitelijk had hij gelijk. Maar zoals zo dikwijls liet Leterme zich alleen door de feiten leiden en ging hij compleet voorbij aan de context.’ Voordat ik verder citeer, zij gewezen op de frase ‘zoals zo dikwijls’ waarmee de paternaliserende verteller het stereotiep goed en slecht luister bijzet.

‘Zijn hobbelige parcours als eerste minister verstoorde de relaties met de media. Hij ergerde zich aan de berichtgeving in alle kranten. Hij stoorde zich aan de slordigheden, er was te weinig aandacht voor zijn “goede plannen” voor de mensen. Maar Leterme begreep niet dat een eerste minister met de media een chemie moet opbouwen, een chemie die vervolgens naar een soort van charisma kan worden omgezet.’

Hier is een nieuwe catechismus ontstaan. Een politicus, hoe deze conform zijn West-Vlaamse inborst ook zwoegt (tijdens de dans om de banken 16 à 17 uur per dag), moet journalistieke wetten eerbiedigen voor hij een kans van slagen krijgt.

In deze verwerkelijkte fictie doemde tijdens het regeringsdrama een antagonist op, minister van Justitie Jo Vandeurzen. Deze zou ‘ook een grijze muis’ zijn, maar durfde ‘verantwoordelijkheid’ te nemen door eigener beweging af te treden omdat ‘de schijn van betrokkenheid’ bij dubieuze zaken zijn ‘geloofwaardigheid’ had aangetast. Aldus kwam hij ‘met opgeheven hoofd uit dit onverkwikkelijke schouwspel’. Maar in zijn ontslagbrief suggereert Vandeurzen veeleer problemen bij de magistratuur en legt hij zich neer bij de beeldvorming: ‘Ik heb er ondertussen mee leren leven dat in deze tijden de perceptie belangrijker is dan de waarheid of de werkelijkheid.’ Zijn baas mist die berusting. Of zoals ‘de gerenommeerde Gentse politicoloog’ Carl Devos – ondanks universitaire decreten omtrent A-publicaties permanent op televisiescherm en opiniepagina – aan het dagblad Trouw zei: ‘Leterme komt nu niet goed weg. Het blijft een ontslag dat met veel tegenzin genomen is, geen exit met grandeur.’
Het antagonisme met Vandeurzen werd vervolgens, zoals dat in tendensromans gebeurt, als zodanig benoemd. Zo kon Leterme bij zijn door de buitenwacht gewenste ontslag een trap na krijgen. Bij niemand is dan ook het beeld van ‘de boemerang’ zo vaak opgedoken. Ontelbare keren kreeg Leterme eigen verwijten en blunders naar het hoofd geslingerd. De Brabançonne met de Marseillaise verward, getwijfeld aan het francofone intellect, de RTBF vergeleken met Radio Mille Collines, ‘800.000 kiezers’ in de kou gezet, ‘vijf minuten politieke moed’ ontbeerd voor het communautaire vraagstuk…: de triomfale onoriginaliteit van deze terechtwijzingen door iemand te pakken op zijn eigen woorden doet vermoeden dat journalisten om hun gemakzucht grinnikten. Hooguit vergde het terugkaatsen van de vermeende rancune het uiterste van hun metaforische vermogen: ‘Zijn “harde schijf” is legendarisch en wordt nooit opnieuw geformatteerd’.
Hoewel subtiliteit in de bellettrie nooit een maatstaf voor succes geweest is, frappeert de banaliteit van de uitgeserveerde details. Ik citeer weer De Standaard (uit een analyse van Wetstraatredacteur Steven Samyn): ‘Als kers op de taart werden op de slappe ministerraad slappe frieten, mayonaise en frikandellen geserveerd. Smakeloze kost voor een smakeloze regering.’ Deze onthulling kan dubbel gecodeerd zijn, omdat ook bekend werd in welk Brussels restaurant tezelfdertijd Open VLD crisisoverleg pleegde. De grote roerganger daarvan, Letermes voorganger Guy Verhofstadt, zou sowieso een andere culinaire inslag hebben. Zijn veelgeprezen kosmopolitisme van Gent tot Toscane had tevens tot gevolg dat er destijds een Italiaanse kookte in de Wetstraat. Zij maakte bij communautaire stremmingen onder Leterme zelfs even haar comeback – en meteen, luidde het breaking news, waren de onderhandelingen vlot getrokken.

Met Verhofstadt dringen zich in journalistiek opzicht De Morgen op en politiek hoofdredacteur Yves Desmet. Deze is getuige zijn opiniestukken nogal een fan, zoals heetgebakerde comments, boven welk genre ook de bron voor ‘wat er speelt onder de bevolking’, steevast constateren (inclusief de insinuatie dat Verhofstadt en hij bij dezelfde loge zitten). Desmets dunk van Leterme is minder hoog. Mij staat geen hoofdredactioneel over de regering bij waarin de premier niet van jetje kreeg. Het ontslag leek de beloning voor maandenlang beuken. Leterme leidde immers, volgens het hoofdcommentaar, de ‘slechtste naoorlogse regering’ die België gekend had, met uiteraard respect voor Vandeurzen, ‘een eervol en integer man die niet in de onwettelijkheid is gegaan, maar beter andere instructies had gegeven aan zijn procureur bij het hof van beroep’. De wanprestatie kwam volledig op conto van Leterme:

‘volks, joviaal, intelligent aan de ene kant: dodelijk kil, rancuneus en wantrouwig aan de andere kant. Naarmate die tweede persoonlijkheid het overnam van de eerste verloor hij het vertrouwen, zeker van de oppositie, dan van zijn coalitiegenoten, uiteindelijk zelfs van zijn eigen fractie. Eenzaam en verbitterd moet hij nu de kelk ledigen, en zal hij waarschijnlijk nooit nog een hoofdrol spelen in de Belgische politiek. Van 800.000 stemmen tot politieke paria in minder dan twee jaar, het moet het meest onwaarschijnlijke parcours uit de Wetstraatgeschiedenis zijn.’

Vermoedelijk nog beduusd door het welslagen, zijn de eerste drie woorden van dit portret wonderlijk positief voor Desmets doen. Diezelfde dag citeerde hij voor de opiniepagina van De Morgen uit zijn oude files om de ex-premier nog genuanceerder te typeren: ‘gedreven door het minderwaardigheidscomplex van de West-Vlaamse zoon van de schilder-behanger’. Wel had Desmet toen al een tweede einde onderkend: ‘Het systeem van ons-kent-ons, het systeem van informele netwerken die zich weinig gelegen laten aan formele rechtsregels, een systeem van gearrangeer en regelen tussen politieke broodheren en politieke aanhorigen in overheidsdienst.’ Hiermee warmde hij een cliché op over België, over de regering-Verhofstadt volgens Letermes verkiezingscampagne (het Sabenadossier), en over het fenomeen politiek in brede zin. Het was ironisch dat in De Standaard Marc Reynebeau het bijbehorende klassieke parcours van dienstbaarheid aan een partij, om vanuit een gestage opbouw van een netwerk tot de top door te stoten, juist passé achtte. Leterme belichaamde een nieuw type, in de jaren negentig opgestane politicus die uiting gaf aan de doorgedreven personalisering.
Dit verklaart adequater de hebbelijkheid van media de erin optredende mensen onophoudelijk aan een dieptepsychologisch doorzicht te onderwerpen. Ideologisch gezien valt er schijnbaar minder te beleven. Elke aanleiding vergt een op maat gesneden gedachtegoed, zodat christendemocratie, socialisme en liberalisme louter in hun immer kneedbare neovormen te begrijpen zijn. De sterrencultuur noopt dan ook tot geheugenverlies, al was het omdat anders de veelgepleegde kwalificatie ‘nooit gezien’ ofwel ‘du jamais vu’ doel mist. Aldus kan steile opgang, zoals dit voorbeeld getuige ook Desmets voorspelling wil, bij tegenslag leiden tot opbranden.
Het gekke is dat die tegenslag niet alleen door macro-economische rampspoed, onwillige collega’s en weifelend optreden op Letermes weg is gekomen, maar dat die door media over hem is afgeroepen. En dat gebeurde dus niet zachtzinnig. Mij schiet maar één referentiepunt te binnen: de manier waarop Geert Wilders de vele dingen benoemt die hem niet zinnen, louter met grimmige superlatieven. Helaas misbruiken bladen de ratio van ‘het debat’ voor medewerkers die door jaar na jaar verplicht columns te vullen niet meer beseffen dat ze over mensen van vlees en bloed schrijven ten overstaan van een publiek, maar het zou me niet verbazen wanneer de marathonreeks commentaren van Desmet op Leterme, culminerend in het spugen op een lijk, juridisch kan worden beschouwd als aanzetten tot haat.
Ik noem dat gek, want de nood aan kritische journalistiek lijkt hoog. Dat Leterme echter ten prooi viel aan centrifugale krachten die destructie beoogden is des te pijnlijker, omdat steeds benadrukt werd dat het land in een diepe crisis verkeert. Die reflex van schandaliseren, het zich verkneukelen over een dreigende mislukking, vertonen ook Lijst Dedecker en Vlaams Belang. Gerolf Annemans gaf zelf toe: ‘Voor mij is het vooral een gelukkige dag omdat eens te meer bewezen is dat dit land niet langer werkt.’ De rest van zijn commentaar loog er evenmin om: ‘Om dit land te kunnen leiden, heb je echt een rat nodig. Iemand die kan marchanderen en zichzelf steeds opnieuw verkopen. Yves Leterme was een verdienstelijke Vlaamse minister-president: koppig, noest, West-Vlaams. Maar als federaal premier was hij echt een maatje te klein. Daarvoor heb je iemand zonder geweten nodig, maar blijkbaar heeft hij dat nooit geleerd van zijn voorganger Guy Verhofstadt.’

Leterme werd gelyncht omdat hij de scheiding der machten niet gerespecteerd zou hebben: een beroepsgeheim van een rechter heette geschonden. Maar dat is geredeneerd vanuit de Verlichtingsdrieslag uitvoerend, wetgevend en rechterlijk, terwijl de representerende macht erbij gekomen is. Bij het regeringssneven werd dat manifest. NRC Handelsblad berichtte: ‘De Vlaamse omroep zond live uit vanuit de Kamer. Een verslaggeefster vroeg Kamerleden om reacties op het rapport, terwijl ze het nog zaten te lezen. Hoofdredacteur Peter Vandermeersch van De Standaard leverde in de uitzending commentaar op nieuws uit het crisisberaad van ministers, dat “goed ingevoerde bronnen” hem per sms stuurden.’
Dat de genoemde krant het nieuws over een neochristendemocraat dirigeerde is tekenend. Als voormalige spreekbuis van de CVP ging De Standaard na de verzuiling een eigen koers varen – zoals in de postideologie De Morgen van een socialistische krant veranderde in een fotoblad met middle class bijschriften. Maar doordat dit, Reynebeaus karakteristiek van de nieuwe politicus indachtig, gebeurde in de context van gepersonaliseerd nieuws op basis van lezersverwachting, heeft de bashing van Leterme een pervers trekje: de man is eerst grootgemaakt en vervolgens gekleineerd. Ook bij de vierde macht regeert het neoliberalisme. Niet voor niets viel uitgerekend in De Standaard te vernemen dat de Krant van West-Vlaanderen ‘voor Leterme een geprefereerd communicatiekanaal’ is: de verzuiling duurt onder alternatieve etiketten voort.
In mijn ogen kleurt het motief van de 800.000 stemmen daarmee pimpelpaars. Politiek en media (uitgezonderd uiteraard Desmet) werkten voor de gelegenheid van de verkiezingen samen, met de kiezer annex lezer als klant. Misschien stemde het nooit geziene resultaat jaloers, er viel in elk geval geen munt uit te slaan, omdat slechts Leterme er beter van leek te worden. Over het electoraat heen prefereerden zowel media als politiek toen de tegenkanting. Als de man zich zo sterk voelde dat hij hun catechismus durfde te overtreden, zocht hij het voortaan zelf maar uit. Desnoods mocht hij hun belangen dienen door de Calimero te spelen met die provinciale verongelijktheid over hem aangedaan onrecht. Een journalist die zich achteraf schijnbaar bewust werd van de dwaasheid van deze status quo, verdedigde zich met de observatie dat de premier vóór de Fortisaffaire al op slechte voet stond met de pers.
Maar het is waar, alle specialisten gaven blijk van kennis van zaken over Letermes nooit geziene spartelingen. Zodra een overleg langer dan een uur duurde, signaleerden zij het risico van een ‘bunkersyndroom’, volgens welke men bij ontstentenis van contact met de corrigerende buitenwereld, de media dus, de realiteitszin verliest. Dit gevaar groeide slechts omdat de wegkapitein van de ploeg uit West-Vlaanderen kwam, zodat hij als een ware Flandrien ‘koppig zijn ondergang tegemoet koerste’. En zo geschiedde. Hij werd opgevolgd door Herman Van Rompuy, die van Carl Devos zelf de zegen kreeg: ‘een absolute topper’. Diens duiding van de rodelantaarndrager, over wie overigens consensus heerste hij na parlementair onderzoek van blaam gezuiverd zou worden, kon in één zin: ‘Leterme heeft misschien vrienden in de Dorpsstraat, in de Wetstraat zijn ze zeldzaam’.
Ook klopt het dat – over scheiding van machten gesproken – de meest geheime verklaringen en documenten meteen op het internet stonden. Vandeurzens ontslag schijnt zelfs in een sms van De Standaard gemeld te zijn voor alle regeringsleden op de hoogte waren en terwijl kabinetsmedewerkers met Wetstraat-journalisten belden om mee te delen dat er nog geen beslissing was genomen, meldde De Standaard Online dat de regering was gevallen. Lang is het bon ton geweest ‘de media’ de schuld te geven van publiek gemaakte ellende, waarop de verontwaardigde reactie kwam dat slechts de brenger van het nieuws op zijn falie krijgt. Dat was in de tijd dat er volgens het cliché geen maat stond op politiek gekonkel waarover zelden uit de school werd geklapt. Omdat men gegijzeld was (stockholmsyndroom)? Eén van de vier machten achtte die tijd voorbij en schreef een roman onder de titel Huilen met de wolven.

Streven LXXVI/2 (febr 2009)

vrijdag 29 mei 2009

Zoem! Evoluties (2009)


ISBN 978 90 284 2304 6, 64 blz.
Grafische vormgeving Joost van de Woestijne




– Menigten drommen pakken samen.
Een schervenglinstering belet elk zaaien van
de dubio dignitatis, iets wat je echter al wist.
Dan maar in conclaaf met de libido die niet
onzijdig worden wil. Je slaat op haar met een
plastic zak, waarin je voor de gelegenheid je
hoofd verborgen hebt. Daarna bestel je koel
en loslippig een Grande Sugar Free Alpacino
Vanilla Skim Latte. De strijders beleggen weer
een vergadering. Hopelijk zijn er broodjes bij,
per halfuur verzorgd opgetast door de bonden.
Jean heeft een lange snor, zijn schoonmoeder
is homo. Het is de vraag wat je in hen voor een
maat ziet. Daartoe maak je de passeerbeweging
met bal. Er is een ongenoemd blijvende iemand
die nu eenmaal zijn dagelijkse Porsche moet.
Gun dat, gun dat, goal. Niet elke eend is een
citroen. Laat dat nu, wolkenkind, en ga eindelijk
verticaal klasseren. Zaad is gewoon dik bloed
zonder factoren, weet je nog. Voor het kielgat.
Je opent een tube componentenlijm bij het
reglement van internen, terwijl je glas knaagt –

‘Wat ging er door u heen?’ wordt gevraagd over hartverscheurende momenten. De nieuwsgierigheid geldt de reikwijdte van een ervaring of het mechaniek van een inzicht. In Zoem! Evoluties heeft Marc Kregting getracht zulke soms tegenstrijdige omstandigheden op te roepen en er taal voor te vinden. Vanaf 1996 – zijn poëziedebuut was amper twee jaar oud – begon hij daartoe gedichten te maken die tussen gedachtestreepjes staan. Alles kon er verblijven wat fatsoen en orde uitbannen. Het ritme van de poëzie stelde zich ondertussen teweer tegen de publieke opinie (‘men’) die onbruikbare geschiedenis en fundamenteel afwijkend denken platwalst. Zo verwekte Kregting in Zoem! een gestage en ongecensureerde ontwikkeling van werkelijkheden. De tijd die hij nodig had om zijn veelomvattende project te voltooien, liet de teksten rijpen tot poëzie met een zo grote intensiteit en humor dat haar effect bevrijdend is.


‘Zin om woorddronken te worden? Je te bezatten aan betekenissen die over elkaar heen buitelen, met elkaar een dansje te doen? Te zien hoe de grenzen van de bevattelijkheid worden getart? Schaf je dan op een zomerse middag Zoem! van Marc Kregting aan, een bundel die je na lezen moeilijk van je af kunt slaan.’ (Paul Demets, De Morgen)
‘Je moet er wat moeite voor doen, maar dan verleidt ook deze tiende bundel met onnavolgbare humor en buitengewone taal’ (Yra van Dijk, NRC Handelsblad)

‘Geen andere bundel is een zo hecht georganiseerde uitbraakpoging uit de geëgaliseerde taal waarin ik ben thuisgemaakt en opgesloten. Via ontnuchterende verbindingen word ik van betekenis naar betekenis naar buiten geleid. Regelmatig grijp ik mis en ik word daar niet slechter van’ (Hans Groenewegen, Awater)
‘een hoogst karakteristieke stijl die echter van een heel klein aantal lezers de kans zal krijgen zich als een bijzondere gewaarwording te laten gelden. De gedichten zijn verhalende teksten met overwegend korte regels boordevol ontwikkeling (vandaar ook de ondertitel 'Evoluties'). Ze kunnen uitstekend apart gelezen worden. Wie graag taaltochten onderneemt, zal lang van huis kunnen blijven.’ (Albert Hagenaars, Biblion)
‘Geen idee wat ik zojuist gelezen heb.’ (Laurens, Goodreads)
‘de gedichten zijn telkens nieuw wanneer ik de bundel opensla. Je kunt het proberen te begrijpen of je erbij neerleggen dat het niet draait om het begrip.’ (Laurens Ham, Awater)
‘Het kost energie om de poëzie van Marc Kregting te lezen. Als mijn aandacht even verslapt, dreigt de onverstaanbaarheid de overhand te nemen. Toch wil deze poëzie communiceren; het probleem is alleen dat zoveel verschillende stemmen om aandacht vragen (…) Hoe je Zoem! ook leest, als de weergave van een denktraject, een reflectie op de plek van de mens in de wereld, een bundel over het dierenrijk, een poëticale exercitie, een boek over het begin van het leven: geen lezing sluit de ander uit. Bijna alles is mogelijk met dit boek. Het biedt dan ook een ongekend rijke, verwarrende en complexe leeservaring’ (Laurens Ham, Poëziekrant)
Hij veroorzaakt eerder glimlachjes dan lachbuien’ (Peter van Lier, Geachte afwezigen,)
‘Het zijn vooral de opeenvolgingen die krankzinnig grillig en soms hilarisch zijn. (…) een alwetende maatschappelijke stem die geridiculiseerd wordt (…) Die vorm gaat in de loop van de bundel een beetje wringen, maar dat is vaker met Kregtings gedichten, die fris ogen als je ze oppakt maar zich moeilijk in hoeveelheden achter elkaar laten lezen (…) Het is met alle wonderlijkheden een duizelingwekkend geheel. En toch ligt er een bommeliaans gevaar op de loer in de gedichten van Kregting, vanwege de overdaad aan spitsvondige humor’ (Erik Lindner, De Groene Amsterdammer)
‘intense titelloze taalexperimenten’ (Maaike Meijer, De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs)
‘Zoals de dwaze bij zingt, lijkt Kregting zijn instinct te volgen. Geen logische wetten maar onderliggende structuren. Hij toont ons een levend organisme van humor en venijn en voedt onze hersenen daarmee.’ (Hanz Mirck, Awater)
‘Geen logische wetten zijn hier het reglement, maar onderliggende structuren. Kregting wil niet echt iets beweren, hij toont ons een levend organisme van humor en venijn en voedt onze hersenen daarmee. Ik lees veel dingen over de huidige maatschappij, zonder dat er een oordeel mee wordt uitgesproken, maar daar gaat het ook niet om. Het gedicht is autonoom, omdat het in zichzelf groeit, en tegelijk autonoom omdat het de wereld ook weerspiegelt’ (Hanz Mirck, De Contrabas)
Waarom is een tekst poëzie, ook al ziet ze er als proza uit? Omdat ze, met Kregting als het sterkste voorbeeld, een soort verdichting in letterlijke, bijna chemische zin heeft ondergaan tijdens het schrijfproces’ (Wam de Moor, Streven)
‘Ondanks de strijd tegen de dwang om te categoriseren, de officiële vormen van kennis en het vergoddelijkte consensusdenken, lijkt Kregting in zekere zin ook zelf te mikken op een overkoepelende term, hoe ambivalent die ook mag zijn. Aan de hand van een uitgesponnen metaforisch spel waarin de elementen elkaar besmetten, wekt Kregting een soort “alles” tot leven, een onreine en heterogene eenheid. Zo ontmoet de vloeistof in de bundel op een gegeven moment de aarde, zodat de twee samenkomen in een troebele en stroperige modder. Tegelijk tast Kregting hier ook zijn eigen beeldentaal aan; ook water is maar een gemankeerd beeld voor wat onvast is.’ (Koen Sels, De Leeswolf)

‘De tiende bundel van Marc Kregting, die naast zijn poëzie ook het pamflet “Wij zijn niet van Jeremia” (een aanklacht tegen de huidige uitgeefcultuur) schreef. Zijn poëzie is eerder ironisch van toon, en steekt bijvoorbeeld (in het titelgedicht) de draak met kantoorcultuur. “Menigten drommen pakken samen. / Een schervenglinstering belet elk zaaien van / de dubio dignitatis, iets wat je al eerder wist”.’ (Trouw)
‘Je buitelt door de referenties en de steeds een andere kant op schietende zinnen heen; de talloze mogelijke betekenissen flitsen voorbij en zijn nauwelijks bij te houden. Maar ook valt dan op hoe de bundel geraffineerd gebruik maakt van motieven en frasen, die steeds worden gespiegeld door parallelle frasen of die worden hernomen in een andere context. (…) Met zulke technieken van gelaagde verwijzing laat Kregting steeds de betekenissen van woorden en frasen zelf razendsnel evolueren. Grote verschillen, zoals tussen dood en leven, kunnen dan op oneindige snelheid overbrugd worden.’ (Samuel Vriezen, Awater)


Gebloemleesd:
- ‘Je bent geroepen uit de toppen van’ en ‘Het genot van modder en eenmaal kauwen’ in: Maaike Meijer, De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2011. Arbeiderspers: Amsterdam/Antwerpen, 2011
- ‘Je bent geroepen uit de toppen van’ in: Ilja Leonard Pfeijffer, De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten. Prometheus: Amsterdam 2016

Vertaald:
- 'Above these mountains of salt, loss sets in’, Poetry International Web, 2010 (vert. Astrid Alben).
- 'Bzzzz! What was that? It could be’, Poetry International Web, 2010 (vert. Astrid Alben).
- ‘So elendig wie du bist, die Zügel’, ‘So alleinig du gehst, denn deine Anzahl darf’, ‘So schnell gewöhnt man sich an Mißgeschick’, Dichter bij het Beeld / Dichter am Bild. De Nederlandse/Duitse volksuitgave. Stichting Uitgeefcompagnie Achterland, 2013 (vert. Sytze Rinsema, Monica en Arie Grevers)



donderdag 21 mei 2009

Waarom (2003)


In een opkomende helderheid

Life’s nonsense pierces us with strange relation
(Wallace Stevens)



God, ik zou wel willen. Feit is echter dat ik om precies te zijn nihil komma nul van de wereld begrijp, dat relaties binnen de species mens voor mij gewikkeld zijn in rokken van duisternis, en dat elke samenhang tussen de fenomenen me ontgaat. Daarom omhels ik, strikt platonisch en volmondig experimenteel, Sandra Kim: ‘J’aime j’aime la vie’. Wel wordt van mij in het dagelijks leven verwacht dat ik handel door zonder verpinken taal uit te stoten in ordelijke en voor alles ordentelijke meningen jegens de ander, door besluiten te nemen. Ik praktiseer die concessiepolitiek waarschijnlijk naar beste vermogen, maar de netto opbrengst blijkt gering. Het is allemaal ik en ik en ik, en altijd moet door voor A te kiezen B als oneigenlijk worden uitgebannen. Zo’n beroepspraktijk lijkt mij niet zozeer communicatief als wel reductionistisch en doelmatig, met een betekenisdictum dat onafwendbare lekken bewust dicht, verhult. Heet die milieubelasting soms fatsoen? Werd het in de negentiende eeuw uitgevonden en wanneer en waar kan ik mij daar nog op afrekenen? En indien een samenhangsuggestie al verhoogd rendement brengen zou, is haar drijfveer niet onverschilligheid? Mogelijk trek ik een scherm op tegen de wereld om oordelen uit te kunnen wasemen en willekeurige besluiten door te kunnen voeren.
Schematisch berust mijn dagelijkse werkzame leven op het afwezig maken van dingen en mensen. Het afwezig spreken, wellicht. Mocht het niet zo pathetisch klinken, dan had het een totalitair drama kunnen heten, een penetreren in alles wat de ander aan deze en gene zijde van de huid met zich meedraagt. Een aantasten van autonomie. Gelukkig zou de wereld even hard of zacht doordraaien om zijn as indien ik de waffel zou houden of er domweg niet was.
Nu volgt De Onherroepelijke Wending In De Nieuwe Alinea, soepeltjes gelardeerd met De Jongste Wetenschappelijke Inzichten. Op het moment dat ik achter mijn computer ga zitten om te schrijven tracht ik het hele affiche van de realiteit te schetsen. Dat houdt onder meer in dat ik mezelf eindelijk kan dumpen en mijn karkas als het ware wordt bevleesd. Wat ik intyp is zo onbemiddeld mogelijke ervaring. Dan beleef ik een waarheidje van Foucault: ‘De taal is in stukken gehakt, in zichzelf verdeeld, en anders gemaakt; zij heeft haar oorspronkelijke helderheid verloren; de taal is een geheim dat binnenin zich, maar aan de oppervlakte, de ontcijferbare tekens draagt van wat ze zeggen wil. Ze is tegelijk verstopte openbaring, en openbaring die langzamerhand in een opkomende helderheid zichtbaar gaat worden.’ Ik vermoed dat het bij mij dan concreet tussen twee polen gaat bewegen. Die van een mateloze verliefdheid op de wereld waarbij, onverbeterlijke minnaars eigen, elk futiel symptoom (niet het allesverklarende maar het gemiste telefoontje, niet de aankomende maar de vertrekkende trein) voor heel eventuele aanhankelijkheid gewogen wordt. Kribbigheid is de pendeldiplomaat naar de andere pool, van de huiver voor de afgrond, voor de afwijzing. Alles of niets, de overmaat of het merg. Dat wat ik normaliter ten faveure van de negentiende eeuw inslik, kan aan bod komen en de lieve vrede hoeft niet bewaard te worden. Zij het dat ik nog steeds zou willen, begeleid door de muziek van Sloterdijk: ‘De geest van de utopie hoort minder toe aan het zichzelf vooruitstralende worden van het betere dan aan het altijd nog zichzelf licht gevende Nog-zijn van het begonnene. Er gloeit geen voor-schijn, maar er is na-licht.’ Ik beschouw deze toonval als een onthulling, een term die, als ik me op het glibberige pad van de etymologie mag begeven, de vertaling is van APOKALUPSIS.
Schrijven komt voor mij neer op aanwezig maken. Dat is een trage, amateuristische en illegaal aanvoelende rondgang, waaruit ik monddood tevoorschijn kom. Met het preciezer worden van het spreken, neemt het zwijgen evenredig toe. Een gepruts en gepel. Ik kap ermee op het moment dat ik me niet langer de auteur maar de lezer van de onderhavige tekst waan. Vanuit dat vermoeden is het mij een raadsel gebleven waarom er een, liefst gelijkende, foto op de achterflap van een boek moet.
Wel vraag ik me af waarom ik de moeite neem om achter een bureau te gaan zitten, bijvoorbeeld als de zon schijnt of wanneer er gegeten en gedronken kan worden en meer van die geneugten. Het ‘schrijverschap’ blijkt nog altijd sacraal in zijn hoedanigheid van sociaal alibi, om mensen niet onder ogen te hoeven komen. Ik constateer dat het zitten achter een computer ook fysiek verslavend is, en gelukkig kan ik erbij roken. De volgende vraag luidt waarom ik het tot nu toe nodig heb geacht de resultaten van die arbeid openbaar te maken. Kennelijk ben ik nog zo ijdel een stem te willen laten horen die uit vele contradictoire stemmen bestaat. Dat moet er haast op duiden dat ik met het tonen van een woelige, democratische wereld protesteer tegen wat ik een hermetische want gekortwiekte wereld noem. Zo’n project is een buitenpersoonlijke utopie. En stiekempjes ga ik er, aangenaam woordeloos geworden, als het ware alsnog op zoek naar de ander. Dan is de tekst, om Celan te citeren, ‘eenzaam en onderweg’ en staat in het teken van ‘het geheim van de ontmoeting’.

Yang xxxix/3 (nov 2003)

woensdag 13 mei 2009

School der Poëzie (1997)


Een uitspraak van iemand

‘Ich bin kaum ein unklarer Kopf zu nennen, aber auch kein klarer. Mit Nachtsicht: das Klärungsvermögen ist stark, das Verunklärende gibt aber nur im einzelnen nach.’
Robert Musil

In de tijd dat mijn debuutbundel verscheen, benaderde het literaire tijdschrift De Zingende Zaag me voor een manifest van maximaal drie pagina’s. Nu is er weer een boek en word ik door De Revisor besteld, andermaal voor drie pagina’s. Het lijkt wel of er iets in de lucht hangt of iemand.
Ik bof toch maar. En dat als dichter, panda der mensheid.
Heb ik wat te wensen eigenlijk, weet ik een koers? Dat is een vreemde vraag. Ik schrijf toch. Nee, het is volstrekt natuurlijk dat de panda zijn vilten pantoffels uittrekt om eens goed in de spiegel te kijken die gelijk een blik gunt op de overige continenten van de aarde die naar verluidt niet plat is maar ook niet helemaal rond.
Stel dat ik werkelijk een koers wist, zou ik dan verordineren dat iedereen die koers zette? Weer een vreemde vraag. Ik pleeg nog liever autoplagiaat. Jaco Pastorius was bassist. Hij ontwikkelde een eigen stijl die allerwege navolging kreeg. Jaco trof bassisten die beter Jaco speelde dan hijzelf. Ook raakte – we schrijven de jaren tachtig – het fenomeen MIDI in opkomst. Jaco kwam in een muziekzaak. Daar was een MIDI-synthesizer, met onder andere het gesampelde geluid Jaco Bass. Jaco speelde er ‘Teen town’ op, een eigen compositie. Op toetsen klonk toen zelfs Pastorius als Pastorius.
Het maken van een manifest op afroep begrijp ik niet goed. Wel vind ik het leuk dat dingen mooi worden vormgegeven.
Had de vorige keer de erfenis van de avant-garde als aanleiding, ditmaal is het Herman Gorter die een eeuw terug zijn School der poëzie uitbracht. Tegenwoordig schijnt bijna elke dag historisch te zijn. Toch is het niet uitgesloten dat er nu ook wel eens wat gebeurt.
Over Gorter hebben we op de middelbare school geleerd, dat hij bij de Tachtigers hoort en dat Verzen het hoogtepunt uit zijn werk is. We weten van de hogere school dat toen Gorter aan het clubblad De nieuwe gids wat gedichten aanbood die in het slot van Verzen zouden terechtkomen, oppertachtiger Willem Kloos tegen plaatsing was. Maar ze kwamen erin.

Dichten is een geïnspireerde bezigheid. Dat dacht ik in mijn eerste periode toen ik geen gedichten schreef, en in mijn tweede periode toen ik gedichten schreef over iemand die op mijzelf leek. Ik omringde me in de tweede periode met vulpen, papier en, i.v.m. vlekken op het manuscript, rode wijn. Ik schreef ’s nachts; de gedichten ontstonden in één vlaag. Ik was hoorbaar, liep veel door de kamer, tussen boeken. Het gangbare denken.
Inmiddels hangt boven mijn bureau een kaart van een kameel, wiens nek is bedekt met vier zoentjes. Ik de gesubsidieerde illegaal maak teksten op de computer. Mijn handschrift kan ik sinds lang niet meer lezen, daarover zou ik krasse verhalen kunnen doen. Ook ben ik geworden wat ik was, een ordinaire bierdrinker (maar nooit onder werk, dan neem ik azijn). Zelden voltooi ik iets op één dag. Vaker pruts ik aan een bijzinnetje, kraken mijn hersenen onder kruiselings over het scherm staande woorden waartussen het verband mij ontgaat. Ik doe mijn best.
Die woorden komen overal vandaan. Ik exploiteer reclame, praatprogrammaklanken en ambtenarenpatois. Tegelijk delf ik – slecht verliezer met scrabble – naar versteend Nederlands. Al die ingrediënten bestaan onafhankelijk in mijn teksten. Op de juiste wijze opgediend moeten ze samen een typische Kregting-toon voortbrengen. Geen woord is van mijzelf.
Waar begint het allemaal mee? Ik vrees dat woede mijn drijfveer is. Omtrent de wereld zie of hoor of lees ik iets, en wil protesteren. (Het ligt me niet mijn stem aan een groep te geven. De enige keer dat ik heb gedemonstreerd, duurde vijf minuten. Rondom klonken leuzen waarmee ik het hooguit half eens was.) Dus sluit ik me op, met wat steekwoorden.
Ik vrees ook dat in het uiteindelijke resultaat de wereld niet eenvoudig is terug te vinden. Ze wordt door het gedicht omringd, de woorden doen verwoede pogingen haar tegen te houden. Ik moet daar altijd wel om lachen en nogal hard ook, in het genre van geschater.
De reden van deze naar bewapening neigende weerstand is dat de woorden een alliantie aangaan. Ik kan slechts mijn gehoor daartegenover stellen, steeds hardop overlezend, intervenieer op ritme en klank. Mijn debuutbundel was vooral jazzrock, een welige en heftige vermenging van stijlen. Bijvoorbeeld ‘Malaga Virgen’ van bassist Percy Jones (die duidelijk door Pastorius heen is gegaan). Nu ben ik ouder en bij wijze van spreken rustiger, zet meer naast elkaar zodat de resultaten ordelijker lijken.
Melodieus zal ik wel nooit worden; instrumentaal blijf ik.
Aan elke tekst ligt een idee ten grondslag. Betekent dit dat mijn teksten ideeën bevatten? Eerst is er een soort opvatting, dan ga ik in de slag en ten slotte raak ik mezelf kwijt. Het verschil met de overheid is dat zij zich bewust terugtrekt. Ik probeer altijd wel een persoon in te voeren, een omtrek, heldere doorschenen oppervlakte.
Ik denk soms dat dit alles ‘geven en nemen’ is. Alleen voor mij? Ik citeer Dickinson 1563:

By homely gift and hindered Words
The human heart is told
Of Nothing –
“Nothing” is the force
That renovates the World –

Zovelen hebben gelijk en ik geloof ze niet. Zelf voel ik het meest voor de gedachte dat je je ergens nooit helemaal in kunt vinden. Dat met een ander overeenstemmen letterlijk op een misverstand berust maar eigenlijk vooral verdacht is. Dat is een uitspraak van iemand geweest, ik ben vergeten wie.
Wat is eensgezindheid of, erger, gelijkgezindheid anders dan hardnekkige blindheid? Voor consensus moet je geloof ik Latijn kennen of in de politiek gaan (en parasensus is Grieks, een ander soort politiek).
Kunstenaars die in dezelfde tijd werken zijn alleen voor buitenstaanders tijdgenoten. In werkelijkheid zie je gescheiden werelden. Dat is niet meer dan een biologische wet. Motieven om je, als beginneling, bewust bij anderen onder te brengen zou ik overigens wel weten.
Wie wil inzien hoe het zit met invloed op mijn poëzie zal haar moeten consumeren. Maar dan ook integraal, dan kunnen we samen kijken. Waar ik moeite mee heb, is het toesteken van een helpende hand die hoe dan ook hiërarchie verraadt. Een enjambement wijst al richting. Is het zo’n hand als van de pierrotachtige figuur in Fellini’s 8½, die boven het hoofd van een toeschouwer zweeft en diens gedachten vertaalt?
Heel belangrijk in literatuur is beeldspraak. Beeldspraak vergt talent. Bertrand was nog geen vijfentwintig toen hij een stuk in Gaspard de la nuit zo wist op te zetten: ‘Ce n’est point avec le froc et le chapelet, c’est avec le tambour de basque et l’habit de fou que j’entreprends, moi, la vie.’ Hier lees ik een nevenschikking van maximaal aangegrepen en uitgestelde vaardigheid. Een chiasme voor de betekenissen: de froc hoort bij de habit en de chapelet hoort bij de tambour. Tegelijk tracht de froc met de harde r een pact aan te gaan met de tambour, en waagt de chapelet in de warme a en zijn ingeslikte slotmedeklinker iets met de habit. Die initiatieven worden weerspiegeld in de overkoepelende zin, waarin moi eventjes een dam opwerpt. In een notendop lees ik het hele conflict tussen je en moi.
Een beeldspraak die faalt verbrijzelt de tekst, zijn omgeving, de maker.

Zoals misschien opvalt, reageer ik niet direct op Gorter. Ik erken dat dit overzichtelijk zou zijn.
In zijn ijzig-waardige bijdrage aan het manifestennummer van De Zingende Zaag had Erik Spinoy het over esthetisering: ‘de discussie die wordt aangekondigd, wordt bij voorbaat versmacht in het keurslijf van de opzet en vervangen door de simulatie van een discussie.’
Direct reageren ik doe dus niet. Ook omdat dat jegens de betrokken auteur zou getuigen van onbesnaarde hoogmoed (een eigenschap die anders van pas komt). Men moet een minimum aan kiesheid bewaren omwille van de arme figuur die ongevraagd wordt opgebracht. Menigeen kan zijn naam om een reden uitstrooien en met wat water erbij fijn poedelen. Vaak betreft het dan individuen die zelfs volgens de laatste literatuurgeschiedenis niet steeds hebben geharmonieerd. Ik kan me voorstellen dat de arme uit zijn graf herrijst om hen door zijn monocle aan zijn ene hand te bestuderen, en er vervolgens met zijn wandelstok in de andere hand op los te toffelen: ‘en nou ophouden jullie!’ Het badzand is kolengruis. Schrijven in of tegen een traditie is oneindig ingewikkeld.
Ik herinner aan de kaartlezende automobilist die een boom groet.
Ten slotte, heeft literatuur nut? Hoewel hij evenals een politicus minstens één grote boodschap per dag produceert, kiest de schrijver door zijn werk een omweg. Het zou de lezer niet direct aansporen tot handelen. Deze beperking is reëel, mede omdat een à tempo overzichtelijk wereldbeeld nuances vaak versmaden. Toch zou je als schrijver naar meer mogen streven. Literatuur kan ten minste, refererend aan de voetballerij, ‘iets extra’s brengen’. Ze noopt tot zorgvuldigheid. Een goede schrijver is een kind dat overal bij vraagt: waarom? Literatuur die geen herkenning op de korte termijn ambieert en met een afwijkende wijze van ademhalen systematiek verstikt, ontkracht vooroordelen waarmee levende en levenloze materie blijkt te worden bejegend.
Dit nut rijmt niet met de status van literatuur die in dit land weinig meer is dan snobistisch voor een dubbeltje, zelfs in verhouding tot andere kunsten. Daarom trekt menige panda zijn vilten pantoffels uit om te schrijven voor de krant (en zo journalisten het brood uit de mond te stoten) of om met universiteitsbobo’s in jury’s en commissies te gaan zitten ter beoordeling van collegae. Kennelijk heeft literatuur, laat staan poëzie, voor de staat geen nut.
Hierdoor voel ik me helemaal gelegitimeerd autonoom te zijn. En bij dezen wil ik verbieden dat iemand ooit iets uit dit stukje overneemt. Pas op hoor, als ik grappig doe kan ik erg woedend zijn.
Er moet een autonome poëzie zijn, die over de wereld gaat.

De Revisor xxiv/5+6 (dec 1997)

dinsdag 5 mei 2009

Avant-garde? (1994)


21 + 1 manifesten


Enige dingen kennelijk zo vanzelfsprekend dat ze gezegd moeten. Alleen een proef levert bewijs: elke seconde, elke gedachte en elke letter besteed aan het wezen van literatuur is verspilling. Op deze plek enz.

Zwijgers, wil de uitdrukking, zijn 'superieur'. Indien zij een mededeling doen, is die beknopt en komt daarin het bevel nabij (Canetti). Over de psyche van degene die deze uitdrukking verzonnen heeft, wil en kun je je niet uitlaten, maar degene moet eerder een luisteraar geweest zijn dan een spreker. Misschien hebben zwijgers niets te zeggen.

Wie steevast ongevraagd zijn diepste zieleroerselen blootlegt, wordt een poseur.

Een schrijver ziet personages onder zijn handen ontstaan. Hoe ze zich gedragen, of hij het met hen eens is of niet – ze worden bloedverwant van zijn vingers. Morriën had het bij Van der Grafts gedicht 'Adam' eens over Adam van der Graft. Het weggevallen woord nagelt trefzeker vast.

Een genie zo onbegrepen dat het zich nauwelijks kan bevatten.

History is bunk, vond Henry Ford in 1919. Dat dit nog niet is vergeten, weerspreekt of ondersteunt dat zijn stelling?

(Beide afgeleid van compromissum? Compromis en compromitteren dragen verschillende gevoelsladingen.) Kunstenaars die geldelijk interessante dingen doen tegen hun artistieke zin zeggen dat ‘de schoorsteen moet roken’. Maar uit een schoorsteen die niet geregeld wordt schoongeveegd komt weldra geen rook. Dit vanwege vogelnestjes, die koolmonoxidevergiftiging kunnen veroorzaken. Wel kan er dan rook komen uit de schoorsteen van het crematorium.

Dat de simpelste oplossing vaak de beste is, speelt dilettanten in de kaart.

Zij die om de kans op een bon mot niet te verspelen de reputatie of het geluk van anderen benadelen, verdienen een onterende straf. Dat is nog nooit gezegd, maar ik durf het te zeggen. La Bruyère, Les Caractères ou les Moeurs de ce Siècle naar de uitgave van G. Servais en A. Rebellieu. (Erik Satie, Teksten. Bijeengebracht en van aantekeningen voorzien door Ornella Volta. Uit het Frans vertaald door Frieda van Tijn-Zwart)

Belangrijke beslissingen zijn achteraf weloverwogen.

Wat vind jij daar nou van, vroeg de schrijver wanhopig. Ik zeg niets, zei de vriend, want ooit schrijf je dat toch op terwijl het niemand wat aangaat. De schrijver werd hels – hoe kon zijn vriend dát nu van hem denken? Later schreef hij eens over verontwaardiging, waarbij deze zin voorkwam: Ik zeg niets, zei de vriend, want ooit schrijf je dat toch op.

Da capo. Innerlijke noodzaak van uiterlijke gevolgen. Het hebben van een naam (geen reputatie) versus het hebben van een gezicht (geen omtrek).

Boksers met een bit. Als in het nauw gedreven paarden gaan ze door de ring. Meer schijnbewegingen dan slagen. Boksen is gewelddadig aftasten. Soms ontspringt er een troebele blik, gaat een wenkbrauw open. Je begrijpt wel waarom dat bit geplaatst is. Bij opwaartse stoten zou er het nodige door de ring gaan vliegen, in een ander geval werd het veelvuldig slikken. Maar wat voor een bokser zou het zijn, die met één magische stoot de voortanden van zijn tegenstander splijt? Zeg: drie millimeter. Zonder dat er enige wil van de beweging uitgaat – zoals Anselmus aartsbisschop van Canterbury werd omdat een bisschopsstaf tegen zijn vuist werd gehouden. Slaan met zo'n precisie, dat het tandvlees te verbaasd is om te bloeden.

I don’t normally go out with ladies with voices lower than mine. (Jon Lucien)

Die achter hun naam een punt zetten.

Zou er verwant aan pleinvrees iets als toekomstvrees zijn? In Het leven van Henri Brulard kijkt Stendhal steeds vooruit naar de lezer van 1880 en blijft zo binnen de grens van zijn eeuw; hij steekt bijvoorbeeld niet door naar een lezer uit het jaar 2000 of later. De ontzagwekkend zoemende tijd na iemands dood, toch weer vrees voor een te grote ruimte?

Voor oosterse wijsheden moet je oosters kennen.

Nokxpmfrt. yrhr;okl s;hr,rrm rrm ;ovjyr brtdvjiobomh bsm fr jsmf" fr omhrvs;vsi;rrtfr gpiy. nreidy dvjs,[rmfr yss;/

Een citaat verstrekken vóór de handeling vormt het andere uiterste (niet van de straat zijn, heet dat ongeveer) en apathie jegens de eigen kunsttraditie is overbekend, maar het blijft onthutsend dat Nabokov in de door de Parijse Olympia Press verzonden drukproeven van Lolita stuitte op 'Beaudelaire'.

Wie wil overtuigen van zijn gelijk, doet dat bij voorkeur met zo min mogelijk overtuiging.

De dingen die wij half-blind, tastend, doen hebben waarschijnlijk meer met de 'wilsvrijheid' te maken dan de dingen die wij vrij en helderbewust doen. (Jan Hanlo)

Lever kritiek op een beginnende schrijver en hij zegt dat het allemaal zo bedoeld is ('juist clichés gebruiken'). Lever kritiek op een ervaren schrijver en hij zegt verbaasd te zijn dat het allemaal uit zijn tekst te halen is. Houd liever je mond.

De Zingende Zaag 24/25 (1994)

dinsdag 28 april 2009

Epifanie (1994)


Aan de plomp


Oorspronkelijk wilde ik ridder worden of tuinarchitect. Het liefst ging ik natuurlijk in de voetballerij, desnoods parttime, als de meester van de vijfde die het geschopt had tot het Nederlands elftal (tweede helft tegen Tsjechoslowakije, 1969). Mijn constitutie werkte daar niet echt aan mee, dat begreep ik wel. Ik was wat Droogstoppel noemde en Du Perron hem genoeglijk nazei ‘lui, pedant en ziekelijk’. Soms probeerde ik het heus, hield een balletje drie keer hoog, mikte op een lantaarnpaal maar bedoelde uiteraard de ernaast geparkeerde auto, wreef aarde over mijn blote knieën. Ik moest dan, klonk het onverbiddelijk, op adem komen. En besloot in het gras te gaan liggen.
Zo pienter was ik nog, dat ik me ophield buiten bereik van het ouderlijk oog. Mijn grazige weiden bevonden zich aan de overzijde van een dijk die ik onder geen beding mocht oversteken. Een lichaam vol vervaarlijke beloften (als je er te hard over denkt, lezen mensen ze van het voorhoofd) trippelde ik langs een rustoord. Het heette Aeneas. Daarachter begon een park. Je kon er in komen over een brug waarvan de okeren verf was afgebladderd. Ik bepaalde me tot het stukje niemandsland ervoor. Het aanpalende ziekenhuis maakte er geen aanspraak op. Ik vertraagde mijn pas bij het talud en perste de bal in het opgeschoten gras. Liet me iets naar beneden glijden, richting sloot. In de verte zoefde vrachtverkeer naar België. Ik streek neer.
Aangename lamlendigheid bekroop me. Deze verpozing was welverdiend. Ik opende mijn ogen en keek opwaarts. Het was alsof alles zich geleidelijk omkeerde, de lucht dichterbij kwam dan het gras – De eenzaamheid door genot: ‘Het landschap werd een bijkomstigheid van de hemel.’ Ik zweefde tussen troost en angst. Onwillekeurig begon ik te praten maar verstond me niet. Gorter heeft het op rijm gezet:

In de verte zag ik blanke wateren,
voor me was zacht klateren
van eene stem die ik wel ken,
en daaromheen was ’t al stilte en
die hoorde ik nog meer dan ’t klein gebeek
van woorden in haar zacht gespreek.
Alles was stil behalve het stemklateren,
daarachter blonken blanke wateren.
Ik hoorde kleine woorden gaan
in glazen stilte diaphaan.


Er gebeurde feitelijk niets. Toch had ik het idee dat ik iets meemaakte wat ik me tegelijk herinnerde. Te omvattend om te kunnen inschikken, laat staan verwoorden (een ontdekking die je niet herkent). De verbijzondering van het algemene dat zich temerig, misschien uit barmhartigheid, verborgen hield? Stond het voorval in verband met metaforen, beeldsnippers van een voorbije tijd die als het ware over mijn toekomst werden verstrooid? Andermaal een groot dichter aan het woord:

O vonnis over mijn bestaan
de lange jaren hier te voren,
de dagen die nog niet geboren:
u missen en u niet ontgaan.

Ik pleeg nu teksteditische ontucht. Alleen al voor deze strofe had Leopold vier opties. Vanwege het bestaan van de variant heen in plaats van hier in de tweede regel ben ik zo vrij dit citaat toch te geven, in de veronderstelling iets voor mij onzegbaars verwoord te zien.
De som van mijn aanwezigheid aan de plomp was nogal mystiek – vergis je niet, ik lag op de koude grond – maar toch niet eng. Want dat was het wonderlijke: ik wist me heftig beroerd én zo egaal als het oppervlak van het troebele water beneden aan mijn voeten. Matthijs Vermeulen schreef ooit het artikel ‘Over de grote gevoelens’, en volgens hem zijn ze inderdaad te herleiden tot een tegenstelling. Liefde en haat, attractie en repulsie, enzovoorts. De gebeurtenis, voor zover je hier van een gebeurtenis kon spreken, had me volstrekt geneutraliseerd.
Een ogenschijnlijk gering uitvloeisel, weinig meer dan de trilling van een snaar. Ik las eens dat er vier gemoedsaandoeningen zijn te onderscheiden: begeerte, vreugde, vrees en droefheid. Deze zou je kunnen rangschikken naar werkelijkheids- en waarderingswaarde:

positief negatief

reëel vreugde droefheid

irreëel begeerte vrees


Bijna alle veranderingen in het gemoed zijn intern. Ze beperken zich tot de categorie, in het schema: van links naar rechts (en andersom) of van boven naar beneden (idem). De zeldzame neutralisatie die ik beoog overtreft de categorieën. Ze dient zich zowel aan in waarderings- als in werkelijkheidswaarde. In het schema diagonaal te aanschouwen, ze zouden een mooi Andreaskruis vormen.
Emoties zijn verheven curiositeiten met een hoge graad van precisie. Tegenwoordig lijk je er alom op te stuiten. Het vaak al te weinig door enige kennis van zaken gehinderde impulsieve doen; ongeleide projectielen die in een zompig humeur opgeslorpt worden tot een verhaal. ‘En daarna gebeurde er zus en toen, tot overmaat van ramp, maakte ik mee... Dus je begrijpt hoe ik...’ Je kunt er niet meer uit brouwen dat het dapper is dat iemand zoiets komt openbaren. Zichzelf te overwinnen, hoeveel moeite dat gekost heeft.
Energie is plasmastroming.
Gewichtig lijkt het me dat ik nog jong was, toen. Geen ballast aan herinneringen te hoeven torsen. Onbevangenheid was anders hoogstwaarschijnlijk verdrongen door weemoed. Of erger: door nostalgie. Dat zou in ontaarding hebben geresulteerd – noties als vreedzame geluiden uit de verte, kindergeroep, de plof van een bal.
Hoe moet ik het voorval aan de plomp destijds hebben beoordeeld? Troost putte ik uit het vermoeden dat de onmetelijke ruimte rondom eindig leek. Ongetwijfeld gingen de gedachten naar kerk en school. Jezus, had ik vernomen, was geen kwade jongen. Banger was ik voor zijn pa, die een knappe bol mocht zijn maar het had toegestaan zijn zoon aan het kruis te nagelen (en nog wel met z’n voeten aan elkaar omdat er één spijker over was.) Tamelijk abstracte angst vertaalde zich in de haast tastbare dreiging – groene vingers – om de lucht in te vallen. Ik had daar altijd nare dromen van.
Vermoedelijk greep alles plaats in een enkel ogenblik. Het spreidde zich uit over een middag. Eer ik thuiskwam was het donker, mede omdat ik naar de bal moest vissen die op miraculeuze wijze in de sloot bleek te zijn gerold. ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Nergens.’ Ik meen dat dit antwoord zich niet in een warm onthaal mocht verheugen, maar in een familie met nog acht zusjes lijkt vergeten de beste remedie tegen de eeuwige kwaal die bezorgdheid heet.
Over de gerekte middag hoefde ik mijn vader niet aan te spreken. Als hij terugkwam van de fabriek (hij werkte tegen stukloon in de textielbranche, de gummi binnenzijde van zwemtassen) plofte hij ruggelings op de bank, verwijlde in andere sferen. Dus wendde ik me tot mijn moeder en verschoof het toneel naar de pedagogisch verantwoorde kant van de dijk. Ja maar jongen, je lag toch stevig in het gras, vertelde ze en knoopte haar lange rode haar los. Wat later brak Herman Brood door en in zijn mooiste liedje wist Pé Hawinkels voor hem ‘And I was so sure to loose my mind/ ‘Cause I’m one of a kind.’ Een zeker redeloos geluk in wanhoop, dat was het.

Midden 1988 verkeerde ik – welja, blijf de hoofdpersoon maar ik noemen – in een impasse. Ik wenste de geschiedenis aan de plomp te laten herleven. ‘Ik ga er goddomme gewoon over schrijven.’ Net als andere studenten Toegepaste Vrijetijdswetenschappen had ik voordien in het diepste geheim pogingen in die richting ondernomen, maar nu was er een onderwerp. Ik vergaarde: park, sloot, bruggetje, afgebladderde verf enzovoorts. Het liep op niets uit. Ik staarde naar een blad vol raadsels. Het leken wel bekentenissen. Daags erna kraste ik alle zogezegd verifieerbare elementen door, herschikte en voilà:

A priori

Als je buiten, in gekuild gras
bijvoorbeeld, als je buiten
in gekuild gras ligt, ruggelings
een koe aan katoenen wolken,
als je ruggelings een koe
aan katoenen wolken onttrekt.

Tocht vangen met dotten poolbont.

Je houdt het hoofd een beetje schuin.

Tegen de jaarwisseling zette ik stelpen in de plaats van vangen en zond het gedicht naar een tijdschrift. Ik hoorde er niets van.
Omstreeks mei 1989 schrapte ik de bewuste strofe met de dotten. Ik woog het gevolg. Dat handjevol sprieten waarop ik me had neergevlijd was weg. Woordvolgorde, ritme, klank hadden ze bezet. Ik stuurde de verbeterde versie van het gedicht naar hetzelfde tijdschrift. Maanden later kreeg ik een briefje dat het geplaatst zou worden.
Het had er alle schijn van dat ik ging debuteren. Verheugd belde ik een vriend. Hij was narrig, want al zo lang bezig en dit en dat en ik wel. Hij had gelijk. Je verneemt wel eens van figuren wier kap over de wieg al de schaduw van het dichterschap afwerpt. Ik heb nooit de ambitie gekend om te schrijven, ‘A priori’ is me in zeker opzicht overkomen. Tweemaal.
Wel had ik me, nog voor Brood, vol overgave gestort op het pianospel. Al gauw, omstreeks mijn achttiende, bereikte ik de top van mijn technisch kunnen. Geoefende vingers weigerden te gehoorzamen, waar een achteloos opgepakte pen nota bene volgzamer leek. Toch geloof ik niet dat de studie tevergeefs is geweest. Want wat is taal zonder muziek? (Keer deze vraag ook om.)
Het gedicht verscheen. Mijn naam was verkeerd gespeld. Ik werd gewezen op verwantschap met dichters die ik weer vergeten ben. Poëzie had ik nooit gelezen; ze boezemde me, met de nogal godsdienstige neiging woorden serieus te nemen, weinig vertrouwen in – een hipster van lichte muziek tegen een meisje van klassiek in de kantine van een conservatorium: wat jij doet op die viool haal ik al jaren uit mijn synthesizer.
Had ik met het gedicht een ervaring beschreven? Neen. Een belevenis? Al evenmin. Beide laten ze zich navertellen. Daarmee wordt de essentie van het voorval aan de plomp voorbijgestreefd. Talloze mensen zullen iets hebben ondervonden als gesuggereerd in ‘A priori’. Symptomatisch voor geen decennium, vrij toegang voor elke generatie (begrip uit de oliedomdelving). Stel je voor, al dat gras dat maar zo weinig te doen heeft gehad. Wat ermee gebeurt is vers twee. Verwonderde gespitstheid verdient de voorkeur, hetgeen nog niet impliceert dat je zogezegd de ziel van het kind als een toverhemd moet kunnen aantrekken om tot enigerlei verstaan te komen. Een gis ontzag volstaat. Is het mogelijk een autobiografie te schrijven met louter teksten van derden?
Ik ondervroeg eens een ware dichter. Gaandeweg ging ik meepraten. De regels ‘Ik huiver meer/ dan ik nog preek’, uit zijn officiële debuut, legde ik uit als schatplichtigheid aan de traditie boven de eigen stem. En de ware dichter keek me aan en zei: maar in die tijd huiverde ik toch meer dan ik preekte?
Wellicht willen gedichten die de herinnering opzoeken juist een vingerwijzing zijn voor wat komen gaat. Je kunt je er niet op prepareren. Dit behoort tot de volkswijsheden: je verheugt je ergens op, verzorgt de optimale condities en vervolgens valt het ontzettend tegen. Deze dan: je denkt in de zevende hemel te zijn en realiseert je achteraf aan acute sneeuwblindheid te hebben geleden. En tot slot: je wandelt over een straat die je honderden malen belopen hebt, het is een dag als alle andere en opeens ben je doordesemd van geluk. Waarom? Het soort poëzie dat ik hier op het oog heb, delft die momenten op. Het is in zekere zin laf, want ontleedt niet maar verleent fictieve betekenis.
Bij een computer is een Read Only Memory en een Random Access Memory te onderscheiden. ROM valt enkel te lezen. Het huist ín de computer, voorgeprogrammeerd. Altijd aanwezig, ook als het ding uit staat. Niets kan er aan gewijzigd. Je kunt er jouw data aan toevoegen door ze binnen de mogelijkheden van het programma te brengen. Pluis een reepje stof van toen uit tot het weefsel zichtbaar is. Als je daarvan iets wilt behouden, sla je dat met dank aan het RAM op. Het wordt onderdeel van je floppy. Vraag het op, breng er veranderingen in aan. Zelf is het RAM niets zonder jouw wil. De tekst ontbindt zich, weggeschreven in cirkelvormige sporen.
Allemaal hogere wiskunde, en niet eens zo prijzig meer. De vraag blijft wie de bedenker van het ROM is. Deze vooralsnog onbekende zal erom lachen, wat zuur en gedempt bijvoorbeeld, zoals in het slot van Minne’s ‘Sourdine’:

Sommigen, uitverkoren,
microcosmosjes van God,
onder een gunstige ster geboren,
verruimen het lot.

Maar de meesten blijven
binnen de grenzen van zich-zelf.
Alleen de stapels hunner boeken
stijgen tot aan het hemelgewelf.


Vermeulen had nog alle hoop: ‘Het zal niet lang meer duren of de sensaties en emoties tot welke een kunstenaar ons min of meer dwingend overhaalt, of welke hij ons onthoudt, zullen met voldoende betrouwbaarheid beoordeeld en gecatalogiseerd kunnen worden volgens een percentage van winst of verlies, van voordeel of schade, dat hoorder en toeschouwer boekt die zich aan hen overgeeft. En de kunstenaar zelf zal voor de eerste keer in de historie een criterium bezitten, dat hechter is en onontwijkbaarder dan alle aesthetische of technische bespiegelingen.’
Maak je verhaal af. Ik ben uiteraard teruggeweest naar het niemandsland, al geschiedde dat eerlijk gezegd toevallig (kraamvisite bij één van de zusjes). Het domein was betegeld en diende als parkeergelegenheid. Ook stonden er bordjes bij. Haast gerustgesteld betastte ik het verdwenen gras.

In: Bas Pauw en Rob van Rossum (red.), Een zegevierend moment. Zeventien epifanieën. Perdu, Amsterdam, 1994.

woensdag 18 maart 2009

Joost Zwagerman (2008)


De erfenis van een linkse politiek

In ‘Tegen de literaire quarantaine’, de Frans Kellendonklezing 2006, trok Joost Zwagerman van leer tegen auteurs die het ook na 9/11 stielvervuiling achtten actualiteit in hun teksten te laten sijpelen. Zelf heeft hij altijd maatschappelijke thema’s vertaald in fictie en ze rechtstreeks in non-fictie behandeld. Zo verschenen van hem in één jaar twee boeken over de Nederlandse politiek.
De schaamte voor links is een pamflet, waarin Zwagerman de ontwikkeling van het socialisme schetst vanuit de vermeende hoogtijdagen in de jaren zeventig tijdens het kabinet-Den Uyl tot en met de door de gedoogcultuur van de multiculturaliteit lamgeslagen brekebenen van nu. Vervolgens roept Zwagerman op tot een bredere kongsi van vooruitstrevendheid. Die vindt hij noodzakelijk, omdat de oude socialistische hangijzers geannexeerd zouden zijn door mensen als Fortuyn en Hirsi Ali – wier controversiële film Submission een première had in een door Zwagerman gepresenteerde aflevering van ‘Zomergasten’. Links zette hen echter weg als bedenkelijke types. Daarmee censureerde het niet alleen de broodnodige discussie, evengoed over de eigen grondslagen trouwens, het ontplooide een morele superioriteit die nergens op was gegrond.
Deze analyse is vaker gemaakt, bijvoorbeeld in Vermoord en verbannen (herziene druk 2006) door René Marres. Maar waar die, zoals zovelen, links schuimbekkend verlaat, wil Zwagerman trouw blijven. Wel reduceert hij het veelkantige socialisme in Nederland tot de PvdA. Dit vergemakkelijkt het allicht zondebokken te vinden binnen het ooit salonomstotende Nieuw Links, dat heden contraproductief zedenpreekt bij monde van partijbrontosaurussen of niet gepensioneerd te krijgen columnisten. Doordat zij zo blasé geworden zijn, mist men de aansluiting bij wat er in brede kringen leeft. Het zal daarom wezen dat Zwagerman mild is over de huidige leider Wouter Bos, een realpolitiker wiens wisselvalligheid en tegenspraken kunnen worden verklaard uit een wens tegemoet te komen aan zoveel mogelijk diverse stemmen.
In Hollands welvaren, een verzameling columns, krantenartikelen en opiniestukken over Nederland tussen 2004 en 2008, ligt de voedingsbodem van Zwagermans pamflettistische ideeën; fragmenten blijken zelfs gerecycled. Curieus is dat het hier zeer recente geschiedenis betreft die, van het ene schijnbaar onvergetelijke evenement naar het andere, soms aandoenlijk ver weg lijkt. Ze roept vooral herinneringen op als stof voor het cultuurkritische opiniewezen, waardoor ze veeleer contemporaine geschiedschrijving van de media wordt. Gelukkig gebeurde er meer. Het boek behandelt tevens enige uitingen van lagere cultuur zoals realityshows, reclame en literaire kritiek, waarmee Zwagerman traditiegetrouw blijk geeft van een brede, door uiteenlopende informatiebronnen gesteunde belangstelling. In die gretigheid om uit de eigen darmen te kruipen is hij allerminst wereldvreemd.
Een afdeling heet ‘Het wilde westen’, zoals zijn soortgelijke boek uit 2003 dat ook fragmenten uit het pamflet herbergt. Met die titel, verwijzend naar een staat van exaltatie waarin, getuige hun asocialiteit, onbeschoftheid en exhibitionisme, zijn landgenoten zich volgens hem permanent bevinden, knipoogt Zwagerman tegelijk naar Frans Kellendonks fameuze essay over literatuur en publieke opinie. Deze veel te vroeg gestorven auteur had echter een compromisloze, doorgecomponeerde stijl, terwijl Zwagerman bij zijn bewonderenswaardige empathie en nuance (ook inzake Theo van Gogh) voor alles publieksvriendelijk wil zijn. Een alinea over het voorvoegsel ‘post’ waarin wat stromingen moeten worden genoemd die niet in ieders woordenboek staan, sluit hij af met: ‘bent u daar nog?’
Zwagerman toont zich mijns inziens overmoedig in het tribuut aan Kellendonk, omdat diens titel luidde: ‘Ons wilde Westen’. De eigen positie is daar anders gezegd in de kritiek vervlochten, en precies die laatste, moeilijke stap zet Zwagerman, die veel kracht verspilt aan de weerlegging van andere opinieventers, niet altijd. Hij meent bijvoorbeeld morele superioriteit bij links te bewijzen met inconsequenties: men mocht zich bij het weigeren van militaire dienst beroepen op gewetensbezwaren, terwijl het minder wordt geaccepteerd dat sommige ambtenaren van de burgerlijke stand geen homoseksuelen wensen te trouwen. Dat is een scherpe vergelijking, die tot nadenken stemt. En dan kan men suggereren dat niet-willen-doden een wat andere grootheid is dan geen-contact-aangaan.
Voorts signaleert Zwagerman dat er zelfcensuur plaatsgrijpt in de confrontatie met de islam, uit angst voor persoonlijke represailles én uit een verlangen door niet nodeloos te kwetsen de verhoudingen betamelijk te houden. Hij vergelijkt dit met de ongegeneerde omgang met het christendom, dat maar niet vaak genoeg beledigd lijkt te kunnen worden, zonder dat er iemand naar omkijkt. Ook deze observatie snijdt hout, mede vanwege een vervolgvraag: lang hebben christelijke profanaties wél geleid tot kerkelijke vervolgingen en publieke ontstemming, dus zou de islam nu, deels verplaatst naar een westerse biotoop, een proces doormaken met dezelfde richting? En zo ja, hoe valt die tendens te ondersteunen?
Zelfcensuur, ten slotte, is ook de grootste bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting die Zwagerman te vuur en te zwaard verdedigt. Hij wekt daarbij de indruk dat het hier een autonoom fenomeen aangaat. Maar wordt Het Vrije Woord niet bij voorkeur verleend aan mensen met mainstream gedachtegoed, dat ze bovendien appetijtelijk vertolken? Ook Zwagermans eigen pamflet valt zo te bekijken. Als specimen van zelf geëntameerd debat is het momenteel een gegeerd genre: drie uitgeverijen hebben reeksen lopen met een eigen marktlogica (na twee vermeldingen in verkiezingsanalyses uit de zuidelijke pers: ‘De schaamte voor links trekt de aandacht in België’). Het zal niet anders zijn voor de wondere wereld der columnistiek. Zwagerman vindt er, als voor elk medium optredende opiniemaker die over alles een snedig oordeel kan produceren, sneller toegang toe dan pakweg een onbekende Vlaming die de algenbloei in de Zeeschelde onderzoekt. Niet dat dit heel erg is, maar op langere termijn misschien wel. Ook moesten ooit kennis en macht gespreid worden.

Streven, november 2008

vrijdag 13 maart 2009

Meloen (1994)


Vanzelfsprekend, “natuurlijk”

Ik kan niet meer dan denken doen!
Al werd mijn hoofd als een meloen –
De mensen immers zijn eenmaal
Of corporeel of cerebraal.



Meloen is zowel mannelijk als vrouwelijk en je wilt niet voortrekken. Daarom verwijs je maar met het. Het gekke is dat het vaak wordt gegeten in combinatie met. Met ham: Ardenner ham of parmaham (en citroensap en zwarte peper). Met ijs. Met drank.
Maar eigenlijk wil je het helemaal niet hebben over eten; je houdt erg van meloenen, zij het niet als gezichtspunt.
Herbie Hancocks solodebuut Takin’ off opent met ‘Watermelon man’. Hancock dacht door die compositie aan zijn jeugd, geeft er een overpeinzing over – een exclusieve categorie zelfstandige naamwoorden zou het leven dienen te worden geschonken: beginnend met hetzelfde voorzetsel als vereist. Herbie Hancock is geboren en opgegroeid in Chicago. ‘Watermelon man’ roept de beslist allesbehalve voorzichtige loftuitingen in herinnering van de watermeloenverkoper en hoe die zijn rondjes maakte door de achterafstraatjes en steegjes van Zuid-Chicago. The wheels of his wagon beat out the rhythm on the cobblestones, lichtte Hancock desgevraagd toe. Herbie Hancock is pianist, een heel goede, je zegt het maar even.
Je vader werkte tegen stukloon in de textielbranche (gummi binnenzijde van zwemtassen). Als hij thuiskwam plofte hij ruggelings op de bank en kon geen woord meer uitbrengen. Deed hij dat toch, dan had je moeder altijd een part meloen voorhanden. Je vader had een grote mond, maar gebruiken deed hij die niet echt. Dit is een ander verhaal.

Meloen, daar kun je een servetje goed bij hebben. Meloen is een democratische vrucht als je ervan eet. Iedereen krijgt een kleverige mond, beschaafde en vervelende lieden, welopgevoede en vervellende lieden en integere lieden. Iemand zei je eens dat integriteit helemaal uit de tijd is. Maar dat was boven een glas bier en die iemand likt zelfgewenst konten. Van kontlikken voor de goede zaak raak je persoonlijk weinig opgewonden. Een kont smaakt niet naar meloen maar naar gember.
Je hebt wel eens een meloen doorkliefd op jouw hoofd gezet, dat was geen doorslaand succes. Ook liet je ooit een tijgerbrood in de zon liggen, dat rook toen naar meloen. Maar minder zoet, eerder bedorven. Meloen ruikt onbedorven en zondig.
‘Watermelon man’ werd vastgelegd door Rudy van Gelder op 28 mei 1962. Het is gospelachtig van klank en opzet, zoals dat gaat met herinneringen. Je kent een bewerking van Quincy Jones, een begenadigd arrangeur. Hij liet een blazerssectie spelen alsof ze naar een slappe achtervolging van James Bond zat te kijken (in de tijd dat hij nog paard reed). Ook voorzag Jones een mannenkoor van een mallotig chorusje: ‘Wa-ter-me-lon man.’ Dat heeft hooguit met extracten te maken. Het origineel is instrumentaal.
Meloen heeft iets geils en dat is het verkeerde woord. Je bedoelt dat het een vanzelfsprekende, “natuurlijke” opwinding met zich meebrengt, niet opgelegd en zeker niet onbehoorlijk. Een terloopsheid die iedereen wel kent. Dat moet je dan toegeven, na erover nagedacht te hebben.
A. van Duins carnavalskraker over hele grote bloemkolen gaat met een knipoog naar tieten te immens om er als toeschouwer serieus van van de kook te raken. Dat lijkt voorbehouden aan echte kunst, zonder dat die hoog of laag hoeft te heten. In de roman Cynici (1928) van Anatoli Mariëngof krijgt Olga Konstantinova, idool en vrouw van hoofdpersoon Vladimir Vasiljevitsj, een minnaar. De vele laconieke zinnetjes in de roman kunnen niet verhullen dat Vladimir hieronder lijdt; ze versterken integendeel zijn verdriet. Wel hebben Olga en Vladimir een mollig dienstmeisje, Marfoesja, over wie voortdurend wordt opgemerkt dat ze hout in de kachel doet, de kachel aansteekt, en het vuur brandende houdt. Als Olga bij haar minnaar is, gaat Vladimir midden in een ijskoude nacht naar Marfoesja. Ze doet open, de storm blaast het boerenjakje ‘van haar naakte, watermeloenronde schouders’. Je zou kunnen zeggen dat noodgedwongen de aantrekkingskracht iets is verschoven, van de ene vrouw naar de andere in de directe omgeving en van het ene lichaamsdeel naar de andere.
Had Van Duin ‘meloenen’ gescandeerd, dan waren op het netvlies wellicht aangenamer vormen verschenen. Om te beginnen van borsten, waar je echter nooit van kan genieten omdat het zo’n afgeladen woord is (‘VIEL/ maar een vrucht welk en zat vol van het voldane’). De schil tussen schunnig en aanwakkerend en dat komt niet alleen door het sap dat meloen bevat.

Ja jongens, wat zijn jullie onder elkaar. De meloen stamt van de familie der komkommerachtigen, een even connotatiekleffe vrucht. Maar meestal denk je bij meloen alleen aan de zomer en bij komkommer niet. Ockham zei dat omdat de oorzaken in het verstandelijke deel van de ziel voldoende kunnen zijn het niet noodzakelijk is andere oorzaken aan te nemen.
Een kokosnoot is ongeveer een meloen met baard.
Je hebt reeds gemerkt dat bij het eten van meloenen servetjes goede diensten kunnen doen. Maar wat als je een spleetje tussen je voortanden hebt? Twee servetjes? Dat kan wel eens uitdraaien op een principekwestie.
De geur van meloen is een verwijzende, van voortdurend er niet meer zijn. Jean Genet liep als jonge man dwars door het snikhete Andalusië. ‘De zon vulde mijn hoofd met lood dat als denken dienst deed en leegde het tegelijkertijd ook weer.’ Dat is meloen, het breekt af én bouwt op. Het voedt zich. Een verwante, want in hetzelfde seizoen furore makende geur als die van zonnebrandolie blijft in het eerste stadium. ‘Op die leeftijd kende ik geen vermoeidheid. Ik droeg zulk een vracht van mistroostigheid met mij mee dat ik er zeker van was mijn hele leven lang te blijven zwerven.’ Aldus Genet. Hier beschrijft hij de absolute leeftijd van meloen.
Later verfunkte Hancock ‘Watermelon man’, op zijn magnum opus Headhunters uit 1973. Het stond op die elpee en het arrangement was van Harvey Mason. Een fantastische drummer, alleen waarom moeten dergelijke lui mettertijd solo-elpees maken? Eerst vond je die versie weinig aan, als je haar nu hoort ben je ontroerd. Je danst er vaak op, ook ’s winters. En de verbeterde samenstelling van het gewraakte waspoeder Omo Power, dat textiel rein behalve ook gatendicht zou maken, werd per reclame met een gitaristische, rhythm ’n bluesy ‘Watermelon man’ aan de man gebracht, volgens de nog te onbekende uitdrukking knollen voor meloenen verkopen.

Er zijn dagen dat je niet aan meloen wilt denken. Eigenlijk heb je nog nooit iemand ontmoet die, tenzij wee geworden, meloen níet lekker vond. Maar dit kan ook andere redenen hebben.
Je kunt nog een tijd doorgaan, ware het niet dat je trek hebt en nu al weet wat de gevolgen zijn als je achter het aanrecht belandt. Wel wil je mededelen dat je boven helemaal niet vaak hebt gelogen.

Jijjajij 1 (winter 1994)


(Dit stukje is bij wijze van spreken nog niet af of ik besef dat A. van Duin het filmpersonage Joep Meloen creëerde. Tevens biechten lafbekken me op dat ze helemaal niet van meloen houden. En Polets Het gepijnigde haar laat weten: ‘In de Arabische middeleeuwen dacht men dat, als iemand meloenzaad plantte in een met aarde gevulde menselijke schedel, de aldus gekweekte meloenen de intelligentie vergroten van wie ze at. Kweekte men ze in een ezelskop dan werd de eter dommer en verduisterde zijn geest.’
Voor een vrucht is de meloen zwaar. De schil heeft relatief ook nog een aardig gewicht. Dat geeft macht. In de krant stond dat een man vanaf een balkon op de eerste verdieping meloenschillen in een vuilnisbak op de begane grond wilde gooien, zijn evenwicht verloor, richting vuilnisbak ging en stierf. De krant vermeldde niet hoe het de schillen was vergaan, terwijl algemeen bekend is dat in augustus 1996 de Russische sprintzwemmer Alexander Popov met een mes in zijn nieren werd bewerkt door een Moskouse meloenverkoper. Maar Popov herstelde en kwam terug. Wel gedraagt hij zich sindsdien als een clown, als zijn beroemde land- en naamgenoot, wat van de meloenverkoper niet gezegd kan worden omdat over hem niets gezegd kan worden bij gebrek aan andere informatie dan die uit de dikke duim. We vergeten hem niet.
Piet Meeuse schrijft in Schermutselingen een bijkans poëticaal verhaaltje over ons onderwerp. Hij beziet de meloen als een vorm van gecontroleerde spanning. De vrucht staat op bezwijken, terwijl hij de indruk wekt kuis en groen en rustig te zijn. En als de meloen zich overgeeft valt hij in moten ineen en schenkt ‘de volle glorie van zijn koele, sappige en roze binnenste, dat even pittig oogt als het flauw smaakt, en als je even later je blik laat gaan over de lege schuitjes van zijn schil zou je zwerven dat hij postuum ligt te glimlachen.’
In Amerika, het land van de ongekende oppompingen, is er een stripteasedanseres die Honey Melons heet. Als Joep nu eens het pseudoniem Youp aanneemt, kan hij haar broer-manager zijn annex beschermheiligman.)

woensdag 4 maart 2009

Bert Schierbeek (2005)


Vogel valt

In 1972 publiceerde Bert Schierbeek dit gedicht: ‘vogel zingt / tak breekt / vogel valt / vogel vliegt / vogel zingt’. Het schetst een complete cyclus. De suggestie is dat de opverende jubel van de vogel de tak doet breken waarop hij zit. Maar omdat het beest gezegend is met de gave van het vliegen kan het na zijn val probleemloos opstijgen. Zonder tegenbericht zet zijn jubel zich voort. De mens moet het echter, technische bijstand daargelaten, stellen zonder vliegvermogen. Voor hem zou de val leiden tot de ondergang. Op aarde, welteverstaan.
Deze explosieve miniatuur komt uit Schierbeeks poëziedebuut De deur. Die bundel is samen met de zes volgende én met verspreid werk nu bijeengebracht in het lijvige De gedichten. Editeur Karin Evers herinnert er in haar nawoord aan dat Schierbeek al vóór zijn debuut dichtte, maar onderbroken werd. Zijn vrouw Margreetje stierf na een verkeersongeval in 1970. Hun schijnbaar eeuwige samenzijn was voorbij. Twee jaar had de dichter nodig om te concluderen dat wijlen zijn vrouw geen vogel was. Maar wat die conclusie aan poëzie opleverde, gaf Margreetje alsnog voortbestaan. De dichter was een vogel geworden, wiens gezang de ondergang bezwoer. En zijn volgende bundel rapporteerde halverwege pijnlijk nuchter: ‘Hier zit De deur’.
Bert Schierbeek (1918-1996) had toen al een schrijversleven achter de rug. Vanuit de provincie Groningen voegde hij zich tijdens de oorlog in Amsterdam bij het communistische verzet en na wat traditioneel romanwerk kwam hij bij de geëngageerde literaire hemelbestormers de Vijftigers. Uit die groepsgeest verscheen van hem in 1951 Het boek ik, dat ter plekke zijn tijd ver vooruit was en in de context van Europees modernisme à la Joyce gedateerd. Het boek ik is een collage en dientengevolge niet op genre vast te pinnen. Het herbergt proza maar evengoed poëzie, op een door ademstoten gereguleerd ritme. Veelal met notitieblokjes opererend vanuit idyllische eilanden, zou Schierbeek daarop voortgaan en hij plakte op de resultaten het etiket ‘proëzie’. Met De deur, één van de meest aangrijpende bundels uit de naoorlogse letteren, lag dat kennelijk anders.

Het vogelgedicht is één van de vele waarin luttele, smal geversificeerde woordjes tot een conclusie komen die vlijmend is. Een scherf, zou je zeggen, die het onvermijdelijke trauma na de dood van de vrouw weerspiegelt. Het is alsof Schierbeek in De deur al die scherven bij elkaar veegt zonder ze te lijmen. Verdriet, ongeloof, vriendentroost die als een mantra de mens bestookt (‘de dood, zei Remco / is een ontroering / ik weet nu beter’), dialect, overpeinzing, de plaats des onheils, de natuur: alles glanst.
Misschien is het adequater om een vergelijking te trekken met een film. De deur bevat panoramische shots én close-ups. Meer camerastandpunten leggen het landschap van de liefde vast. Hoe particulier de aanleiding ook mocht zijn geweest, Schierbeek veralgemeniseerde haar in dezelfde technische beweging. Karakteristiek voor Schierbeeks poëzie zijn korte, nuchtere passages tussen haakjes, alsof de regisseur zijn acteurs adviseert een tearjerker te vermijden. Woord krijgt weerwoord. Dit verleent Schierbeeks werk een principiële meerstemmigheid, terwijl de tearjerker in zijn effect monofoon is en gesloten.
Leestekens versmadend wilde deze dichter ruimte zonder economisch belang en hij schiep openheid: ‘als ie beweegt / is ie een deur // zo ben ik / een deur’. Een perspectief op de verte, dat samengebald zit in het motto: ‘Als er geen vogel zingt, is de berg nog stiller’. Het staat op naam van Zen, die in De deur verder wordt vereerd in het neologisme ‘verzenking’. Het moet een mate van onthechting verwekken, bewustzijn van een niet-bewustzijn. De bundel eindigt met het woord ‘weg’: als substantief maakt het beweging mogelijk, als bijwoord afwezigheid. Die noties zou Schierbeek exploreren in zijn volgende dichtbundels.

In- en uitgang (1974) opent met de lange, oorspronkelijk in 1965 geschreven cyclus ‘De val’, waarin Schierbeek onze tijdelijkheid meet: ‘want de nacht kent ons / de dag niet / wat er komt / de val / de vogel die wij bouwen / die in onze ogen woont / die onze handen maken’. Hij signaleert besef van fragiliteit én onmogelijke verlangens. Poëzie kan daar uitdrukking aan geven: ‘de vogel die komt / en zingend ons woorden geeft / die wij niet kenden’. Kennelijk wil de dichter met dat surplus voorbij de verstomming raken, in het volledige besef dat het dorp Eden uit een metafysische atlas stamt: ‘de val / paradijs / de vogels de vleugels / van voor ons gezicht / die wij zagen en maakten / en vliegen’.
Wijkende aardsheid staat ondanks alles in het teken van optimisme. Een precaire houding, die de dichter laat balanceren op het koord van een utopische ambitie. Vallen en opstaan (1977) meldt: ‘o god / een kop vol vogels’. Die uitroep komt uit het titelgedicht, dat is opgedragen aan personeel en patiënten van het Hilversumse sanatorium Zonnestraal. Even verderop staat: ‘moge ik beseffen / dat het spooksels zijn / van de tussentoestand’. De bundel als geheel kent een opdracht aan Thea, Schierbeeks nieuwe geliefde die hem als het ware terug in de werkelijkheid trekt. In Formentera (1984) is het evenwicht hersteld: ‘het woord vinden / dat op je lippen besterft / en dan proeven / de wiekslag / van die vogel // ogen dicht // het vluchtige // die wiekslag’. De dichter heeft zijn zintuig voor vitale beperkingen terug. En voor nuchterheid, die in De tuinen van Suzhou (1986) een eigengereide humor teweegbrengt, bijvoorbeeld in het fameuze: ‘zegt Li: / een pond veren / vliegt niet als / er geen vogel in zit’. Het lood is bij Schierbeek weer uit de schoenen en hij wandelt verder.
Wel komt hij op een leeftijd dat de rebellen van weleer, net als hij (Constantijn Huygensprijs 1991), ten prooi vallen aan eerbetoon. Schierbeek lauwert Lucebert onbeknot in De zichtbare ruimte (1993): ‘hij is vreesloos / hoeft niet meer / getroost hij is / over zich zelf heen / gegroeid en leeft / dubbel de dichter / eenzame vogel / in zóvéél lucht’. Deze strofe openbaart meteen iets over het aanzienlijke onofficiële deel van Schierbeeks poëtische oeuvre. Het richt zich op bekenden en wordt onvermijdelijk gelegenheidswerk. Een impressie bij een foto van Antony van Lieshout, ‘hout / boom / lijster / lied’, wenkt naar het memorabele vogelgedicht, maar mist kracht. Zoals ooit bij zijn vrouw is er buitenliterair engagement, maar nu met een collegiale kring. Dit maakt de verspreide gedichten voor buitenstaanders vrijblijvend. En aandoenlijk, als hij bijvoorbeeld dicht voor de Zuid-Afrikaanse vrijheidsstrijder Steve Biko.

Postuum kreeg Schierbeek de bundel Vlucht van de vogel (1996), die dermate slordig blijkt samengesteld en verantwoord dat er in de verzameluitgave een tussensectie voor is ingericht. De dichter lijkt op de valreep wel tot een voorlopige conclusie gekomen: ‘door te vliegen / houden vogels / net als dichters / het raadsel in stand’. En daarmee is de cirkel rond – de mens kent zijn beperkingen, de door hem gemaakte poëzie niet.
Dit schrijverschap heeft altijd te lijden gehad onder de status van het proza dat, sporadisch gelezen, als ‘onbegrijpelijk’ gold. Schierbeeks gedichten vormen dan zogezegd de marge van die marge. Dat is jammer, ook omdat hij op bevlogen momenten wegbereider is geweest voor wat er nu zoal in de poëzie gebeurt. Het laconieke gevecht met het bewustzijn herinnert aan Martin Reints, de geïsoleerde spreekfragmenten aan F. van Dixhoorn, de minimale sferen aan Gillis Boeuf, en het mozaïek van scherven aan Arjen Duinker.
Behoudens Schierbeeks prozagedichten als in zijn trilogie Weerwerk, Betrekkingen en Binnenwerk staat al zijn absoluut relativerende poëzie nu dus mooi bijeen, vol intieme geschiedenis. De olympische atleet John Akii-Bua heeft er een even vanzelfsprekende plaats gekregen als de parkjogger wiens struikeling over een stronk nu wordt geregistreerd – op talloze homevideo’s. Het nawoord van Karin Evers, die over Schierbeek eerder De andere stemmen (1993) en Bert en het beeld (2000) publiceerde, is op één punt hilarisch: dichter noch uitgever heeft zich ooit zwaar bekommerd om de precieze teksten. Dat is in elk geval in de geest van Bert Schierbeek, die als weinig anderen wist hoe vluchtig de dingen zijn. Gelukkig dat dit unieke maar grillige dichterschap toch even is vastgelegd.

De Tijd, 22 januari 2005

woensdag 25 februari 2009

Richard Minne (2001)


‘Lijk een effen lijst’

Toen ik, jong en amper bedorven, poëzie ging lezen, richtte ik me op toegankelijk ogend werk dat een zekere levenswijsheid uitademde. Het genre leek me een ars moriendi. Een omgekeerde bewijsvoering: bij mijn idee zocht ik geschikt werk. En zoals wetenschappers door hun objectiviteit prettige signalen krijgen van de intuïtie, raadpleegde ik op de bonnefooi bundels die steevast beklijfden als ze waren uitgegeven door De Arbeiderspers en Van Oorschot. Hun fondsen boden genoeglijke troost voor een gemis waar ik geen weet van had.
Zo werd Richard Minne, hergepubliceerd door Van Oorschot (die hem eerde in een initiaal van zijn pseudoniem R.J. Peskens), mijn dichter van het eerste uur. Een bij nacht en ontij te consulteren gezel, die verleidelijke oprispingen de kop in drukte en de dingen terugbracht tot een essentie. Ik zag me met name filosoferen bij de beginstrofe van een gedicht uit de cyclus ‘Rozenkrans’. Daar was mijn exemplaar van In den zoeten inval opengevallen:

De beuken staan nog in hun glans,
maar ’t zijn wellicht de laatste dagen.
Het herfst-goud is een zware krans:
nu zal ik naar geen toekomst vragen.

Ik verbond de in haar eeuwige aanwezigheid plechtig op mij overkomende natuur met de notie van wat ik verstrijken noemde. De regels gaven de indruk van een te exploreren diepte. Iets met de dood, die naar goed artistiek gebruik – “de kunst van het weglaten” – onvermeld gelaten werd. Ik vond het eenvoudige rijm eveneens goed. Regels als vuurstenen.
Ook lezend word je ouder. Na enige tijd begon de mij zo dierbare poëzie te ergeren. Ik vond haar bij nader inzien belerend en topzwaar; inzake de fondsen schermde ik met het stigma traditioneel. Mogelijk werd ik zelf met de jaren jonger. Heden is het me een raadsel wat ik met al dat werk aanmoest. Ik denk vooralsnog dat een antwoord in het raadsel gezocht kan worden. En zoals het gaat met hetgeen je lief is geweest, slaagde ik erin een enkele achteraf gelaakte keuze te verantwoorden als zijnde onontkoombaar. Richard Minne (en Gerard den Brabander) werd de uitzondering op de regel en bleef mijn dichter van het eerste uur. Ik meen nu snugger te zijn met de these dat hij niet in het hem passende fonds zat. Ook las ik het Rozenkrans-gedicht uit:

Ik rust na lang en bremstig zoeken,
en om het hoofd, dat zachte dingen peist,
is de avond lijk een effen lijst
om afgewerkte schilderdoeken.

De slotregels waren ontluisterend, mede jegens het gedragen begin. Het fijne vond ik dat in kunst, wat poëzie toch heet te zijn, de natuur als kunst ontmaskerd werd. Tegenwoordig geldt dit als een postmodernistisch hebbelijkheidje. Misschien ondermijnde de dichter zijn openingsstrofe ook door het rijmschema te veranderen. De vuurstenen bleken nat.
Ik ontdekte dat Minne in ondermijning was gespecialiseerd. Met anakoloeten tegen het instituut poëzie, met menige regel tussen haakjes tegen bezonken gevoelens. Deze dichter somt maar op en kenmerkt zich door een hyperbewustzijn. Richard Minne woog Richard Minne. Achter elke hooggestemdheid bleek een façade schuil te gaan die zelf van het betere karton was. De essentie die ik gemeend had te kunnen vinden, bestond eruit dat er geen essentie was. Eventuele verwijten van een tekort aan eenheid of het ontbreken van kop of staart, haalt Minne zijn werk binnen en pareert ze zo half. Ook weet hij doodleuk te melden dat hij als persoon permanent verandert, op hem valt evenmin grip te krijgen. Dubbele ringen in fictie van een debunker avant la lettre, die er in zijn verfrissende roman Heineke Vos en zijn biograaf niet voor terugdeinst taferelen tot een pakje op te rollen en het te voorzien van het etiket ‘Verleden’.
De rozenkrans komt uit een katholieke traditie. Minne, die zich in een gedicht apostaat noemde, heeft een speelse, rekkelijke inslag. Een moralist die niet durft te moraliseren, een torner voor wie het tornen een sport is geworden. Hij dichtte dan wel vrijelijk over Adam en Eva, de geboorte van Jezus en over Noach, het frappeert dat die verhalen een nieuw begin aan de orde stellen. Soms valt het begrip ab ovo. Ik relateer het aan lijstjes met nog te maken boeken die Minne in het mengelwerk Wolfijzers en schietgeweren opstelde.
In werkelijkheid publiceerde hij spaarzaam. Officieel vanwege gezondheidsproblemen en inertie, officieus wellicht vanwege een naar afkeer neigende twijfel aan literatuur. Ook werkte Minne op het land, en dat reduceerde de waarde van kunst – inclusief die van de pastorale. Peeën vergden zwaarder onderhoud dan versvoeten. De gedichten waarin hij zijn koe Tobbie vastlegde mogen niet snel vergeten worden, Minnes correctie ‘’t Geeft allebei water en wind’ in ‘van Tobbie komt melk, van mij komt wind’ blijft meer bij. Ze komt voort uit een geconstateerde onrechtvaardigheid jegens de koe.
Dat is de januskop van Minne bij zijn voortdurende ontluisteringen van de wereld: hij hecht aan de wereld. En met al zijn wantrouwen in de literatuur is hij er wel door geobsedeerd, Wolfijzers en schietgeweren bevat ook de nodige lijstjes van cruciale boeken. Soortgelijke haat-liefdeverhoudingen jegens leven en kunst openbaarde Multatuli. Zoals die kon uitroepen ‘O God, er is geen God!’, verklaarde Minne tegen Dezelfde Figuur dat er niets dan ruimte om ons is en ‘wat hol gepraat/ en mijn verlangen dat vecht naar U.’ Nihilisten die weigeren nergens in te geloven en wel wat hartigers lusten dan gelei.
Even paradoxaal is Minnes onhandig vermonkelde wens om gelezen te worden tegenover de aandrift geen annexaties door ‘de officiëlen en hansworsten’ te ondergaan. De meest gepleegde woorden bij hem zijn waarschijnlijk ‘niet’, ‘geen’ en ‘zonder’. Zijn tijdschrift ’t Fonteintje poogde zich te ontdoen van kwasterig geachte Van Ostaijen-theorie. Minne predikte individualisme en ontkwam bij die vrijheidsdrang niet aan groepsbarricades. Nonconformisme heeft zijn conformistische randjes. Bijwijlen introduceert Minne de dichter, niet als experimenteel ego maar als retorische figuur. Dan geloof ik het wel. Dieptepunt wat dat betreft is het ‘Vademecum voor den dichter’, met zijn studentikoze uitsmijter ‘veracht den burgerman/ doch ledig zijne kruiken’. Komrij nam het op in zijn bloemlezing, Forum plaatste het in zijn acquitnummer.
Onder dat voor sommigen legendarische blad uit de vorige eeuw is Minne in de literatuurgeschiedenis gevangen. Zijn werk werd in de jaren dertig door Forum min of meer verbreid. Hoorde hij er ook bij? Ik denk dat de historische toe-eigening van Minne van doen heeft met een tactisch ontzet door redacteur Du Perron in het decennium ervoor. In een enquête vulde hij als favoriete dichter Minne in, waar op grond van de toenmalige verhoudingen en contacten Van Ostaijen mocht worden verwacht. Ik bevroed dat Du Perron met zijn herziene voorkeur oprecht was, zich ontworstelend aan een voor hem idiote invloed. En consequent was door de lijn Minne in Forum voort te zetten. De gemeende smaak berustte alleen grotendeels op projectie: een nurks gedicht als ‘Afscheid van Pijper, commis-voyageur’ had Du Perron vermoedelijk graag op zijn naam gehad. Hebben kunstenaars en schoolmeesters ooit een ons zaad in de hand gehouden, vraagt boer Minne zich hardop af. Zijn werk staat mijns inziens – ook Boon wees op de verwantschap – dichter bij Van Ostaijen. Zijn poëtica weer niet, maar met dat begrip is minstens zo veel heilloze verwarring gesticht als door de literatuurgeschiedenis.
Minne hoort bij auteurs die onder het kopje Overigen worden weggezet. Door hun mentaliteit van de eenling, van de dilettant wellicht. Voor Noord-Nederland kan ik dan Pierre Kemp aanstippen of C.C.S. Crone. Ik raak daarmee tegelijk op het gebied van proza, en aan het even mistige als onzinnige onderscheid met poëzie. Minne diagnosticeerde bij zichzelf een ‘hybridische taal’ tussen de genres, mogelijk in de geest van het prozagedicht dat uit progressief Frankrijk was komen aanwaaien. Wel vind ik zijn poëzie beter naarmate ze korter, en zijn proza naarmate het langer is. De logheid die het lezen van Minnes extracten bewerkstelligt, vergt kennelijk toch nog genrewetten. Soms is minder meer, soms is meer meer. Hoe ook, door een eigen, afgebeten toon blijft zijn werk uit duizenden detecteerbaar.
Die toon wordt in de trant van Forum gemeenlijk aan de spreektaal toegeschreven, en de onderwerpskeuze situeert men in het anekdotische. Naar mijn smaak dient deze vaststelling vooral de overzichtelijkheid van het eenduidige beeld. Voor mij is Minnes werk een bron waaruit allerlei types literatuur, van reactionair tot revolutionair, hebben kunnen ontspringen. Mag het heden ten dage ongewis geworden zijn wat spreektaal nog is, het patois van Minne blijkt al tamelijk heterogeen – inclusief hoogliteraire elementen die door een hedendaagse bril snel een satirische aanblik hebben. Voor zover spreektaal in het geding is, lijkt ze me present op basaler niveau, in het ritme.
De Minne in de schoot geworpen melancholie acht ik een zaak van afpellen. Zijn gedichten zijn veelal bewerend van structuur. Ze bevatten onpretentieuze toestanden, een plakje tegenwoordige tijd (de enige expliciet bedichte kritiek trof Urbain Van de Voorde). Minnes proza heeft die trek nog manifester, omdat het dikwijls is gedateerd. Teksten als notities, in hun uitgebalanceerde terloopsheid hakend naar een deconfiture. Alles staat ten dienste van de opsomming die het individu, doordat het ontluisterd wordt, scherp wil maken, rekenschap wil doen afleggen. Aldus biedt zijn werk minder gauw toegang aan esthetisch te genieten metaforen, hoewel Minne, coulant gestemd als het ware, pareltjes kan uitstrooien. Hij heeft het er in zijn poëzie bijvoorbeeld over dat ’s avonds aan zijn ruit ‘een kever licht komt drinken’. Mogelijk is dat gewoon een waarneming.
Voor mij als doorsnee Hollander is het speciaal dat ik aan Minne hang. De grens bij Wernhout heeft vanuit Noord-Nederland bezien weg van een loopgraaf. Men mag zich daar niet veel illusies over maken. Zelfs het kanon Van Ostaijen klinkt boven de rivieren als een dienstpistool; onlangs hoorde ik een gereputeerd professor met meesmuilende instemming van zijn toehoorders gewagen van ‘de bekende onbegrijpelijkheid van Van Ostaijen’. De reputatie van Gezelle in Nederland is vergelijkbaar met die van Gorter: virtuoos dichter, averechts gedachtegoed. Van de Woestijne raakt niet buiten de poorten van de universiteit. Minne voert hen overigens allen op in gedichten, als bloot onderdeel van zijn werkelijkheid. Ik vrees dat Claus de enige Vlaming is die boven de rivieren enigszins serieus wordt genomen. Fijnproevers lispelen boven het servet over Gilliams en De Haes (die een Minne-fan was). Pernath ligt al te zwaar op de maag en Hertmans is een verplicht laxeermiddel. Een recent fenomeen als Van Bastelaere is in Holland, buiten een circuit dat hem het kostuum van halfgod heeft aangemeten, feitelijk onbekend.
Om een klassieke status zal Minne niet hebben gemaald. Of misschien wel, openbare achteloosheid kan misleiden. Het antwoord op Minnes exacte ambities is ingewikkeld, omdat hij absoluut relativeert. Een rituele heiden in de kerk van de literatuur; de lezer krijgt wijn en edik voor dezelfde prijs. Minnes werk wordt door eelt bedekt. Sentimenten te over in een taal die weerbarstig is, die ondanks aanhoudende zelfanalyses niet onthult. Of moet het evidente sarcasme schaamte bekleden? Minne heeft het, conform zijn debunkingbeleid, zelf gesuggereerd. Wellicht huist in de eeltlaag Minnes authenticiteit, hoewel deze stelling al te pertinent kan zijn.
Een strofe van een ander gedicht uit de Rozenkrans-cyclus, waarmee dit oeuvre voor mij tot leven kwam, geeft dit zelfportret:

Ik ben, o Heer, slechts als het veer
dat op twee oevers waakt,
maar bij een hoge stroom te keer
halfwege in nood geraakt.


Minne pendelde tussen de leer der kluiten en de metafysica. Ik denk niet dat hem ooit ergens een aankomst werd bereid. En meende hij eventjes van de grond te raken, dan zal ‘de nachtvogel Skepsis’, personificatie van alles wat bij Minne tussen haakjes staat, hem hebben teruggeplaatst naar datgene waar tijdelijkheid eeuwig is.

Tijd Cultuur, 16 mei 2001