donderdag 16 mei 2019

Bloemlezing 21ste-eeuwse essays (2019)


Ruimte in het hoofd



Toen onlangs het literaire tijdschrift G. een nummer plande over Patricia de Martelaere die tien jaar geleden overleed, bleek van deze begenadigde en bewierookte essayiste-romanschrijfster, wier oeuvre decennia omspant, geen enkel boek voorradig. Geïnteresseerd jongere auteurs moesten zich behelpen met fotokopieën en niet-afgeschreven bibliotheekexemplaren. Prachtig dus dat Nina Polak en Joost de Vries eind 2018 met de bloemlezing De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21ste eeuw in 60 essays materiaal naar buiten brachten dat, hoe recent ook, amper beschikbaar blijkt. Bovendien heeft deze gebonden editie van dik zeshonderd bladzijden een leeslint, hintend dat het genre trage consumptie eist – die de voorbarige datering in de ondertitel kan verklaren.
De twee samenstellers nemen in hun voorwoord uitdagend afstand van het essay als beschouwende tekst (hun cursivering), die een afstandelijk betoog zou afsteken. Polak en De Vries hebben voorkeur voor onderzoek dat meandert en een persoonlijke toets toelaat. Meteen is dan de vraag of het een het ander uitsluit. Hoe zouden ze bijvoorbeeld Montaigne inschatten, verklaard grondlegger van het essay? De samenstellers omzeilen die kwestie pragmatisch, doordat de eisen van de tijd veranderd zouden zijn. Voor hen is het tekenend dat er recent een heruitgave verscheen van Marja Pruis’ De Nijhoffs en ik. Dit debuut was in 1999 ‘ongenadig hard afgefakkeld’ omdat de auteur zich naast haar onderwerp drong. Nu wordt zo’n prominent ik, constateren Polak en De Vries, ‘unaniem geprezen’.
Ze verklaren die ontwikkeling uit de veelheid van media en informatie die in de 21ste eeuw beslag kreeg: mensen nemen de wereld subjectiever waar. Elk onderwerp zou daarbij zijn eigen methode afdwingen. Tegelijk zijn maatschappelijke misstanden als seksisme en discriminatie zo algemeen, dat een goed essay tegenwoordig, ‘niet uit navelstaarderigheid’, de oplossingen dicht bij huis zoekt. Dat is wederom pragmatisch omdat, ontlenen Polak en De Vries aan een uitspraak uit een prognose, met een traditioneel ‘vrijuit’ onderzoek via dit type tekst ‘geen droog brood meer te verdienen valt’. Het delen van privébesognes als aanpassing aan de markt?
Voorheen hield het essaygenre volgens de samenstellers een literair ‘spel’ in, met ‘mooischrijverij’. Ze noemen daarbij Komrij, Vogelaar en Krol. Het te maken punt zou bij die auteurs onder aan het prioriteitenlijstje staan en zo bleven ze zelf ‘buiten schot’. Dit type, onthullen Polak en De Vries, ontbreekt in deze bloemlezing. Ze sluiten zich expliciet aan bij Joost Zwagerman die straatrumoer in de literatuur kon waarderen.
Een essay uit De wereld in jezelf is dus onbeschroomd bevlogen en geëngageerd. Polak en De Vries prefereren ‘algemene onderwerpen’ boven stukken over literatuur en poëtica van ‘vooral dichters’ die van papier naar papier zouden bewegen. De 21ste eeuw van deze bloemlezing begint met Nine-eleven. Volgens Michael Zeeman, betiteld als ‘huisessayist van de Volkskrant’, leek toen het begrip Derde Wereldoorlog ’even inhoud te krijgen’. Drie dagen na de aanslagen achtte hij alleen fictie in staat deze werkelijkheid te begrijpen. Door deze acquitstoot van De wereld in jezelf wordt heil gezocht in de vermaatschappelijking van literatuur. En dus ook van het essay, dat zich in deze bloemlezing, garanderen de samenstellers, diverser dan ooit betoont. Het kan er de vorm aannemen van een brief, een verhaal, satire,… Volgens Polak en De Vries duikt literatuur zelf er ook anders in op. Lezen van een andere tekst gaat niet met exegese, maar weerspiegelt eigen ervaringen, ‘de theorie van de roman wordt als het ware doorberekend naar de praktijk van het leven’. Daarnaast zou het essay oprukken binnen de roman zelf, ‘het narratief wordt opgeschort voor een essayistisch vertoog’. Dit vertoog is zelfstandig te lezen, terwijl de samenstellers bij enkele, vaak oudere auteurs (Brassinga, Februari, Hulst, De Jong, Lanoye, Schippers) geen ‘fragment uit een groter geheel’ kunnen en willen lichten.
Hun selectie in ogenschouw nemend stelt het Polak en De Vries teleur dat er maatschappelijk grote thema’s als de bankencrisis en klimaatverandering in ontbreken. Wel ontwaren ze ‘opvallend veel porno’. Onder de bijna zestig uitverkorenen voor De wereld in jezelf zijn in het eerste decennium van de eeuw mannen overtallig, in het tweede tellen Polak en De Vries, opnieuw geïnspireerd door Pruis, meer vrouwen. Ook dat is een teken van vergrote diversiteit, die het belang van iedereen dient. Het voorwoord besluit: ‘Het essay is de plek waar de schrijver zich vrijuit tot de wereld kan verhouden, waar ruimte wordt opgeëist maar ook ruimte wordt gemaakt in het hoofd van de lezer’.

Roze koeken
Waarschijnlijk klinkt door mijn modale werkwoorden al verbazing over de statements van Polak en De Vries.
Hun afkeer van poëticale stukken wordt weersproken door de as van de bloemlezing. Behalve Zwagerman en Zeeman (uit wiens krantenartikel de cruciale laatste 500 woorden zijn weggelaten) vertolken nog twee mannen die: Bas Heijne met ‘Weg met de wezenloosheid’ en P.F. Thomése met ‘Raadsel der verstaanbaarheid. Deze vier poëtica’s hebben een relatief groot publiek bereikt, gaan exclusief over proza, bieden geen nieuwe gezichtspunten en voelen bij herlezing lauw aan. Terzijde hebben ze nog iets gemeen. Zeemans beschouwing uitgezonderd zijn deze teksten gemaakt voor aan letterenfaculteiten gelieerde evenementen. Hier fungeren essayisten als zogeheten gastschrijvers.
Polak en De Vries’ bewering over de actuele penetratie van het essay in fictie kan ik evenmin volgen. Vroeg in de twintigste eeuw is het begrip essayisme zelfs door Musil in zijn romancyclus Der Mann ohne Eigenschaften verdisconteerd. Nog eerder kende Nederlandse literatuur in Multatuli zo’n uitvoerder van wat Polak en De Vries voor de 21ste eeuw ontdekken. Even voordien, in het postmodernisme, was genrepenetratie min of meer de norm.
Andersom sticht Polak en De Vries’ besluit geen ‘fragment uit een groter geheel’ op te nemen verwarring, omdat meerdere teksten in De wereld in jezelf refereren aan inleidingen en vorige hoofdstukken. Akkoord, de expliciet om die reden niet gebloemleesde Maxim Februari is voor mij, zoals ik eens bekende, de grootste hedendaagse essayist. Maar juist zijn praktijk ondermijnt Polak en De Vries’ criteria. Februari schrijft wekelijks maatschappelijke columns, publiceerde in de 21ste eeuw meer dan één boek met zulke houdbare zelfstandige stukken, bundelde ervaringsrijke notities over een heet hangijzer als transseksualiteit…
Nu redeneer ik op het niveau van namen. Polak en De Vries vertellen te hebben weggestreept uit een veelvoud aan namen. Ze erkennen dat twee andere bloemlezers, die net als zij in de KB ‘op een dieet van roze koeken en koffieautomatenkoffie’ door essaybundels uit de 21ste eeuw zouden heengaan, zestig totaal andere teksten hadden kunnen kiezen die met evenveel recht als staalkaart voor het genre golden. Maar juist die aanspraak maakt me met terugwerkende kracht nieuwsgierig naar concrete voorbeelden van ‘mooischrijverij’ bij Vogelaar en Krol. Van Polak en De Vries’ derde passé essayist, Komrij, heeft De wereld in jezelf nota bene een tekst opgenomen. Ik zie daar eerlijk gezegd vooral stijl, maar het punt dat er wordt gemaakt, over homoseksualiteit, lijkt niet op klassieke wijze ontstaan door het essayeren zelf.
Ook zijn bij Komrij alinea’s drastisch verkort tegenover de hem omringende essays. We schrijven dan 2008. Mijn stelling is dat hij technisch iets liet zien wat bij jongeren in deze bloemlezing weerkeert. De essayist was een superproducent geworden, die met zijn gerekte bladspiegel kwantitatief aan de vraag voldeed. Hij bewoog zich naar het fragmentarische, over de rand waarvan latere auteurs vallen. Bij hen worden essays genummerde deeltjes waarin de breuken geen andere motivatie vertonen dan wat er, heet van de naald, rond het aanvraagmoment is gebeurd, te binnen geschoten en gelezen. Met één citaat verschijnen en verdwijnen allerlei boeken in zo’n tekst. Dit klinkt ouwelijk, maar ik moet, al zijn me zijn jonge essayisten bekend die de stiel anders bedrijven, afgaan op de bloemlezing. Daar weet Fiep van Bodegom met zo’n vorm van fragmenten en citaten trouwens wel een tekst te componeren die een essayistische denklijn vertoont.
Bij die dominante desintegratie verstrekt De wereld in jezelf een ratjetoe van alineavormgevingen, soms binnen hetzelfde stuk met en zonder witregels, dan weer inspringend en dan weer niet. En nu ik toch aan het zagen ben: de noten verwijzen naar een afwezige bibliografie en de inhoudsopgave wankelt. Met een pauze van vierhonderd bladzijden verwijzen twee bijna identieke noten naar een en dezelfde doorwrochte studie over Pasolini, in twee spellingen van deze regisseursnaam.

maandag 3 september 2018

Ontwerp voor een omzeillexicon (2018 - )



Toelichting en mogelijkheid voor suggesties & correcties: hier.




Aan, Bouwen
Aan, Nood hebben
Aan, Teruggeven
Aan, Vasthouden
Aan, Wen er maar
Aanboren
Aangaan, Het gesprek
Aangeven
Aanname
Aanpak, Plan van
Aanpakken
Aanreiken
Aanscherpen
Aantikken
Aantrekkingspool
Aanzwengelen
Aardverschuiving
Academisch
Achter, De mens
Achterban
Achterhaald
Achteroverleunen
Actie
Actieplan
Activist
Adresseren
Afklokken
Afleggen, Parcours
Aflijnen
Afronden
Afscheidsmoment
Afslanken
Afspraak
Afstemmen
Aftoetsen
Afvinken
Agenda
Alarmbel
Alarmerend
Alles, Echt
Amalgaam
Ambachtelijk
Ambiguïteit
Ambitie
Analytisch
Angst
Anoniem
Appel, Rotte
Appropriatie
Arbitrage
Articulatie
Artificieel
Autoluw
Autonomie

Bad, Een warm
Bad, Mee in
Bagage
Bal, Kort op de
Bandbreedte
Barbaars
Barometer
Basisfilosofie
Bastion
Beeldvorming
Beest, Politiek
Beledigend
Beleven
Belichamen
Belofte, Loze
Bereid
Beschaving
Beste, De
Betekenisvol
Betrekken
Bevlogen
Bevragen
Bevragen, Kritisch
Bevragen, Zichzelf
Bewaken
Bewijzen
Bewustwordingsproces
Bezielend
Bezorgd
Bij, Neerleggen
Bij, Stilstaan
Bijleren
Bijsturen
Bijtanken
Bindmiddel
Binnen, Dat komt
Binnen, Kaderen
Boeiend
Boekdelen, Dat spreekt
Bottleneck
Bouwen, Bruggen
Bouwstenen
Bovengronds
Breuklijn
Bruisend
Bubbel
Bucketlist
Buikgevoel
Buzzwoord

Casus
Categoriseren
Centen
Certificaat
Checken
Claim
Cliché
Club
Coachen
Cocon
Cocreëren
Code
Cohesie
Comfortzone
Communiceren
Competitief
Complexiteit
Concept
Conceptie
Conceptueel
Concreet
Constitueren
Construct
Constructief
Constructiefout
Contact
Context
Continuïteit
Continuüm
Copernicaans
Crashen
Creatief
Creëren
Crimineel
Crossover
Cultus
Cultuurideaal
Cultuurimperialisme
Curriculum

vrijdag 22 december 2017

De ware marsrichting. Opinismen (2017)


isbn 978-90-79202-50-8, 352 blz.
Boekverzorging Stéphane de Schrevel




Op 18 juni 2016 meldde nrc Handelsblad onder een opiniestuk: ‘Dit is de voorlaatste column van Bas Heijne dit jaar. Na de zomer zal hij andere projecten ter hand nemen, om op 1 januari weer terug te keren.’ Service voor lezers die vertrouwd waren geraakt met Heijnes wereld. Sinds 1991 verdient hij zijn brood voor nrc, sinds 2001 ook als wekelijks columnist.
Dat er van ‘andere projecten’ sprake is, bekrachtigt een professioneel bestaan naast de krant. Heijne was op de televisie presentator van Zomergasten. En van De volmaakte mens, uit welke serie hij bovendien een bloemlezing puurde. Verder verzorgde hij inleidingen, voorwoorden en interviews over kunst en cultuur, soms omgewerkte lezingen. In het verlengde van zijn studie Engels publiceerde Heijne tevens vertalingen.
En scheppend werk? De roman Laatste woorden uit 1984 was Heijnes eerste boek. Daarna wierp hij zich op reisverhalen en publiceerde nog één roman (zijn debuut herschreef hij). Maar columns vormen de hoofdmoot. Van stonde af, al toen hij voor Vrij Nederland schreef, heeft Heijne dat efemere genre ondergebracht in verzamelbundels. Hij herschikte ze in afdelingen, zodat er logica en eenheid in zijn denken kwam. Een vroeg sofisme heette immers: ‘Een column is op z’n hoogst een poor man’s essay’.
Terwijl hij in 2016 aan andere projecten werkte, werd Heijne de prestigieuze P.C. Hooftprijs toegekend, in de categorie ‘beschouwend proza’. Zijn dat essays? Wat in de ondertitels van Heijnes meeste bundels zo heet, was eerst een krantenstuk. En uit de toelichting van de jury – ‘hij volgt de hedendaagse cultuur op een geëngageerde manier’ – bleek dat vooral de opiniemaker bekroond was.
Arme Plato! De P.C. Hooftprijs was lang een overheidsbesogne. Maar de denker die gerekend wordt tot de grondleggers van de westerse beschaving, had literatuur juist buiten de staat willen houden. Rond 380 voor Christus al te ondermijnend. De antieke filosofie was sowieso een zelfverklaarde vriend van de waarheid en dus een vijand van de mening die columnisten brengen. Hun gewraakte doxa zou als een gifstof doordringen tot de ziel en haar van zichzelf vervreemden.

Een schrijver die op zijn sterfbed voor het karretje wordt gespannen van journalisten en politici. Wetenschappers die een encyclopedie optuigen voor stemming makende ideeën. Literatoren die schitteren door afwezigheid in het enige debat dat de samenleving recent gespleten heeft. Zulke kwesties behandelt De ware marsrichting.
In essays die zowel apart als in samenhang te lezen zijn, reconstrueert Marc Kregting waarover de Lage Landen zich tussen 2008 en 2016 druk hebben gemaakt. Hij onderzoekt ook hoe media en het uitgeefbedrijf daarin meespeelden. Het begrip ‘vrije meningsuiting’ blijkt even dynamisch als ‘censuur’, die steevast door de tegenpartij wordt uitgeoefend.
De opinie-industrie heeft filialen in kranten, weekbladen, sites, blogs en sociale media. Nergens is geen oordeel vellen een optie. Toch passeren zelfs de laaiendste meningsverschillen zelden het stadium van de binnenbrand. Worden daarom feiten bijna meteen vertekend?
Met een hartstochtelijk geduld wikkelt Kregting per debat de draad af en hij pleegt vivisectie op onbelicht nieuwsmateriaal. Voor de raadselachtige tijdgeest verkiest hij citaat boven parafrase. Zo toont De ware marsrichting het schandaal van het georganiseerde misverstand.


Een boek als dit bestond nog niet.  (…) denkbewegingen worden nooit samengevat, zodat ze evenmin – samen met de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen – gereduceerd worden. Het nadeel is dat de boeken van deze auteur etiketten opgekleefd krijgen die oscilleren tussen ‘wat wil hij nu eigenlijk zeggen?’ en ‘ik snap er geen bal van’; het voordeel is dat de lezer het haast oneindig aantal verwante elementen dat wordt aangereikt, zelf tot een vermoeden van waarheid kan samenstellen. Wat De ware marsrichting op die manier veertien jaar na Ze zijn niet van Jeremia bijvoorbeeld duidelijk kan maken, is dat literaire uitgeverijen niet meer werkelijk bestaan, of dat ze alleszins machteloos geworden zijn. Voor auteurs kunnen ze nauwelijks nog iets betekenen (…) wie een beetje beroemdheid bezit, zal daarna alleen maar bekender worden; wie daarentegen niet gelezen wordt, verdwijnt steeds meer in de marginaliteit, terwijl al het waardevolle – ideeën, teksten, praktijken, identiteiten, overtuigingen en toekomstperspectieven – wat in de marge wordt ontwikkeld, bijna per definitie op een wegwerpgebaar (of erger) wordt onthaald. Daar bevindt zich dan ook de geëngageerde lading van dit boek: in de vaststelling, keer op keer, dat niets gelijk verdeeld is in deze wereld. (…) een totaaltekst, een wonderlijk en vaak ook humoristisch geheel, dat niet zozeer gecomponeerd als geïmproviseerd lijkt, met talloze overgangen die eerst de auteur krankzinnig doen lijken, en meteen daarna de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen. (…) een haast perverse hypertrofie van deze conceptie van het essay, omdat Kregting voortdurend citeert en niet parafraseert, en de ordening nooit toestaat om een duidelijke figuur te vormen, wat overigens van een bijna bovenmenselijke beheersing getuigt. (...) het ontbindt het genre van het opiniestuk door het te behandelen als het lijk van het collectief gesprek waartoe onze samenleving nog in staat is, en het resultaat is een vooralsnog naamloos genre dat getuigt van vampiristische maar tomeloze vitaliteit.’ (Christophe Van Gerrewey, De Reactor)
In deze bundel slaagt de auteur erin te ontsnappen aan de literaire hokjesgeest. In zijn teksten, het beste te duiden als essays, onderzoekt hij hoe media, uitgeefbedrijven en literatoren (hij noemt ze “opinisten”) het publieke debat tussen 2008 en 2016 hebben beïnvloed. Dat alles onder het motto “De waarheid heeft ook zijn rechten”. (…) Een werk als dit kom je niet vaak tegen. Het laat zich moeilijk doorgronden, dus vraagt om geoefende lezers. Maar zij komen er rijker uit.’ (Dr. G.H. Hagelstein, NBD Biblion)
‘Marc Kregting beent de opinie-industrie met onblusbare ijver en een vlijmscherp mes tot op het bot uit. Van sport tot politiek en van literatuur via beeldende kunst tot filosofie: Kregting wikt, weegt en oordeelt. Tegelijk kostelijke en onthullende lectuur voor al wie wil weten wie wordt vrijgepleit en wie ter dood veroordeeld’. (De Morgen)
‘In De ware marsrichting verzamelde Marc Kregting essays over het hart van wat in brede zin de openbaarheid is, het publieke gesprek. En "vrije meningsuiting" rekenen we tot de kern van de westerse beschaving, toch? De erudiete en onderhoudend schrijvende Kregting heeft heel scherpe inzichten in hoe literatuur, non-fictie, publicistiek en de hele opinie-industrie in de wereld staan: te klein, te min, te weinig zelfkritisch, met een verkeerde focus. Je hoeft het niet altijd met hem eens te zijn om te beseffen: dit boek houdt ons politieke denken een spiegel voor.’ (Marc Reynebeau, De Standaard)
‘Waar de viering van verschillende meningen op het eerste gezicht het gevolg lijkt van het einde van een overheersend wereldbeeld, is het opinisme juist de uiting van een specifieke ideologie – namelijk dat alle tekst content geworden is. Meningen functioneren als makkelijk te verhandelen waar, zonder dat de achterliggende (machts)structuur ooit aangevochten wordt. (…) Kregting brengt de verschillende meningen en machtscentra in kaart, ordent en weegt de standpunten tegen elkaar af. Door de overvloed aan opinies – zowel op gedrukt papier als op het scherm – moet dat monnikenwerk zijn geweest. Ga er maar aan staan: een close reading van het internet en de daar heersende reageercultuur. Het resultaat is een voorbeeld van post-internetliteratuur – het soort teksten dat zonder het wereldwijde web niet had kunnen bestaan. (…) Wantrouwen ontvouwt Kregting bij het ontstaan en vooral het celebreren van gelijkgezindheid – de titel van zijn boek kan niet anders dan sarcastisch worden gelezen. De vraag is vervolgens hoeveel ruimte er overblijft voor collectiviteit. Kunnen sommige politieke bewegingen of stromingen niet een – moreel gefundeerd – wereldbeeld uitdragen zonder dat er sprake is van een “marsrichting” (een verwijzing naar “de nieuwe marsrichting”, in de jaren 1930 verkondigd door de Vlaamse nationaal-solidarist en Verdinaso-leider Joris Van Severen)? Wat uiteindelijk overheerst bij het lezen van dit gifgroene compendium van meningen is bewondering: voor al het lees- en verzamelwerk, voor het spitten, schoffelen en graven, voor het tekstuele empirisme dat Kregting bedrijft. Want waar slaan al die overtuigingen op wanneer niemand nog de tekst van de ander aandachtig tot zich neemt? Marc Kregting heeft, door man en paard te noemen, in de hoop de achterliggende systemen bloot te leggen, van De ware marsrichting een intellectuele pageturner gemaakt.’ (Daniël Rovers, Ons Erfdeel)
'In zijn scherpe analyse van het "weerbare" atheïsme van Dirk Verhofstadt en Paul Cliteur komt Marc Kregting vinnig uit de hoek: "Als ik niet zeker wist dat Gerrit Komrij overleden is, zou ik denken dat hij Het Atheïstisch Woordenboek heeft geschreven."' (Sven Vitse)


vrijdag 25 augustus 2017

Rob van Essen (2016-2017)


‘We hoefden het alleen maar uit te pakken’



Terwijl in België de literaire kritiek nagenoeg zweeg, werd Kind van de verzorgingsstaat: opgroeien in een tijdloos paradijs van Rob van Essen in Nederland juichend ontvangen. Vanwege eerdere nominaties van deze schrijver-recensent-vertaler voor de Librisprijs (Visser, 2008 / Alles komt goed, 2012) en de Gouden Boekenuil (Hier wonen ook mensen, 2014)? Van Essens tiende boek werd door NRC tot de belangrijkste titels van 2016 gerekend, belandde op de longlist van de Fintro Literatuurprijs en wist zelfs genrebarrières te doorbreken toen het even later genomineerd werd voor de Jan Hanlo Essayprijs.
Volgens de conservatieve opiniesite ThePostOnline had Van Essen het linkse levensgevoel doorgeprikt. Of dat helemaal waar is weet ik niet, maar zijn argumenten en stijl deden me geregeld denken aan twee andere recente uitgaven waarin progressieve idealen van de jaren zestig en zeventig berispt werden: Teun van de Keukens Goed volk en Een woord een woord van Frank Westerman. De drie auteurs hebben gemeen dat ze bekeerlingen zijn, van hun geloof gevallen. Centraal in Kind van de verzorgingsstaat staat het oordeel dat de participatiesamenleving onvermijdelijk is, waarin eigen verantwoordelijkheid vooropstaat. De overheid zou burgers niet langer kunnen onderhouden van de spreekwoordelijke wieg tot het graf.
Dat de idylle van de verzorgingsstaat verstoord werd, ligt volgens het boek aan opvattingen en gedragingen die Van Essen vastzet in de genoemde twee decennia. De jaren zestig en zeventig, zo klinkt het, namen geen genoegen met de werkelijkheid zoals zij was. Adolescenten van toen, babyboomers, droomden hardop van een betere wereld. Volgens Van Essen, geboren in 1963, zou iedereen, inclusief hijzelf, toen links geweest zijn, ‘ook de mensen die rechts waren’. Een pagina later nuanceert hij dat even ongrijpbaar: ‘Niet iedereen was links, maar wel iedereen die ertoe deed.’ In de jaren tachtig zou de verzorgingsstaat te duur geworden zijn. Er kwamen bezuinigingen – waardoor de linksen ‘nog overtuigder raakten van ons gelijk’.
Van Essen neemt afscheid van dit gelijk dat zonder een spoortje twijfel rechts karakteriseerde als zelfzuchtig, kortzichtig en gewetenloos. Die clichés, schampert Van Essen, passen links beter. Volgens hem zou de ware betekenis van de leus No Future, waarmee progressieve geesten van zijn generatie, na de babyboomers, hun onvrede met de tijdgeest uitdrukten, nog steeds hebben gelegen in een collectieve vlucht. In fantasieën en bovenal richting uitkering. Daarvan gebruikmaken zonder tegenprestatie zou hebben gegolden als verzetsdaad ‘tegen het systeem’. Een uitkering was ‘ook links’.
Nu is het lastig een stabiel waarheidsgehalte uit Kind van de verzorgingsstaat te destilleren. Hoewel Van Essen verteltechnisch geen afstand tot zijn boek houdt, beweegt hij zich voortdurend op de grens van fictie en non-fictie. Enerzijds dist hij zijn particuliere geschiedenis op, anderzijds geeft hij daar foto’s en literatuurverwijzingen bij – naar studies, reportages, opiniestukken, rapporten,… Zelf noemde Van Essen zijn boek ‘een gemaskeerde autobiografie, waarin ik ook van alles over mijn tijd vertel’. Er blijft ruimte voor dichterlijke vrijheden. Bij zijn zus staat ‘While my guitar gently weeps’ op de ‘blauwe’ dubbelelpee van The Beatles.
Onherroepelijk neemt Kind van de verzorgingsstaat ook afscheid van eigen opvattingen. Van Essen verklaart ze uit het gegeven dat links fotogenieker was. Op zijn jongenskamer hing een Che Guevara-affiche en afbeeldingen van de Baader-Meinhof-Groep hadden volgens hem een prettige grofkorreligheid. Zijn vaarwel is dus iconisch en verwijst naar fenomenen waar hij te jong voor was. Dat deerde niet. Van Essens generatie kreeg alles ‘aangereikt’ van babyboomers. ‘We hoefden het alleen maar uit te pakken, we waren de consumenten van links.’
Het boek stelt dus gemakzucht en meeloperij aan de kaak en het relativeert inspanningen voor een betere wereld. Toont Van Essen zich nu dan wel onafhankelijk en bevrijd?

Val van de trap
Kind van de verzorgingsstaat durft een moreelpolitieke keuze te maken. Bij Van Essen berust die op grenzen stellen aan solidariteit. Hoe steekhoudend zijn de redenen? De auteur baseert zich op Sheila Sitalsing die in de jaren tachtig vanuit Suriname naar Nederland trok en daar overweldigd werd door de keuzemogelijkheden: ‘De ongelooflijke vrijheid. En ik dacht: dit moeten de paters vroeger op school bedoeld hebben met het paradijs.’ Dus was No Future volgens haar lifestyle. Bij bevoorrechten proefde zij klagerigheid, waarvan Van Essen toen grote doses had kunnen aanleveren.
Shitalsing benadrukt dat het na de val van de Muur socialist Wim Kok in zijn paarse regering was die ‘gealarmeerd door misbruik van met name de Wet op de arbeidsongeschiktheid [WAO] een “participatiesamenleving” bepleitte’. Mogelijk is er voor België een analogie met de actieve welvaartsstaat van Frank Vandenbroucke, ook een socialist (sp.a) in een paarse constellatie. Het moest gedaan zijn met wat Shitalsing noemt ‘de calculerende burger die aan het shoppen was geslagen in de vitrinekast vol uitkeringen en voorzieningen’. Deze diagnose kreeg bevestiging van Pim Fortuyn die de WAO rigoureus wilde inbinden.
Al deze visies richten zich niet op de inkomsten van de overheid maar op de uitgaven. Dit frame is terug te voeren tot de enige linkse regering (1973-1977) die Nederland heeft gekend, onder Joop den Uyl. De overheid zoals deze prototypische socialistische voorganger van Kok haar voorstond, zou een ‘sinterklaas’ zijn. Wat uit naam van beschaving en solidariteit inwoners wilde bijstaan bij tegenslag gold als potverteren. En de ontvangers heetten langharig werkschuw tuig. Maar daartegen had Den Uyl in 1966 al het populistische geintje bedacht dat de daadkrachtige Duitsers in 1940 keurig geknipt, gewassen en geschoren waren.
Op één anekdote van Shitalsing komt Van Essen geregeld terug. Toen in 1977 met de volksverzekering tegen arbeidsongeschiktheid ook een huisvrouw die invalide werd na een val van de trap bij het ramenlappen tot aan haar dood van een inkomen verzekerd was, was de verzorgingsstaat af. ‘Zo mooi werd het nooit meer.’ Toch blijken het niet politici maar burgers te zijn, die de participatiesamenleving over zichzelf hebben afgeroepen. Van Essen velt dat vonnis zo: ‘De verzorgingsstaat had het ontstaan van een nieuw menstype in de hand gewerkt, de calculerende burger die precies wist bij welk loket welke uitkering verkrijgbaar was. Dat wezen moest de wind uit de zeilen genomen worden, niet alleen om financiële, maar ook om morele redenen.’
Doordat Van Essen de eerlijkheid opbrengt om ‘morele redenen’ te vermelden, blijkt de participatiemaatschappij minder objectief dan ze wordt voorgesteld. Ze is een onderneming in de vorm van contract dat getuigt van een weinig vertrouwensvol mensbeeld. Een recht werd een gunst. Het motto is ooit nog door sp.a’er Patrick Janssens geleverd: voor wat hoort wat. Wel heeft de huidige nazaat van Den Uyl en Kok, Lodewijk Asscher, die legendarische wet uit 1977 als voorbeeld gesteld voor een nieuwe regeling, waardoor flexwerkers zich minder aan goden of mecenassen voelen overgelaten.

Kunstenaarsaspiraties
Voor uitkeringen hanteert Van Essen de basismetafoor ‘vangnet’. Zijn oordeel is dat die verworvenheid van de verzorgingsstaat werd misbruikt. Dan openbaart zich de ‘hangmat’. Met die visie kopieert Van Essen een neoliberaal frame. Hij duidt, met een gêne die volgens hem schrijvers eigen is, zijn werkbeurs van het Letterenfonds als ‘een restant van de verzorgingsstaat waar ik van profiteer’. Over het basisinkomen heeft hij zich bij mijn weten nergens uitgelaten, noch over de vraag hoe uitkeringen gestalte krijgen binnen de Europese Unie met haar vrije handelsverkeer.
Zelf bleef Van Essen niet dadenloos. In de jaren tachtig was hij vrijwillig kaderlid voor de Socialistiese Partij (nu: SP). Hij colporteerde en kreeg van een afdelingsvoorzitter lessen in wat de zuivere leer moet heten:

‘Arbeiders waren eigenlijk de echte mensen, de énige echte mensen, mensen die iets produceerden. Wij, als leden van de al dan niet gestudeerde middenklasse, werden geacht voortdurend met een vaag schuldgevoel rond te lopen omdat wij profiteerden van het harde werk dat de arbeiders verrichtten. Betere mensen waren het, mensen uit één stuk, robuust, nobele wilden bijna – en van nature links, al waren ze daar zelf nog niet allemaal van op de hoogte.’

Met die ‘nobele wilden’ dient Jean-Jacques Rousseau zich aan. Bij het ontmaskeringproject van links dat Kind van de verzorgingsstaat is, valt diens naam vreemd genoeg niet voor een kanttekening dat grote idealen bij progressieven gepaard kunnen gaan met kleine praktijken. In zo’n context figureert Rousseau wel in de recente roman Malva van Hagar Peeters, die de revolutiedichter Neruda tegen het licht houdt. Het is een gemeenplaats geworden dat hooggestemde linkse ideeën zich niet hoeven vertalen in belangstelling voor mensen.
Zo’n jij-bak domineert tegenover politici die, zeker op internet, reflexmatig gelijkgesteld worden aan hypocrieten. De nobele wilde geldt als een bedenkelijke uitvinding. Bijzonder aan Van Essens boek vind ik dan dat het alleen het hoofdpersonage bevraagt. Diens lot moet exemplarisch zijn voor maatschappelijke oneffenheden. Een anekdote over de bekommernis en verzorging die Van Essen bij een inhechtenisneming toeviel van het gevangeniswezen, rijmt nochtans met wat in Nederland de voormalig linkse babyboomer Herman Vuijsje al jaren zegt over een overheid die tot in het absurde zou pamperen. In het Bargoens schijnt de gevangenis trouwens ‘het rijkshotel’ te heten en geldt gevangen zitten als ‘op vakantie zijn’.
Andere factoren spelen bij Van Essen geen rol, omdat ze kennelijk niet tot het leven van het hoofdpersonage zijn doorgedrongen. In Kind van de verzorgingsstaat komt bijvoorbeeld geen variant van de nobele wilde voor, bekend onder het stigma ‘allochtoon’.

vrijdag 4 augustus 2017

Gendertaal (2015)


Een persoonlijk voornaamwoord met maatschappelijke impact (in Zweden)

 

Op 15 april verschijnt de herziene editie van het Zweedse woordenboek. Afgelopen zomer, midden in de komkommertijd, raakte één lemma al bekend. Kennelijk is het zo spectaculair dat het nu weer aandacht krijgt. Tussen 13.000 nieuwe Zweedse woorden zal één persoonlijk voornaamwoord schuilgaan: hen. Het wordt ervaren als een pas ontdekte planeet. Misschien is het zoveel aandacht waard, omdat het voor de derde persoon enkelvoud geldt. Daarmee krijgt het oude koppel han en hon, respectievelijk ‘hij’ en ‘zij’, gezelschap van iets bovengeslachtelijks dat ik maar even vertaal met ‘men’.

In vaktermen is dat nieuwe woord genderneutraal. Er valt niet mee te bepalen of iets mannelijk of vrouwelijk is. Dat blijkt geen geringe operatie geweest. Tien jaar hebben Zweedse academici gewikt en gewogen. Aan dat geduld kan zelfs de Oxford English Dictionary niet tippen, laat staan dat laaglands innovatiegeweld een andere dan anekdotische indruk maakt. In dit specifieke geval komt het Nederlands, naast het onpersoonlijke ‘men’, niet verder dan ‘hij of zij’ – een even beleefde als krachteloze verlegenheidsoplossing.

In Zweden voorziet hen al enige tijd in een behoefte. Het is aanlokkelijk hier een persiflage op de wetten van vraag en aanbod in te vermoeden. Wie houdt zich in hemelsnaam met zulke beuzelachtige details bezig? Maar je hoeft geen Zweed te zijn, of in hon een honnepon te horen, om te begrijpen dat er iets meer aan de hand is. Meer ook dan transseksualiteit.

In het Nederlands bestaan er voor de derde persoon enkelvoud vier opties: hij, zij, men en het. Hun verdeling is echter niet evenredig. Dat merk je al wanneer je er een bezittelijk voornaamwoord bij gebruikt. Een vrouw heeft haar neus, terwijl een man en men en een koekjesmonster allen zijn neus hebben. Zowel het quasi-neutrale ‘men’ (dat officieel naar levenden verwijst) als het quasi-neutrale ‘het’ (dat officieel op levenloze dingen verwijst) slokt elke vrouwelijke aanspraak op. Ze blijken een verkapt hij. Meer blauw dan roze: het is even irritant als beschamend dit te moeten vaststellen.

Ik vrees dat ik uit ervaring spreek. Ooit ontwierp ik een gedichtenpersonage, dood vogeltje, waarvoor ik geen geslacht wilde reserveren. Om het vogeltje helemaal onzijdig te houden, zocht ik mijn toevlucht tot een, naar ik meende, nieuw bezittelijk voornaamwoord: ‘Op langer aanhoudende barre momenten denkt dood vogeltje dat alles wat het tegenkomt over het gaat (op hets poedelnaakte situatie van toepassing is).’

Menig lezer vond deze oplossing kunstmatig. Maar ze was goedbedoeld, zij het niet goed genoeg. Tijdens het maken van de poëziebundel betrapte ik me erop dat ik over het personage soms dacht als een mannelijk wezen. En bij interviews sprak ik soms met ‘hij’ en ‘hem’ over dood vogeltje. Taal wreef me in dat ik echt een mannetje bén. Vanuit die positie schep ik niet alleen privé maar ook in het openbaar een vertekende wereld.

woensdag 19 april 2017

Bas Heijne (2017)


‘Deden ze dat bij mij ook maar eens!’


In het geweld van teksten vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen ging een boekje van Bas Heijne een beetje verloren. Toch doet hij in Staat van Nederland een aantal opmerkelijke beweringen – in het licht van de maatschappijdiagnoses die hij sinds 2001 als columnist van NRC Handelsblad wekelijks stelt. Hij gebruikt nu een beeld dat amper nog als beeld wordt ervaren. Door de samenleving zou een ‘breuklijn’ lopen die ‘alleen maar dieper’ wordt. Zo kan Heijne twee kampen benoemen, plus een sfeer van polarisatie. En omdat de ondertitel luidt Een pleidooi, dwingt hij zichzelf een remedie te vinden.
Terecht ziet Heijne ‘een harde clash tussen verschillende manieren van naar de wereld kijken, verschillende opvattingen over wat een goede samenleving is’. Nieuw in zijn denken is de erkenning dat de grondtoon van deze strijd mogelijk sociaaleconomisch is, maar zeker ‘inmiddels ideologisch: universalisme tegenover nationalisme, gelijkheidsdenken tegenover groepsdenken, het streven naar gezamenlijkheid tegenover identaire eigenheid’. Vermoedelijk hebben alle eerste termen van de tegenstelling Heijnes voorkeur.
Hij veronderstelt dus het bestaan van iets schier achterhaalds dat in de jaren zestig en zeventig ‘het systeem’ werd genoemd, gedragen door ‘structuren’. Van die invalshoek moest Heijne nooit veel hebben, reden waarom hij gold als een gematigd links criticus van idealistisch links. Hij zocht evenwicht. Bij elk hooggestemd idee dat de werkelijkheid zou vertekenen, plaatste Heijne nuchter commentaar. Zo ontstond tegelijk begrip voor behoudender geluiden. In Staat van Nederland doet hij dat uiteindelijk ook, maar moet hij voor zijn balans grovere middelen inzetten. Het zijn nu exclusief populisten die door Heijne worden betrapt op sympathie voor griezelige post-truth-leiders.
Intussen staat zijn cursief ideologisch er toch maar, net als in het besef dat het marktdenken ‘ons, zo leek het tenminste een lange tijd, van de verplichting [heeft] ontslagen in morele termen over onze samenleving na te denken’. Ik vind zulke kwalificaties vanzelfsprekend. Bij Heijne lijken de cursieven met terugwerkende kracht zijn relativeringspraktijk te ontmantelen. Kennelijk valt niet elke gebeurtenis terug te brengen tot onhysterische proporties.
Heijne verklaart zijn breuklijn uit een gebrek aan luisterbereidheid, een eigenschap die voor hem – en voor David Van Reybrouck – cruciaal is geworden. Wat hij opvangt is ‘vooral een eindeloze reeks zelfuitingen, in naam van de narcistische overtuiging dat het er slechts om gaat om gehoord te worden’. Olijk ontwaart Heijne het recept van ‘zelfrijzende verontwaardiging en ontsteltenis’, niet toevallig bij alle tweede termen van zijn tegenstelling. Dit gedrag openbaart zich volgens hem bij uitstek op één medium: het internet.
De voorrang van emoties fnuikt wat Heijne ‘het debat’ blijft noemen. Pas wanneer de strijd met andere wapens en termen gevoerd wordt, zou er iets gunstigs met de breuklijn gebeuren.

Ideologische eerlijkheid
Staat van Nederland ambieert een ware uitwisseling van ideeën, zonder stemmingmakerij. Bij zo’n debat loont het om de gemelde begrippenparen ook historisch te funderen. Heijne rekent zichzelf tot de nazaten van de Verlichting (voor de vijanden: gutmenschen, politiek correcten), terwijl nationalisten (voor de vijanden: populisten, racisten) een Contraverlichting propageren. Beide partijen koesteren een meer of minder onbeschroomd geuite sympathie voor verworvenheden van het Westen. Het betreft hier voor de goede orde zo’n 12% van de wereldbevolking.
Ik betrapte me erop bij de lectuur te wachten totdat Heijne een derde in zijn betoog binnenliet om het huidige perspectief te kaderen. Na zo’n vijftig bladzijden was er inderdaad de entree van Johan Huizinga. Diens veroordeling van ‘puerilisme’ trekt Heijne door naar een kinderachtige, onoprechte houding in het debat. Dan doelt hij op het verdoezelen van aspecten aan het hete hangijzer en om het wegmoffelen van consequenties. Ook het niet-aflatend blameren van tegenstanders heet vruchteloos infantiel. Door alles in het persoonlijke te trekken, voelt men zich snel beledigd en schept er anderzijds schijnbaar genoegen in anderen te grieven. Wel krijgen debatten zo trekken van fitties. Dat is een etiket van Heijne zelf, afkomstig van het door hem misprezen internet.
Hij verlangt daartegenover ‘ideologische eerlijkheid’. Daar horen zelfcorrecties bij omdat ‘je tegenstander, hoe hard en vijandig ook, altijd wel ergens een punt [heeft]’. Een cruciale constatering, waarvoor moed en oprechtheid nodig zijn. En inderdaad luisterbereidheid. Misschien is het beste voorbeeld wel het humeur dat in de maatschappij heerst. Heijne refereert aan onderzoeken waaruit blijkt dat Nederlanders tevreden zijn over eigen leven maar inktzwart over hun samenleving. De stap vooruit die Heijne zet, is dat hij die onvrede niet wil afdoen als apocalyptische aanstellerij. Hij sluit die perceptie in. Welvaart hoeft immers niet bepalend te zijn voor samenhang en binding.
Recent berichtte het Sociaal Cultureel Planbureau inderdaad dat ondanks de economische voorspoed het pessimisme groeit. Onder laagopgeleiden welteverstaan, met minder kapitaal. Ze voelen zich in de steek gelaten door de politiek en hadden vaak PVV gestemd. Optimisten zaten in de hoek van Groenlinks en D66. Indien mensen toch ingedeeld moeten worden, dan zou dit begrippenpaar wellicht nog het meest verhelderen.
Misschien laat Staat van Nederland als geheel zien dat Heijne heeft moeten groeien in de consequenties van zijn ideologisch-debat-gedachte. Vroeg in het boek onderwerpt hij een nationalistische blogtekst van Gerard Joling aan een fact check. Dan blijkt er speling met de werkelijkheid. Maar wat beoogt Heijne met die uitkomst? Perceptie hoeft toch niet overeen te komen met een dagelijkse gang van zaken? Bas van Stokkom heeft daar in de studie Wat een hufter! vele voorbeelden van gegeven.
Dat statistieken niet voor iedereen als medicijn of evangelie fungeren maar veeleer als leugenfabriek, zegt Heijne verderop nota bene zelf: ‘Feiten zijn goed voor onze nuchterheid, maar je zult er geen breuklijn mee dichten. Het gaat niet om feitelijkheid versus emotioneel impressionisme’. Dit citaat weerspiegelt meteen de kwaliteit van Heijnes taal. De eerste zin geeft achter de komma een snelle perspectiefwisseling te zien, de tweede gebruikt met ‘Het gaat om’ een bijna autoritaire stijlfiguur die in Staat van Nederland dikwijls voorkomt (het boekje normaliseert de term ‘insteek’).
Heijne moet ook wel toegeven dat feiten beperkt houdbaar zijn, omdat door zijn ideologische frame woorden een amper te beheersen lading hebben. Toch kan hij het niet laten in het PVV-verkiezingsprogramma een aandrang te bespeuren om Nederland te veranderen in ‘een gesloten inrichting’. Die uithaal frappeert mede omdat Heijne als grootste tegenstander van Wilders de man zelf ziet. Deze schoffeert andersdenkenden zo grondig, dat zij niet meer tot samenwerking bereid zijn: ‘Wilders’ taal is zijn eigen cordon sanitaire, een permanente verbale high van woede en wraakzucht’. Hier toont Heijnes taal beperkingen die ik populistisch zou noemen.


zondag 5 maart 2017

Emojipoëzie (2017)


Drie sofismen



🙃
Het went wel maar het zal nooit wennen


😢
Dan had je maar niet geboren moeten worden

  
😍
Foutloos hoeft niet als het maar volmaakt is


vrijdag 9 oktober 2015

Punt. Wat zeg je? (2015)





ISBN 978 94 6001 407 9, 80 blz.
Cd ingesproken door Marc Kregting (Daisy 23299)
Vormgeving: Mulder van Meurs


‘Oké, we beginnen. Ernst, ik heb het tegen jou.’

‘Vandaag gaan we het hebben over… Bram, stil.
Vandaag hebben we het over… Sissi, ik bid je.
De grote vraag is dus… Amélie, op je stoel.
Het thema van vandaag… Jenny! Wat doe je?
Sissi, weer jij! Dus de Khoikhoi... Stan, toe nu.
Oké, wie van jullie weet… Cassius, jongen toch.
Er zijn dus de Khoi... Godeliefje, nee, laat me.
De Khoikhoi zijn raar. Dus wat zou ik, Victor?
Hebben jullie eens een woord… Stan, ook jij?
Noem het een volk, Frederik, een raar volkje.
De vraag, het thema… Osip, morgen kan ook.
Waar hebben we vandaag… Adelheid, alsjeblief!
Weet je wat jullie zijn? Nou? Hallo! Hallo?’

‘Ik krijg van jullie, echt, ik krijg een punthoofd.’
  

Iedereen die schrijft, gebruikt wel een punt. Je zet dat teken aan het eind van een zin. Dan is die voorbij. Maar wat is een punt eigenlijk? Marc Kregting had niet meteen een antwoord. Daarom schreef hij een boek. Allerlei soorten tekst kwamen langs: een brief, een sprookje, een grap,... Kregting droomde ervan zijn boek af te sluiten zonder punt, en met het langste woord uit het Nederlands. Zo werd Punt een grappig boek. Met een open einde?

‘We gebruiken allemaal punten aan het einde van een zin. De zin is klaar. Marc Kregting vraagt zich in zijn verhandeling af wat die punt eigenlijk is, weet niet direct een antwoord en tapt vervolgens uit verschillende vaatjes om helderheid te verschaffen.’ (Wim Brands, vpro gids)
‘Een wijsgerig opstel’ (Daniël Rovers, Ons Erfdeel) 
‘Een manco is dat de auteur in zijn associatiezucht vaak doorschiet. Van de aanstekelijk docerende leraar ontpopt hij zich meer en meer als een dichter die allerlei tekstuele capriolen uithaalt die zijn lezers niet altijd zullen verstaan. Citaten van auteurs als Wittgenstein, Artaud en Mandelstam zijn daarbij te moeilijk. Didactisch verantwoord is het boekje niet. Het blijft een vermakelijk taalspel, tenminste als je de dichter volgen wilt. Verschillende lettergroottes. Geen aanrader. Moeilijk te categoriseren: deels informatief/deels poëtisch-cabaretesk; deels voor jeugd/deels voor volwassenen.’ (L. Torn, NBD Biblion)  

donderdag 24 september 2015

Joost Zwagerman (1993)


De prinsenkinderen van Joost Zwagerman


Het laatste dat ik over hem hoorde, betrof eigenlijk een nationale bekendheid wiens naam me is ontschoten. Zwagerman zou hem (en de componist-vertolker van o.a. 'Moon over Bourbon Street') in Vals licht te herkenbaar hebben afgebeeld als hoerenloper. Hoe het afliep, weet ik niet meer precies. Iets met een grof schandaal en wijzigingen in de zoveelste druk. In elk geval hadden de media te doen en las een respectabel aantal mensen weer eens een boek, al telde het maar een halve pagina.
Voor je nog zou gaan denken dat Joost Zwagerman en geeuwrumoer wat met elkaar hebben, is het maar gelukkig dat die roman Vals licht (1991) het conflict tussen het hogere en het lagere thematiseert. De vormloze aanstichter tot dit drama is decennia eerder gelokaliseerd in Radiguets Le diable au corps (dat op de achterflap van Zwagermans debuut De houdgreep reeds ter sprake kwam): 'Mijn liefde stelde alles in een vals licht.' Zwagerman biedt in zijn meest recente werkstuk vaardig diverse verschijningen van dit beeld. Letterlijk wanneer de hoofdpersoon Simon Prins op jeugdige leeftijd met zijn oog tegen een fietsstuur slaat, in de raamverlichting van de peeskamertjes die prostituees als zijn geliefde Lizzie Rosenfeld moet flatteren en in Lizzies privé-domein de 'onderwaterkamer', een fenomeen dat Zwagerman aan de contemporaine film Mermaids kan hebben ontleend. Uit de onderwaterkamer wordt daglicht geweerd. Overdrachtelijk staat vals licht voor de schijnbare intimiteit tussen hoer en klant, het 'schaduwbestaan', voor het netwerk van leugens die Simon in de loop van de roman, al dan niet met hulp van Lizzies psycholoog Martin van Doorn, ontmaskert. Hij bereikt de waarheid achter haar leven en daarmee achter hun liefde – die breekt. Weer een stap verder vertegenwoordigt vals licht kitsch ten opzichte van het oorspronkelijke, om uiteindelijk te stranden bij begrippenparen als schijn en wezen, verbeelding en werkelijkheid. De algehele uitvergroting wordt op talig vlak ondersteund door de stijlfiguur pars pro toto. Een man met een baard heet bijvoorbeeld 'de baard'.
Niet alleen door deze kunstgrepen lijkt de Zwagerman van Vals licht op A.F.Th. van der Heijden. Ik vermoed dat Lizzie Rosenfeld te beschouwen is als een jarentachtigversie van Milli Händel uit De gevarendriehoek. Beiden zijn afkomstig uit Brabant, kennen niet de meest ideale ouders, studeren in Nijmegen en hebben zoiets als een eetprobleem. Ik wijs ook op wat minder persoongebonden parallellen. Waar bij Van der Heijden Albert op meerdere fronten 'impotent' heet, is in Vals licht Lizzie buiten werktijd 'gesloten'. Haar sexueel-therapeutische spelletjes met Simon doen denken de door Masters & Johnson verantwoorde pogingen van Albert en Marike de Swart. Wanneer het dan tot gemeenschap komt, geschiedt dat bij fysiek ongemak: Simon heeft griep, Marike herstelt van een abortus. En na de ban gebroken is, wordt er kinderlijk genoten van de ontheiliging in diverse variaties (Simon vergelijkt het wisselen van standje met het inruilen van de ene religie voor de andere). Misschien is het hierom dat Zwagerman de oorspronkelijke achternaam van Simon, Witschge[1], heeft veranderd in Prins – als saluut aan Van der Heijden die zichzelf soms half-ironiseert met 'prins van den bloede'. Misschien, maar ik denk van niet.

vrijdag 28 november 2014

Onze Nietzsche. Catechismen (2014)



ISBN 9789079202270
Eerste druk 40 blz. + cd (26 tracks)
Tweede druk (juli 2016) 48 blz.
Grafische vormgeving www.gestalte.be

Zeg, weet jij misschien wie zwanger gaat van? Het is de zee die het land heeft opengeslagen. Wil zij soms echt souperen met de engeltjes? Een haring beminnen, oesters op zandgrond. Leden van de commissie of een medefirmant? Veel tunnels vormen een aanslag op het licht. Bepaalde dingetjes dus, milddadig gestemd? ‘Hochmut, zeer aangenaam, met ha oo see ha.’ Is dit dan nog de tijd van explicatie in hout? Rigide moraal, op flakkeren de bordjes nu. Wil jij weten waarom natuurlijk verreweg de vettigste getallen elektronische hufters zijn? Luister dan naar het verhaal van de heer die per abuis zijn eigen bratwurst had ingeslikt.

Met Onze Nietzsche voltooit Marc Kregting zijn poëzieproject. Hij begon het twintig jaar geleden, met de bundel De gezel. Daarin monteerde hij onrijpe stemmen. Eindelijk zijn ze zelfstandig geworden. Ze redetwisten over iemand die zich voorstelt als ‘Hochmut, met ha oo see ha’.
Onze Nietzsche ent zich op de catechismus. Het speelt een vraag- en antwoordspel. Daarvoor moet een soms halsbrekende tocht door de cultuurgeschiedenis worden aanvaard. Gelukkig zijn er reisgenoten – figuren die af en toe zo vertrouwd zijn dat hun voornaam volstaat.
Uit zijn vroegere poëzie heeft Marc Kregting de meligheid behouden. Hij voerde één wijziging door. Zijn regels braken altijd willekeurig af, met als criterium dat ze even lang waren als de vorige en de volgende. Nu is de voorbarige rechterkantlijn weg.
Er resteren inderdaad stemmen, vier in totaal. De partituur van Onze Nietzsche werd openbaar voorgedragen door F. van Dixhoorn, Els Moors, Kila & Babsie. Zij vullen de geschreven tekst aan, zodat ook een gemeenschap van niet-lezers kan terugluisteren.


‘er worden consequent zinnen na elkaar geplaatst die qua betekenis met elkaar botsen, waardoor de lezer zich ervan bewust wordt dat ook communicatie niet losstaat van machtsstructuren (…) Opvallend aan de performance is niet alleen dat de verschillende stemmen sterk van elkaar verschillen, maar ook dat de declamatoren veranderingen in Kregtings tekst hebben aangebracht. Zowel die heterogeniteit als dat loslaten van de oorspronkelijke” tekst versterkt in hoge mate het meerstemmige karakter van Onze Nietzsche. (…) Het lijkt weinig zin te hebben klassieke persoonsbeschrijvingen van deze figuur te maken: met de coherentie tussen de zinnen verdwijnt ook de zogenaamde eenheid van de protagonist uit het zicht. “Onze Nietzsche” is al net zo’n open systeem als de rizomen van “Deleuze Gilles”, met wiens filosofie de denkbeelden van Nietzsche verwisseld lijken te worden (…) zonder poëtische catechismen als die van Kregting rest alleen de banaliteit van de commerciële televisiecultuur, en meer in het algemeen van de laatkapitalistische consumptiemaatschappij waarvan die een uitingsvorm is.’ (Jeroen Dera, Poëziekrant)
‘Geconcentreerd lezen, zin na zin, herlezen, pogen er een coherent verhaal van te maken, zoeken naar metaforen, citaten traceren, het levert allemaal weinig op. Het wonder is echter dat je blijft lezen, steeds opnieuw. Blijkbaar is het intrigerend genoeg om boeiend te blijven, bovendien heeft de dichter een feilloos gevoel voor klank en ritme, zodat het een genoegen is de wartaal voor je uit te prevelen. (…) Door de filosoof met de hamer ‘onze Nietzsche’ te noemen, heeft Kregting hem gedomesticeerd. Weerloos loopt hij rond in een onbegrijpelijk universum van economische en politieke chaos, blatende media, seks en popmuziek, fascisten en elohisten, katten die kraaien als hanen en papegaaien die sterven (‘je had de ezel opgegeten en de pinguïn laten staan’). Misschien mogen we de papagaai associëren met de beroemde sketch van Monty Python, want Kregtings absurde, soms oerflauwe grappen vormen een belangrijk bestanddeel van de tekst. Het gebrek aan coherentie binnen een wereld die ondanks alles als de onze herkenbaar is, duidt op een visie die tegelijkertijd pessimistisch én vrolijk is. (…) God is dood, maar de kosmos is er niet minder bezield om geraakt.’ (Piet Gerbrandy,
De Groene Amsterdammer

'Weliswaar is de tekst zo opgebouwd dat je na enige tijd leidmotieven gaat ontdekken, maar het geheel verzet zich radicaal tegen interpretatie. Opmerkelijk genoeg is deze chaos niet alleen hoogst vermakelijk, maar werkt hij zelfs bezwerend. Dat komt door de ritmische kwaliteit van de afzonderlijke zinnen en de klankherhalingen waarmee ze aan elkaar zijn gekoppeld, die ervoor zorgen dat de tekst op auditief niveau niet uit elkaar valt (...) Niettegenstaande de vernietiging van de meeste aspecten die poëzie de laatste eeuwen tot poëzie hebben gemaakt,  handhaaft Kregting juist het voornaamste element dat ten grondslag ligt aan de poëtische ervaring, en dat is haar fysieke manifestatie' (Piet Gerbrandy, The Low Countries)
‘Behalve stemmen die vragen stellen en antwoorden formuleren, is er in Onze Nietzsche ook een commentaarstem aanwezig die een toelichting verwoordt en in de tekst soms tussen haakjes staat. In tegenstelling tot de catechismus, waarin via vragen en antwoorden een samenhangend inzicht wordt geboden in de leer, krijgt de lezer van Onze Nietzsche geen coherente tekst, maar taalfragmenten voor ogen, waaraan hij veelal zelf betekenis moet toekennen. (…) Zoals in zijn vorige bundels onderzoekt Marc Kregting in Onze Nietzsche de taal in de denkkaders aangereikt door filosofen en critici als Roland Barthes, Gilles Deleuze en Jacques Derrida. “Jacques heeft ook geprobeerd om ‘te begrijpen wat er nu precies aan gene zijde van de taal gaande is en wat ons drijft tot dat eindeloos herhalen zonder dat we weten waarover we het hebben, precies daar waar de taal en het begrip op hun grenzen stuiten’.” Kregting citeert hier de deconstructionist Derrida die onder meer het begrip ‘dissémination’, uitzaaiing van betekenissen, lanceerde om de ontoereikendheid van de taal aan te geven en het onvermogen van de mens om definitieve uitspraken te doen over de werkelijkheid, want dingen verwijzen altijd naar andere dingen in een eindeloze keten.’ (Joris Gerits, Streven)
'Buitenbeentje' (Frank Hellemans, Knack)
‘Nietzsche maakt in de laatste bundel van Marc Kregting bepaald geen soevereine, maar veeleer een meelijwekkende en seniele indruk. (...) De pointe blijft eeuwig uit. Hoewel de zinnen op zichzelf vaak glashelder zijn, vormen ze samen een volslagen opaak oppervlak. Ook in de rol van Nietzsche spiegelt zich deze educatieve leemte. (…) Als de tekst niet tot één redenaar terug is te voeren, doe ik net alsof ik in een drukbezochte ruimte ben waar ik uit het rumoer slechts flarden van gesprekken opvang. Het resultaat is een polyfonie vol onnavolgbare prietpraat en abjecte vanzelfsprekendheid, waarin Nietzsche telkens weer opduikt alsof hij een trending topic is op twitter. Seculiere massacatechese. Het laatste restje hoop op Bildung lijkt vervlogen. (…) Een clown in een circus is niet eng, een clown in een donkere hoek van je kamer is dat wel. De intentie is zoek. Wat moet die clown daar? Zo gaat er van de meest gelikte zinnen van Kregting ook iets unheimlichs uit. (…) Niet Dionysos, maar Apollo, god van redelijk begrip en common sense, is hier aan het werk. (…) Eenmaal ontmanteld zien we de letters, de trucage waarmee de alledaagse taal zich een weg uit de werkelijkheid probeert te banen. Dit is een veelheid op zich, maar de veelheid van de totale werkelijkheid? Er dreigt – dan toch – eenduidigheid. Eenduidigheid die misschien het meest tot uiting komt in het vermoeden van een schrijverstrucje. Is het mogelijk zo gevarieerd de gemeenplaats te destabiliseren dat nergens herhaling optreedt; zonder automatismen die de bedoeling van de schrijver verraden? Zodra de opzet bloot komt te liggen is er geen sprake meer van pure, letterlijke, functieloze taal.’ (Tiemen Hiemstra, nY)
‘In een geruststellend parlando raakt de gewone logica buiten zicht. Alsof het een Zen-oefening betreft, is de lezer het vertrouwde ‘proza-houvast’ spoedig kwijt. Hij moet zich gaan verlaten op het associatieve en op zijn ergernis of gevoel voor humor. De Nietzsche-figuur schuifelt onnadrukkelijk door bijna alle tekstjes heen. Hij heeft behalve de associaties bij zijn naam geen duidelijk profiel. Hij lijkt vooral een projectie van de humoristische mens Kregting zelf. Een manier om gekkigheden aan te jagen en om de gemonteerde frasen, oneliners en quotes een soort kader te geven. (…) Op sommige plekken tintelen de meligheden wel een glimlachje los. Maar de meel van molenaar Kregting blijft maar stuiven en stuiven door je bovenkamer. Door de mechanische overdaad wordt er geen ironisch poëtisch gebied blootgelegd.’ (Erick Kila, De VVL-Boekhouding)
‘Door inhoudelijke verbanden en syntactisch correcte constructies wekt de tekst de impressie dat er werkelijk iets verteld wordt. Alleen lijkt elk woord vervangen door een ander en transformeert het onderwerp van zin tot zin. Meer dan een montage lijkt het alsof Kregting los door taal knipt. (…) Een zin als “fun met onze Nietzsche, fun met onze, fun met” flirt met de meest basale inspiratieloosheid. Kregting is een auteur die zichzelf niet altijd serieus neemt en dat hoeft ook niet. Maar humor moet nog steeds prikkelen en experiment bedriegt zichzelf wanneer het zijn spelelement ontmaskert. (…) Zodra enige stabiliteit dreigt te ontstaan, brokkelt het weer af. Niets kan voorverpakt zijn, niets mag vanzelfsprekend zijn. Zo herstelt Kregting taal in haar oorspronkelijke macht: betekenisgeving uitlokken zonder die te satureren. Deze ontwrichting van de taal is niet zomaar bevreemdend. Ze is bevrijdend. Ze is een explosieve, schalkse en poëtische ontketening.’ (Maarten Luyten, Meerkat Magazine)
‘Het lijkt erop dat Kregting jarenlang massa’s zinnen en (tijdsgebonden) begrippen heeft gecatalogiseerd uit politieke toespraken, nieuwsberichten, filosofische essays, kinderlijke en regionale songteksten, columns, manifesten, dialogen en uitdrukkingen waaraan bepaalde gevoeligheden kleven en die in deze teksten vervolgens op een logisch klinkende maar niet rationeel te duiden manier aan elkaar heeft geknoopt. Je blijft doorlezen, dus ergens moet het kloppen – wellicht vooral in het ritme en geluid, terwijl de inhoudelijke sprongen binnen een en dezelfde zin soms werkelijke onverklaarbaar groot zijn – of missen we een link, zo denken we steeds: net als in het echte leven’ (Griet Menschaert, Gonzo)
 

‘een sterke, conceptuele en erudiete bundel. Met een ongekend rijk taal- en observeringsvermogen rijgt Kregting associaties, neologismen, referenties aan de actualiteit en alle denkbare cultuuruitingen aaneen. Het taalplezier dat hier vanaf spat, speelt soeverein met de behoefte van de lezer om van al die rijkdom aan stemmen en registers een geheel te maken.’ (nominatierapport Herman de Coninckprijs)
‘En spreek de titel eens op zijn Brabants uit, zodat de essen en zetten amper van elkaar te onderscheiden zijn, dan klinkt die eerder als onze niesje, oftewel, weer vertaald naar een chiquere spelling, onze niche. En is dat niet de plek waar de term marktdenken niet bepaald als contradictio in terminis geldt? (…) 26 gedichten telt de bundel, zoveel als er letters van het alfabet zijn. Tel je het allerlaatste gedicht niet mee, dat in feite een motto is (Nescio’s “God mag nix kosten”), dan zijn er twee keer twaalf gedichten die gespiegeld worden in het middengedicht. Dat middengedicht bestaat uit zinnen waarin het woord vier in verschillende varianten voorkomt, zoals “viering”, “vierendelen” en “vierrittenkaart”. Het sluit aan bij de vier stemmen van vier collega-dichters die deze stijlvol vormgegeven bundel op de bijgeleverde cd voordragen. Het getal staat gelijk aan het aantal auteurs dat het leven van Jezus Christus (wordt hij bedoeld met “de heer die per abuis zijn eigen bratwurst had ingeslikt”?) op schrift stelde (…) Onze Nietzsche is in de eerste helft van het gedicht nog “trendsettend in een middelgroot bedrijf” en stuurt “zijn volkswagen” soepel de wasstraat in, al baart de “interne audit” hem zorgen. In het tweede deel gaat hij failliet, verschijnen er “donkere wolken” boven “zijn welvaart” en staat hij aan de rand van de “vleselijke instorting” als gevolg van “toxische kredieten”(…) Onze Nietzsche vormt een hoogtepunt in Marc Kregtings oeuvre, dat eerder een overkoepelend doel dan thema heeft: de bevrijding van de taal uit haar massale tewerkstelling in de heersende gemeenplaatsen. Beschouwde Kregting zichzelf in zijn debuut De gezel (Perdu, 1994) nog nadrukkelijk als leerling, dan heeft hij met Onze Nietzsche de graad bereikt van meester’ (Daniël Rovers, Ons Erfdeel)



Gebloemleesd:
‘Onze Nietzsche was een heer’, in: Kees ’t Hart, De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2016. Arbeiderspers: Amsterdam/Antwerpen, 2016

Vertaald:
O fatale aantrekkingskracht’, Poetry International Web, 2010 (vert. Astrid Alben)

Video door Nikolaas Demoen met gitaarimprovisatie door Joris Vercammen, Poëziecentrum, Gent (2013)

Nominatie Herman de Coninckprijs 2016