zondag 1 december 2019

Zilverlingen. Taal over taal, 1994-2019 (2019)


isbn 978 90 7920 262 1, 224 blz.
Grafische vormgeving www.gestalte.be



Oorspronkelijk wilde ik ridder worden of tuinarchitect. Het liefst ging ik natuurlijk in de voetballerij, desnoods parttime, als de meester van de vijfde die het geschopt had tot het Nederlands elftal (tweede helft tegen Tsjechoslowakije, 1969). Mijn constitutie werkte daar niet echt aan mee, dat begreep ik wel. Ik was wat in de vakliteratuur heette lui, pedant en ziekelijk.
Soms probeerde ik het heus, hield een balletje drie keer hoog, mikte op een lantaarnpaal maar bedoelde de ernaast geparkeerde auto, wreef aarde over mijn blote knieën. Ik moest dan, klonk het onverbiddelijk, op adem komen. En besloot in het gras te gaan liggen.
Zo pienter was ik, dat ik me ophield buiten bereik van het ouderlijk oog. Mijn grazige weiden bevonden zich aan de overzijde van een dijk die ik onder geen beding mocht oversteken. Een lichaam vol vervaarlijke beloften (als je er te hard over denkt, lezen mensen ze van het voorhoofd) trippelde langs een rustoord. Het heette Aeneas. Daarachter begon een park. Je kwam daar over een brug waarvan de okergele verf was afgebladderd. Ik bepaalde me tot het stukje niemandsland ervoor, evenmin geclaimd door een aanpalend ziekenhuis. Ik vertraagde mijn pas bij het talud en perste de bal in het opgeschoten gras. Liet me iets naar beneden glijden, richting sloot. In de verte zoefde vrachtverkeer naar België, ploeggenoot van de Lage Landen.


Oorspronkelijk wilde ik ridder worden of tuinarchitect’, herinnert Marc Kregting zich. Maar dat was voordat in 1994 zijn debuutboek De gezel verscheen. Kreeg hij toen een vak of een identiteit? Vijfentwintig jaar later maakt Kregting de som op in Zilverlingen – een onbeschaamd geretoucheerde keuze uit zijn columns en notities over taal.
Hij werd tekstredacteur. Niet simpel, temeer daar Kregting in de tussentijd naar België emigreerde. Hij moest terug naar school. Was het ‘Ik ben begonnen te lopen’ of ‘Ik ben beginnen lopen’? Door de jaren heen vielen hem meer verschillen op, pietluttigheden die zijn taalzintuig kietelden. Kregting waande zich een toerist op thuisgrond en raakte verzeild tussen politiek en ouderschap, sport en ecologie, uitsluiting en liefde.
Als taaldocent ervoer Kregting bovendien hoe jongeren zich uitdrukken. Opnieuw moest hij leren, tot aan de spaties toe. Dat actualiteit en geschiedenis zo door taal blijven kieren, bewijst Zilverlingen. Marc Kregting dribbelt even zwaardzwaaiend als vrolijk op het materiaal af waarvan hij leeft. Op naar het volgende debuut.


Als er één boek van het voorbije jaar meer aandacht verdiende, is het Zilverlingen, een pittige mix van ironische taalstatements én loepzuivere aforismen.’ (Frank Hellemans, Doorbraak)
‘Hij heeft alle uithoeken van de taal gezien. (…) Waar de boekenmarkt in die vijfentwintig jaar geregeld is overspoeld met boeken vol vrolijke stukjes die lekker van a naar b trekken en hun observaties over het algemeen beperken tot nostalgische bespiegelingen over verloren gegane taal of juist grappige observaties over de laatste taalmodes, ken ik geloof ik geen boeken die de volheid van de taal zo weet te raken. (…) Zilverlingen van Marc Kregting is een heel ongebruikelijk boek over taal. En mede daardoor misschien wel het beste dat ik dit jaar heb gelezen.’ (Marc van Oostendorp, Neerlandistiek.nl)
‘Zeer speels, zeer verrassend.’ (Frits Spits, De Taalstaat)

donderdag 16 mei 2019

Bloemlezing 21ste-eeuwse essays (2019)


Ruimte in het hoofd



Toen onlangs het literaire tijdschrift G. een nummer plande over Patricia de Martelaere die tien jaar geleden overleed, bleek van deze begenadigde en bewierookte essayiste-romanschrijfster, wier oeuvre decennia omspant, geen enkel boek voorradig. Geïnteresseerd jongere auteurs moesten zich behelpen met fotokopieën en niet-afgeschreven bibliotheekexemplaren. Prachtig dus dat Nina Polak en Joost de Vries eind 2018 met de bloemlezing De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21ste eeuw in 60 essays materiaal naar buiten brachten dat, hoe recent ook, amper beschikbaar blijkt. Bovendien heeft deze gebonden editie van dik zeshonderd bladzijden een leeslint, hintend dat het genre trage consumptie eist – die de voorbarige datering in de ondertitel kan verklaren.
De twee samenstellers nemen in hun voorwoord uitdagend afstand van het essay als beschouwende tekst (hun cursivering), die een afstandelijk betoog zou afsteken. Polak en De Vries hebben voorkeur voor onderzoek dat meandert en een persoonlijke toets toelaat. Meteen is dan de vraag of het een het ander uitsluit. Hoe zouden ze bijvoorbeeld Montaigne inschatten, verklaard grondlegger van het essay? De samenstellers omzeilen die kwestie pragmatisch, doordat de eisen van de tijd veranderd zouden zijn. Voor hen is het tekenend dat er recent een heruitgave verscheen van Marja Pruis’ De Nijhoffs en ik. Dit debuut was in 1999 ‘ongenadig hard afgefakkeld’ omdat de auteur zich naast haar onderwerp drong. Nu wordt zo’n prominent ik, constateren Polak en De Vries, ‘unaniem geprezen’.
Ze verklaren die ontwikkeling uit de veelheid van media en informatie die in de 21ste eeuw beslag kreeg: mensen nemen de wereld subjectiever waar. Elk onderwerp zou daarbij zijn eigen methode afdwingen. Tegelijk zijn maatschappelijke misstanden als seksisme en discriminatie zo algemeen, dat een goed essay tegenwoordig, ‘niet uit navelstaarderigheid’, de oplossingen dicht bij huis zoekt. Dat is wederom pragmatisch omdat, ontlenen Polak en De Vries aan een uitspraak uit een prognose, met een traditioneel ‘vrijuit’ onderzoek via dit type tekst ‘geen droog brood meer te verdienen valt’. Het delen van privébesognes als aanpassing aan de markt?
Voorheen hield het essaygenre volgens de samenstellers een literair ‘spel’ in, met ‘mooischrijverij’. Ze noemen daarbij Komrij, Vogelaar en Krol. Het te maken punt zou bij die auteurs onder aan het prioriteitenlijstje staan en zo bleven ze zelf ‘buiten schot’. Dit type, onthullen Polak en De Vries, ontbreekt in deze bloemlezing. Ze sluiten zich expliciet aan bij Joost Zwagerman die straatrumoer in de literatuur kon waarderen.
Een essay uit De wereld in jezelf is dus onbeschroomd bevlogen en geëngageerd. Polak en De Vries prefereren ‘algemene onderwerpen’ boven stukken over literatuur en poëtica van ‘vooral dichters’ die van papier naar papier zouden bewegen. De 21ste eeuw van deze bloemlezing begint met Nine-eleven. Volgens Michael Zeeman, betiteld als ‘huisessayist van de Volkskrant’, leek toen het begrip Derde Wereldoorlog ’even inhoud te krijgen’. Drie dagen na de aanslagen achtte hij alleen fictie in staat deze werkelijkheid te begrijpen. Door deze acquitstoot van De wereld in jezelf wordt heil gezocht in de vermaatschappelijking van literatuur. En dus ook van het essay, dat zich in deze bloemlezing, garanderen de samenstellers, diverser dan ooit betoont. Het kan er de vorm aannemen van een brief, een verhaal, satire,… Volgens Polak en De Vries duikt literatuur zelf er ook anders in op. Lezen van een andere tekst gaat niet met exegese, maar weerspiegelt eigen ervaringen, ‘de theorie van de roman wordt als het ware doorberekend naar de praktijk van het leven’. Daarnaast zou het essay oprukken binnen de roman zelf, ‘het narratief wordt opgeschort voor een essayistisch vertoog’. Dit vertoog is zelfstandig te lezen, terwijl de samenstellers bij enkele, vaak oudere auteurs (Brassinga, Februari, Hulst, De Jong, Lanoye, Schippers) geen ‘fragment uit een groter geheel’ kunnen en willen lichten.
Hun selectie in ogenschouw nemend stelt het Polak en De Vries teleur dat er maatschappelijk grote thema’s als de bankencrisis en klimaatverandering in ontbreken. Wel ontwaren ze ‘opvallend veel porno’. Onder de bijna zestig uitverkorenen voor De wereld in jezelf zijn in het eerste decennium van de eeuw mannen overtallig, in het tweede tellen Polak en De Vries, opnieuw geïnspireerd door Pruis, meer vrouwen. Ook dat is een teken van vergrote diversiteit, die het belang van iedereen dient. Het voorwoord besluit: ‘Het essay is de plek waar de schrijver zich vrijuit tot de wereld kan verhouden, waar ruimte wordt opgeëist maar ook ruimte wordt gemaakt in het hoofd van de lezer’.

Roze koeken
Waarschijnlijk klinkt door mijn modale werkwoorden al verbazing over de statements van Polak en De Vries.
Hun afkeer van poëticale stukken wordt weersproken door de as van de bloemlezing. Behalve Zwagerman en Zeeman (uit wiens krantenartikel de cruciale laatste 500 woorden zijn weggelaten) vertolken nog twee mannen die: Bas Heijne met ‘Weg met de wezenloosheid’ en P.F. Thomése met ‘Raadsel der verstaanbaarheid. Deze vier poëtica’s hebben een relatief groot publiek bereikt, gaan exclusief over proza, bieden geen nieuwe gezichtspunten en voelen bij herlezing lauw aan. Terzijde hebben ze nog iets gemeen. Zeemans beschouwing uitgezonderd zijn deze teksten gemaakt voor aan letterenfaculteiten gelieerde evenementen. Hier fungeren essayisten als zogeheten gastschrijvers.
Polak en De Vries’ bewering over de actuele penetratie van het essay in fictie kan ik evenmin volgen. Vroeg in de twintigste eeuw is het begrip essayisme zelfs door Musil in zijn romancyclus Der Mann ohne Eigenschaften verdisconteerd. Nog eerder kende Nederlandse literatuur in Multatuli zo’n uitvoerder van wat Polak en De Vries voor de 21ste eeuw ontdekken. Even voordien, in het postmodernisme, was genrepenetratie min of meer de norm.
Andersom sticht Polak en De Vries’ besluit geen ‘fragment uit een groter geheel’ op te nemen verwarring, omdat meerdere teksten in De wereld in jezelf refereren aan inleidingen en vorige hoofdstukken. Akkoord, de expliciet om die reden niet gebloemleesde Maxim Februari is voor mij, zoals ik eens bekende, de grootste hedendaagse essayist. Maar juist zijn praktijk ondermijnt Polak en De Vries’ criteria. Februari schrijft wekelijks maatschappelijke columns, publiceerde in de 21ste eeuw meer dan één boek met zulke houdbare zelfstandige stukken, bundelde ervaringsrijke notities over een heet hangijzer als transseksualiteit…
Nu redeneer ik op het niveau van namen. Polak en De Vries vertellen te hebben weggestreept uit een veelvoud aan namen. Ze erkennen dat twee andere bloemlezers, die net als zij in de KB ‘op een dieet van roze koeken en koffieautomatenkoffie’ door essaybundels uit de 21ste eeuw zouden heengaan, zestig totaal andere teksten hadden kunnen kiezen die met evenveel recht als staalkaart voor het genre golden. Maar juist die aanspraak maakt me met terugwerkende kracht nieuwsgierig naar concrete voorbeelden van ‘mooischrijverij’ bij Vogelaar en Krol. Van Polak en De Vries’ derde passé essayist, Komrij, heeft De wereld in jezelf nota bene een tekst opgenomen. Ik zie daar eerlijk gezegd vooral stijl, maar het punt dat er wordt gemaakt, over homoseksualiteit, lijkt niet op klassieke wijze ontstaan door het essayeren zelf.
Ook zijn bij Komrij alinea’s drastisch verkort tegenover de hem omringende essays. We schrijven dan 2008. Mijn stelling is dat hij technisch iets liet zien wat bij jongeren in deze bloemlezing weerkeert. De essayist was een superproducent geworden, die met zijn gerekte bladspiegel kwantitatief aan de vraag voldeed. Hij bewoog zich naar het fragmentarische, over de rand waarvan latere auteurs vallen. Bij hen worden essays genummerde deeltjes waarin de breuken geen andere motivatie vertonen dan wat er, heet van de naald, rond het aanvraagmoment is gebeurd, te binnen geschoten en gelezen. Met één citaat verschijnen en verdwijnen allerlei boeken in zo’n tekst. Dit klinkt ouwelijk, maar ik moet, al zijn me zijn jonge essayisten bekend die de stiel anders bedrijven, afgaan op de bloemlezing. Daar weet Fiep van Bodegom met zo’n vorm van fragmenten en citaten trouwens wel een tekst te componeren die een essayistische denklijn vertoont.
Bij die dominante desintegratie verstrekt De wereld in jezelf een ratjetoe van alineavormgevingen, soms binnen hetzelfde stuk met en zonder witregels, dan weer inspringend en dan weer niet. En nu ik toch aan het zagen ben: de noten verwijzen naar een afwezige bibliografie en de inhoudsopgave wankelt. Met een pauze van vierhonderd bladzijden verwijzen twee bijna identieke noten naar een en dezelfde doorwrochte studie over Pasolini, in twee spellingen van deze regisseursnaam.

maandag 3 september 2018

Ontwerp voor een omzeillexicon (2018 - )



Toelichting en mogelijkheid voor suggesties & correcties: hier.




Aan, Bouwen
Aan, Nood hebben
Aan, Teruggeven
Aan, Vasthouden
Aan, Wen er maar
Aanboren
Aangaan, Het gesprek
Aangeven
Aanname
Aanpak, Plan van
Aanpakken
Aanreiken
Aanscherpen
Aantikken
Aantrekkingspool
Aanzwengelen
Aardverschuiving
Academisch
Achter, De mens
Achterban
Achterhaald
Achteroverleunen
Actie
Actieplan
Activist
Adresseren
Afklokken
Afleggen, Parcours
Aflijnen
Afronden
Afscheidsmoment
Afslanken
Afspraak
Afstemmen
Aftoetsen
Afvinken
Agenda
Alarmbel
Alarmerend
Alles, Echt
Amalgaam
Ambachtelijk
Ambassadeur
Ambiguïteit
Ambitie
Analytisch
Angst
Anoniem
Antwoorden, Eenduidige
Appel, Rotte
Appropriatie
Arbitrage
Articulatie
Artificieel
Autoluw
Autonomie

Bad, Een warm
Bad, Mee in
Bagage
Bal, Kort op de
Bandbreedte
Barbaars
Barometer
Basisfilosofie
Bastion
Beeldvorming
Beest, Politiek
Beledigend
Beleven
Belichamen
Belofte, Loze
Bereid
Beschaving
Beste, De
Betekenisvol
Betrekken
Bevlogen
Bevragen
Bevragen, Kritisch
Bevragen, Zichzelf
Bewaken
Bewijzen
Bewustwordingsproces
Bezielend
Bezorgd
Bij, Neerleggen
Bij, Stilstaan
Bijleren
Bijsturen
Bijtanken
Bindmiddel
Binnen, Dat komt
Binnen, Kaderen
Boeiend
Boekdelen, Dat spreekt
Bottleneck
Bouwen, Bruggen
Bouwstenen
Bovengronds
Brengen, Iets
Breuklijn
Bruisend
Bubbel
Bucketlist
Buikgevoel
Buzzwoord

Casus
Categoriseren
Centen
Certificaat
Changer, Game
Checken
Claim
Cliché
Club
Coachen
Cocon
Cocreëren
Code
Cohesie
Comfortzone
Communiceren
Competitief
Complexiteit
Concept
Conceptie
Conceptueel
Concreet
Constitueren
Construct
Constructief
Constructiefout
Contact
Context
Continuïteit
Continuüm
Copernicaans
Crashen
Creatief
Creëren
Crimineel
Crossover
Cultus
Cultuurideaal
Cultuurimperialisme
Curriculum

vrijdag 22 december 2017

De ware marsrichting. Opinismen (2017)


isbn 978-90-79202-50-8, 352 blz.
Boekverzorging Stéphane de Schrevel




Op 18 juni 2016 meldde nrc Handelsblad onder een opiniestuk: ‘Dit is de voorlaatste column van Bas Heijne dit jaar. Na de zomer zal hij andere projecten ter hand nemen, om op 1 januari weer terug te keren.’ Service voor lezers die vertrouwd waren geraakt met Heijnes wereld. Sinds 1991 verdient hij zijn brood voor nrc, sinds 2001 ook als wekelijks columnist.
Dat er van ‘andere projecten’ sprake is, bekrachtigt een professioneel bestaan naast de krant. Heijne was op de televisie presentator van Zomergasten. En van De volmaakte mens, uit welke serie hij bovendien een bloemlezing puurde. Verder verzorgde hij inleidingen, voorwoorden en interviews over kunst en cultuur, soms omgewerkte lezingen. In het verlengde van zijn studie Engels publiceerde Heijne tevens vertalingen.
En scheppend werk? De roman Laatste woorden uit 1984 was Heijnes eerste boek. Daarna wierp hij zich op reisverhalen en publiceerde nog één roman (zijn debuut herschreef hij). Maar columns vormen de hoofdmoot. Van stonde af, al toen hij voor Vrij Nederland schreef, heeft Heijne dat efemere genre ondergebracht in verzamelbundels. Hij herschikte ze in afdelingen, zodat er logica en eenheid in zijn denken kwam. Een vroeg sofisme heette immers: ‘Een column is op z’n hoogst een poor man’s essay’.
Terwijl hij in 2016 aan andere projecten werkte, werd Heijne de prestigieuze P.C. Hooftprijs toegekend, in de categorie ‘beschouwend proza’. Zijn dat essays? Wat in de ondertitels van Heijnes meeste bundels zo heet, was eerst een krantenstuk. En uit de toelichting van de jury – ‘hij volgt de hedendaagse cultuur op een geëngageerde manier’ – bleek dat vooral de opiniemaker bekroond was.
Arme Plato! De P.C. Hooftprijs was lang een overheidsbesogne. Maar de denker die gerekend wordt tot de grondleggers van de westerse beschaving, had literatuur juist buiten de staat willen houden. Rond 380 voor Christus al te ondermijnend. De antieke filosofie was sowieso een zelfverklaarde vriend van de waarheid en dus een vijand van de mening die columnisten brengen. Hun gewraakte doxa zou als een gifstof doordringen tot de ziel en haar van zichzelf vervreemden.

Een schrijver die op zijn sterfbed voor het karretje wordt gespannen van journalisten en politici. Wetenschappers die een encyclopedie optuigen voor stemming makende ideeën. Literatoren die schitteren door afwezigheid in het enige debat dat de samenleving recent gespleten heeft. Zulke kwesties behandelt De ware marsrichting.
In essays die zowel apart als in samenhang te lezen zijn, reconstrueert Marc Kregting waarover de Lage Landen zich tussen 2008 en 2016 druk hebben gemaakt. Hij onderzoekt ook hoe media en het uitgeefbedrijf daarin meespeelden. Het begrip ‘vrije meningsuiting’ blijkt even dynamisch als ‘censuur’, die steevast door de tegenpartij wordt uitgeoefend.
De opinie-industrie heeft filialen in kranten, weekbladen, sites, blogs en sociale media. Nergens is geen oordeel vellen een optie. Toch passeren zelfs de laaiendste meningsverschillen zelden het stadium van de binnenbrand. Worden daarom feiten bijna meteen vertekend?
Met een hartstochtelijk geduld wikkelt Kregting per debat de draad af en hij pleegt vivisectie op onbelicht nieuwsmateriaal. Voor de raadselachtige tijdgeest verkiest hij citaat boven parafrase. Zo toont De ware marsrichting het schandaal van het georganiseerde misverstand.


Een boek als dit bestond nog niet.  (…) denkbewegingen worden nooit samengevat, zodat ze evenmin – samen met de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen – gereduceerd worden. Het nadeel is dat de boeken van deze auteur etiketten opgekleefd krijgen die oscilleren tussen ‘wat wil hij nu eigenlijk zeggen?’ en ‘ik snap er geen bal van’; het voordeel is dat de lezer het haast oneindig aantal verwante elementen dat wordt aangereikt, zelf tot een vermoeden van waarheid kan samenstellen. Wat De ware marsrichting op die manier veertien jaar na Ze zijn niet van Jeremia bijvoorbeeld duidelijk kan maken, is dat literaire uitgeverijen niet meer werkelijk bestaan, of dat ze alleszins machteloos geworden zijn. Voor auteurs kunnen ze nauwelijks nog iets betekenen (…) wie een beetje beroemdheid bezit, zal daarna alleen maar bekender worden; wie daarentegen niet gelezen wordt, verdwijnt steeds meer in de marginaliteit, terwijl al het waardevolle – ideeën, teksten, praktijken, identiteiten, overtuigingen en toekomstperspectieven – wat in de marge wordt ontwikkeld, bijna per definitie op een wegwerpgebaar (of erger) wordt onthaald. Daar bevindt zich dan ook de geëngageerde lading van dit boek: in de vaststelling, keer op keer, dat niets gelijk verdeeld is in deze wereld. (…) een totaaltekst, een wonderlijk en vaak ook humoristisch geheel, dat niet zozeer gecomponeerd als geïmproviseerd lijkt, met talloze overgangen die eerst de auteur krankzinnig doen lijken, en meteen daarna de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen. (…) een haast perverse hypertrofie van deze conceptie van het essay, omdat Kregting voortdurend citeert en niet parafraseert, en de ordening nooit toestaat om een duidelijke figuur te vormen, wat overigens van een bijna bovenmenselijke beheersing getuigt. (...) het ontbindt het genre van het opiniestuk door het te behandelen als het lijk van het collectief gesprek waartoe onze samenleving nog in staat is, en het resultaat is een vooralsnog naamloos genre dat getuigt van vampiristische maar tomeloze vitaliteit.’ (Christophe Van Gerrewey, De Reactor)
In deze bundel slaagt de auteur erin te ontsnappen aan de literaire hokjesgeest. In zijn teksten, het beste te duiden als essays, onderzoekt hij hoe media, uitgeefbedrijven en literatoren (hij noemt ze “opinisten”) het publieke debat tussen 2008 en 2016 hebben beïnvloed. Dat alles onder het motto “De waarheid heeft ook zijn rechten”. (…) Een werk als dit kom je niet vaak tegen. Het laat zich moeilijk doorgronden, dus vraagt om geoefende lezers. Maar zij komen er rijker uit.’ (Dr. G.H. Hagelstein, NBD Biblion)
‘Marc Kregting beent de opinie-industrie met onblusbare ijver en een vlijmscherp mes tot op het bot uit. Van sport tot politiek en van literatuur via beeldende kunst tot filosofie: Kregting wikt, weegt en oordeelt. Tegelijk kostelijke en onthullende lectuur voor al wie wil weten wie wordt vrijgepleit en wie ter dood veroordeeld’. (De Morgen)
‘In De ware marsrichting verzamelde Marc Kregting essays over het hart van wat in brede zin de openbaarheid is, het publieke gesprek. En "vrije meningsuiting" rekenen we tot de kern van de westerse beschaving, toch? De erudiete en onderhoudend schrijvende Kregting heeft heel scherpe inzichten in hoe literatuur, non-fictie, publicistiek en de hele opinie-industrie in de wereld staan: te klein, te min, te weinig zelfkritisch, met een verkeerde focus. Je hoeft het niet altijd met hem eens te zijn om te beseffen: dit boek houdt ons politieke denken een spiegel voor.’ (Marc Reynebeau, De Standaard)
‘Waar de viering van verschillende meningen op het eerste gezicht het gevolg lijkt van het einde van een overheersend wereldbeeld, is het opinisme juist de uiting van een specifieke ideologie – namelijk dat alle tekst content geworden is. Meningen functioneren als makkelijk te verhandelen waar, zonder dat de achterliggende (machts)structuur ooit aangevochten wordt. (…) Kregting brengt de verschillende meningen en machtscentra in kaart, ordent en weegt de standpunten tegen elkaar af. Door de overvloed aan opinies – zowel op gedrukt papier als op het scherm – moet dat monnikenwerk zijn geweest. Ga er maar aan staan: een close reading van het internet en de daar heersende reageercultuur. Het resultaat is een voorbeeld van post-internetliteratuur – het soort teksten dat zonder het wereldwijde web niet had kunnen bestaan. (…) Wantrouwen ontvouwt Kregting bij het ontstaan en vooral het celebreren van gelijkgezindheid – de titel van zijn boek kan niet anders dan sarcastisch worden gelezen. De vraag is vervolgens hoeveel ruimte er overblijft voor collectiviteit. Kunnen sommige politieke bewegingen of stromingen niet een – moreel gefundeerd – wereldbeeld uitdragen zonder dat er sprake is van een “marsrichting” (een verwijzing naar “de nieuwe marsrichting”, in de jaren 1930 verkondigd door de Vlaamse nationaal-solidarist en Verdinaso-leider Joris Van Severen)? Wat uiteindelijk overheerst bij het lezen van dit gifgroene compendium van meningen is bewondering: voor al het lees- en verzamelwerk, voor het spitten, schoffelen en graven, voor het tekstuele empirisme dat Kregting bedrijft. Want waar slaan al die overtuigingen op wanneer niemand nog de tekst van de ander aandachtig tot zich neemt? Marc Kregting heeft, door man en paard te noemen, in de hoop de achterliggende systemen bloot te leggen, van De ware marsrichting een intellectuele pageturner gemaakt.’ (Daniël Rovers, Ons Erfdeel)
'In zijn scherpe analyse van het "weerbare" atheïsme van Dirk Verhofstadt en Paul Cliteur komt Marc Kregting vinnig uit de hoek: "Als ik niet zeker wist dat Gerrit Komrij overleden is, zou ik denken dat hij Het Atheïstisch Woordenboek heeft geschreven."' (Sven Vitse)


vrijdag 25 augustus 2017

Rob van Essen (2016-2017)


‘We hoefden het alleen maar uit te pakken’



Terwijl in België de literaire kritiek nagenoeg zweeg, werd Kind van de verzorgingsstaat: opgroeien in een tijdloos paradijs van Rob van Essen in Nederland juichend ontvangen. Vanwege eerdere nominaties van deze schrijver-recensent-vertaler voor de Librisprijs (Visser, 2008 / Alles komt goed, 2012) en de Gouden Boekenuil (Hier wonen ook mensen, 2014)? Van Essens tiende boek werd door NRC tot de belangrijkste titels van 2016 gerekend, belandde op de longlist van de Fintro Literatuurprijs en wist zelfs genrebarrières te doorbreken toen het even later genomineerd werd voor de Jan Hanlo Essayprijs.
Volgens de conservatieve opiniesite ThePostOnline had Van Essen het linkse levensgevoel doorgeprikt. Of dat helemaal waar is weet ik niet, maar zijn argumenten en stijl deden me geregeld denken aan twee andere recente uitgaven waarin progressieve idealen van de jaren zestig en zeventig berispt werden: Teun van de Keukens Goed volk en Een woord een woord van Frank Westerman. De drie auteurs hebben gemeen dat ze bekeerlingen zijn, van hun geloof gevallen. Centraal in Kind van de verzorgingsstaat staat het oordeel dat de participatiesamenleving onvermijdelijk is, waarin eigen verantwoordelijkheid vooropstaat. De overheid zou burgers niet langer kunnen onderhouden van de spreekwoordelijke wieg tot het graf.
Dat de idylle van de verzorgingsstaat verstoord werd, ligt volgens het boek aan opvattingen en gedragingen die Van Essen vastzet in de genoemde twee decennia. De jaren zestig en zeventig, zo klinkt het, namen geen genoegen met de werkelijkheid zoals zij was. Adolescenten van toen, babyboomers, droomden hardop van een betere wereld. Volgens Van Essen, geboren in 1963, zou iedereen, inclusief hijzelf, toen links geweest zijn, ‘ook de mensen die rechts waren’. Een pagina later nuanceert hij dat even ongrijpbaar: ‘Niet iedereen was links, maar wel iedereen die ertoe deed.’ In de jaren tachtig zou de verzorgingsstaat te duur geworden zijn. Er kwamen bezuinigingen – waardoor de linksen ‘nog overtuigder raakten van ons gelijk’.
Van Essen neemt afscheid van dit gelijk dat zonder een spoortje twijfel rechts karakteriseerde als zelfzuchtig, kortzichtig en gewetenloos. Die clichés, schampert Van Essen, passen links beter. Volgens hem zou de ware betekenis van de leus No Future, waarmee progressieve geesten van zijn generatie, na de babyboomers, hun onvrede met de tijdgeest uitdrukten, nog steeds hebben gelegen in een collectieve vlucht. In fantasieën en bovenal richting uitkering. Daarvan gebruikmaken zonder tegenprestatie zou hebben gegolden als verzetsdaad ‘tegen het systeem’. Een uitkering was ‘ook links’.
Nu is het lastig een stabiel waarheidsgehalte uit Kind van de verzorgingsstaat te destilleren. Hoewel Van Essen verteltechnisch geen afstand tot zijn boek houdt, beweegt hij zich voortdurend op de grens van fictie en non-fictie. Enerzijds dist hij zijn particuliere geschiedenis op, anderzijds geeft hij daar foto’s en literatuurverwijzingen bij – naar studies, reportages, opiniestukken, rapporten,… Zelf noemde Van Essen zijn boek ‘een gemaskeerde autobiografie, waarin ik ook van alles over mijn tijd vertel’. Er blijft ruimte voor dichterlijke vrijheden. Bij zijn zus staat ‘While my guitar gently weeps’ op de ‘blauwe’ dubbelelpee van The Beatles.
Onherroepelijk neemt Kind van de verzorgingsstaat ook afscheid van eigen opvattingen. Van Essen verklaart ze uit het gegeven dat links fotogenieker was. Op zijn jongenskamer hing een Che Guevara-affiche en afbeeldingen van de Baader-Meinhof-Groep hadden volgens hem een prettige grofkorreligheid. Zijn vaarwel is dus iconisch en verwijst naar fenomenen waar hij te jong voor was. Dat deerde niet. Van Essens generatie kreeg alles ‘aangereikt’ van babyboomers. ‘We hoefden het alleen maar uit te pakken, we waren de consumenten van links.’
Het boek stelt dus gemakzucht en meeloperij aan de kaak en het relativeert inspanningen voor een betere wereld. Toont Van Essen zich nu dan wel onafhankelijk en bevrijd?

Val van de trap
Kind van de verzorgingsstaat durft een moreelpolitieke keuze te maken. Bij Van Essen berust die op grenzen stellen aan solidariteit. Hoe steekhoudend zijn de redenen? De auteur baseert zich op Sheila Sitalsing die in de jaren tachtig vanuit Suriname naar Nederland trok en daar overweldigd werd door de keuzemogelijkheden: ‘De ongelooflijke vrijheid. En ik dacht: dit moeten de paters vroeger op school bedoeld hebben met het paradijs.’ Dus was No Future volgens haar lifestyle. Bij bevoorrechten proefde zij klagerigheid, waarvan Van Essen toen grote doses had kunnen aanleveren.
Shitalsing benadrukt dat het na de val van de Muur socialist Wim Kok in zijn paarse regering was die ‘gealarmeerd door misbruik van met name de Wet op de arbeidsongeschiktheid [WAO] een “participatiesamenleving” bepleitte’. Mogelijk is er voor België een analogie met de actieve welvaartsstaat van Frank Vandenbroucke, ook een socialist (sp.a) in een paarse constellatie. Het moest gedaan zijn met wat Shitalsing noemt ‘de calculerende burger die aan het shoppen was geslagen in de vitrinekast vol uitkeringen en voorzieningen’. Deze diagnose kreeg bevestiging van Pim Fortuyn die de WAO rigoureus wilde inbinden.
Al deze visies richten zich niet op de inkomsten van de overheid maar op de uitgaven. Dit frame is terug te voeren tot de enige linkse regering (1973-1977) die Nederland heeft gekend, onder Joop den Uyl. De overheid zoals deze prototypische socialistische voorganger van Kok haar voorstond, zou een ‘sinterklaas’ zijn. Wat uit naam van beschaving en solidariteit inwoners wilde bijstaan bij tegenslag gold als potverteren. En de ontvangers heetten langharig werkschuw tuig. Maar daartegen had Den Uyl in 1966 al het populistische geintje bedacht dat de daadkrachtige Duitsers in 1940 keurig geknipt, gewassen en geschoren waren.
Op één anekdote van Shitalsing komt Van Essen geregeld terug. Toen in 1977 met de volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid ook een huisvrouw die invalide werd na een val van de trap bij het ramenlappen tot aan haar dood van een inkomen verzekerd was, was de verzorgingsstaat af. ‘Zo mooi werd het nooit meer.’ Toch blijken het niet politici maar burgers te zijn, die de participatiesamenleving over zichzelf hebben afgeroepen. Van Essen velt dat vonnis zo: ‘De verzorgingsstaat had het ontstaan van een nieuw menstype in de hand gewerkt, de calculerende burger die precies wist bij welk loket welke uitkering verkrijgbaar was. Dat wezen moest de wind uit de zeilen genomen worden, niet alleen om financiële, maar ook om morele redenen.’
Doordat Van Essen de eerlijkheid opbrengt om ‘morele redenen’ te vermelden, blijkt de participatiemaatschappij minder objectief dan ze wordt voorgesteld. Ze is een onderneming in de vorm van contract dat getuigt van een weinig vertrouwensvol mensbeeld. Een recht werd een gunst. Het motto is ooit nog door sp.a’er Patrick Janssens geleverd: voor wat hoort wat. Wel heeft de huidige nazaat van Den Uyl en Kok, Lodewijk Asscher, die legendarische wet uit 1977 als voorbeeld gesteld voor een nieuwe regeling, waardoor flexwerkers zich minder aan goden of mecenassen voelen overgelaten.

Kunstenaarsaspiraties
Voor uitkeringen hanteert Van Essen de basismetafoor ‘vangnet’. Zijn oordeel is dat die verworvenheid van de verzorgingsstaat werd misbruikt. Dan openbaart zich de ‘hangmat’. Met die visie kopieert Van Essen een neoliberaal frame. Hij duidt, met een gêne die volgens hem schrijvers eigen is, zijn werkbeurs van het Letterenfonds als ‘een restant van de verzorgingsstaat waar ik van profiteer’. Over het basisinkomen heeft hij zich bij mijn weten nergens uitgelaten, noch over de vraag hoe uitkeringen gestalte krijgen binnen de Europese Unie met haar vrije handelsverkeer.
Zelf bleef Van Essen niet dadenloos. In de jaren tachtig was hij vrijwillig kaderlid voor de Socialistiese Partij (nu: SP). Hij colporteerde en kreeg van een afdelingsvoorzitter lessen in wat de zuivere leer moet heten:

‘Arbeiders waren eigenlijk de echte mensen, de énige echte mensen, mensen die iets produceerden. Wij, als leden van de al dan niet gestudeerde middenklasse, werden geacht voortdurend met een vaag schuldgevoel rond te lopen omdat wij profiteerden van het harde werk dat de arbeiders verrichtten. Betere mensen waren het, mensen uit één stuk, robuust, nobele wilden bijna – en van nature links, al waren ze daar zelf nog niet allemaal van op de hoogte.’

Met die ‘nobele wilden’ dient Jean-Jacques Rousseau zich aan. Bij het ontmaskeringproject van links dat Kind van de verzorgingsstaat is, valt diens naam vreemd genoeg niet voor een kanttekening dat grote idealen bij progressieven gepaard kunnen gaan met kleine praktijken. In zo’n context figureert Rousseau wel in de recente roman Malva van Hagar Peeters, die de revolutiedichter Neruda tegen het licht houdt. Het is een gemeenplaats geworden dat hooggestemde linkse ideeën zich niet hoeven vertalen in belangstelling voor mensen.
Zo’n jij-bak domineert tegenover politici die, zeker op internet, reflexmatig gelijkgesteld worden aan hypocrieten. De nobele wilde geldt als een bedenkelijke uitvinding. Bijzonder aan Van Essens boek vind ik dan dat het alleen het hoofdpersonage bevraagt. Diens lot moet exemplarisch zijn voor maatschappelijke oneffenheden. Een anekdote over de bekommernis en verzorging die Van Essen bij een inhechtenisneming toeviel van het gevangeniswezen, rijmt nochtans met wat in Nederland de voormalig linkse babyboomer Herman Vuijsje al jaren zegt over een overheid die tot in het absurde zou pamperen. In het Bargoens schijnt de gevangenis trouwens ‘het rijkshotel’ te heten en geldt gevangen zitten als ‘op vakantie zijn’.
Andere factoren spelen bij Van Essen geen rol, omdat ze kennelijk niet tot het leven van het hoofdpersonage zijn doorgedrongen. In Kind van de verzorgingsstaat komt bijvoorbeeld geen variant van de nobele wilde voor, bekend onder het stigma ‘allochtoon’.