dinsdag 10 maart 2026

‘Nu zoveel jaren zijn voorbijgegaan’ (2023)

 


 

 

44 blz.

vormgeving: Huug Schipper

 

 

Op waarschijnlijk nog 21-jarige leeftijd schreef Gerard Reve het verhaal De Laatste Jaren Van Mijn Grootvader. Daarin portretteerde hij Kornelis Doornbusch, zijn opa van moederskant. Het verhaal wordt gerekend tot de Eerste Periode van Reves schrijverschap, die loopt van De Ondergang Van De Familie Boslowits uit 1946 tot en met The Acrobat And Other Stories uit 1956. Een periode die hij in Op Weg Naar Het Einde als ‘Grijs’ aanduidde. Die kleur vertegenwoordigt een grauwe, beklemmend-Hollandse sfeer die de adem beneemt.

Meermaals zijn de afzonderlijke werken uit dit tijdvak geprezen en ze hebben zelfs het predicaat ‘klassiek’ opgespeld gekregen. Of ze dat zijn, kan louter een lezer bewijzen, elke generatie opnieuw. Wel is uit het bedoelde tijdvak De Laatste Jaren Van Mijn Grootvader met afstand de onbekendste en minst bewierookte titel.

Dit was ooit voor mij, als bijna afgestudeerd neerlandicus, de aanleiding, of kans, om het verhaal te bestuderen. Vertraagd landde mijn opstel eind 1989, de Muur was net gevallen, in het tijdschrift Bzzlletin. Reve leefde nog. Hij maakte het mee dat tussen 1998 en 2001 zijn zesdelige Verzameld werk verscheen, in een editie van Nop Maas. In Deel 1 is De Laatste Jaren Van Mijn Grootvader de openingstekst. Met een titel als van een negentiende-eeuwse Russische roman luidt dit verhaal dus Reves officiële oeuvre in.

Inmiddels is het 2023. De auteur is al bijna twintig jaar dood en ik las en schreef nog wat, kocht een computer en kopieerde het opstel – min of meer mijn debuut – van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. In mijn auteursexemplaar van Bzzlletin heb ik bovendien een systeemkaartje aangetroffen waarin mijn handschrift beweert dat noot 20 ontbreekt in de tijdschriftversie. Tja, volgend leven beter.

 

 

Gerard Reves zesdelige Verzameld werk opent met De Laatste Jaren Van Mijn Grootvader. Hij schreef dat verhaal waarschijnlijk op 21-jarige leeftijd. Bij de uitbundige ontvangst van Reves vroege werk bleef het onderbelicht. Dat gegeven was voor Marc Kregting als bijna afgestudeerd neerlandicus ooit aanleiding om een opstel over het verhaal te maken.

Toen die tekst verscheen in het letterkundeblad Bzzlletin, was de Muur net gevallen en leefde Reve nog. Meer dan drie decennia later herleest Kregting zijn opstel dat min of meer ook zijn debuut was. Wat is er veranderd, met de reputatie van Gerard Reve, met lezen, met literatuur? Onherroepelijk wordt de essayist geconfronteerd met zijn jongere ik.

 

 

‘een grondige studie’ (…) Eens verslaafd, altijd verslaafd’ (Frank van Dijl, Tzum)

‘Een fijn essay (…) afgestoft en aangevuld’ (Anton de Goede, Facebook)

‘De Bzzlletin-tekst was nogal theoretisch/tekst-analytisch, niet echt iets voor een wat groter publiek. In deze uitgave gaat Kregting veel meer in op de relatie tussen het beschrevene en de historische realiteit en komt o.a. tot interessante bevindgingen over de relatie tussen Gerard en Karel’ (Nader tot Reve)

‘een fascinerend essay (…) omdat Kregting ook nog eens terugkijkt op zijn eigen eerdere werk (…) Kregting is een heel precieze schrijver’ (Marc van Oostendorp, Neerlandistiek )

‘Een inspirerende beschouwing (…) Het mooie is dat Kregting nu niet meer terugschrikt voor een zinloos detail’ (Arjan Peters, Facebook)

‘het verhaal van Reve trekkend binnen het oeuvre van Kregting, een sociologisch-literair benaderen van leesgedrag (…), zonder goede lezer geen goede schrijver, en Kregting stond als jonge essayist pal in de autonomistische richting gekeerd, de rug naar het biografische, enigszins veranderd is dit nu’ (Johan Velter, sfcdt)

donderdag 8 januari 2026

Martin Mooij (2014)

 


Poëzie verenigt



Half augustus overleed Martin Mooij. Enkele Nederlandse kranten wijdden een stukje aan zijn leven, het Belgische Poëziecentrum postte iets. Literaire nieuwsblogs zwegen. Toch haalde Mooij een kwart eeuw lang fantastische internationale dichters naar de Lage Landen, en trachtte ongeschoold publiek te interesseren voor het gedicht, omdat het “een menselijke stem” laat horen, “altijd kostbaar en onvervreemdbaar”.


Vlak voor de dood van Martin Mooij ontbrandde in de Lage Landen een poëziedebat. De Belgische Dichter des Vaderlands had stelling genomen in het drama in de Gazastrook. Daarmee zou hij poëzie ondergeschikt hebben gemaakt aan politiek. Wellicht had Mooij dit verwijt niet begrepen. Volgens hem was het onmogelijk zich met poëzie niet uit te spreken over alles wat mensen omringt.

Het is verleidelijk die opvatting tijdgebonden te noemen. Mooij was oprichter en bezieler van het Poetry International Festival, dat vanaf 1970 jaarlijks in Rotterdam plaatsvindt. Een reservaat voor kunst was toen allerminst gewenst. Mooij pendelde tussen een strijd voor rechtvaardigheid via poëzie uit alle werelddelen en bewustwording door dat moeilijk geachte genre bij een algemeen publiek.

Zo'n doel klinkt als een autistische illusie. Zelf kwam Mooij uit een arbeidersgezin zonder culturele achtergrond, maar waarin veel werd gelezen. En Rotterdam kon zich in 1971 beroemen op de komst van Pablo Neruda, strijdmakker van Salvador Allende en gangmaker van de meerderheid van de Chileense bevolking. Het festival pronkte ermee. In hoeverre was kennis daarbij inbegrepen?

 

Vrijheid

Om gedichten zo dicht mogelijk bij het volk te brengen, diende de voordracht als breekijzer. Een even democratische als hopeloze aangelegenheid. Lezen was er zelfs voor fijnproevers een dessert bij de collectieve ervaring van gedichten. Poëzie klonk rechtstreeks in de landstaal. Vertalingen door allround streekgenoten als C. Buddingh’ en Bob den Uyl werden snel gemaakt en onder toehoorders verspreid.

Tegelijk zouden Rotterdamse kinderen door deelnemende Nederlandse dichters poëzie leren schrijven, onder de noemer ‘Spelen met woorden’. Mooij zou Mooij niet zijn wanneer hij niet ook ‘Verzet in poëzie’ in het festival inbouwde. De latere Nobelprijswinnaar Wole Soyinka uit Nigeria viel erin te bewonderen.

Na vijf festivals – en midden in de koude-oorlogstijd – becijferde Mooij dat 26 procent van zijn dichters ofwel onderdrukt werd, of moest leven in gevangenschap (de Zuid-Afrikaan Breyten Breytenbach) of leed onder censuur. Vanaf 1979 stelde hij daartegen een Eregeld in aan een nooddruftige dichter, te beginnen met de Marokkaan Abdellativ Laabi.

Zelden was een titel adequater toen Mooij in 1990 uit twintig festivaljaargangen de bloemlezing Woorden in vrijheid publiceerde.

 

Arbeidswereld

Martin Mooij was ook een drijvende kracht achter de Sonde-reeks. In poëzie-uitgaven van de Rotterdamse Kunststichting verscheen werk van bijvoorbeeld Wim de Vries, een pijpenbuiger bij vliegtuigfabriek Fokker die oorlogstrauma’s trachtte weg te schrijven. Hij was bij een dierenasiel in contact gekomen met Mooijs steun en toeverlaat Buddingh’ (wiens foto bij een in memoriam afgebeeld werd). Deze leerde hem afstand te nemen tot het eigen lot en gaf hem inzicht in werk van officiële dichters.

De Vries was medeoprichter van het tijdschrift WAR, van de Werkgroep Arbeidersliteratuur Rotterdam. Mooij had daar sympathie voor en leidde op zijn beurt voor uitgeverij Van Gennep een reprint van Links richten uit, het legendarische activistentijdschrift uit het interbellum. Dat nawoord kreeg wegens adoratie van authenticiteit, stadschauvinisme en anekdotendrang een bijtende kritiek van J.F. Vogelaar. Toenmalig links oogde uniform en geschakeerd. Vogelaar werkte mee aan de theoretische ‘Kritiese Bibliotheek’ met vertalingen, die Van Gennep, soms met collega-uitgeverijen, de wereld in stuurde. In samenwerking met het VARA-tv-programma Van Onderen leverde Van Gennep tevens teksten uit ‘de arbeidswereld’.

Onder die vlag had De Vries al een duobundel uitgebracht met bouwvakker Pierre van Vollenhoven, met de sprekende titel M'n woord een wapen tot verweer. Een regel van De Vries, ‘De laatste traan zal als een bloesem opengaan’, liet Mooij afdrukken op een vuilniswagen. Zo kwam cultuur in Rotterdam letterlijk aan huis en ruimde er het puin weg.

Met zulke volksverheffende initiatieven was Mooij radicaler dan Huub Oosterhuis. Deze voormalige priester was nochtans politieker en vormender in zijn optreden. Oosterhuis organiseerde destijds manifestaties als Poëzie Hardop. Om luisteraars los te weken van de publieke opinie lazen acteurs bekende gedichten voor. Oosterhuis deinsde niet terug daarvoor regels te verknippen. Later trachtte hij met School der Poëzie jongeren te bereiken, door lessen en wedstrijden.

 

Institutionalisering

Het is moeilijk te zeggen of al die emancipatorische ideeën aansloegen. Dat ze niet konden bestaan zonder financiële steun, is wel zeker. Dat Mooij daartoe elk jaar creatieve oplossingen moest vinden ook. Aldus had hij voor de eerste editie een deal gesloten met de televisie. De camera kon toen echter ook registreren dat de zaal, waar onder meer een piepjonge Gerrit Komrij voorlas, nogal leeg was. Gebrek aan belangstelling genoot eveneens poëzie op de tram en vanuit bootjes in de haven.

Voetbalgedichten tijdens de WK74, aangevuurd door Buddingh’, hadden dan weer wel succes. Vanaf 1976 werd er ook met vrucht aan Poëzie in het Park gedaan in wat nu het Dunya Festival heet en toen mikte op ‘buitenlandse arbeiders met hun gezinnen’. Twee jaar daarna had Poetry een soortgelijk programma in Berlijn, in het overwegend door Turken bewoonde Kreuzberg.

Weer wat later trekt Mooij met dichters naar de voormalige Nederlandse kolonie Indonesië. Israël gaat in die constructie worden aangedaan, China, Colombia. Het zijn tekens van institutionalisering – die voor- en nadelen serveren. De in 1985 gestorven Buddingh’ maakt het niet meer mee dat in 1988 de EK voetbal poëzie wel weet weg te drukken. Noch dat in hetzelfde jaar Poetry International een stichting wordt. Ze ontvangt structurele subsidie voor een bureau met medewerkers, en wordt belast met de coördinatie van ‘letterenactiviteiten met een internationaal karakter’.

Deze ontwikkeling had Mooij gemeen met een dichter die hij heeft vertaald (Over de aardse liefde en meer, 1998): Bertolt Brecht. Beiden hadden ideologisch de wind in de rug van het decennium waarin ze furore maakten, namen het op voor de have-nots, voor veranderingsgezindheid. Brecht vond zich aan het eind van zijn leven terug in Oost-Berlijn, waar de overheid hem in staat stelde met eigen ensemble eigen toneelstukken in een eigen theater te brengen. Niet iedereen kon dat waarderen.