dinsdag 15 mei 2012

Het onvoltooide (2011-2012)


1.

‘Er is altijd een beter motto’
(Anonymus, 11e eeuw)


Op een grappige manier bevredigt het onvoltooide gedicht een vraag naar reality. Het is nog van alles aan het passen, wanneer het wordt betrapt door de buitenwereld zonder zich zelfs maar in iets toonbaars te hebben kunnen hijsen. De onberispelijk afgeklede drukletter is niet nabij. Het gedicht staat nog in potlood, zodat er wijzigingen door te voeren zijn die in het radicaalste geval kunnen leiden tot volledige verdwijning onder de bruutheid van de gum. Mochten er ambitie en gelegenheid zijn geweest om het af te maken, dan was er iets verloren aan gegaan: het vermogen te kunnen veranderen. Die verandering is niet neutraal, blijkt uit twee literaire benamingen voor het onvoltooide. Uit statu nascendi valt af te leiden dat er iets groters op komst is. Indachtig de aristotelische teleologie, een doelgerichtheid volgens welke de bal altijd in het netje gaat, zal het kind als onvoltooide volwassene rijpen. En work in progress verraadt dat er in de verandering verbetering of zelfs vooruitgang te bespeuren is, of die nu op esthetisch of ethisch vlak ligt.
Aan het bestaan van auteurs, en de mensheid in het algemeen, valt minder te veranderen. Zelfs Michael Jackson wist met peperdure zuurstoftanks op zijn ranch Neverland het eeuwige leven annex de voltooide tijd niet te implementeren. De dood, in rouwadvertenties vaak gekoppeld aan het motto ‘Het is volbracht’, valt buiten de menselijke invloedsfeer. Voor een kunstwerk moet voltooiing de dood zijn, toebehorend aan musea, waar fixeerlagen van het onveranderlijke zijn aangebracht. Maar literatuur geldt toch als een onuitputtelijke bron, voor lezers én schrijvers? De sonnetten van Shakespeare bleken niet meer definitief, nadat ze in handen waren gevallen van K. Silem Mohammad. In zijn Sonnagrams husselt deze de letters van het klassieke materiaal door elkaar, waarna de restanten de titel vormen. Zo kan Sonnet XLII ‘That thou hast her, it is not all my grief’ in de eenentwintigste eeuw metamorfoseren tot ‘Sheriff Ed Rebuffed Her (“Hey, Hey, Hey, Hey, Hey!”), Then He Fell’. Punt is alleen dat dit resultaat zelf weer bevriest.
In het onvoltooide kunstwerk botsen moleculen echter continu alle kanten op omdat hun training nooit afloopt – caught in the act! De handeling voltrekt zich schijnbaar nog in een werkplaats. Men spreekt van een denkbeweging. Die term is ook gegeven aan nagelaten dagboeken van Ludwig Wittgenstein, in bezit geraakt van zijn zus, en moet dus bedoeld zijn als een karakteristiek. Daarbij luidde het dat filosofische notities waren vermengd met persoonlijke bespiegelingen zodat er, naast een scherper beeld van de mens, een vage samenhang en continuïteit kon oprijzen met Wittgensteins spaarzame officiële werk. ‘De denkbeweging in mijn filosoferen zou je terug moeten kunnen vinden in de geschiedenis van mijn geest en van de zedelijke begrippen daarin & in het begrip van mijn situatie.’ Soepeltjes kwam die taal niet op papier. Volgens de bezorgers van de Denkbewegungen is er een worsteling gaande, een innerlijke nood die bij de verwoording stuit op de grenzen van wat (menselijk) gezegd en (wetenschappelijk) verklaard kan worden. Aldus heten die dagboekaantekeningen intens en authentiek. Een tot één zin samengebalde herinnering aan Clara Schumann staat er met een tussenpoos van negen maanden tweemaal in. Het ontplooide denken blijkt nooit verstard en vernieuwt zichzelf voordurend, iets wat tot uiting komt in een veelvoud van varianten en versies, inclusief een geheimschrift waarvan de code overigens makkelijk te kraken is.
Is een denkbeweging daarom ook bijzonder in relatie tot het onaffe? Tekent dat niet eerder een zekere gemakzucht of is het een goedkope manier om door suggestie eventjes wat geld te verdienen?

woensdag 25 april 2012

Hans Groenewegen (2012)



Driemaal heeft Hans Groenewegen nu een selectie uit zijn kritieken en kronieken over poëzie gebundeld. Met schrijven zin verzamelen vind ik een belangrijk boek, maar het stemt me ook weemoedig. Het lijkt een afscheid van een tijd waarin literatuurbeschouwers een dialoog mochten aangaan met teksten. Maar papieren media zien hier geen heil meer in.
Groenewegen toont wat leesoefening inhoudt. Dat is avontuurlijk en leerzaam, zonder dwang. Omdat Groenewegen beschrijft hoe zijn ervaringen met een gedicht voortschrijden, worden ze behalve controleerbaar ook betwistbaar. Dit kan als zwakte worden opgevat, in termen van ‘Laat die man eens ophouden met over zichzelf te praten’. Maar die man blijkt over gedichten te praten, en zichzelf als proefdier te gebruiken.
Heeft iemand die denkt zoiets beter te kunnen daar nu gelegenheid voor?

dinsdag 21 februari 2012

Sybren Polet (2012)

Het spreekt me enorm aan om een kunstenaar te blijven benaderen alsof hij een beginner is, zoals Sybren Polet aan het slot van Donorwoorden aanbeveelt. Natuurlijk werpt het vruchten af de vergelijking met en de verhouding tot een oeuvre in het oog te houden, maar dat heeft ook een risico: toegepaste formules kunnen een interpretatieschema inslijpen dat principieel teleologisch is.
Wanneer Polet in de genoemde bundel een ‘85-jarige debutant’ opvoert, zal ik, net over de helft van dat leven, zo vrij zijn één gedicht uit Donorwoorden te lezen:

Alibi
Hoor, er zit iets verbaals in de lucht.

En ik, tweemaal geborene,
luister het bijna op lichaamstemperatuur.

Twee-eenheid is materie genoeg, is
massa genoeg voor eenzelvige wijmensen
Voor hen is alle werkelijkheid alibi
voor andere alibi’s.

Oorsprongmensen als oversprongmensen.

Zeg me wat je werkelijk denkt
En ik denk het werkelijker na
(met inbegrip van mijzelf,
mijzelf als alibi.)

En ja, er hangt iets verbaals in de lucht,
iets dat je bijna kunt spreken.


Van begin af wordt de lezer bij het gedicht betrokken met een aanspreking. Omdat er iets in de lucht zit. In de omgangstaal duidt dat op verandering. Volgens mij ten goede, in tegenstelling tot ‘er hangt iets in de lucht’ uit Polets slotstrofe, dat ook op verandering wijst maar ten kwade, iets dreigends, strange fruit. Wanneer er iets in de lucht zit, spreekt men van lenteachtige dingen, kriebels, positieve vibraties. Zo wordt het meest opmerkelijke woord uit de beginzin, ‘verbaals’, als een blijde boodschap ingehaald. In de schriftelijke mededeling die poëzie geworden is, gaat live gesproken worden, waarnaar geluisterd moet.

zondag 18 september 2011

Jan Swammerdam (1992)

Glossarium Jan Swammerdam

Afbeelding. Niet overgeleverd. Op Rembrandts ‘Anatomische les’ is de man met het perkament (chirurgijn Hartman Hartmansz) met ~ geïdentificeerd. Jan Stolker maakte er een vervalsing van.
Aristoteles. Dacht dat metamorfose gevolg was van plotselinge ontwikkeling. Door ondoorzichtig omhulsel omgeven pop zag hij als ei met vormloze substantie.
Arts. Na studie geneeskunde (1661-1663) beroep van ~, nooit gepraktiseerd.
Bekennen, Kleur. ‘ik moet verhuysen van mijn vader, die bij mijn suster en haar man blijft wonen, soo dat ik van voor neemen ben op het lant te gaan, indien dat ik by tijts, geen conclusie heb.’ (brief van ~ op 41-jarige leeftijd)
Biografie. Reductie door interpretatie. Verzameling trefwoorden.
Blasius, Gerhard. Gewoon hoogleraar in 1666, stadbibliothecaris in 1670.
Blind, Half. Werd ~ volgens Oek de Jong van het staren in de microscoop (gevolg), pogend in iets buiten zichzelf bestaands God te vinden (oorzaak). De vinger Gods in een luis.
Boek. Volgens ~ metafoor van natuur: ‘een geduurigh opgeslagen boeck gelijk.’
Boek, Dooie Dat. Idee van Thijssens Kees de jongen, een dooie diender pur sang, bij een werk ‘over bijen en mieren.’
Boerhaave, Herman. Eerste biograaf van ~, bezorger van ~ tweedelige Bijbel der Natuure (1737/38). Religieus dichterlijke aspect van ~ is hieruit weggelaten.
Bourignon, Antoinette. Van oorsprong katholiek. Kruising tussen Berendien uut Wisp en Jenny Goeree. Eigende zich met instemming van ~ status toe van personage uit Openbaringen 12:1-6. Vond dat ware christenen vader, moeder en zichzelf moesten haten.
Brieven. Schreef ~ regelmatig. Verzoeken erin werden niet altijd gehonoreerd, ook omdat ze soms de plaats van bestemming niet bereikten: ‘so ben se niet int vagevier maar in de hel geraakt.’

vrijdag 24 juni 2011

De werkplek (2005)

De coördinaten van het andere

I will not praise that purpose not to sell


1.
Op een metalen blad van ongeveer vijftig bij dertig centimeter een schriftje, half schuilgaand onder twee gekafte boeken. Rondom, op de vloerbedekking tot aan de ficus benjamin, meer schriftjes en boeken. Er is thee. Mijn knieën tegen het blad, dat aan de zijkant een lade heeft. Ik ril nog na van een spreekbeurt, handelend over Ischa Meijers Brief aan mijn moeder. Men moest erg lachen, dus had ik één citaat maar niet gegeven: ‘Want altijd en overal loert het gevaar dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word.’ Nu het velletje tegenover me op ooghoogte, aan de met bruine rauhfaser behangen muur, met formules over sinus, cosinus en tangens en integraalberekening die langs mediamieke weg in mijn hoofd moeten raken; de vloerbedekking heeft ongetwijfeld haar eigen wetten van statisch-zijn. Radio afgestemd op Hilversum 3, ‘de betere popzender’. Straks zal ik die liedjes wel à l’improviste naspelen op de studiepiano, twee verdiepingen lager, me overal en nergens wetend, dus evengoed weer hier. Op zoek naar verbanden maak ik een notitie, die moet worden vergeleken met een passage uit een boek dat niet te vinden is. Ik kijk opzij, naar beneden, en op de vloerbedekking ontwaar ik het boek en ik wil het pakken. Onwillekeurig gaan mijn knieën omhoog en het blad schiet uit de twee diagonale staafjes, waarvan de uiteinden in metalen kolommen aan de muur gehaakt zijn. Alles valt over me heen. En op zijn beurt, en veel harder lijkt het, schiet de lade los en daaruit verspreiden zich stickers, hartsbriefjes (‘als je echt van iemand houdt, kun je zijn stront eten’), punaises.
Een terugtrekkende beweging van ongeveer anderhalve meter en ik ga onverstoorbaar voort. Maar op bed schrijvend kan ik mijn handschrift niet lezen. Dan pak ik een boek en sla het open. Wat is echter een geschikte houding? Na een minuut slaapt mijn arm. Ik daal met het boek de trap af naar de badkamer, waar ik ruik aan de asbak. Die is daar geplaatst toen de ene buurman, die met zijn handen werkt, na een sneeuwnacht het dak van zijn auto bezaaid met peuken aantrof. Mijn vader beloofde beterschap en gooit zijn peuken nu in de wc.
Op het toilet lees ik – de andere buurman, die in de verkoop zit, heeft zijn boeken op één kamer, wat aftrekbaar schijnt te zijn bij de belastingen.

2.
Als een dommelende krokodil heb ik op als ‘jaren zeventig’ gekwalificeerde zitkussens – één tegen de rug, één onder de billen – mijn corpus doorgenomen. Onder het enige raam, schuin, aan de ronde grenen eettafel die mijn zus heeft afgedankt, maakte ik aantekeningen: nooit naar achter overhellen, dan begeeft de leuning van de stoel het. Er is melk. Een dag op bed om de lijn alvast uit te tekenen. Dan loop ik naar het schrijftafeltje, overgenomen van een lagere school, en leg er een nieuwe blocnote op. Veel meer past niet en mijn knieën komen over de rand; de rubberen strip is weggepulkt.
Ik knip de bureaulamp aan en pak een balpen en schrijf mijn thesis. De muur waartegen het tafeltje staat, scheidt me van een liftje. Daarachter zijn vrieskisten. Wanneer familie en vrienden op de begane grond het zware fluwelen gordijn wegschuiven, brengt de lift het lijk in kwestie ernaartoe. Na een halfuur weer het geluid van de lift, nu opwaarts. Rechts van me weet ik de Fender Rhodes Stage Piano 73.
Na een maand ben ik klaar. Het is me niet duidelijk of de aarde doorgedraaid heeft. Wel heb ik kennelijk gegeten en gedronken, want ik loop nog rond. Gelopen heb ik sowieso, op momenten dat de rug- en nekpijn me overvielen. Op die momenten zal ik ook hebben geslapen; het bed ziet er onopgemaakt uit en er liggen lege zakken bolognesechips.
De tijd tot de uitreiking mag ik benutten voor een stage bij een krant, die rooms zou zijn geweest. De immense redactiezaal hangt vol rook, radio’s en televisies staan aan en om de haverklap klinkt er een bel: ‘Het systeem gaat plat!’ Mijn debuutopdracht is een overzicht van de voorstellingen van het weekend. Als ik een paar alinea’s af heb, staat de chef naast me. “Wat ben jij in hemelsnaam aan het doen?” Hij trekt het kladblok onder me vandaan en wijst op een computer. En opschieten alsjeblieft, want we moeten zo naar het bijkantoor. Dat blijkt De Blonde Pater te heten.
Als slotopdracht mag ik een stuk schrijven over Solzjenitzyn, van wie ik banden gezien heb in een wandbrede boekenkast bij mijn tante. Mij worden stapels artikelen in de handen geduwd. Ik zeur net zo lang tot ik weg mag. “Haha, Marc gaat op retraite.” Met een vriendin kan ik twee dagen in een huis in de bossen zitten. De treinreis valt tegen met al die bagage. We wandelen en wandelen en twee dagen later gaat de bagage onuitgepakt terug en lees ik thuis diagonaal de artikelen en typ op mijn oude Adler in een uurtje het stuk. Daarna pak ik Friedrich Nietzsches De vrolijke wetenschap erbij: ‘Uit trots houdt hij vast aan een zaak, die hij is gaan doorzien – maar hij noemt het “trouw”.’
Binnenkort ga ik een computer kopen.

woensdag 2 februari 2011

J.M.H. Berckmans (2001)

De kornetten en trompetten van Jericho

ter nagedachtenis van Jan Kostwinder


`En kontakt moet ge hebben. Kontakt is het allerbelangrijkste dat er bestaat. Als ge geen kontakt hebt zijt ge dood. Gij zult misschien denken dat ge 't beter weet maar kontakt hebt ge nodig. Zonder kontakt kunt ge niet bestaan.' In deze monoloog uit Het zomert in Barakstad (1993) van J.M.H. Berckmans ziet de lezer een tragische dronkeman lallen. Verder bladerend door het werk van de Antwerpse schrijver plaatst hij hem tussen laveloze soortgenoten met permanent kastekort, dégénerés in cafés en stempellokalen, omringd door sociale werkers en deurwaarders en schoonheden wier houdbaarheidsdatum is verstreken. Hij ruikt de geur van koffie met brood en spek (op hoogtijdagen biefstuk met friet), besmeurde kleren en kotsplakkaten. Alles stevent af op de ondergang, iets waarvoor Berckmans van stonde af de term defaitisme reserveerde die hij gul door zijn werk heeft gestrooid. Het verlatene trekt aan het oog voorbij, droefenis, de dood die te verkiezen lijkt boven het leven.
De lezer waant zich een socioloog van de skid row.
Tegelijk hoort hij de dronkeman die, zoals de overlevering wil, altijd de waarheid zegt. De woorden zijn op zo'n wijze geordend dat het gedram van mensen die ver boven hun tax zitten maximaal tot uitdrukking komt. In vijf zinnen beweert de hoofdpersoon feitelijk steeds hetzelfde, een functionele herhaling met varianten. Via zijn oren voelt de lezer een ongemak ontstaan, dat zich fysiek over hem uitspreidt. Zo'n effect kan louter worden gesorteerd door strengheid. De monoloog komt dan ook uit een verhaal waarbij in de schaduw van de hoofdpersoon een als Jean-Marie aangeduide schrijver figureert, uit wie een beeld ontstaat van een professional, iemand die zijn vak doodserieus neemt. Als Jean-Marie uit een kroeg wordt gesmeten, is de krenking dubbel: `dat hij een bekende schrijver is en naar Humo en naar De Morgen zou schrijven.' Bovendien blijkt hij ter voorstudie van de hoofdpersoon een bandopnemertje te hebben laten meedraaien aan de bar. Het aldus verkregen materiaal moet Jean-Marie hebben geoptimaliseerd tot skaz.
Het verhaal heet `Aantekening over De Beuckelaer Jean-Pierre.' Dat doet kinderlijk en bescheiden aan, maar het is ook zakelijk. Een oefening in literatuur, die Antwerpen de grimmige naam Barakstad heeft verleend.
Over het werk van Berckmans ligt een schijn. Hij zou bloemrijke anekdotes serveren over wat door hygiënische hoofden `de onderkant van de samenleving' wordt genoemd. Voor het werk in kwestie kan die term niet letterlijk genoeg genomen worden. Het ware hoofdpersonage bij Berckmans lijkt de reet, soms met een guitig, de dood in de pot brengend anglicisme `ashool' geheten. De meest frequent gepleegde handeling is het afvegen van de poep na een boodschap, iets wat wegens ontbreken van toiletpapier, acute diarree of vergaande verwaarlozing veelal tot mislukken gedoemd is. Louter de kapitalen waarin Berckmans BROEKSCHIJTERIJ heeft vervat staan pal. Voeg daar een autodatering als `het tijdperk van de latrine' aan toe, grinnik over `mijn rectum plus quam perfectum van de vuiligheid' en een mythe is geboren. Berckmans' werk kan erdoor gaan gelden als document humain, met authenticiteit als keurmerk.
Ik op mijn beurt wil geenszins voorbijgaan aan de onafzienbare ellende die Berckmans reveleert, maar evenmin aan de literatuur die hij ervan heeft gemaakt. Dan doel ik niet op een dirty realism, maar op iets wat klinkt. Dit kan esthetisch overkomen, zeker vanwege mijn onbekendheid met de Umwelt, het milieu en dialect dat Berckmans opvoert. Café De Raaf is voor mij een naam die, om het lomp te stellen, eerder een gedicht van Edgar Allan Poe oproept. Bij die beperking wil ik toch staande houden dat ik als lezer nauwelijks enige afstand van deze teksten hoef te nemen om vooral vorm te zien.
Ik zou verder willen gaan: een op de inhoud gerichte aandacht voor hetgeen Berckmans publiceert lijkt, hoe paradoxaal ook, esthetisch en belust. Hoe moet ik het zeggen - het aanprijzen van een street credibility heeft iets van het detecteren van onkruid tussen trottoirtegels vanuit een wolkenkrabber. Wellicht kan ik de blikrichting in dit beeld benutten. Mijn twijfels richten zich op een verticale aandacht die in de tekst een aantal universalia waarneemt. Die benadering ziet voorbij aan de horizontale lijnen, uitzaaiingen ter plekke, die specifiek zijn voor literatuur, en ook voor dit oeuvre. Weer anders gezegd: het verondersteld circulaire zal plaats moeten maken voor het feitelijk lineaire. Ondanks alle zever die bij Berckmans vanwege slechtzittende tandprotheses wordt gestort, ondanks alle stront die vanwege incontinentie vloeit, blijft zijn taal hard, uitgehouwen.
Het is maar wat de lezer wil weten. Wanneer onder een verhaal staat `With a little help from Alfred Rosengarten Nevada', dan kan die naam aan een vriend worden toegeschreven en snellen er aldus gedachten naar het nummer van The Beatles, eventueel in de uitvoering van de populaire innemer Joe Cocker. Maar het onderschrift hoort bij de titel en die luidt `Hoe het is', naar een ascetische tekst van Samuel Beckett. Over diens Malone dies meldt Taxi naar de Boerhavestraat (1995) terloops: `Het einde van de westerse literatuur. Zo niet het allereerste begin.'

maandag 29 november 2010

Willem Elsschot (2010)

‘En dan begint het gedonder opnieuw’

Stel dat Willem Elsschot zich had laten kunnen katapulteren naar de eenentwintigste eeuw om zijn eigen reclameman te zijn, hoe zou hij dan zijn werk promoten? Zou hij het zinrijk vinden het te smoren in loftuiting en dweperij, terwijl literatuur nu controversieel moet zijn? Die eigenschap draagt bij aan het summum, ofwel: ‘het debat’. Deze bijeenkomst Elsschot zeer kritisch beschouw ik daarom als uitstekende marketing. Graag doe ik eraan mee. Dat is overigens ook eigenbelang want zo kan ik mijn eigen niche uitventen.
Alleen snap ik niet goed waarom mij is gevraagd uitgerekend iets over Elsschot te zeggen. Diens werk is mij grotendeels onbekend, net als de secundaire literatuur. Hooguit drie boeken heb ik van hem gelezen, en dat ik hiervan niet eens zeker ben, tekent de geringe indruk die ze op mij achtergelaten hebben. Het zullen overigens mijn Hollandse genen zijn die dit op zichzelf beschamende feit niet als hinderlijk ervaren, er zijn immers veel andere boeken die mijn nieuwsgierigheid sterker prikkelen.
Helaas kan ik dus amper bijdragen aan het debat. Gelukkig bestaat dat in Vlaanderen niet, wegens infrastructurele redenen. Ook zal ik op geen enkele lange teen trappen door mijn probleem met Elsschots werk te verklappen: ik vind het saai. Tegelijk dringt in mij het besef door dat dit een curieus probleem is, omdat Elsschots boeken weinig pagina’s tellen. De teksten zijn voorbij voor je het weet, dus hoe kunnen ze dan langdradig overkomen?
Voor deze gelegenheid heb ik een steekproef genomen door Het Tankschip te lezen. Deze novelle is niet bepaald Elsschots debuut. Hij had de stiel al in de vingers, en daarom dunkt het me redelijk het te testen. Ik kende Het Tankschip ook niet, dus stond er fris tegenover. In elk geval letterlijk is het een waardevolle tekst; toen de voor zoonlief gesigneerde eerste druk uit 1942 werd ontvreemd uit een antiquariaatvitrine, schatte men voor 2000 euro lichter gemaakt te zijn. Zelf gebruik ik de officiële editie uit 2003, bezorgd door Peter de Bruijn.
In het nawoord van die uitgave is de hoofdreden voor mijn keuze te vinden, als Elsschot getuigenis aflegt van het schrijfproces van die ‘verdomde novelle’, dat zo’n twee jaar vergde:

‘Als ik het geschreven heb, begint het pas goed. Dan ga ik schrappen en bijvoegen; vooral schrappen. Zo veel tot ik op een geven moment tegen mezelf zeg: nu moet je ophouden anders blijft er helemaal niet meer over. Ik schrijf met de hand en na al dat schrappen en bijvoegen ga ik het tikken. En dan begint het gedonder opnieuw: weer schrappen, weer bijvoegen.’

De dunheid van Elsschots boeken is derhalve te wijten aan het feit dat ze uitgepuurd zijn. Dat soort economisch schrijven intrigeert mij, niet alleen omdat Elsschot daarom volgens de recente Boekenbeursbijlage van Knack als ‘de meest Nederlandse aller Vlaamse schrijvers’ geldt, maar ook omdat het een democratische ingang biedt voor een onderzoekje. Elsschot koos bewust niet voor redundantie, zoals de volgens dezelfde bron meest gelezen Nederlandse auteur in Vlaanderen, Herman Koch, dat deed in Red ons, Maria Montanelli uit 1989.

‘Ik heb nooit begrepen waarom de ouders van een kind dat achterlijk is, hem daarbij ook nog de verkeerde kleren aantrekken, zodat het nog meer opvalt. In de pauze stond hij in zijn winterjas op het schoolplein en kauwde langzaam op zijn boterhammen, die hij uit een plastic doos met deksel haalde, waarbij er altijd een paar broodkruimels op zijn kin bleven hangen en er ook wat speeksel uit zijn mondhoeken naar beneden liep. Het was zo’n zielig gezicht dat je had willen weten wie die ouders waren, dat ze hem daar zo in zijn veel te warme kleren broodkruimels lieten morsen en kwijl langs zijn gezicht lieten druppelen [eigenlijk kan het hele stuk achter de komma weg]. Maar als ik zeg zielig gezicht, dan is dat ook niet helemaal wat ik bedoel.’

Cursief zette ik alle overbodigheid. Het redundante effect wordt voornamelijk gesorteerd doordat de hoofdpersoon meer babbelt en opinieert dan verslag doet. Zogezegd veeleer skaz dan ambtenarentaal. Hoewel in Het Tankschip, dat een raamvertelling is, de meeste informatie evenmin komt van een verteller, maar tijdens een lang gesprek uit de directe rede van met name het personage Boorman, is dat relaas veel strakker. Waar bij Koch echter de hoofdpersoon naar eigen zeggen al niet slaagt te verwoorden wat hij bedoelt, is het een van de kenmerken bij Elsschots fameuze figuur dat deze dat al te goed kan. Boorman verpersoonlijkt aldus doelgerichtheid.
In die zin acht ik Het Tankschip een vaardig boek. Maar of het bijdraagt tot mijn leesvreugde, waag ik te betwijfelen. Mij zou het niet verbazen als dit project interessanter was geworden indien Boorman minder had gesproken en er een verhaal was opgezet met gelijkwaardiger actoren, zodat de krachten meer over het drama waren verdeeld. Nu koerst Elsschot eigenlijk rechtdoor op dezelfde weg.
En of er in Het Tankschip inderdaad geen woord te veel in staat? Ik zal u niet vermoeien of tergen met opsommingen van zinsneden waar Elsschots voornemen niet helemaal gestand is gedaan. Niemand is perfect noch kan zijn eigen woorden altijd nakomen en schoolmeesterij zal evengoed vergissinkjes bevatten. Misschien is het wel aardig een aantal stopwoorden en weerkerende uitdrukkingen te signaleren dat gelijkelijk is verdeeld over zowel de diverse sprekende personages als over de verteller: ‘dan ook’ als het gaat om een logica, ‘even’ als het gaat om een gebeurtenis, ‘eenig’ als het gaat om een aantal, ‘steeds’ als het gaat om een gevoel, en ‘opeens’ als het gaat om een verrassing. Ten slotte zeggen personages nogal eens wat tegen elkaar ‘met een *** blik’.
Noodzakelijk zijn zulke woorden niet. Voorts levert Elsschot pleonasmen als ‘door grootdoenerij imponeren’, ‘innerlijk koken van nieuwsgierigheid’ en ‘heftig gebonk’. Deze zijn echter evengoed op te vatten als superieure ironie, het punt waar het bij mij een beetje spaak loopt. Ik ben net te weinig proleet om stijl niet te kunnen waarderen, en geloof ook in de Russisch-formalistische idee van de-automatisering. Maar die beoogde een hernieuwde blik op de wereld, terwijl Elsschot zijn stijl inzette om een communicatiepatroon uit te tekenen, een ethologie waarin, voor zover ik het me herinner, de idealist Laarmans het aflegt tegen Boorman. Wanneer het mij zou lukken daarbij behorende ironie te smaken, dan hang ik de goede verstaander uit en behoor ik tot de vereniging Ons Soort Mensen waarvan de auteur uiteraard erelid is.
Die constatering geeft aan Het Tankschip een hedendaags tintje dat mij verrast, en voor Elsschotkenners wellicht logisch is. Sinds de klassenmaatschappij opgeheven schijnt, heeft namelijk een hardnekkige overtuiging postgevat over asymmetrie. Het begon ermee dat politici zakkenvullers zijn. Vanaf de kredietcrisis is daar het lastig te ontkennen feit bij gekomen dat zelfs falende bankiers, in nood bijgestaan door de overheid, bonussen mogen opstrijken. Dit terwijl ze netto slechts mooie woorden verkopen, en de zogeheten gewone man ondertussen degene is die dat allemaal met zijn belastinggeld moet betalen en die er telkens wordt ingeluisd. De plot van Het Tankschip drijft zelfs op het gegeven dat er door de verkoop van een schip eigen kapitaal niet in de staatskas zou verdwijnen. Of men dat nu als sociale kritiek ziet of als erkenning van een realiteit, Boorman blijft de grote ritselaar, wiens trucs men grinnikend of woedend moet gadeslaan, bij wijze van absolutie of catharsis voor het eigen leven.
Mij blijft het duister of dat de reden is waarom ik boeken lees, maar dat doet er niet toe. Het gaat om Boormans doelgerichtheid die bij ontstentenis van een valabele werkelijkheid louter in woorden gestalte kan krijgen en zich in Het Tankschip misschien niet helemaal perfect ontvouwt. Wie onder het schrappingsdogma althans alle verwante taalgevallen bij elkaar veegt, komt in Elsschots novelle, als ik het goed heb geteld, 248 woorden te veel tegen.
Pleeg ik nu heiligschennis? Ik kan het me niet voorstellen. Wat mij zou boeien is de reden waarom Elsschot zo fanaat zei te schrappen. Intuïtief kan daarop het antwoord zijn dat lezers dan meer kunnen invullen in plaats van uitgeduid te krijgen hoe en waarom een verhaal loopt zoals het loopt. De context moet voldoende ophelderen. Door de dosering van de auteur wordt lezen een vorm van meeschrijven, een onderhuids compliment aan de schranderheid van de lezer annex klant – indien die daar gevoelig voor is.
Op dit punt wil ik terugkeren naar het schrijfproces van Het Tankschip, waarbij in een bepaald stadium de novelle opgedragen werd aan de nagedachtenis van Menno ter Braak, die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zelfmoord pleegde. Met diens naam is in de literatuurgeschiedenis een ander, E. du Perron, nooit ver weg, alsmede hun tijdschrift Forum. Het illustere tweetal lustte schrijvers niet die nooit definitief afstand namen van het naturalisme. Ze vonden hen provinciaal, wat tot uitdrukking kwam in een zogeheten huiskamerrealisme. Hieronder vielen populaire streekromans en de moderne avonturenroman, die vanzelfsprekend een flinke omvang hadden. Een bijzonder doelwit bleek Theun de Vries, over wie Du Perron verzuchtte: ‘wat schrijft die Theun toch maar dikke boeken!!!’ Zijn eigen ultieme roman Het land van herkomst was anders ook niet echt anorectisch.
Nee, dan Elsschot, een held voor de mannen van Forum. In een stuk waar hij een link legde met Nescio essayeerde Ter Braak: ‘De romans van Willem Elsschot zijn geschreven in heel gewoon Nederlands, dat hier en daar de Vlaming weliswaar verraadt, maar nergens het provinciale taaleigen opdrijft tot een cultus. Dat wil zeggen, dat de romans van Elsschot hun betekenis danken niet aan het feit, dat ons het water in de mond komt als wij ze lezen; Elsschots taal is vrij van alle extravagantie, sober, soms scherp afgebeten, een andermaal precies vertellend, met de koele humor van de waarnemer.’
Wat men ook als Vlaming in deze Hollandse wijsheden kan proeven, hier wil ik nagaan hoe deze legitimatie van Elsschot, waaruit met een fikse dosis projectie een geur opstijgt die vette provincialen moest verjagen, zich voortplantte in de literatuur van Noord-Nederland. De schrapmythe exploiteer ik dus niet teksteditorisch-interpretatief, maar poëticaal-politiek.
In 1963 verscheen een roman die volkomen in de geest van het roemruchte tijdschrift was geschreven, met handelingen en meningen van enige studenten Nederlands te Amsterdam: Bij nader inzien van J.J. Voskuil. Toch zou ik dit boek evengoed een streekroman van de Oudemanhuispoort kunnen noemen, al was het om de uitputtende nauwgezetheid waarmee ieder wissewasje genoteerd wordt en dat de duizend pagina’s ruim overstijgt. (Uit dezelfde kring van Forum-adolescenten kwam Frida Vogels, wier cyclus De harde kern dertig jaar later veel critici verleidde het duizelingwekkende aantal pagina’s te vermelden, met de verzekering dat het dundruk was.)
Bij nader inzien kende een wisselende ontvangst, die terug te voeren was op poëticale premissen. Het tekstgerichte tijdschrift Merlyn wilde in zijn benaderingswijze afrekenen met de erfenis van het personalistische Forum, van wie Ter Braak tegen zijn maat Du Perron bijvoorbeeld kon beweren: ‘Het sympathieke in Elsschot is, dat hij geen seconde de dupe is van zijn eigen zwendelarij; hij is een combinatie van Laarmans en Boorman en als ik me niet vergis au fond een uiterst geschikte kerel’. Over Voskuils megaroman was Merlyn-redacteur Kees Fens negatief. Hij had een voorkeur voor teksten die ‘naar het epigrammatische’ neigen. Ontzag schiep hij voor ogenschijnlijk eenvoudige, veelal uit de journalistiek stammende kortebaanschrijvers als Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt. Hun puntige stijl was volgens Fens in de Nederlandse literatuur schaars vertegenwoordigd, mede als gevolg van ‘een wat overernstige, misschien ook moralistische traditie’. Fens tracht op zijn beurt aan te haken bij de smaak van Forum, door aan Voskuil die achtergrond te ontnemen. Voor hem, Fens dus, loopt er een geldige lijn van Nescio en Elsschot naar de vroege Reve tot Alberts, allen gekende auteurs van dunne boekjes.
Precies die lijn wordt in de jaren zeventig geëxploiteerd, getuige ook een bloemlezing van verhalen uit dat decennium, ingeleid door Aad Nuis. Hij gewaagt dan van een ‘ironisch-realisme’, helder én met een geringe omvang. Dit bevestigt het Forum-schema betreffende de omvang en ontkent het betreffende een neonaturalistische mentaliteit. Wel worden Nescio en Elsschot andermaal kroongetuigen voor de goede zaak. Terwijl Jeroen Brouwers een soortgelijke diagnose stelt en die boeken juist in hun pretentieloosheid vervloekt, kunnen ze Nuis’ goedkeuring wegdragen, temeer daar hij lijvige en ambitieuze romanprojecten als van Joyce & Co, Polet en Vogelaar, die in diezelfde tijd hun voltooiing naderen, minder kan waarderen.
Een decennium later bevestigt Aad Nuis in een serie colleges te Groningen zijn voorkeur voor dunne literatuur. Hij rekt het begrip zelfs uit. Dun verwijst naar een stijlopvatting, die opponeert tegen ‘de Brouwerse moerassen’ die dik vertegenwoordigen. Nuis parafraseert deze tegenstelling in het zuinig omspringen met woorden versus flamboyante overdaad. Aldus zou de Nederlandse literatuur vooral dun zijn, een overjarige constatering gevoegd bij een dito epitheton: calvinistisch. Vlaamse schrijvers heten in dat licht dik of, om een ander befaamd epitheton te gebruiken, barok.
Daarbij noemt Nuis Elsschot als uitzondering. Met hem daagt dat andere cliché, de kunst van het weglaten. Dik schrijven lijkt Nuis minder authentiek Nederlands, ‘meer iets voor Amerikanen of Duitsers uit Dantzig of iemand als Rushdie.’ Nuis’ voorbeelden van de Nederlandse variant hierop zijn weinig vleiend, zeker bij kwalificaties als ‘grote zelflitanieën’ en ‘stapelaars van formaat die hun teksten op zeer uiteenlopende manieren volstoppen’.
Ook hanteert Nuis het begrippenpaar exuberant-intiem. Exuberant staat bij hem voor grote woorden en dito constructies en ideeën. Niet zo best kennelijk. Wie zou hem deze opinie euvel duiden? Hij is niet meer onder ons, net als Willem Elsschot. Wel zat Nuis lang in de politiek, bij een partij die Ter Braak volgens hem zeker ook had gekozen. Hij, Nuis dus, werd nog staatssecretaris van de linkse hobby’s cultuur, kunst en media, en hij moest ongetwijfeld lijvige rapporten doorworstelen. Doelgerichtheid is dan lijfsbehoud – een koninkrijk voor een memootje.
Ik zou haast gaan denken aan volkswijsheden dat zij die veel woorden nodig hebben leugenachtig zijn en dat, als nauwelijks meer impliciete ethische en devote categorie, eenvoud het kenmerk is van het ware. Zo mogelijk nog meer onbetwistbaar, want een empirisch feit, is dat in Van Dale, Nederlands officieelste woordenboek, als voorbeeld bij het lemma dunheid een zin stond, die bijna zeker door Boorman is aangedragen: ‘de dunheid van het boekje is een voordeel’.

Toespraak bij De stad van Elsschot, Letterenhuis, Antwerpen 21-11-2010

zondag 7 november 2010

Rein Bloem (2010)

‘Weinig badwater ging verloren’


Anderhalve maand geleden had Huub Beurskens een posting over J.H. Leopold. Met een technische kritiek brak hij diens poëzie, blijkbaar door dichters én letterkundigen gewaardeerd, in mootjes. Een opsomming van wikkend becommentarieerde details moest bewijzen dat Leopold zowel niet kon incanteren als verbeelden. Hierop kwam een intense reactie van de poëzieblog De Contrabas. Daar werd met geen woord gerept over Leopold, laat staan over diens gedichten, en met veel woorden over determinanten bij Beurskens in verband met zijn integriteit aangaande recente affaires die slechts de website zelf leken aan te belangen. Toch trof me tussen alle roodkonigheid een half hoofdzinnetje, dat een observatie van een Dritte im Bunde op het sociale netwerk Facebook citeerde: ‘Deze poëzie verweert zichzelf wel’.
Mij interesseert dit idee, omdat het appelleert aan een utopie. Dit althans wanneer ik geloof hecht aan een stelling, die ik enige tijd geleden lanceerde maar die eerlijk gezegd door weinigen wordt onderschreven: dat uitgevers hun boeken te weinig van binnenuit kennen om ze adequaat te kunnen introduceren bij potentiële lezers. Ik vrees dus dat voor wie het genre een warm hart toedraagt alle poëzie, inclusief die van Leopold, openbaar moet worden gelezen en herlezen, en in die simpele hobby bijna beschermd als een opgejaagd dier. Dat er, om eens een geduchte term te gebruiken, content aan moet worden verleend.
Als er iemand daartoe in staat is, dan toch wel Rein Bloem. Dit blijkt andermaal uit de selectie Lees dat en herlees dat, waaraan Perdu haar naam heeft mogen verbinden maar die ongetwijfeld is gefinancierd door alle uitgevers van de Lage Landen wier backlist de afgelopen veertig jaar door Bloem, overigens ook door zijn vertalingen, bij elke denkbare doelgroep onder de aandacht is gebracht. Specifiek over één gedicht van Leopold schreef hij bijvoorbeeld een kort artikel voor Raster in 1998 en daarover vertelde hij destijds ook op de radio.
Wel dekt het werkwoord ‘vertellen’ niet wat Bloem deed en waarom hij tot een van mijn helden behoort. Enthousiasmeren: dat is wat hij deed. Tegelijk verrichte hij met het artikel een knappe prestatie binnen de tak van sport die sinds onheuglijke tijden met de spelregels zit te hummelen en die de neerlandistiek wordt genoemd. We horen Bloem niet over Leopolds uitgeversperikelen en zijn strategieën een plaats in het bestel te krijgen, noch over de poëtica die uit Leopolds beschouwingen te destilleren valt, noch over de kritische ontvangst toen en nu van zijn teksten, noch over zijn ouders en geliefden of over de drukgeschiedenis, noch over de maatschappij en Leopolds engagement daarmee.
Nee, voor al die belangwekkendheden heeft Rein Bloem het te druk. Hij houdt zich namelijk bezig met lezen van de tekst die hij onder handen heeft en met verklaren waarom er staat wat er staat. Zo behandelt hij, misschien nog net wat meer op de vierkante millimeter dan Beurskens, een puntkomma, een aantal lettergrepen, een pars pro toto, een enjambement, een rijm, een neologisme, een herhaald voorzetsel, een hoofdletter en een verledentijdsvorm.
Literatuur is in de eerste plaats een bijzondere vorm van taalbehandeling. Niet voor niets noemt Bloem in dit stuk zijn leermeester Wytze Gerbens Hellinga. Deze heeft, samen met H. van der Merwe Scholz, in 1955 een volgens mij cruciale bijdrage geleverd aan de neerlandistiek: Kreatiwe analise van taalgebruik. Prinsipes van stilistiek op linguistiese grondslag. Maar Bloem zou Bloem niet zijn wanneer hij van Leopold geen ander gedicht behandelt dan zijn leermeester het tot tranen toe had gedaan. Wel besprak Bloem van Leopolds ‘Schepen liggen er’ alleen al de eerste twee regels naar eigen zeggen uitentreuren in lezingen, essays en lessen. ‘Schepen liggen er, pats daar liggen ze. Een normale zinsbouw zou die onmiddellijkheid niet veroorzaakt hebben. Concreter kan het niet, ware het niet dat wij, volop aanwezige toeschouwers, tegelijkertijd buitengesloten worden, we weten immers niet waar we zijn’.
Hellinga, niet direct herinnerd om zijn scheutigheid, is ook degene geweest die aan de jonge Bloem na een mislukt examen een boek gaf van ene Mallarmé, met de tekst ‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’ die volgens de oudere Bloem aan de basis staat van een precaire, desgewenst wit te noemen traditie in de Lage Landen.
Het Leopoldstuk is niet helemaal representatief voor Bloem. Sporadisch begaf hij zich in het mijnenveld van auteursintenties en biografische anekdotes. Dat waren de voor mij wat minder aantrekkelijke kanten aan Bloems exploraties, die wellicht zijn opgevat als pushing van een poëtica of exclusiviteitsbeding van een auteur. Ik denk niet dat die diagnose op waarheid berust, maar ontwaar wel tekens die in de richting kunnen wijzen, met name Bloems legitieme constatering dat door het venttijdschrift Forum ‘de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie (kunst en misschien wel samenleving) met vijfentwintig jaar vertraagd’ is.
Bloem pleegde dus ook inhaalmanoeuvres, waarmee het besef rijst van zowel hun urgentie als hun soms roekeloze haast. Mij lijkt het daarom vruchtbaarder zijn pleidooien te bezien in hun functie en effect, omdat de literatuur die ze willen dienen kennelijk niet meteen toegankelijk is. Bloem wil niet alleen ‘de mythe van moeilijk’ ontkrachten, hij wil bovenal – en daar is-ie weer – enthousiasmeren door anderen uit te nodigen mee te doen. Dat zeg ik zo expliciet omdat aan enthousiasmeren nog een kantje zit, dat Rein Bloem verre van zich heeft weten te houden: het wijzen op de eigen voortreffelijk- en ruimhartigheid, en lezers daarmee impliciet op hun dom- en beperktheid.
Dergelijk egogebonk of fanatisme kent Bloem niet, hij probeert de lezers zich juist even te laten concentreren om een kader af te leggen, door in altijd montere taal een logica op te zetten die even complex is als een goochelaar die een truc vertoont. Zelf beweerde Bloem: ‘Ik ben nu eenmaal minder uitbundig, meer van het verstandelijke zou je zeggen. Maar van alle manieren om te zeggen dat je van iets houdt, is dat er ook een’. Kortom, zulk enthousiasme is niet eens eng. En voor alle duidelijkheid, wereldvreemd wordt de kunsttaal er volgens Bloem evenmin van, getuige zijn observatie tijdens het lezen van Van Ostaijen: ‘Poëzie verlegt de horizon, transponeert de zichtbare werkelijkheid zonder die geweld aan te doen; integendeel, die werkelijkheid blijft voor ogen staan, maar krijgt een nieuwe dimensie’. Zijn eigen werkzaamheden daarbij schaart Bloem in het Leopoldartikeltje niet onder de analyse, maar onder de kanttekeningen.
Tot slot is mijn fascinatie precies door dit stuk gewekt omdat Rein Bloem bekent dat Leopolds Verzen 1897 behoorde tot het talloze dat hij op twintigjarige leeftijd had gelezen, ‘een stortvloed van gedichten’. Het mooie is dat die hem blijvend hebben bepaald, ‘weinig badwater ging verloren, ik put er nog dagelijks uit’. Dit verklaart meteen Bloems soms idiosyncratische wendingen in een betoog, als hij schijnbaar vanuit het niets een verwijzing op touw zet naar een bron uit een andere era en taal: het kunststuk van dienst draagt hij, in een lichamelijke intertekstualiteit, sinds zijn adolescentie met zich mee.
Dit vind ik razend knap. Vooral omdat het iets ongelooflijks heeft zich professioneel bezig te houden met poëzie. Sporadisch is mij dat overkomen, momenteel ook weer – en ik heb me daar altijd bespottelijk bij gevoeld. Ik lees nu veel non-fictie tegenover al die gedichten, om de actualiteit niet te vergeten. Maar Rein Bloem laat zien dat dit onzin is, snobisme waarschijnlijk. Hij toont in en met zijn schrijven wat het is, leven met literatuur. Dan gaat het dus om ervaring, bijvoorbeeld bij een gedicht ‘dat deze tekst op mij werkt alsof ik er zelf bij ben geweest, ik heb iets onmogelijks gezien en ademloos genoten van niets’. Daar is niks elitairs aan. Ik geloof Bloem als hij van zichzelf zegt dat hij altijd leest alsof hij 10 tot 14 jaar was.
Bloem bewijst ook dat Leopold geen moeilijke dichter was, net zo min als Faverey en Ouwens dat volgens hem waren. Dat Bloem, onder de vlag van drie decennia oude polemieken, nog altijd wordt weggezet als apologeet voor een beperkt aantal hermetici, vind ik triest. Omdat dit dus niet rijmt met zijn beleving van literatuur. En voor de volledigheid, hoewel ik snap dat beeldvorming bitter weinig met feiten uitstaande heeft, herinner ik er even aan dat Bloem warme pleidooien hield voor werk van heel andere, voor mijn part dan toegankelijk te noemen dichters, zoals Chris Honingh en Philip Ingelse.
Die open mind is wellicht mede in de hand gewerkt door de diversiteit van de teksten zelf. Als dat zo is, dan heeft kunst een functie, een verkwikkend effect zou ik moeten zeggen, en dus een rendement. Rein Bloem heeft content verstrekt, aan auteurs, aan uitgeverijen, aan lezers en, gelukkig maar, aan zijn eigen leven en dierbaren. En doordat zijn stukken openbaar zijn, wordt die content gedeeld ten bate van een gemeenschap die zo groot kan zijn als ze zelf wil. Misschien is dat toch goed om in het achterhoofd te houden, in tijden dat regeringen boven kunsten staan te zwaaien met kaasschaven die lijken op harakirizwaarden.

Toespraak voor Stichting Perdu, Amsterdam, 5-11-2010

zondag 17 oktober 2010

Cultureel verschil (2010)

Vertaalslag

Het verschil als van dag en nacht tussen België en Nederland strekt zich uiteraard ook uit over de taal, de motor voor basaal begrip. Jonge voorgelezenen moeten evengoed creativiteit, empathie en verhitte verbeelding uit de kast halen om uit hun vakliteratuur tot een vergelijk te komen.
Zo is ons drieënhalfjarige taalkundig genie S., na het succes dat de gebonden editie van Bobbi op het potje bij haar verwekt heeft, begonnen in de Noord-Nederlandse pageturner De dag dat… ik mijn speen wegdeed. Bij de titel ontstaat voor haar meteen een raadsel rond de niet geheel onbelangrijke ‘speen’, dat door het synoniem ‘tutje’ eenvoudig opgelost kan worden. Dat is echter schrijftaal, want gesproken hebben we het over een ‘tuutje’. En dat woord betekent in Noord-Brabant, waar ik geboren en getogen ben, iets anders. Ik weet dat uit Rituelen uit 1980 van Cees Nooteboom. In die roman slingert een vrouwelijk bijpersonage uit die provincie precies deze term naar het geslachtsdeel van een mannelijke hoofdpersoon, om er diens besnedenheid mee aan te duiden: ‘Moar ge hèt gin tuutje’. Wat ingewikkeld om aan S. uit te leggen, maar zulke verwarring kan op termijn beter bestreden worden.
Voor een door het moderne tijdsgewoel in zijn welwillendheid toch al onzeker geraakte ouder is het een klus om het gebied rond de lendenstreek tweelandelijk in kaart te brengen. Gelukkig werden er voorbereidingen getroffen door Jeroen Brouwers. Hij legde uit dat in een Vlaamse roman bij grachtengordeluitgeverijen een rokje dan wel kort kan zijn, maar ook weer niet zo kort dat Amsterdam permanent tussen Sodom en Gomorra ligt: een dan zichtbaar wordende ‘bil’ duidt op een lichaamsdeel dat in het Noord-Nederlands ‘dij’ heet. Zelf besefte ik toen meteen waarom sommige Vlamingen mijn werk ronduit onbegrijpelijk vinden, geworteld als het is in de traditie van de belligerente literator van onze familie, mijn KNIL-opa Christiaan Kregting, die ooit aan het rijmen sloeg voor een prijsvraag van een bepaald wasmerk: ‘Zelfs de billen van een homo / krijg je schoon met Omo’.
Van een nog grotere complexiteit lijkt me de bilaterale wanorde rond het woord ‘poep’. Ten noorden van de Moerdijk slaat dat op iets waar S., in combinatie met ‘scheetjes’, veel over spreekt, maar waarvoor zij een alternatieve betiteling heeft. Die zorgde voor consternatie tijdens het recentste wereldkampioenschap voetbal, toen bij Nederland-Brazilië een dreigend uitgesproken observatie van de commentator mij de zenuwen gaf en haar de slappe lach: ‘Kaka aan de bal’. In België is ‘poep’ daarentegen een equivalent van twee noordelijke billen (en dus niet van een dij). Ik moet me dat altijd goed inprenten indien ik op familiebezoek ga en niet al in de trein tot pedagogische dadaïst gedegradeerd wil worden wanneer ik ten einde raad mijn dochter toeroep: ‘Ga op je poep zitten’. Voor de werkelijkheid die deze uitdrukking in mijn geboorteland schept, zij verwezen naar het oeuvre van Markies De Sade.
Een nieuwe dimensie aan de onderbuikdeemstering gaf een boek dat S. onlangs cadeau kreeg van genoemde familie. Het was een internationale beststeller van Werner Holzwarth uit 1989, met tekeningen van Wolf Erlbruch: Vom kleinen Maulwurf, der wissen wollte, wer ihm auf den Kopf gemacht hat. Het boek is zelfs vertaald in het Fries, dat geen dialect is maar een heuse taal: Fan de lytse mol, dy’t witte wol wa’t him op 'e kop skiten hat. Ook daarin beleefde het, haha, herdruk na herdruk.
Voor de aan S. geschonken vertaling in het Nederlands, waarvan de eerste editie in 1990 op de markt kwam, tekende de ervaren Ineke Ris. Zij vond het één van de allerleukste opdrachten uit haar loopbaan. En een succes blijkt het ook. Naast de reguliere versie is er een gebonden editie van, een mini-uitgave, al dan niet met een pluchen mol erbij, een kartonboekje en een pop-up, wat dat ook moge wezen. Die anklang komt wellicht mede doordat het boek praktische diensten bewijst. Een rijpere lezer getuigde: ‘Mijn jongste vond het nooit leuk om naar het toilet te gaan, maar met dit boekje bij de hand lukte het wel.’ Zelf zou ik willen wijzen op de titel, die de lading van het boek dekt maar me aan de pregnante kant dunkt: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft.
Voor Noord-Nederlanders van alle leeftijden is meteen duidelijk wat de dramatische actie is; kenners van de specifieke lyrische traditie aldaar zullen mogelijk zelfs De Raggende Manne een milde comeback horen maken. Ten zuiden van de Moerdijk zullen de wenkbrauwen echter gaan fronsen. De jongeren onder hen zijn makkelijk bij te lichten, uitgaand van het gulle alternatief van mijn dochter en krijgen er dan een alliteratie bij cadeau: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop kaka heeft gedaan. Omdat ook dit kinderboek de muzikale structuur in een vraag- en antwoordspel heeft en de notoir bijziende mol bij zo’n beetje elk denkbaar dier informeert of die op zijn kop kaka heeft gedaan en daar steeds een ontkenning op volgt, ontstaat er gaandeweg bij de voorlezer hooguit uithoudingsvermogen- en concentratiehinder bij de geïmproviseerde vertaling naar het Vlaams. Gelukkig blijft de geest fris omdat het betreffende dier ook telkens de technische term voor zijn uitwerpsel laat vallen, van vijg over keutel naar vla.
Oudere Vlamingen vanaf ongeveer twaalf jaar hebben bij de titel Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft geheel andere associaties, omdat ‘poepen’ slang is voor cohabiteren, wat bijna Latijn is voor de oudste beweging der wereld. Ik noem die dode taal mede, omdat ze verbonden is met katholiek onderwijs en dus op tragische wijze ook met de onherroepelijkheden die heden expliciet in het nieuws zijn. Een van de bizarre details rond het seksueel misbruik is dat de slachtoffers in het openbaar de criminelen bij hun weinig tot de fantasie overlatende bijnaam noemden, zonder dat er iets gebeurde, laat staan veranderde. Tot die bijnamen behoorden niet alleen de trekker en den bok maar ook poepke. Dat was toen. Na de recente televisiereeks Van vlees en bloed die gaat over een slagersfamilie in de Kempen, schijnt de outdoorvariant ‘bospoepen’ een nationale sport geworden voor door de week en in het weekend.
Dat de vertaling van dit boek is geïnitieerd door uitgeverij C. de Vries-Brouwers b.v.b.a., die volgens het colofon Antwerps-Rotterdams is maar in eerstgenoemde Vlaamse stad gevestigd blijkt en sinds 1946 actief, maakt de gekozen titel nog pregnanter. Ze is gericht op de Noord-Nederlandse markt, waar de meeste lezers zijn en waar sinds jaar en dag, ondanks Christoffel Plantijn wiens vruchten misschien niet voor niets door de UNESCO tot het werelderfgoed worden gerekend, het epicentrum van het literatuurbedrijf ligt. Dat anders gezegd heden het zuidelijke filiaal van een klaarblijkelijk tweelandelijke firma akkoord gaat met een titel die het profijt en het begrip elders legt, is een vorm van aanpassing die een lange geschiedenis heeft. Evengoed kan het dat de vertaalster, afkomstig uit Noord-Nederland, geen weet heeft van de bijkomende betekenis van ‘poepen’ in Zuid-Nederland. Ook dat gebrek aan kennis heeft een respectabele traditie.
Of de titelacrobatiek nu dus berust op accommodatie of desinteresse, ik weet niet of onze S. ervan op de hoogte moet worden gesteld. Wel doet ze nog geen jaar met oneindig veel plezier aan ‘kleutergym’ en heeft ze last van een flonkerend geheugen. Na kennisname van de plot antwoordt ze op de allereerste van de ontelbaar vaak herhaalde vraag van de mol wie er kaka heeft gedaan op zijn kop: ‘Het is Bullebak, het is de hond van de slager!’ En wanneer de protagonist, door S. meestal Molly de Mol genoemd (naar het gelijknamige boek van Kate Veale waar dat dier in een vuilnisbak valt en vervolgens slechts uit de gemeentestortplaats weet te ontsnappen door een slakkenspoor van zijn vriendin Lilly Gelatine), na toepassing van het principe oog om oog, tand om tand kan wederkeren naar waar hij vandaan kwam, blijkt haar eindoordeel altijd weer relevant: ‘De mol gaat terug in zijn hol’.

De Manke Usurpator

zondag 30 mei 2010

Authentieke taal (2004)



En de bal die joeg in de touwen



1.
‘the melos yields the mode and the mode the manners’
James Joyce

Het zou me niet verbazen wanneer de mens in zijn natuurlijke staat, selfsupporting, permanent heeft gezwegen. Pas toen hij bij het voorzien in zijn behoefte anderen nodig had, zal het gebaar zijn ingevoerd en even later de blues. Ook die lapmiddelen volstonden niet en op den duur is verbaliteit ontstaan die, met een gegroeide differentiatie in de vraag, complexer werd. Wij weten inmiddels niet beter. Maar hoe praat een mens eigenlijk, ook in frontsituaties jegens de ander? Als ik de commentaren bij het Polygoonjournaal mag geloven: in volzinnen met een tinkeling van fijne cadansen, en met antwoorden na keurige pauzes op vragen. Nu geldt dat journaal als gedateerd, het is inmiddels opgeheven, dus mijn geloof telt niet, stoelt op een herinnering. Toch beklijft de indruk dat de mens ook in zijn mimetischer momenten naadloos communiceert. Zelfs uit famous last words mag worden afgeleid dat de naderende capitulatie in elk geval niet syntactisch is.
Volgens mij vertoont al dat moois in werkelijkheid meer rafels. Maar misschien ben ik in dit idee te particulier, nadat ik voor het eerst van mijn leven een tekst onder ogen kreeg die de letterlijke neerslag was van een gesprek dat ik gevoerd had. Ik waande me een verpersoonlijkte globalisering, opgeslokt door zijn resten. En vooral een levende anakoloet, voor de gelegenheid op een stoel neergeplant bij een minidiscplayer. Mogelijk kan een punctie in enigszins recente literatuur der Lage Landen de bewijslast verleggen.
Korte inhoud van het voorafgaande.
De Tweede Wereldoorlog was amper voorbij of de Vijftigers ontketenden de revolutie door onder meer, in de wederopbouwtijd van schaarste en gehaktbrood zonder al te veel gehakt, te associëren met woorden. Dat leek een warmbloedig protest tegen een duffe moraal, ze lonkten naar het irrationele ook. Niet veel later kwamen er tekenen dat het daarmee maar weer afgelopen moest zijn. Yes, but not like that! Het van oorsprong Vlaamse tijdschrift Gard Sivik maakte een begin met de herstart en in de bundel Geboorte-stad (1958) van tussenfiguur Sybren Polet was al een, vanuit neonieuw perspectief, aangename koelheid te voelen die een artikelenreeks van literatuurhistoricus Calis ving met de catchphrase ‘daling van temperatuur’. Als aanvulling op Atonaal, Vijf 5 tigers en Rodenko’s fameuze bloemlezing Nieuwe griffels schone leien, die de Vijftigers in een traditie had geplaatst en daarmee definitief geïnstitutionaliseerd, maakten René Gysen en Hans Sleutelaar er in 1960 ook eentje: Met andere woorden. Door Armando werd vanaf 1961 een verbinding aangegaan met de Nul-Zéro groep, en hij propageerde twee jaar later plechtig het ‘einde van de Renaissance. Begin van wat men voorlopig noemt “Het Nieuwe Realisme”. Voor het eerst in de kunstgeschiedenis levert de kunstenaar geen commentaar op de werkelijkheid. Hij interpreteert niet. Hij aanvaardt de werkelijkheid.’
Zoals bekend toonde het omslag van Gard Siviks 33ste nummer (januari/februari 1964) een snelheidsbord waar door het getal vijftig een streep was gezet. Een Nieuwe Datum In de Poëzie, heette het, en C.B. Vaandrager en Hans Verhagen gooiden kopieën van het omslag op het eerstvolgende Boekenbal in het publiek. Een plengoffer aan literatuur die, buiten de bebouwde kom van de intentie, geen literatuur meer wou zijn? En toen ging ook het gangbare bohémienbeeld van de kunstenaar op de helling, toen het internationaler georiënteerde avant-garde tijdschrift De Nieuwe Stijl onder de titel ‘Parade der Proleten’ veertig bladzijden lang uitpakte over het dragen van een baard boven sloeberkledij, en over zelfoverschatting in de reguliere kunstkolommen. Een nieuwe traditie vestigde zich, en was zo pril niet of er kwam vanzelfsprekend een satire op. In de roman Tjeempie! of Liesje in Luiletterland (1968) van de voormalige Vijftiger Campert gaf schrijver Cees Bakels ‘informaatsie zonder emootsie’ en vertolkte ‘koel de eigentijdse stem’ zonder ‘intupputtaatsie, dzjust de pleen fekts’.
Journalistiek in de pas opgerichte Haagse Post maakte zich opzichtig afwezig door louter de geïnterviewde te laten spreken in een historisch presens. Het geijkte woord moest het maar doen, met adequaat en letterlijk economisch taalgebruik. De auteur leek een cameraoog te zijn geworden, een zeer bescheiden Olympiër, methodisch zuiver in zijn perceptie. Alsof Eisenstein nooit had bestaan. Ook zou je denken dat het ontbreken van enigerlei vertellerscommentaar de recipiënt uitlokt tot het debiteren van een moraal. Desalniettemin, wanneer er officieel ooit een mimetische weergave van de gespreksstijl is geweest, dan moet het in deze periode van de literatuurgeschiedenis zijn. ‘Werkmethode: isoleren, annexeren. Dus: authenticiteit’, berichtte Armando wellicht ten overvloede als primeur.


2.
Het interviewboek De ssers (1967) zou het meest consequente product van De Nieuwe Stijl en de Haagse Post zijn. Het was bepaald controversieel. Eindelijk zat Holland weer goed in zijn vel en werd er werk gemaakt van een auto voor eenieder en een boterham met tevredenheid waarop een biefstuk lag – om met dit boek herinnerd te worden aan het feit dat dat vel ruim twee decennia daarvóór dicht tegen het been had gekleefd. En dan kregen de helpers aan dat onvrijillige dieet nog het woord ook! Aafjes’ beruchte verwijt aan het adres van Vijftiger Lucebert indachtig, leek de ss letterlijk alsnog de literatuur binnengemarcheerd. Anderzijds doneerde de positief over het werkstuk gestemde Willem Frederik Hermans terstond de jijbak dat het moreel hoogstaande Nederland evengoed had geheuld door mee te werken aan de moord op percentueel het grootste aantal joden in Europa.
De geïnterviewden toonden geen spijt.
Getuige hun inleiding hadden Armando en Hans Sleutelaar 2500 foliovellen tot hun beschikking die hun gesprekken met acht Hollandse Waffen-ssers woordelijk weergaven. Daarna schrapten Armando en Sleutelaar hun vragen en opmerkingen, en dat leverde een boek van 474 pagina’s op. Redelijkerwijs zal er dus meer geschrapt zijn en lijkt het de vraag of de lezer niet voornamelijk op lassen stuit. Volgens het tweetal was er echter geenszins ingeboet aan authenticiteit. De geïnterviewden hadden de teksten zelfs geautoriseerd. Ten overvloede ondertekenden Armando en Sleutelaar hun inleiding met ‘de samenstellers’.
Om het corpus niet persoonsgebonden te laten zijn, geef ik van elk van de acht in De ssers sprekende Nederlandse vrijwilligers voor het Duitse kamp een ongeveer even groot fragment, dat in het boek wordt voorafgegaan door een witregel, dus waarschijnlijk door een vraag.

Er was een speciale formule toen wij beëdigd werden in Sennheim: dat we enkel ingezet werden tegen het Communisme en niet in het Westen. Dus niet tegen de Engelsen of Amerikanen. Dat was redelijk, want de Engelsen en Amerikanen beschouwde je eigenlijk nog wel als je broedervolk.

Wat ik hier goed aan vind, is het woord ‘formule’. Dat is namelijk niet de precieze term, en zo gaat dat als je praat, en tegelijk moet je verder. En dan ga je achterwaarts denken terwijl je vooruit doorbabbelt, en daarom komt mij de volgorde in de laatste nevenschikkende bijzin niet helemaal authentiek voor – zeg ik bijna vier decennia jaar later. In de hedendaagse spreekpraktijk zou ze luiden: ‘(…) beschouwde je wel nog als je broedervolk eigenlijk.’ Of reëler zelfs: ‘(…) beschouwde je wel als je broedervolk eigenlijk nog.’ Het gebruik van de passief in het begin, nota bene ook wel lijdende vorm geheten, dunkt me eveneens opmerkelijk, alsof de man zich lichtjes onttrekt aan de eventuele consequenties van het feit dat hij ooit elders in bezwarende omstandigheden heeft vertoefd. Aldus kan hij overstappen van ‘we’ naar ‘je’. Twintig jaar later constateerde Armando dan ook met recht, denk ik, dat mensen ook hun vreselijkste daden in een bedje kunnen leggen en met woorden toedekken. Overigens weet ik geen goed alternatief voor ‘formule’.

Goed, man-tegen-man-gevechten wil zeggen, je ziet dat je eigen kameraden met bajonetten doorstoken worden. Dus je steekt de tegenstander ook met het bajonet. Je vecht met geweerkolven, je vecht met pioniersschoppen, met dolken. Niet alleen dat je tegenstander dat gebeurt, je ziet van je eigen kameraden ook dat die dat gebeurt.

Waarom meen ik hier ineens een voetballer te horen? Komt het door de, van de vorige ss-er wat afwijkende, singularis modestiae ‘je’, dat Ronald Koeman, inclusief het evenmin kinderachtige ‘mijn persoontje’, later tot grote hoogten zou opstuwen? De aanvang dunkt me ware spreektaal. De bijzin begint niet met het correcte ‘dat’, nee, door de emotie van de herbeleving ga je in één adem een nieuwe hoofdzin construeren. Ook treffend is daarin het pleonasme ‘eigen kameraden’, dat de luisteraar wil overtuigen van de noodzaak én het noodlottige aan het in wezen abjecte in crisissituaties. Daardoor wordt de tweede zin merkwaardig stijfjes. Dit zie je aan het verkeerde, al te deftige lidwoord ‘het’ voor ‘bajonet’ (hypercorrectie), maar vooral aan een lichte vorm van depersonalisatie: je steekt zo’n ding immers ín iemand. Of ben ik nu een purist? Depersonalisatie lijkt begrijpelijk vanuit het standpunt van de dader die, ter instandhouding van zijn geweten, het slachtoffer als ding wil zien. De opzet van het boek werkt hier ook aan mee: terecht merkte Hermans op dat het beter De ssers, vijfentwintig jaar later had kunnen heten, er heeft zich eelt kunnen vormen op huid en ziel. Het kan echter goed dat ik nu echt aan het hineininterpretieren ben geslagen, omdat een aantal factoren oncontroleerbaar is: de stressfactor ten tijde van het interview, ontwikkelingen in een dialect dat mij sowieso onbekend is… Zelfs kan ik me voorstellen dat ‘de tegenstander met het bajonet steken’ hip klonk, en dat de spreker er, gestreeld door de aandacht, als het ware een projectie mee pleegde in de richting van zijn jonge, spraakmakende ondervragers. In de zin die Darwin schijnt te hebben bedoeld: the survival of the accommodatest. Voor het gemak uitgaand van depersonalisatie borduurt de derde zin voort op de tweede, met een retorische touch. De vierde is dan ineens weer natuurlijk, vooral in het cruijffiaanse ‘dat die dat gebeurt’.

Ik kan me nog herinneren, toen de Stabartzt de eerste keer bij m’n bed kwam, toen ik weer bij kennis was. Hij pakte m’n hand en feliciteerde me. Hij zegt, nou, hoe was het in de hel? Dat kan ik me nog altijd herinneren. Een beetje rauw klonk het, maar het was hartelijk bedoeld.

Dit begint veelbelovend. Overmand door de herinnering wordt hier niet verteld met behulp van het correcte ‘dat’ maar met ‘toen’ – het vermaledijde voegwoord dat kinderen op de lagere school in opstellen niet mogen gebruiken omdat het dan opdissen wordt in ettelijke wederwaardigheden zonder pointe. Ook ‘was’ treft doel, want dat moet officieel ‘kwam’ zijn en zo’n contaminatie zit in spreektaal gebakken. Pas in de vierde zin krijg ik twijfels, en wel door het bijwoord ‘altijd’. Dat gebruik je niet in deze context, en zeker niet in the spur of the moment. Dan zeg je, met nadruk: ‘Dat kan ik me nóg herinneren.’ Of ‘nu nog’. De vijfde zin veegt vervolgens de vloer aan met mijn indruk van authenticiteit, door de prolepsis. Met het voorop plaatsen van ‘een beetje rauw’ voel je de stilering. Puur zal het iets als ‘Het klonk een beetje rauw’ enz. zijn geweest, en in combinatie met het vervolg had dat geresulteerd in een hele mooie zin eigenlijk. Mooi is hier alleen het woord niet (en deze zin deugt evenmin, want lijkt een toespeling op een essaybundel over recente poëzie).

Van zo’n man als Göring kon ik het accepteren, hè. Die was immers ook zo praalziek, had mooie sterren en zo. Maar die dreef de spot met zichzelf. Göring stond er voor bekend dat hij een man was, die zei, nou jongens, wat is de nieuwste mop over mij? En dan moesten ze hem de nieuwste mop vertellen.

Dit ziet er waarheidsgetrouw uit. Of niet? Spreekt er iemand zowel in termen van ‘en zo’ en ‘er voor bekend’ als van ‘praalziek’? Of zegt het meer over mijzelf dat ik door die vraag te stellen ongeloof hecht aan die vereniging van twee op het oog uiteenlopende taalclusters in het gesproken woord (behoud ik mij dat recht toe of althans mijn werk, want godverdomme wat is dat toch belangrijk)? Ik ken wel de gewaarwording te schrikken van een bepaalde term die de mond blijkt te hebben verlaten: dat dan meteen willen compenseren met iets contrairs – en daar in mijn werk uren op oefenen. Kan het trouwens zijn dat ik te argwanend ben, en het woordje ‘van’ verwacht tussen ‘zei’ en ‘nou’, of is dat te hedendaags? Ergo, waar ben ik? Waarom schiet me te binnen dat Göring was getrouwd met een gravin die Fock heette?

Er valt niets meer te verontschuldigen. Helemaal niets. Helemaal niets. Verontschuldigen wil zeggen, dat je samen nog een gemeenschappelijke norm vindt, waarmee je bepaalde daden meet. En die is hier niet meer.

In de politiek is het een bekend fenomeen dat men op momenten dat de tekst even wegzinkt in het moeras van het bewustzijn de laatste woorden herhaalt. Frits Bolkestein was zo bedreven in die truc, dat ik zijn voornaam uit zijn mond steevast als ‘Frats’ verstond. Maar bij hem betrof het zakelijke zaken, in een betoog. Wat hier wordt gezegd, valt binnen het kader van een persoonlijke zaak, een getuigenis (van dit laatste woord wil ik gezegd hebben dat het zowel vrouwelijk is als onzijdig). En als men het dan niet meer weet, stokt men. Na ‘Helemaal niets’ ligt het in de rede dat het stil wordt. Anderzijds wordt hier vanuit het heden over iets in het verleden gesproken. Het kader is een rechtvaardiging, of ten minste een mate van begrip. Het heeft er alle schijn van dat dat du moment wordt opgeroepen. Merkwaardig in de slotregel vind ik daarom ‘is’ (de onvoltooid verleden tijd lag voor de hand) en ‘hier’ (in plaats van ‘daar’). Maar mogelijk boor ik daarmee als mens in een blootliggende zenuw van de ander. Wat is de mens? En typ ik dit trouwens neer met mijn hele lichaam?

De soldaten kregen bijvoorbeeld brieven van verloofdes die het uitmaakten, omdat ze gehoord hadden dat hun been eraf was geschoten. Die jongens kregen het zo ontzettend op hun zenuwen, hè, die gingen huilen en schreeuwen en dan kregen ze natuurlijk een spuitje om te kalmeren. Dat was zo ontzettend!

Dit komt in de buurt. Een reden voor mijn vermoeden is, dat in de vaart van het vertellen de verwijswoorden niet meer eenduidig verwijzen naar het voorafgaande. In de eerste zin zou ‘hun’ in de kluts bijvoorbeeld kunnen slaan op ‘verloofdes’, wat in deze context een onbedoeld, en daarom naturel, komisch effect sorteert. Ook authentiek dunkt me het licht foutieve ‘die’ na het tussenwerpsel ‘hè’: partiële infectie. Het is mijn makke dat ik inmiddels na Jaap Stam, die naar eigen zeggen Kampen op de kaart heeft gezet, het bijwoord ‘natuurlijk’ echter weer onnatuurlijk vind. In zekere zin geldt dit eveneens voor ‘ontzettend’: daar verwacht ik ‘vreselijk’, maar misschien is dat te wuft, in de verloofdenlijn. Juist daarom zou ‘ontzettend’ wel eens echt kunnen zijn. Wel wat voorlijk voor zijn tijd.

Ja, en dat deze transporten niet prettig waren, dat is logisch. Niet wat het vervoer betreft, want wij zijn ook in beestenwagens vervoerd en ik vond het nog wel prettiger ook. Ik zat liever in een beestenwagen, in een goederenwagen, met pakken stro, dan in een coupé, want daar kon je nooit gaan liggen.

De tweede zin vind ik heel curieus, omdat het voegwoord ‘want’ een oorzakelijkheid aangeeft die het achterste deel van de bijzin ontkent. Dat dunkt me vooral curieus, omdat daarvóór de altijd misleidende want retorische term ‘logisch’ was gehanteerd. Bovendien is ‘nog wel (…) ook’ opmerkelijk, omdat hier toch echt ‘eigenlijk’ voor de hand ligt. Of niet? Ben ik weer aan het dissolveren en acht ik dat gepast vanwege de semantische kernen ‘eigen’ en ‘lijk’ in het perspectief van de reële historische keerzijde aan de gememoreerde transporten? Of zie ik dan mijn eigen afgrond als gestalte, of toch maar: de afgrond die ik bij de spreker veronderstel? Waarachtig vind ik in elk geval vervolgens, ja we zijn alweer helemaal terug in handige bruistabletvorm, het toevoegsel ‘met pakken stro’ dat de zin onderbreekt, zoals dat gaat indien je praat, hink-stapspronggewijs. Het oorzakelijke voegwoord dat daar dan weer op volgt, is logisch.

Hitler dood! Een gekke gewaarwording, een gekke gewaarwording… Kerels met hun borst vol onderscheidingstekens lieten hun tranen de vrije loop.
Je hebt er jaren voor gevochten.
Je hebt je kameraden zien vallen.
Je hebt er alles voor over gehad.


Hier lijkt de vermetele techniek van de herhaling bij gebrek aan woorden te worden toegepast. Of ze ook naturel is, lijkt vers twee. Voor mij botst het woord ‘gekke’ al met ‘gewaarwording’ (esthetische alliteratie) en zeker met ‘kerels’. En de uitdrukking ‘tranen de vrije loop laten’ lijkt me niet op zo’n stevige orale basis te berusten, al moet ik erkennen, nee, domweg vaststellen dat spreektaal voortdurend schrijftaal citeert. De drie slotzinnen vind ik aan de akelige kant. Misschien zijn ze werkelijk zo uitgesproken, en dan hoor ik de galm van het Polygoonjournaal. Maar het feit dat Armando en Sleutelaar ze telkens op een nieuwe regel laten beginnen, valt niet anders te interpreteren dan als een auteursingreep die methodisch onmogelijk als zuiver te kenmerken is. Ik vermoed dat hier een las is gemaakt.
Waren de samenstellers wetenschappers in het laboratorium van de werkelijkheid of hebben ze vooral geluisterd naar wat ze dachten te zullen horen? Op basis van de luttele hierboven besproken acht fragmentjes, lijkt het mij gegrond om in elk geval de heersende ethische bezwaren tegen het boek niet bij voorbaat hypocriet of invalabel te verklaren. Er werd immers gesproken binnen een retorische context en dat geeft collateral damage. Voorzover dat niet duidelijk was, leverde de herdruk van De ssers voor die retoriek aanvullend bewijs: de volgorde van de sprekers is er omgedraaid. En aangezien de door mij gebruikte vierde druk uit 1990 nog een latere is, zou ik moeten nagaan of ook daarin herschikking is aangebracht. Dat wil ik niet doen, niet eens zozeer uit luiheid, als wel in een poging één raadsel expliciet te conserveren: één van de acht sprekers, oorspronkelijk de derde, is namelijk een vrouw. Wie o wie?


3.
‘Herhalen, herhaken, kelen, betrachten:
een sublieme overeenkomst tussen zovele werkelijkheden’
Marcel van Maele

Ik ben groot geworden met gesproken taal op de radio. Met name bij voetbalverslagen, onschuldig maar half in de illegaliteit, leek het, omdat ik dan al lang moest slapen en, geheel volgens wetten der anekdotiek, een transistortje mee onder de dekens nam. En welja, daar heb ik dan weer een citaat over: ‘toen ik voor het eerst / radiobeschrijvingen hoorde ik dacht dat ze de sport daarmee / regisseerden, niet versloegen’. Dat staat in Fredy Neptune van Les Murray, waar de aposiopese ‘hoorde ik dacht’ in a nutshell aangeeft wat radio zo bijzonder kan maken: iets onvoltooids, anakoloetisch graag, dat inderdaad de suggestie wekt dat taal de bal over het veld stuurt.
Een radioverslag is gericht op een dialoog met de luisteraar, zij het dat die uiteraard niets kan terugzeggen. Da’s quarantaine en die maakt dit genre handzaam voor mijn onderzoek. Voor het diagnosticeren van waarheidsgetrouwheid in de spreektaal heeft het voetbalverslag nog een voordeel. Men loopt in zijn gebabbel altijd achter bij de gebeurtenissen op het veld en mag het gat met het heden niet laten gapen – verslag mag geen commentaar worden. Het gevaar van reconstructie is daarbij afgewend. En ook: men wil, al is het beroepshalve, zijn ervaring delen.
Niet heel veel jaren na de verschijning van De ssers, in het seizoen 1969-1970, speelde Feijenoord in de tweede ronde van de Europacup 1 tegen het machtige ac Milan. Dat werd een ongekend succes. De 1-0 nederlaag in de uitwedstrijd poetsten de Rotterdammers in eigen stadion weg. Van die legendarische thuiswedstrijd, op 26 november 1969, is een singletje gemaakt, waaruit ik eerst de betreurde commentator (qua leeftijd een jongere neef van de ss-ers) Theo Koomen citeer uit zijn verslag voor de radio:

En over of zit-ie erin nee nee toch hij zit erin hij zit erin ik dacht dat-ie over zeilde maar hij zit erin het is een doelpunt ik dacht dat-ie erover zeilde maar hij dook in de hoek en Cudicini staat daar verslagen in het doel en Jansen wordt daar door alle Feijenoorders wordt-ie omhelst en gepakt en Treytel is eruit en iedereen iedereen is is gek geworden en ze staan hier voor m’n ramen te dansen.

Dit is nou eens pure spreektaal. Ik pleeg daarmee een ernstige tautologie, want wat kan een radioverslag anders zijn? Toch lijkt me de constatering gerechtvaardigd. De herhalingen, het zichzelf corrigeren en ook niet, de programmatische nevenschikking – als ik nog wist wie ik was, zou ik bijna zeggen dat ik mezelf erin herkende. Maar ik besef wel dat dit in laatste instantie een ethische uitspraak is, omdat Koomen onbemiddeld en, zeker vergeleken bij Armando en Sleutelaar, belangenvrij zijn verslag lijkt te doen. Bovendien was hij een Hollander, geboortegetrouw bevooroordeeld enthousiast over de ontwikkelingen in het wedstrijdverloop. En dus klopt mijn uitspraak niet, is hij evengoed retorisch.
De bejubelde doelpuntenmaker was Wim Jansen, die qua leeftijd een zoon van de ss-ers had kunnen zijn. Op een vraag naar de genese van zijn goal antwoordde hij:

Nou ik kreeg dus de bal op rechts aangespeeld en ik wilde dus een voorzet geven maar toen zwaaide-die dus over de keeper op de verste paal zo het net in.

Wederom pure spreektaal. Ik wil vooral wijzen op het gebruik van het woord ‘dus’: het maakt gebeurtenissen logisch en doelmatig, terwijl het commentaar van Koomen al suggereerde dat er bij het doelpunt sprake was van enig toeval, zoals een inzicht uit verstrooidheid heet te kunnen rijzen. De aanrichter bevestigt dat nu. Eigenlijk is al zijn ge-‘dus’ één groot manifest van ongeloof.
De wedstrijd ging verder, ik geef het woord terug aan Koomen (men moet weten dat in die tijd, kinderloze opa vertelt, radioverslagen niet permanent met de wedstrijd mee werden uitgezonden: nog los van verplichte interferenties van het anp-journaal op de hele uren, heerste er überhaupt een inhaalprocedure, men ‘schakelde over naar onze verslaggever ter plekke’ en hoorde dan in het ideale geval een hoogtepunt, dat in feite een fragment was):

Een juichtoon een juichkreet door het stadion van de 66.000 Coen Moulijn die was z’n tegenstander gepasseerd naderde Schnellinger Schnellinger kon er niet meer bij kwám de voorzet kwám op het hoofd van Van Hanegem en Van Hanegem dook als een snoek en de bal die joeg in de touwen en zelfs Cudicini die er nog naar dook was reddeloos.

Is dit belangenvrij? De ironie wil dat Theo Koomen zo’n beetje de grootste fantast denkbaar was, die er, achter op de motor, bij verslagen van Touretappes niet voor terugdeinsde heroïsche ontsnappingen aan den volke te melden, terwijl het peloton in gesloten gelid langs korenvelden pedaleerde. Eerder een mythomaan dan een journalist dus. Maar ik ben weer eens te snel in mijn oordeel – al wordt dat nu onderhand een stijlfiguur, oppassen Marc met die praattoon, dat je niet in het opzettelijke maniërisme verstrikt raakt dat het werk van Kees ’t Hart, met name de essays, inmiddels in het teken doet staan van het hulpeloos-sterke voorbehoud – me realiserend dat Koomen, wellicht als tegenwicht voor die mythomanie, ook naar de andere kant kon doorschieten. Als één der eersten stelde hij het dopinggebruik bij wielrenners aan de kaak, wat hem op een boycot kwam te staan van het peloton dat blufte dat hij een vuile katholieke leugenaar was.
Voor een in elk geval iets nuchterder commentaar aan de microfoon gaat andermaal het woord naar de doelpuntenmaker, die destijds al De Kromme werd genoemd:

Ja ik kreeg die bal van links dus en toen kopte ik ’m d’r in en toen haalde ik ’m dus uit het net gewoon en toen keek ik dus op die klok hoe lang er nog te spelen was ja voor de rest op dat moment sta je d’r niet bij stil dacht ik.

Atavisme of affirmatie? De passage lijkt wat je noemt ontwapenend, maar dat is een vreemd en misplaatst woord omdat de ratio van de situatie parallellen vertoont met die van soldaten in volle actie. Nog vreemder is het dat ik moet denken aan de ideologie die Armando achteraf aan zijn beweging poogde te hechten: ‘een wanhopige poging om de consumptiemaatschappij te bejahen’. Becommentarieerd doen alle ‘dus’-sen van Van Hanegem, in wat vanwege het voetbal een populaire cultuur mag heten, hetgeen baardloze, huns ondanks wel degelijk artistieke journalisten diametraal op provo en kabouters en wat dies meer in de jaren zestig wilden aanrichten. En de journalisten hebben aan het langste eind getrokken, mét ironie. En vooral met ellipsen.
Voor de formele kant aan frase van De Kromme past slechts één waardering: zonder woorden.
‘In den beginne was het woord, en het woord was bij God’. Nou, van mij had Hij het mogen houden. Wat is taal toch een *** voor wie niet tuk is op parentheses, al dan niet in de gedaante van noten, haakjes en gedachtestrepen. En wellicht is de waarheid inderdaad niet tijdloos, en is tijdloosheid zelf, zoals Walter Benjamin beweerde, een exponent van een burgerlijk waarheidsbegrip. Ik acht het evenmin onmogelijk dat waarheid intentieloos is. Dat wij een ander begrijpen is eigenlijk een mirakel, dat we onszelf, in wie we toch een meerderheidsbelang hebben, denken te begrijpen wellicht nog meer. Omdat zwijgen inmiddels toch echt een verwijt is geworden, blijft díe dialoog ook een punt van aandacht; wij wachten op het begin van de Renaissance.


In: Yang xxxx/3 (okt 2004)