<?xml version='1.0' encoding='UTF-8'?><?xml-stylesheet href="http://www.blogger.com/styles/atom.css" type="text/css"?><feed xmlns='http://www.w3.org/2005/Atom' xmlns:openSearch='http://a9.com/-/spec/opensearchrss/1.0/' xmlns:georss='http://www.georss.org/georss' xmlns:gd='http://schemas.google.com/g/2005' xmlns:thr='http://purl.org/syndication/thread/1.0'><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101</id><updated>2012-01-30T22:50:09.582+01:00</updated><category term='proza'/><category term='signalement'/><category term='maatschappijkritiek'/><category term='essay'/><category term='poëtica'/><category term='muziek'/><category term='boek'/><category term='column'/><category term='letterkunde'/><category term='toespraak'/><category term='poëzie'/><category term='humor'/><title type='text'>Kregtingarchief</title><subtitle type='html'>Enzovoort: verspreide publicaties en toespraken, boekgegevens en, helemaal onderaan, een bibliografie</subtitle><link rel='http://schemas.google.com/g/2005#feed' type='application/atom+xml' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/feeds/posts/default'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default?max-results=100'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/'/><link rel='hub' href='http://pubsubhubbub.appspot.com/'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author><generator version='7.00' uri='http://www.blogger.com'>Blogger</generator><openSearch:totalResults>39</openSearch:totalResults><openSearch:startIndex>1</openSearch:startIndex><openSearch:itemsPerPage>100</openSearch:itemsPerPage><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-3078819448876334734</id><published>2011-09-18T20:45:00.003+02:00</published><updated>2011-09-18T21:03:12.790+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='essay'/><title type='text'>Jan Swammerdam (1992)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;Glossarium Jan Swammerdam&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Afbeelding&lt;/strong&gt;. Niet overgeleverd. Op Rembrandts ‘Anatomische les’ is de man met het perkament (chirurgijn Hartman Hartmansz) met ~ geïdentificeerd. Jan Stolker maakte er een vervalsing van.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Aristoteles&lt;/strong&gt;. Dacht dat metamorfose gevolg was van plotselinge ontwikkeling. Door ondoorzichtig omhulsel omgeven pop zag hij als ei met vormloze substantie.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Arts&lt;/strong&gt;. Na studie geneeskunde (1661-1663) beroep van ~, nooit gepraktiseerd.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Bekennen, Kleur&lt;/strong&gt;. ‘ik moet verhuysen van mijn vader, die bij mijn suster en haar man blijft wonen, soo dat ik van voor neemen ben op het lant te gaan, indien dat ik by tijts, geen conclusie heb.’ (brief van ~ op 41-jarige leeftijd)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Biografie&lt;/strong&gt;. Reductie door interpretatie. Verzameling trefwoorden.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Blasius, Gerhard&lt;/strong&gt;. Gewoon hoogleraar in 1666, stadbibliothecaris in 1670.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Blind, Half&lt;/strong&gt;. Werd ~ volgens Oek de Jong van het staren in de microscoop (gevolg), pogend in iets buiten zichzelf bestaands God te vinden (oorzaak). De vinger Gods in een luis.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Boek&lt;/strong&gt;. Volgens ~ metafoor van natuur: ‘een geduurigh opgeslagen boeck gelijk.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Boek, Dooie Dat&lt;/strong&gt;. Idee van Thijssens Kees de jongen, een dooie diender pur sang, bij een werk ‘over bijen en mieren.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Boerhaave, Herman&lt;/strong&gt;. Eerste biograaf van ~, bezorger van ~ tweedelige &lt;em&gt;Bijbel der Natuure&lt;/em&gt; (1737/38). Religieus dichterlijke aspect van ~ is hieruit weggelaten.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Bourignon, Antoinette&lt;/strong&gt;. Van oorsprong katholiek. Kruising tussen Berendien uut Wisp en Jenny Goeree. Eigende zich met instemming van ~ status toe van personage uit Openbaringen 12:1-6. Vond dat ware christenen vader, moeder en zichzelf moesten haten.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Brieven&lt;/strong&gt;. Schreef ~ regelmatig. Verzoeken erin werden niet altijd gehonoreerd, ook omdat ze soms de plaats van bestemming niet bereikten: ‘so ben se niet int vagevier maar in de hel geraakt.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Broer&lt;/strong&gt;. Jacobus. Weinig over bekend. Werd later apotheker.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Buitenland&lt;/strong&gt;. Na kandidaatsexamen vertrok ~ op kosten van vader voorjaar 1664 naar Saumur, om in zomer door te reizen naar Parijs. Daar verbleef ~ een jaar. Van onderzoek naar werking van het hart en de ademhaling (waarop ~ in 1667 met &lt;em&gt;De respiratione&lt;/em&gt; promoveerde) deed hij per brief verslag; dezelfde resultaten las ~ in 1665 terug bij de net tot hoogleraar benoemde Fred. Ruys. Latere grensoverschrijdingen, behalve die onder invloed van Bourignon (Nordstrand) of als haar afgezant (Denemarken), bleven steken in stadium van voornemen of bij verbod vader.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Cabinet&lt;/strong&gt;. Eigen, op jonge leeftijd opgezette verzameling insekten (‘bloedeloose dierkens’) van ~. Bevatte ongeveer 3000 soorten.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Citaat&lt;/strong&gt;. ‘The optic lens is like a slicing sword./ It multiplies the world, or it divides -.’ (Randolph Henry Ash).&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Commentaar, Met&lt;/strong&gt;. ‘Het is nu al over de drie maanden dat ik niet ben uijt den Huys geweest, ik heb een continuele coorts, die den eene dag savonts te aght uuren sig verheft, en den anderen dag smorgens om drie uuren: dan is het beeter dan weer slimmer. Ik ben Evenwel den ganschen dag op en hoe veel ik te doen heb, alles blyft onvolmaakt en leggen.’ (brief van ~ 30 november 1679, anderhalve maand voor zijn dood)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Cousmille, Louise de&lt;/strong&gt;. Janseniste in hogere regionen. Door ~ in Frankrijk ontmoet. Spiegelfiguur. (Ontleend aan Olga Pöhlmanns roman over ~ die in de oorlog – ook in vertaling – verscheen).&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Cowper, William&lt;/strong&gt;. Overnoordzees Chirurg/anatoom, die een anatomische atlas maakte met platen die door de Amsterdammer Govert Bidloo waren gemaakt. Toen Bidloo hiervan in etappes voorzichtigjes melding deed aan Cowper, reageerde deze in etappes hoffelijk terug. Pas bij Bidloo’s melding aan The Royal Society For Improving Natural Knowledge zei Cowper dat Bidloo zijn eigen platen had gestolen van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Crisis, Geestelijke&lt;/strong&gt;. Door bemiddeling van koopman Jan Tielens wendde ~ zich in 1673 per brief tot Bourignon.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Cynisch&lt;/strong&gt;. God had tegen Bourignon in 1671 verklaard: ‘En Amsterdam pour pâtir, En Nordstrand pour jouir.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Deduktie&lt;/strong&gt;. Veroorzaakt continuïteit. Door Descartes onderschreven, op axioma’s doorgelicht. Ook ~ hekelde ‘een oneindig getal van Wysgeeren, de ondervindingen laatende, ende haare redenen of eigen herssenbeelden volgdende.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;De le Boe Sylvius, Franciscus&lt;/strong&gt;. Eerste leermeester van ~. Overtuigd Cartesiaan.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Demonstratie&lt;/strong&gt;. Met veel tegenzin tijdens bijeenkomst – wat later zou worden de Académie des Sciences – op Thévenots landgoed in Issy door ~ gegeven; ontleding van een ‘paer klijne Dierkens’ waarmee hij volgens Boerhaave ‘keerde de kaakelarij der snappers’.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Duivel&lt;/strong&gt;. Beheerder van gedierte dat onderaards leefde tot ~ in zijn &lt;em&gt;Historia Insectorum Generalis&lt;/em&gt; (1669) bewees: ‘soo is ‘t datse Schepselen ende ontsaggelijke Heyr-legeren van den Al-wijsen enden Gedugten Maaker synde’.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Eenzaamheid&lt;/strong&gt;. Rekende ~ tot goddelijke gunst. Behoorde volgens ~ in trits met ‘Onblootinge en Afgescheydenheyt’.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Élan vital&lt;/strong&gt;. Een volgens Henri Bergson onbekende kracht waaruit het leven voortkomt. Hij zou het liefst een versmelting zien van twee richtingen die hij onderscheidt: het intellect, zich ontplooiend bij de mens, en het instinct dat volgens Bergson de hoogste ontwikkeling vindt bij insecten&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Engel, H&lt;/strong&gt;. Archivaris van de familie ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Ervaring&lt;/strong&gt;. Eind juni 1670 wandelde ~ ’s avonds door velden van Sloten. Werd overvallen door horde kleine diertjes, ze ‘stroopten op mijne kleederen een dun vliesken af’; daarna verdwenen ze naar het water.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Fabeldieren&lt;/strong&gt;. In wetenschappelijke boeken uit tijd van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Feit.&lt;/strong&gt; Randolph Henry Ash schrijft in &lt;em&gt;Possession&lt;/em&gt; van A.S. Byatt lang gedicht over ~; ‘It was one step, I say, to displace Man/ From the just centre of the sum of things –.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Fictie&lt;/strong&gt;. Volgens proefschrift van Sinia had Baruch de Spinoza lenzen van microscoop geslepen waarmee een jonge ~ loopbaan startte.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Geboortehuis&lt;/strong&gt;. ‘De Star’, Oude Schans 16, Amsterdam (12 februari 1637).&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Gekwetst&lt;/strong&gt;. ‘Ik had al lang gehoopt de ciseaux a pointes met eenige andere kleinigheid van UE ontfangen te hebben, maar alsoo ue alleen op syn plaisir leeft, soo sal ik die als ue sig daaromtrent vermaakt, verwagten.’ (brief ~ aan Thévenot)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Geld&lt;/strong&gt;. Noodzakelijk kwaad: ‘ik begeer in dese werelt niet meer als 400 gulden des jaars om van te leeven, en eenige experimenten te doen.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Geldnood&lt;/strong&gt;. Na dood (1678) van vader. Met nodige moeite stelde ~ catalogus samen van inhoud van kabinet (‘want ik bewaar se nu maar tot een last, alsoo ik de grootste lust daar van af is’), tijdens diens leven 60.000 florijnen waard. Werd verkocht voor een zesde van dat bedrag.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Generatie, Spontane&lt;/strong&gt;. 1a. Toeval in natuur door ~ toebedacht. (Al geloofde hij niet in kikkers die met regen mee kwamen vallen, wormen die uit modder of bladdauw kropen en zag hij in 1663 aan oevers Loire een libel van larve in imago veranderen, waarmee dát geheimzinnige verschil tussen vorm en realisatie uit de wereld was geholpen.) 1b. Bij aaltjes, door priester-geleerde John T. Needham ontdekt in stilstaand water, met onsterfelijkheidssuggestie, door Spallanzani in 1765 weerlegd. 2. ‘Socialistisch idee’ (Flauberts &lt;em&gt;Dictionnaire des Idées Reçues&lt;/em&gt;).&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Genoeg&lt;/strong&gt;. Rond 1674 weigerde vader ~ nog langer van toelage te voorzien, waarna ~ besloot cabinet te verkopen. Nu had Cosimo de Medici, latere hertog van Toscane, hem bij bezoek aan Amsterdam in 1668 daarvoor 12000 florijnen geboden. Aanbod bleek nog geldig te zijn, evenals voorwaarden: komen werken in Florence en aansluiting bij de moederkerk. Voor ~ reden aanbieding annex uitnodiging opnieuw af te wimpelen. Vader bond vervolgens ook in.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Geslachtsorganen, Vrouwelijke&lt;/strong&gt;. Bedoelde ~ geen kutten mee maar eierstokken. Dat deed De Graaf ook, mede in perspectief tot de gebundelde bevindingen van ~ die hij als volgt karakteriseerde: ‘Je boekje is je billen en je neusgaten nog niet waard.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Gevangenschap&lt;/strong&gt;. Leven buiten Oude Schans.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Gods, Rijk&lt;/strong&gt;. ‘Hij draaght Gods Rijck in hem/ Hy leeft niet meer sijn selfs’. Uit gedicht van ~, parafrase van bekende bijbelplaats (die in bundel &lt;em&gt;over god&lt;/em&gt; door Albert Egberts jr. wordt geciteerd in besef dat zijn theorie van leven in de breedte aardse variant hierop is.)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Graaf, Reinier de&lt;/strong&gt;. Hield zich volgens Tristram Shandy bezig met skelet en spieren.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Haft&lt;/strong&gt;. 1. Eendagsvlieg, oeveraas. Bevruchte eieren ontwikkelen zich op waterbodem tot wormpje, drie jaar nodig om volwassen te worden, stijgen op, vervellen (‘boven-rockje’), vliegen weg. Op rustplaats vervellen ze weer (‘onder-rockje’), leven nog vijf uur, sterven op water. Door ~ vereeuwigd in &lt;em&gt;Ephemeri vita&lt;/em&gt; (1675), blijkens de 140 woorden tellende ondertitel als ‘afbeeldingh van ‘s Menschen leven’. 2. Oorspronkelijke naam van de mannelijke hoofdfiguur uit A.F.Th. van der Heijdens &lt;em&gt;Leven uit een dag&lt;/em&gt;, veranderd vanwege anagram voorletters auteur.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Heren, Gezelschap van Geleerde&lt;/strong&gt;. Ook wel &lt;em&gt;Collegium privatum Amstelodamense&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Herinnering&lt;/strong&gt;. Onderzoeken voltooide ~ altijd achteraf, op basis van schetsen.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Hooghartig&lt;/strong&gt;. ‘Ik had al lang gehoopt de ciseaux a pointes met eenige andere kleinigheid van UE ontfangen te hebben, maar alsoo ue alleen op syn plaisir leeft, soo sal ik die als ue sig daaromtrent vermaakt, verwagten.’ (brief ~ aan Thévenot)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Icare! Icare!&lt;/strong&gt; Uitroep van Reve in ‘Brief uit het huis genaamd “Het Graf”‘ over een zekere Fransje die aan het revisme ontsnapt is. En hij voegt er nog meer Latijn aan toe, om precies te zijn &lt;em&gt;Ephimeri Vita&lt;/em&gt; plus de 140 woorden ondertitel.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;IJver.&lt;/strong&gt; Meest opvallende, aan precisie en geduld gepaarde en aan waanzin grenzende eigenschap van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Injectiespuit&lt;/strong&gt;. Vinding op naam van Reinier de Graaf met gebruik van gekleurde vloeistoffen; 5 jaar eerder, in 1667, had ~ er spiritus voor genomen. Na De Graaf verbeterde ~ de werkwijze door er gesmolten was in te spuiten. Ook blies hij ten behoeve van conservering lucht door zijn objekten.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Indruk&lt;/strong&gt;. Die een moord in de Haagse, naar ~ vernoemde straat maakte op de jeugdige Bordewijk: ‘Het blijft een raadsel hoe sommige voorvallen waarmee men niets te maken had een taaier leven in onze herinnering kunnen bezitten dan ander, latere meest, waarbij wij betrokken waren.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Inductie&lt;/strong&gt;. Werkwijze van ~ (‘ende als in een nette schilderey verbeelt’). Gevolg: uit waarheidsdrang eventueel revolteren tegen goddelijke autoriteit. Door Francis Bacon, Aristoteles en scholastici afwijzend, als ideale wetenschapsmethode beschouwd.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Insekten&lt;/strong&gt;. Zogenaamde lagere diersoort, maken viervijfde van de fauna uit.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Intellect&lt;/strong&gt;. Diende twijfel uit te bannen. Motor achter ellende van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Jaloers&lt;/strong&gt;. ‘Ik had al lang gehoopt de ciseaux a pointes met eenige andere kleinigheid van UE ontfangen te hebben, maar alsoo ue alleen op syn plaisir leeft, soo sal ik die als ue sig daaromtrent vermaakt, verwagten.’ (brief ~ aan Thévenot)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Jammer, Toch&lt;/strong&gt;. ‘Van mons. pedbrug is geen tyding, men gelooft het schip vergaan is.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Jaren, Gelukkigste&lt;/strong&gt;. Duister. Tijdens studie in Leiden, in Frankrijk of?&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Jeugd&lt;/strong&gt;. Meer over gefantaseerd dan over bekend.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Jij-bak&lt;/strong&gt;. Favoriet onmachtig pareermiddel door de menssoort waarvan wetenschappers exemplarische exemplaren zijn.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Johannes&lt;/strong&gt;. Favoriete evangelie van ~, die in werk zijn oerhollandse voornaam graag voor deze inwisselde.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Kabinet&lt;/strong&gt;. Bezienswaardige verzameling van vader ~ met uitheemse naturalia.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Kennis&lt;/strong&gt;. Over boek (&lt;em&gt;Ephimera vita&lt;/em&gt;?) en binder schrijft ~: ‘hebbende mij met een belooft het selve in ’t frans te laaten oversetten, dan alsoo ik hem wel ken, soo geloof ik niet dat hij daar gedagten toe heeft.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Kinine&lt;/strong&gt;. Had leven van ~ kunnen redden. Door ~ aan Thévenot verzocht op te sturen.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Koeiemelk, Als&lt;/strong&gt;. Vergelijking van ~ bij gebrek aan naam voor witte bloedlichaampjes van luis.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Kopiist&lt;/strong&gt;. Bezigheid van ~, naast vertalen, toen hij op eiland-pleisterplaats Nordstrand bijna negen maanden in ban van Bourignon was (apocrief).&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Latijn&lt;/strong&gt;. Nauwelijks door ~ beheerst, wel door hem geschreven.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Latinisten, Alleen voor&lt;/strong&gt;. ‘Maar ik heb nog zoo veele affairen, dat ik daar onder als met een grooten last gedrukt worde. eghter hoop ik tegens het voorjaar gansch liber te wesen’ (laatste brief ~).&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Leermeester&lt;/strong&gt;. Johannes van Horne werd er door ~ van verdacht diens bevindingen over vrouwelijke geslachtsorganen (1672 gebundeld in &lt;em&gt;Miraculum Naturae, Sive Muliebris Fabrica&lt;/em&gt;, waarin ook prepareer-, ontleed- en bewaarmethoden) onder eigen naam gepubliceerd te hebben.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Leeuwenhoek, Anthonie van&lt;/strong&gt;. ‘men kan niet met hem spreeken alsoo hy partiaal is, en seer barbarisch raesonneert. synde ongestudeert.’ (brief van ~)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Lens&lt;/strong&gt;. Naast lancet werktuig van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Letterlijk, Niet&lt;/strong&gt;. Ware wetenschap kwam voor ~ tot stand ‘uyt den grond, ofte den aard der dingen selve.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Lindeboom, Prof. Dr. G.A&lt;/strong&gt;. Hoogleraar inwendige geneeskunde VU, akkefietje met ezel van Reve. Gaf in 1975 brieven van ~ aan Thévenot uit, in 1980 bloemlezing uit religieuze gedichten van ~ uit &lt;em&gt;Ephemera vita&lt;/em&gt;. Klaagde over pijn in de hand van het vele schrijven.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Luiheid&lt;/strong&gt;. Onderschatte eigenschap van ~. ‘Maar mijn Heer een mensch kan niet alles doen, en toekomende maart hoop ik, weer sonder arbeyt te syn.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Machiavelli&lt;/strong&gt;. ‘De ~ der sociale wetenschap’ (Sal Tas)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Malaria&lt;/strong&gt;. Parasitaire moeraskoorts waaronder ~ ernstig heeft geleden. Recidief. Overgebracht door mug.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Meertaligheid&lt;/strong&gt;. Kan aangewend om hartewens te maskeren. (Goden spreken misschien geen woordje over de grens.) ‘Ik begin nu seer tot het eynde van mijn arbeyt te komen, daar ik selfe naar verlang, pour estre une fois debarassé d’un travail si continuel et si long.’ (laatste brief van ~)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Mens&lt;/strong&gt;. Volgens Raskolnikov een luis.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Metamorfose&lt;/strong&gt;. 1. volgens ~ geleidelijk proces, kiemcel bevat hele organisme: in het ‘gulden popken’ (chrysalis) zijn delen van vlinder al aanwezig. 2. genternaliseerd: ‘desen vleeschelycken huid ende rock der verdurventheyt’ afleggen voor opstijgen naar Heiland.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Moeder&lt;/strong&gt;. Barentje (Boertge) Jans Corver. Bracht bruidsschat van 2000 florijnen in. Overleed twee maanden nadat ~ aan studie begonnen was.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Motief&lt;/strong&gt;. Skelet van menig leven; tot taal teruggebrachte reconstructie.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Motto.&lt;/strong&gt; ‘De mens, met alle hartstocht van het goddelijke, met alle toewijding, met alle adoratie, met alle bewondering voor de scheppende geest, moet blijven een mooi dier, een nobel dier, een trouw dier, een dier zonder bedrog, een zorgeloos dier, een goedertieren dier, een sterk dier, een gezond dier, een liefhebbend dier, een zeer intelligent, een zeer intuïtief, een zeer redelijk dier, een dier dat de dood niet vreest maar dat hem schuwt, een jong dier, een lenig dier, een dier waarvan alle organen even edel zijn en perfect, een dier dat alle hemelse, alle goddelijke eigenschappen bezit en behoudt welke langzaam verworven werden door de mens.’ (Matthijs Vermeulen)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Mystici, Ontmoetingen met&lt;/strong&gt;. Eenvoudig tot niets leidende titel van reeks waarin gedichten van ~ in twintigste eeuw werden heruitgeven. (Ook onderzocht ~ kikkers.)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Nalatenschap&lt;/strong&gt;. Na dood van Thévenot voor 50 ecu’s in bezit gekomen van Franse anatoom Du Verwey, die er onder eigen naam roem mee verwierf; door Boerhaave teruggekocht voor 1500 ecu’s en na diens overlijden verhuisd naar Leidse universiteit. Daar verkwanselde professor Van Doeveren de brieven aan universiteitsbibliotheek van Göttingen. (In Leiden nu microfilm.)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Nou, Nou&lt;/strong&gt;. Tjalie Robinson, die HBS had gehad, vertaalde entomoloog als torrenzoeker. Sic sic en wat nunc?&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Omgang, Dagelijkse&lt;/strong&gt;. Stug, onvoornaam, zwijgzaam, ‘links’ type.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Omissie, Vanzelfsprekende&lt;/strong&gt;. Wanneer Bouvard en Pécuchet in Flauberts gelijknamige roman hun geneeskundige bezetenheid verantwoorden met ‘Degenen die omwentelingen in de wetenschap teweeg hebben gebracht, hebben nooit gepraktiseerd’ valt wel de naam van Boerhaave, niet die van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Onderwerp, Ik en mijn&lt;/strong&gt;. Vertellen over ~ is navertellen. Al trok ik hem wel kaplaarzen aan voor zijn expedities door zompige velden.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Ontdekking&lt;/strong&gt;. Geldt pas wanneer er naam aan wordt gegeven.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Ontwikkeling, Algemene&lt;/strong&gt;. Liet bij ~ volgens Romein-Verschoor (die hem als erflater portretteerde) te wensen over.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Onwetendheid&lt;/strong&gt;. Was naar overtuiging van ~ (bij onderzoek spiercontractie) resultaat van levenslang op één onderwerp fixeren.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Oorlog&lt;/strong&gt;. De derde tussen Engeland en Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was in volle gang, toen ~ in 1672 aan Royal Academy in Londen om arbitrage vroeg vanwege identieke bevindingen van Reinier de Graaf over vrouwelijke geslachtsorganen. (Over mannelijke geen -dus wel- meningsverschil: De Graaf weet erectie aan binnenstromende geesten.) Zaak eindigde onbeslist.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Oort, John&lt;/strong&gt;. Heer van Nijenrode. Zegde ~ onderdak toe. Als ~ daarvan na Licht gedoofd is gebruik wil maken, wordt hem toegang geweigerd. Dit doet ~ overtuigd raken van ‘spreekwoort, dat de vrienden als de meloenen syn.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Opschepper&lt;/strong&gt;. De ik-figuur van E.A. Poe’s &lt;em&gt;The Gold-Bug&lt;/em&gt; over William Legrand: ‘His chief amusements were gunning and fishing, or sauntering along the beach and through the myrtles, in quest of shells or entomological specimens; - his collection of the latter might have been envied by a ~.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Orden&lt;/strong&gt;. Bij insekten volgens ~ vier in getal, gesteld naar aard van metamorfose.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Ovidius.&lt;/strong&gt; Kreeg van vader meer dan eens verwijt: ‘Studium quid inutile temptas? Maeonides nullus ipse reliquit opes.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Papier, Gat in&lt;/strong&gt;. Wat heeft Christiaan Huygens aan ~ ‘belooft dat insecten (.) als een andere diogenes zijn ton maakte over te senden’ (brief van ~ 1670)?&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Paranoia&lt;/strong&gt;. Machiavellistische, wetenschappelijk niet-aanvaarde methode van wetenschapsbeoefening.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Passie&lt;/strong&gt;. Dit woord bestond in tijd van ~, maar in andere betekenis. De hier bedoelde keurde vader af, want beschouwde haar als hobby. (Hoewel dat woord nog niet bestond.)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Pil&lt;/strong&gt;. Was ~ van jongsaf aan gewend.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Plagiaat&lt;/strong&gt;. Anonieme instantie die vergeetachtigheid bewerkstelligt. Voor ~ promoveerde had hij in gezelschap van Geleerde Heren wetenswaardigheden over ruggemerg verkondigd, die door Blasius in tekstboek voor leerlingen (1666) werden afgedrukt. (In &lt;em&gt;Gaspard de la nuit&lt;/em&gt; van Aloysius Bertrand figureert deze welvarende meneer tegenover een berooide Leidse student). Ook sommige anatomische tekeningen van ~ vielen dergelijk lot ten deel; Commelin liet ze in 1673 zonder bronvermelding verschijnen.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Postmodern&lt;/strong&gt;. Als genot inderdaad geestesleven is gaan regeren, had ~ er al poëtische kritiek op: ‘Ick sey, die heeft al wat hij lust,/ Maar neen, sijn siel hadt gansch geen Rust./ Want geen geselschap, hoe vernoeght,/ Daar 't hert in ‘t afsijn niet van wroeght:/ Terwijl dat ons veranderingh/ Verheught, of quelt in alle dingh.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Predikant&lt;/strong&gt;. Ambt dat vader ~ had toebedacht. Later wijzigde hij dit uit arren moede in dat van arts: ‘waar toe ik soodanig van hem gedwongen werde dat hij mij geen gelt of clederen meer wil geeven.’ (brief van ~ op 33-jarige leeftijd, wanneer hij zijn experimenten in Frankrijk wil voortzetten)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Preformatie&lt;/strong&gt;. In alle generaties zit eerste, door God geschapen individu besloten (emboîtement). Axioma uit klassieke oudheid, door ~ aangenomen: ‘ons dunkt daar gansch geen Teeling in de geheele natuur te weesen, ende niet als eene voorteeling ofte aangroeing van deelen.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Prikkel&lt;/strong&gt;. ‘Ik beken door de gratie Gods tot die kennis in de natuur gekomen te zijn, dat ik al hetgeen, dat ik met patentie en naarstigheid, verscheide maal gehandelt heb; nog altijt iets nieuws kan ontdekken: wat sou ik dan niet doen, omtrent saken, die ik nooit gehandelt heb. Daarom soo geloof ik, dat indien men eeuwig leefde, dat men inden eeuwigheid nieuwe wonderen sou ontdekken.’ (1678)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Proces&lt;/strong&gt;. Duurde twee jaar waarna Thévenot laatste door ~ persklaar gemaakte manuscripten van Latijnse vertaler Wingendorp loskreeg.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Psychologen&lt;/strong&gt;. Leefden nog niet ten tijde van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Raadsel.&lt;/strong&gt; ‘Wat my belanght, ik ben meer catholyk als gereformeert.’ (brief ~ 1678)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Rangschikken.&lt;/strong&gt; Meer lust dan leven bij ~. ‘De rangschikkers der dingen, hetgeen die wetenschapsmensen zijn wier wetenschap enkel classificeren is, weten over het algemeen niet dat het classificeerbare eindeloos is en men dus niet kan classificeren. Maar waar ik versteld van sta, is dat ze het bestaan niet kennen van de ziel en het bewustzijnzijn die zich in de tussengebieden van de kennis bevinden.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Rectificatie.&lt;/strong&gt; Pedburg zeilde oktober 1670 behouden Ceylon binnen.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Rembrandtz, Titus&lt;/strong&gt;. Schoolvriend van ~ volgens ene, patiënt van ~ volgens andere verhaal.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Rust&lt;/strong&gt;. Diepste verlangen van ~. Vervuld in periode die hij bij Bourignon doorbracht.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Scherts, Wijze&lt;/strong&gt;. In E.T. Hoffmanns &lt;em&gt;Meister Floh&lt;/em&gt; (1822) afgelegde confessie: ‘daß &lt;em&gt;ich&lt;/em&gt; wirklich &lt;em&gt;ich&lt;/em&gt; bin, kann ich jedem, auch dem Einfältigsten aus meiner &lt;em&gt;Biblia naturae&lt;/em&gt; demonstrieren.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Schrijvertje&lt;/strong&gt;. Draaikever, moeilijk te onderscheiden soort van watertorretje, dat onophoudelijk in beweging is zonder vooruit te komen. Scheiden bij aanraking een onwelriekende vloeistof af, als zgn. melkmeisjes.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Sectie (Vivi-).&lt;/strong&gt; Onderzoekstechniek van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Slaap, Diepste&lt;/strong&gt;. Is het moment waarop volgens Lautréamont een oude spin luistert of er nog een of ander geluid zijn kaken in de dampkring beweegt: ‘Gezien haar bouw als insect kan zij, als zij de schatten van de literatuur met schitterende personficaties wil verrijken, niet anders doen dan het geluid kaken toedichten.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Slauerhoff, J.&lt;/strong&gt; Zou volgens Du Perron leven van ~ tot, zij het verderfelijk, meesterstuk kunnen omsmeden.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Spelfouten.&lt;/strong&gt; Weigerde Bourignon in haar geschriften te laten verbeteren, omdat ze teksten van Hogerhand kreeg doorgeseind.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Spreekwoord, Nog een&lt;/strong&gt;. ‘Leven als God in Frankrijk.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Standaardwerk.&lt;/strong&gt; Over ~ van A. Schierbeek. What’s in a name. (Beheerste ook Latijn.) Voltooid in oorlog, tijdens wederopbouw uitgegeven.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Stumper, Meelijwekkende&lt;/strong&gt;. Kwalificatie door een figuur van Robert Vernooy inzake iemand die kikkervisjes uit modder zag kruipen en daaruit concludeerde dat levenloze stof spontaan leven kan opwekken. Vernooys figuur heeft vernomen dat kennis macht is; hij tracht zoveel mogelijk kennis te verwerven, ontdekt dat de waarheid van het leven er niet steeds mee rijmt.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Tegenspraak&lt;/strong&gt;. Taalkundige equivalent van schizofrenie. Grondtoon onder leven en werk van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Theoloog.&lt;/strong&gt; Evenals tekenaar kwaliteit waarop ~ niet na te slaan is.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Thévenot, Melchisedec.&lt;/strong&gt; Mecenas. Bood ~ vanaf 1670 verblijf in Frankrijk aan.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Thijsse, Jac. P&lt;/strong&gt;. Met wie ‘de plaatselijke ~’, een onderwijzer uit Belcampo’s ‘Het grote gebeuren’ correspondeert over in de natuur gevonden nieuwigheden. Aan het eind van dit vermaarde verhaal staat: ‘Het had mij toch vaak verwonderd waarom wij mensen de cultuurdragers waren geworden en waarom niet veel eerder een bepaald soort insecten voor wie door hun kleinheid de indrukken van deze wereld zoveel machtiger moesten zijn dan voor ons.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Tong&lt;/strong&gt;. Floept bij kameleon in-uit, werd door ~ onderzocht. Geplande publikatie in 1671 uitgesteld tot 1675. Zes jaar later, ~ was inmiddels overleden, drukte Blasius tekening hieruit af.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Tractaat&lt;/strong&gt;. Benaming van ~ voor zendbrieven Bourignon, waarvan hij er één in dichtvorm samenvatte: ‘Godt schiep den mensch oock om gemeen met hem te weesen,/ En sijn besluyt is vast; verand’ringh kan niet weesen’.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Tragisch.&lt;/strong&gt; Epitethon voor ~ (met ‘melancholisch temperament’). Als ik beweer dat dit woord zijn betekenis goeddeels verloren heeft, kan dát dan tragisch genoemd worden? En voor wie of wat?&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Twijfel&lt;/strong&gt;. Aanleiding voor poëzie van ~, die overigens verbazend ‘zeker’ van toon is. Misschien op te vatten als geuzenliederen van een in het nauw gebrachte burger.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Uitbreiding.&lt;/strong&gt; Vorm waarin ~ van wetenschap tot religieuze poëzie kwam. Ontdekking (1672) van eiersprong deed ~ psalm 139 aldus vervolgen: ‘U oogh deurdringht den buyk, de spieren, banden, vliesen/ Die ‘t Ey dat gy bevrucht, quam wegh en plaats verkiesen/ En dreef uyt d’Eyerstock, en roldent ter Trompet,/ Wiens enghten uwe macht onnoemelijck uytset:/ Soo dat wy reeckenen tot alles dartigh daagen,/ Eer ‘t Ey ter voedsel plaats vol wond’ren wierdt gedraagen/ U handt sluyt en verwijt, de Baarmoer die verkromp,/ En gy gaf d’eerste treck, aan dien verborgen klomp.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vader&lt;/strong&gt;. Jan Jacobsz. Gereformeerd. Apotheker. Overleed twee jaar voor ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vergelijkend&lt;/strong&gt;. Karakter van onderzoek van ~.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Verlezing.&lt;/strong&gt; ‘Bijenstudie’ in plaats van ‘bijbelstudie’ (28-12-1992).&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vermeer.&lt;/strong&gt; Voornaam weggesleten. Schilderde volgens Oek de Jong zoals ~ te werk ging, in een belangeloze aandacht voor het onaanzienlijke.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Verontschuldiging&lt;/strong&gt;. ‘De geschiedenis is altijd Kaïns versie van de toedracht.’ (Joseph Brodsky)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Verpopping.&lt;/strong&gt; Ten gevolge waarvan niet meer duidelijk is wie in Bomans’ Erik verblijfkosten voor Hotel "Het Slakkenhuis" moet betalen: de rups of de vlinder.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Verwondering&lt;/strong&gt;. Brandstof van intellect van ~; niet te verwarren met ‘dorst naar kennis’.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Volckers, Grietje&lt;/strong&gt;. Laatste vrouw in leven van ~. Bij Pöhlmann ook eerste: ~ durfde haar de liefde niet te bekennen (maar eigenlijk had hij er geen erg in). Financieel erfgenaam.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Volmaakt.&lt;/strong&gt; Zo zag ~ geboorte van haft, in schrille tegenstelling tot die van ‘ellendige Mensch’.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vrienden, Drie&lt;/strong&gt;. 1. Reinier de Graaf. Overleed misschien aan in schotschriften ontaarde plagiaatkwestie met ~. 2. Daniel de Hoest. Trouwde met Grietje Volckers. 3. Nicolaas Steno. Bekeerde en werd bisschop van Titiopolis.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vrijheid&lt;/strong&gt;. ‘Ik kan ook niet veel doen alsoo mijn vader mij alle occasie beneemt.’ (brief van ~ op 34-jarige leeftijd)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vrijheid, Dichterlijke&lt;/strong&gt;. Veroorloofde ~ zich op Adriaan Poirters: ‘En als ‘t vervelde &lt;em&gt;Haft&lt;/em&gt;,/ Genieten ‘t Heemels leeven’.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vrouw&lt;/strong&gt;. Is de baas. Ontdekking van ~ door bijenstudie: ontmaskerde koning als koningin. Volgens Boerhaave is het een feit dat ~ daarna (aug-sept 1673) ‘alle sijne kragte quyt was en nooit een schijn van deselve wederom kreeg.’ (Bijenstudie werd posthuum gepubliceerd.)&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Weg&lt;/strong&gt;. Boerhaave werd wel bijgezet in het illustere Walhalla van Beieren.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Wei.&lt;/strong&gt; Daarin nam ~ waar ‘een oneyndig getal roodagtige deelkens, die van figuur als een plat ovaal waren.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Zaken, Wereldse&lt;/strong&gt;. Waarvoor ~ op sterfbed enorme minachting aan de dag legde, volgens getuigenissen Petrus Guenellon die eraan toevoegde: ‘tout jours [...] mesme dans le temps de sa plus parfaite santé.’&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Zonde.&lt;/strong&gt; Verteerd door schuldgevoel vanwege goddeloze studie schijnt ~ in 1672 aantal manuscripten verbrand te hebben.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Zus.&lt;/strong&gt; Johanna (Jannetje). Moedertje. Eiste grootste deel van opbrengst kabinet.&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Zwammerdam, Jan&lt;/strong&gt;. Drukfout in &lt;em&gt;Verzameld werk&lt;/em&gt; Menno ter Braak.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;de Biels&lt;/em&gt; ii/1 (maart 1992) [aangevuld]&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-3078819448876334734?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3078819448876334734'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3078819448876334734'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2011/09/jan-swammerdam-1992.html' title='Jan Swammerdam (1992)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-6925626851744775932</id><published>2011-06-24T10:04:00.003+02:00</published><updated>2011-06-24T10:23:32.851+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='poëtica'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><title type='text'>De werkplek (2005)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;De coördinaten van het andere&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;I will not praise that purpose not to sell&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;1.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Op een metalen blad van ongeveer vijftig bij dertig centimeter een schriftje, half schuilgaand onder twee gekafte boeken. Rondom, op de vloerbedekking tot aan de ficus benjamin, meer schriftjes en boeken. Er is thee. Mijn knieën tegen het blad, dat aan de zijkant een lade heeft. Ik ril nog na van een spreekbeurt, handelend over Ischa Meijers &lt;em&gt;Brief aan mijn moeder&lt;/em&gt;. Men moest erg lachen, dus had ik één citaat maar niet gegeven: ‘Want altijd en overal loert het gevaar dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word.’ Nu het velletje tegenover me op ooghoogte, aan de met bruine rauhfaser behangen muur, met formules over sinus, cosinus en tangens en integraalberekening die langs mediamieke weg in mijn hoofd moeten raken; de vloerbedekking heeft ongetwijfeld haar eigen wetten van statisch-zijn. Radio afgestemd op Hilversum 3, ‘de betere popzender’. Straks zal ik die liedjes wel à l’improviste naspelen op de studiepiano, twee verdiepingen lager, me overal en nergens wetend, dus evengoed weer hier. Op zoek naar verbanden maak ik een notitie, die moet worden vergeleken met een passage uit een boek dat niet te vinden is. Ik kijk opzij, naar beneden, en op de vloerbedekking ontwaar ik het boek en ik wil het pakken. Onwillekeurig gaan mijn knieën omhoog en het blad schiet uit de twee diagonale staafjes, waarvan de uiteinden in metalen kolommen aan de muur gehaakt zijn. Alles valt over me heen. En op zijn beurt, en veel harder lijkt het, schiet de lade los en daaruit verspreiden zich stickers, hartsbriefjes (‘als je echt van iemand houdt, kun je zijn stront eten’), punaises.&lt;br /&gt;Een terugtrekkende beweging van ongeveer anderhalve meter en ik ga onverstoorbaar voort. Maar op bed schrijvend kan ik mijn handschrift niet lezen. Dan pak ik een boek en sla het open. Wat is echter een geschikte houding? Na een minuut slaapt mijn arm. Ik daal met het boek de trap af naar de badkamer, waar ik ruik aan de asbak. Die is daar geplaatst toen de ene buurman, die met zijn handen werkt, na een sneeuwnacht het dak van zijn auto bezaaid met peuken aantrof. Mijn vader beloofde beterschap en gooit zijn peuken nu in de wc.&lt;br /&gt;Op het toilet lees ik – de andere buurman, die in de verkoop zit, heeft zijn boeken op één kamer, wat aftrekbaar schijnt te zijn bij de belastingen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;2.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Als een dommelende krokodil heb ik op als ‘jaren zeventig’ gekwalificeerde zitkussens – één tegen de rug, één onder de billen – mijn corpus doorgenomen. Onder het enige raam, schuin, aan de ronde grenen eettafel die mijn zus heeft afgedankt, maakte ik aantekeningen: nooit naar achter overhellen, dan begeeft de leuning van de stoel het. Er is melk. Een dag op bed om de lijn alvast uit te tekenen. Dan loop ik naar het schrijftafeltje, overgenomen van een lagere school, en leg er een nieuwe blocnote op. Veel meer past niet en mijn knieën komen over de rand; de rubberen strip is weggepulkt.&lt;br /&gt;Ik knip de bureaulamp aan en pak een balpen en schrijf mijn thesis. De muur waartegen het tafeltje staat, scheidt me van een liftje. Daarachter zijn vrieskisten. Wanneer familie en vrienden op de begane grond het zware fluwelen gordijn wegschuiven, brengt de lift het lijk in kwestie ernaartoe. Na een halfuur weer het geluid van de lift, nu opwaarts. Rechts van me weet ik de Fender Rhodes Stage Piano 73.&lt;br /&gt;Na een maand ben ik klaar. Het is me niet duidelijk of de aarde doorgedraaid heeft. Wel heb ik kennelijk gegeten en gedronken, want ik loop nog rond. Gelopen heb ik sowieso, op momenten dat de rug- en nekpijn me overvielen. Op die momenten zal ik ook hebben geslapen; het bed ziet er onopgemaakt uit en er liggen lege zakken bolognesechips.&lt;br /&gt;De tijd tot de uitreiking mag ik benutten voor een stage bij een krant, die rooms zou zijn geweest. De immense redactiezaal hangt vol rook, radio’s en televisies staan aan en om de haverklap klinkt er een bel: ‘Het systeem gaat plat!’ Mijn debuutopdracht is een overzicht van de voorstellingen van het weekend. Als ik een paar alinea’s af heb, staat de chef naast me. “Wat ben jij in hemelsnaam aan het doen?” Hij trekt het kladblok onder me vandaan en wijst op een computer. En opschieten alsjeblieft, want we moeten zo naar het bijkantoor. Dat blijkt De Blonde Pater te heten.&lt;br /&gt;Als slotopdracht mag ik een stuk schrijven over Solzjenitzyn, van wie ik banden gezien heb in een wandbrede boekenkast bij mijn tante. Mij worden stapels artikelen in de handen geduwd. Ik zeur net zo lang tot ik weg mag. “Haha, Marc gaat op retraite.” Met een vriendin kan ik twee dagen in een huis in de bossen zitten. De treinreis valt tegen met al die bagage. We wandelen en wandelen en twee dagen later gaat de bagage onuitgepakt terug en lees ik thuis diagonaal de artikelen en typ op mijn oude Adler in een uurtje het stuk. Daarna pak ik Friedrich Nietzsches &lt;em&gt;De vrolijke wetenschap&lt;/em&gt; erbij: ‘Uit trots houdt hij vast aan een zaak, die hij is gaan doorzien – maar hij noemt het “trouw”.’&lt;br /&gt;Binnenkort ga ik een computer kopen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;3.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Die sensatie na een voorstelling naar de redactie te rennen, waar een paar plafondlichten aan zijn, wachtwoord ingeven en dan, binnen het halfuur, de bespreking maken. Telkens vraag ik me af of de deadline redelijkerwijs kan worden gehaald, telkens verbaas ik me die vraag te hebben gesteld. Maar eigenlijk ben ik vooral verwonderd een notitieblokje bij me te dragen voor een concertzaal, galerie, jazzcafé of museum waarnaar ik ben gekomen om weg te gaan.&lt;br /&gt;Op een bovenverdieping, in de kleinste zolderkamer, werk ik nu vier jaar aan een poëziebundel, starend naar het scherm, de kin tegen de palm van mijn rechterhand. Ik ben er volgens mij bijna, op een openingsgedicht na. Het lukt niet en ik vermoed dat dit aan die kamer te wijten is. En mogelijk is het niet koud genoeg, wat toch wel de minimumvoorwaarde voor het denken is. Er is bitter lemon en tonic. Ondertussen heb ik een vulpen gekocht en redigeer een tijdschriftje en ik stuur dus veel brieven. Mijn Atari blijkt niet ‘compatibel’ met MS-Word en WordPerfect. Laatstgenoemd programma kan ik min of meer gebruiken, nadat ik een ‘module’ heb laten inbouwen, met behulp waarvan de bestanden klaargemaakt kunnen worden voor een DTP-programma op een kantoor-in-huis met planningsborden waar een bevriende drummer werkt. Wel moet na mijn bezoeken steevast een technicus het netwerk daar op gang brengen. &lt;br /&gt;Beneden is er één kamer waar, vlak naast de Fender Rhodes, een kachel staat. Daar lees ik, op de bank en op de wc die uitpandig is. Ook voor literatuurlessen die, na anderhalf uur treinen, moeten gegeven in een cultureel centrum met schuine plafonds en dito, vooral gladde vloeren. Over Matthijs Vermeulen bijvoorbeeld (‘De essens van mijn soevereine ik is een tomeloze hoogmoed. Niet echter de hoogmoed om wat ik ben, doch de hoogmoed om te willen worden en zijn.’). De aantekeningen voer ik in in de computer. Het wordt steeds lastiger boeken te plaatsen; de nalatenschap van mijn tante is onafzienbaar. Feitelijk staan ze overal, en men zegt mij dat dit niet goed is. Het huis voelt als een te wijde broek zonder riem en ik besluit de ruimte te benutten. Mijn tafeltje zet ik in de grootste kamer omdat ‘het ongezond is tussen de boeken te slapen’. Zelf zie ik – drie truien over elkaar, wollen handschoenen waarvan de toppen zijn afgeknipt – dat ze geel worden en kromtrekken. Op een dag kom ik de studeerkamer binnen en de zon staat vol op de ramen. Licht glanst, gefilterd door ijsbloemen.&lt;br /&gt;Ik koop een Yamaha DX 7, die in de kelder van een oud klooster in de stad aan de andere kant van de rivier kan blijven staan.&lt;br /&gt;Die zomer, aan het einde van een middag, komt mijn vriendin de huiskamer binnen en spreekt een woedende zin. Een vriend die op bezoek is, zegt dat de zin een gedicht zou kunnen openen. Die avond tik ik de zin in en heb in een mum het ontbrekende gedicht. Apetrots schrijf ik het over nadat de vulpen is gereinigd. Ik heb nu ook een soort bureau, een rechthoekige grenen eettafel met losschroefbare poten die mijn moeder niet kan plaatsen. De studiepiano is in aantocht.&lt;br /&gt;De redactie belt een opdracht door. Vlak voor het gesprek wordt beëindigd, meldt ze dat er volgens de politieradio brand is in de straat. Ik ga de trappen af waar het raar ruikt, trek de deur open en zie blauwe lichten. Het woonblok is afgezet met roodwit lint. Dan hoor ik ook wat: ‘Verrek, er komt nog iemand uit.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;4.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Ik woon in het uitgerookte pand dat in opdracht van de corporatie “om niet weer krakers en junkies te krijgen” met voorrang is gerenoveerd. Nu de rest van de buurt nog. Een bejaarde man schuin tegenover stierf vlak tevoren; hij bleef zich verzetten tegen de installatie van zulke viezigheid als een douche. Hoe meer er wordt geboord en gesloopt, hoe rustiger ik me weet. Wel zijn de radio’s, die onverstaanbaar authentiek schreeuwende bouwvakkers op zo’n volume hebben gezet dat ze de muziek boven hun eigen gedruis uit horen, aan de opdringerige kant omdat er diskjockeys bij praten. Ik heb een nieuwe bundel voltooid, die naar mijn idee echter iets mist.&lt;br /&gt;Vervuld met het humanistische ideaal van de oase der gedachte-uitwisseling had ik de eerste maanden dagelijks naar de universiteit gependeld. Er is water. Ik kreeg een kamer met drie andere promovendi, van wie er een niet tegen nicotinelucht kon. Daarnaast was een computerkamer, waar sowieso niet gerookt mocht. Toch zat ik er vaak, kennisgemaakt hebbende met een nieuw communicatie medium: e-mail. Ook wandelde ik naar de bibliotheek en naar het hoofdgebouw waar de mensen uit de vakgroep zaten. Op een dag klopte ik aan bij mijn promotor en die riep: ‘Stil, stil, ik ben eindelijk concentré.’ Weer wat later vroeg ik aan collega’s daar of zij, verscholen tussen bergen beleidsstencils en vergaderverslagen, tot lees- of schrijfwerk konden komen.&lt;br /&gt;Ik besluit thuis te gaan werken. Overal is verwarming. Steevast ontdek ik urgent een boek nodig te hebben dat op de universiteit ligt. En eigenlijk slaag ik er niet in te achterhalen wat mijn hypothese is en begrijp ik van de secundaire literatuur bar weinig. Ik breng veel uren door in mijn studeerkamer op zolder, waar stof plakt op de Fender Rhodes en met eindeloze verlenging geleende boeken zich ophopen – vestingwallen van een stad. Aan de draad van de bureaulamp klem ik een pluizige Alf; zijn kleinere plastic versie staat naast de monitor. ’s Avonds kijk ik televisie en als ik uitgeput ben, zet ik me achter een laptop op de eettafel aan een notitie ‘om een creatieve oplossing te zoeken voor de wetenschappelijke impasse’. Die verzameling geschreven droedels blijkt het zusterdeel van de bundel te zijn.&lt;br /&gt;Steeds vaker vond ik mezelf overdag terug vlak naast de studiepiano, aan de eettafel, waar potloodaantekeningen de marges van dichtbundels vulden. Ik had ijdel beloofd om voor een tijdschrift maandelijks poëzierecensies te maken. Op mijn studeerkamer kwam ik louter nog om die te schrijven. ‘Denken is glas in het raam ervaren’, las ik bij Tonnus Oosterhoff die als eerste op mijn programma staat. De Yamaha wordt gejat.&lt;br /&gt;Op het bureau ligt een piepklein omslag van &lt;em&gt;Lehcaresor Papier Poudre&lt;/em&gt;, een afgekloven Steifkonijn dat ik uit mijn ouderlijk huis heb meegenomen, en een leeg busje &lt;em&gt;Yardley Lavender Talc Powder&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;Ik stop met roken.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;5.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Het mooist is als me wordt gevraagd de bovenverdieping te doen. Ik kom in ‘de kamers van de kinderen’ die decennialang niet lijken te zijn aangeraakt en kijk om me heen, werktuiglijk de stofzuiger bewegend. Er is koffie. Eén mevrouw vraagt me om even in de huiskamer een sigaretje te roken, ‘da’s zo gezellig, deed mijn man ook altijd’. Ik ga telkens om aan te komen, het gevoel bekruipt me nu pas werkelijk aan de slag te zijn, in een transparante efficiëntie die die naam niet verdient. Onder een koffie, of soms tijdens haastig bereide maaltijden, tuimelen de verhalen, vanaf een fauteuil of gewoon vanaf bed, over me heen. In het begin heb ik de neiging iets aardigs terug te zeggen. Dat leer ik snel af: ‘Wat ben jij een vuile slijmbal.’ Badkamers zijn ook fijn, omdat ze zelden worden gebruikt (behalve door de vrouw die vergat dat het toilet voor de grote boodschap niet onder de wastafel was). Ronduit lyrisch ben ik over het lappen van ramen. Nooit staat volledig vast waar ik moet zijn, op het ene adres belt de Thuiszorgmanager de coördinaten van het andere door.&lt;br /&gt;Wanneer ik aan het begin van de middag thuiskom, ben ik &lt;em&gt;daar&lt;/em&gt;: aan de studiepiano. De dag begint overnieuw. Ik ben helemaal terug op zolder en sta enigszins verbluft van mijn schrijftempo. De asbak op het bureau raakt voller, de Fender Rhodes is voor het gemak in de repetitieruimte, vlakbij, in een lokaal van een oude school op een heuvel. Ik heb een contract voor een soort roman en een essaybundel en mij is een startersstipendium toegekend. Er gaan te verifiëren geruchten dat er in het kader van uitwisselings- programma’s ‘schrijversplekken’ beschikbaar worden gesteld in Montréal en Berlijn. En eindelijk heb ik een werkblad dat erop lijkt. Het meet algauw twee bij een meter, een vriendin had het op haar beurt uit de boedel van een ziekenhuis gevist. Wel heb ik dat gevaarte op een andere, kleinere kamer gezet. Ook kan ik nu internetten en dus e-mailen.&lt;br /&gt;Om me heen worden de laatste gyprocplafonds geplaatst.&lt;br /&gt;Iemand drentelt door mijn huis. Dan luidt de vraag in hoeverre dichten te maken heeft met fetisjen. Ik begrijp het niet. Hij wijst op een bont gekleurd mutsje dat om de stemknoppen van mijn akoestische gitaar zit. Ik meen dat dat is om plekken op de muur te voorkomen. Hij zegt dat hij heeft gezien dat het startscherm van mijn computer een afbeelding geeft van een strijkijzer met spijkers. Da’s van Man Ray, zeg ik. We lachen. ’s Avonds stuit ik op een fragment uit een brief die Kafka aan Felice Bauer stuurde en dat ik, door het over te tikken, klaarblijkelijk voor mezelf van te bereflecteren waarde heb geacht: “Als men onder de mensen komt, dan is de eerste, gunstige uitwerking ervan, dat men een groot gedeelte van zijn verantwoordelijkheidsgevoel verliest, waarmee men in de toch altijd geprikkelde relatie met zichzelf tot in de vingertoppen moet zijn uitgerust. Men begint te hopen, dat de lasten die iemand worden opgelegd voor iedereen misschien in het geheim dezelfde zijn en ze daarom ook door alle ruggen moeten worden meegedragen. Verkeerde maar mooie ideeën! Overal ziet men deelneming, van alle kanten komt men aansnellen om iemand te helpen en zelfs de onwillige en besluiteloze wordt onder grote, speciaal voor dit geval aangewende opwinding van de hele wereld begunstigd door het geluk. Als mensen mij eenmaal sympathiek zijn, kent mijn sympathie geen grenzen.”&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;6.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Wat zijn de plafonds hier hoog. Er is een bureau bijgekomen, een Gispen met een metalen blad dat tintelt aan mijn onderarmen. De &lt;em&gt;Lehcaresor Papier Poudre&lt;/em&gt; en de &lt;em&gt;Yardley Lavender Talc Powder &lt;/em&gt;zijn geïnstalleerd. Voor het raam hangt een zilvergrijze luxaflex. Nu ben ik deeltijds ‘fondsredacteur’, moet één dag per week naar de hoofdstad, en krijg manuscripten verder over de post thuisgestuurd. En over de e-mail, waarlangs ik, met ‘het fanatisme van de twijfelaar die gekozen heeft’ (Pessoa), antwoorden geef, vragen stel en bestanden verstuur. Snel wen ik eraan bijtijds op te staan, wat bijna vanzelf gaat omdat mijn lichaam ’s morgens vroeg signalen geeft dat het vreest achter te lopen. Inderdaad blijven de mails komen, spoedig ook ’s avonds. Omdat mijn werkmailadres naar huis is doorgeschakeld en van mijn bureau gebruik wordt gemaakt door een freelancer voor boekjes in samenwerking met een krant, krijgt mijn computer relatief gigantische pdf-bestanden. Alles loopt vast en ik ben onbereikbaar. Dat is prettig.&lt;br /&gt;In dit appartement heeft alleen de immense woonkamer kachels, twee stuks. Zodra het kouder wordt, verplaats ik mijn computer. Het pruttelen van de modem klinkt holler. Ik kijk recht op de steenweg, waar trams klingelen en ziekenhuiswagens, de sirenes permanent aan, maar door lijken te blijven moeten rijden. Ook dit ervaar ik als prettig en tussen de middag ga ik een uur in bad liggen. Wel moet ik me verlaten op een agenda en over de toetsen van de studiepiano leg ik een kasjmier sjaaltje; gelukkig staat de Fender Rhodes nog in de oude repetitieruimte in het geboorteland.&lt;br /&gt;De hoofdstad biedt me even een achterkamer met uitzicht op quasi-tuinen en een kantoor. Gauw zit ik midden in het grachtenpand, met drie anderen die praten. Men heeft liever niet dat er wordt gerookt. Er is chocomel. Meestal zijn er vergaderingen en afspraken. In de tussentijd probeer ik een quasi-zeventiende-eeuwse presentatiekamer te annexeren, waar ik tussen spiegels poog te lezen. Mijn collega’s vragen zich af waarom, maar zij hebben mobiele telefoons waarvan de variëteit aan beltonen mij in de trein inmiddels vertrouwd voorkomt. In die coupés zijn ook zakenlui doende met hun schootcomputer, en als ik nog eens kijk blijkt dat ze patience zitten te spelen.&lt;br /&gt;Met een laptop op een terras in de Zuid-Franse voorjaarszon leg ik de laatste hand aan ten minste een van de twee beloofde boeken. Thuis lees ik het hele boek na en moet erkennen dat dat niet is gelukt.&lt;br /&gt;Ik heb mijn Steifkonijn teruggevonden, dat ik op een art nouveaurandje in de woonkamer plaats. Als er een dichter binnenkomt en hij het konijn ziet, zegt hij: ‘Jij kan onmogelijk een slecht mens zijn.’ Aan de leien, voor de deur, zijn renovaties begonnen waarvan men de duur grijnzend schat op een jaar of vijf. In het appartementencomplex moet op onvoorspelbare momenten de stroom uit of wordt het water afgesloten. Ik verhuis en raak verkleefd aan een nieuwe bureaustoel, eentje die hip schijnt te zijn en ergonomisch verantwoord. &lt;br /&gt;Nu heb ik een vaste internetverbinding en een ‘zakelijke lijn’; een fax wordt me in het vooruitzicht gesteld. Ik voel me een professional. Er is een deelfonds opgericht hier, gevestigd in een verbluffend lelijk gebouw, met lage, platte daken. Ik kom er om te lullen en te faxen. Als een auteur hartje zomer een ‘slechtnieuwsgesprek’ moet krijgen, voer ik het daar. We drinken evenveel als we uitzweten. Men vreest plannen voor een ‘kantoortuin’, ten bate van het niet-leidinggevende personeel, die binnenkort hun beslag moeten krijgen.&lt;br /&gt;Er komt een mailtje van de zanger: hij stapt uit de band, er is een gesprek, en dan stapt de bassist er ook uit. De Fender Rhodes zal naar &lt;em&gt;hier&lt;/em&gt; moeten worden getransporteerd.&lt;br /&gt;Kort nadat ik ontslag heb genomen, komt het bericht dat met ingang van het nieuwe jaar de Tabakswet van kracht wordt. Alle arbeidskrachten krijgen recht op een volledig rookvrije werkruimte.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;7.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;De asbak raakt vol. Opnieuw ben ik deeltijds ‘fondsredacteur’, maar nu als amateur, in de letterlijke zin van het woord. Ik verbaas het thuisfront door weer te spelen, op de studiepiano in de huiskamer, alwaar ik bovendien tastbare boeken lees, liggend op de chaise longue (de sonnetten van Shakespeare op de wc). Ik ontdek de charme van mijn studeerkamer en moet erkennen dat de opeenvolging van die vertrekken een geschiedenis, een carrière van egocentrisme inhoudt. Amper veranderd lijkt de huidige ruimte van zijn kantoortrekken te zijn ontdaan. Het is een dubbele zolderkamer, in de achterste heb ik een installatie staan met klassieke cd’s en jazz en er zijn twee bedden. Samen zijn er maar liefst vier ramen, wat de ruimte soms zo licht maakt dat ik een paar gordijnen sluit.&lt;br /&gt;Ik verbeeld me dat mijn hersenwindsels lamellen zijn. De westerse luxe van onwesterse privé.&lt;br /&gt;Eindelijk kan ik met de seizoenen mee. ’s Winters wel en niet in de woonkamer, met een laptop aan de eettafel op de mezzanine, alwaar de Fender Rhodes. Het wordt lente, het wordt zomer. Ik sta op zoals het uitkomt, haal vers brood en een krant en als het nog morgen is ontferm ik me over een thermoskan vol koffie en ik mail, daarbij steeds in conclaaf met de lichtval en dus met de gordijnen. ’s Nachts doe ik onderzoek, beluister muziek, eet en tik notities in. Voor de finishing touch vertrek ik op een zonnige dag naar mijn vaderland, naar een aan alle zes zijden grijs gestuukt souterrain waar de lamp boven de tafel permanent moet branden.&lt;br /&gt;De vriend die me ongewild de aanzet gaf om mijn poëziedebuut te voltooien, is inmiddels vader van twee kinderen. Hij staat ’s morgens een uurtje vroeger op om ongestoord te kunnen studeren. Als hij een mail stuurt, antwoord ik hem meteen. Het licht komt op, vogels beginnen te fluiten en ik ben moe, verzoend.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;8.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Bijna winter. Ik scroll door aantekeningen en de muis blijft hangen bij Robert Musils &lt;em&gt;De man zonder eigenschappen&lt;/em&gt;: ‘Het leven bouwt niets op waarvoor het niet de stenen ergens anders uitbreekt.’&lt;br /&gt;De schuifdeuren van het terras staan open. Twee Polen waren door een tussenpersoon gestuurd om het houten raster weg te halen waartegen de bruidssluier voor ons een nieuwe dimensie had gegeven aan het begrip groei (weinig aan de basis, veel aan de top). Ze roken en er staat een tweeliterfles cola. Ze stuken de buitenmuur. Dat weet ik allemaal want op de werkkamer is het ijskoud. En het vreemde is, er klinkt geen muziek.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;em&gt;De Witte Raaf&lt;/em&gt; 113 (jan/febr 2005)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-6925626851744775932?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/6925626851744775932'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/6925626851744775932'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2011/06/de-werkplek-2005.html' title='De werkplek (2005)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-6731273574820127022</id><published>2011-02-02T10:20:00.004+01:00</published><updated>2011-02-02T10:37:00.599+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='muziek'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><title type='text'>J.M.H. Berckmans (2001)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;De kornetten en trompetten van Jericho&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;ter nagedachtenis van Jan Kostwinder&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;`En kontakt moet ge hebben. Kontakt is het allerbelangrijkste dat er bestaat. Als ge geen kontakt hebt zijt ge dood. Gij zult misschien denken dat ge 't beter weet maar kontakt hebt ge nodig. Zonder kontakt kunt ge niet bestaan.' In deze monoloog uit &lt;em&gt;Het zomert in Barakstad &lt;/em&gt;(1993) van J.M.H. Berckmans ziet de lezer een tragische dronkeman lallen. Verder bladerend door het werk van de Antwerpse schrijver plaatst hij hem tussen laveloze soortgenoten met permanent kastekort, dégénerés in cafés en stempellokalen, omringd door sociale werkers en deurwaarders en schoonheden wier houdbaarheidsdatum is verstreken. Hij ruikt de geur van koffie met brood en spek (op hoogtijdagen biefstuk met friet), besmeurde kleren en kotsplakkaten. Alles stevent af op de ondergang, iets waarvoor Berckmans van stonde af de term &lt;em&gt;defaitisme&lt;/em&gt; reserveerde die hij gul door zijn werk heeft gestrooid. Het verlatene trekt aan het oog voorbij, droefenis, de dood die te verkiezen lijkt boven het leven.&lt;br /&gt;De lezer waant zich een socioloog van de &lt;em&gt;skid row&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;Tegelijk hoort hij de dronkeman die, zoals de overlevering wil, altijd de waarheid zegt. De woorden zijn op zo'n wijze geordend dat het gedram van mensen die ver boven hun tax zitten maximaal tot uitdrukking komt. In vijf zinnen beweert de hoofdpersoon feitelijk steeds hetzelfde, een functionele herhaling met varianten. Via zijn oren voelt de lezer een ongemak ontstaan, dat zich fysiek over hem uitspreidt. Zo'n effect kan louter worden gesorteerd door strengheid. De monoloog komt dan ook uit een verhaal waarbij in de schaduw van de hoofdpersoon een als Jean-Marie aangeduide schrijver figureert, uit wie een beeld ontstaat van een professional, iemand die zijn vak doodserieus neemt. Als Jean-Marie uit een kroeg wordt gesmeten, is de krenking dubbel: `dat hij een bekende schrijver is en naar &lt;em&gt;Humo&lt;/em&gt; en naar &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; zou schrijven.' Bovendien blijkt hij ter voorstudie van de hoofdpersoon een bandopnemertje te hebben laten meedraaien aan de bar. Het aldus verkregen materiaal moet Jean-Marie hebben geoptimaliseerd tot skaz.&lt;br /&gt;Het verhaal heet `Aantekening over De Beuckelaer Jean-Pierre.' Dat doet kinderlijk en bescheiden aan, maar het is ook zakelijk. Een oefening in literatuur, die Antwerpen de grimmige naam Barakstad heeft verleend.&lt;br /&gt;Over het werk van Berckmans ligt een schijn. Hij zou bloemrijke anekdotes serveren over wat door hygiënische hoofden `de onderkant van de samenleving' wordt genoemd. Voor het werk in kwestie kan die term niet letterlijk genoeg genomen worden. Het ware hoofdpersonage bij Berckmans lijkt de reet, soms met een guitig, de dood in de pot brengend anglicisme `ashool' geheten. De meest frequent gepleegde handeling is het afvegen van de poep na een boodschap, iets wat wegens ontbreken van toiletpapier, acute diarree of vergaande verwaarlozing veelal tot mislukken gedoemd is. Louter de kapitalen waarin Berckmans BROEKSCHIJTERIJ heeft vervat staan pal. Voeg daar een autodatering als `het tijdperk van de latrine' aan toe, grinnik over `mijn rectum plus quam perfectum van de vuiligheid' en een mythe is geboren. Berckmans' werk kan erdoor gaan gelden als &lt;em&gt;document humain&lt;/em&gt;, met authenticiteit als keurmerk.&lt;br /&gt;Ik op mijn beurt wil geenszins voorbijgaan aan de onafzienbare ellende die Berckmans reveleert, maar evenmin aan de literatuur die hij ervan heeft gemaakt. Dan doel ik niet op een &lt;em&gt;dirty realism&lt;/em&gt;, maar op iets wat klinkt. Dit kan esthetisch overkomen, zeker vanwege mijn onbekendheid met de &lt;em&gt;Umwelt&lt;/em&gt;, het milieu en dialect dat Berckmans opvoert. Café De Raaf is voor mij een naam die, om het lomp te stellen, eerder een gedicht van Edgar Allan Poe oproept. Bij die beperking wil ik toch staande houden dat ik als lezer nauwelijks enige afstand van deze teksten hoef te nemen om vooral vorm te zien.&lt;br /&gt;Ik zou verder willen gaan: een op de inhoud gerichte aandacht voor hetgeen Berckmans publiceert lijkt, hoe paradoxaal ook, esthetisch en belust. Hoe moet ik het zeggen - het aanprijzen van een &lt;em&gt;street credibility &lt;/em&gt;heeft iets van het detecteren van onkruid tussen trottoirtegels vanuit een wolkenkrabber. Wellicht kan ik de blikrichting in dit beeld benutten. Mijn twijfels richten zich op een verticale aandacht die in de tekst een aantal universalia waarneemt. Die benadering ziet voorbij aan de horizontale lijnen, uitzaaiingen ter plekke, die specifiek zijn voor literatuur, en ook voor dit oeuvre. Weer anders gezegd: het verondersteld circulaire zal plaats moeten maken voor het feitelijk lineaire. Ondanks alle zever die bij Berckmans vanwege slechtzittende tandprotheses wordt gestort, ondanks alle stront die vanwege incontinentie vloeit, blijft zijn taal hard, uitgehouwen.&lt;br /&gt;Het is maar wat de lezer wil weten. Wanneer onder een verhaal staat `With a little help from Alfred Rosengarten Nevada', dan kan die naam aan een vriend worden toegeschreven en snellen er aldus gedachten naar het nummer van The Beatles, eventueel in de uitvoering van de populaire innemer Joe Cocker. Maar het onderschrift hoort bij de titel en die luidt `Hoe het is', naar een ascetische tekst van Samuel Beckett. Over diens &lt;em&gt;Malone dies &lt;/em&gt;meldt &lt;em&gt;Taxi naar de Boerhavestraat&lt;/em&gt; (1995) terloops: `Het einde van de westerse literatuur. Zo niet het allereerste begin.'&lt;br /&gt;De schrijver mag zichzelf presenteren als een borderline, een geval van manische depressiviteit, zijn zogenaamd chaotische werk is naar mijn overtuiging, in één woord, structuur. Misschien kan ik het zo formuleren dat een uitwendige aandrang om buiten oevers te treden bedwongen wordt met een inwendige aandrang tot construeren (een symptoom van die januskop-diagnose is Berckmans' hebbelijkheid om helse stemmingen van een in letters uitgeschreven jaartal te voorzien). Nogal wat van deze teksten hebben, zoals net bleek, meer of minder uitgebreide ondertitels, een procédé dat in geijkt maar toch vooral in experimenteel proza door de geschiedenis heen is toegepast. Verhalen kunnen bij Berckmans zijn gemaakt &lt;em&gt;à la façon de&lt;/em&gt;, bijna geheugensteuntjes voor een regisseur en perceptiewijzers aan het publiek. En wat te denken van het onderschrift bij het verhaal `Eindstation Butebeton': (4 clusters and a considerable situation) &lt;em&gt;Roquentin dans le lunapark &lt;/em&gt;(9 bretellen voor Schlippenbach). Het lijkt wel terugschrijven naar de historische avantgarde. Beeld na voorbeeld.&lt;br /&gt;En muziek op muziek. Alle boeken van Berckmans dragen motto's die afkomstig zijn uit songteksten. Frappant is ook dat de alter ego's van Berckmans geen aperte liefhebbers zijn van het soort muziek waarin de mensen uit de beschreven biotoop zwelgen. Geen met dubieuze compassie aangeleverde overmaat aan charmezangers en -zangeressen dus, al brengt Connie Francis een vreemd, troostend geluk, en zijn de meest neuzelachtige melodietjes niet uit te bannen. Berckmans, die op mij overkomt als een levende jukebox (alles vinyl), bevrijdt zich ervan door ze maar gewoon af te spelen: `Dag vader en dag moeder, dag zuster Ursula, Kromsky ziet het hier niet zitten, hij vertrekt stante pede naar Afrika.' Los van die pesterige, aan Van Ostaijen herinnerende interferenties worden klassiek, jazz en pop uitgeselecteerd. De alter ego's tonen een goede smaak, die ik mogelijk in de term &lt;em&gt;underground &lt;/em&gt;kan vangen. The Bee Gees moeten het uiteindelijk afleggen tegen Joy Division. Daarnaast zijn er toespelingen op zeer diverse uitingen van zeer diverse kunstdisciplines, waarvan soms een amuletwerking uitgaat. De schrijver moet erudiet zijn en toont zich in zekere zin bepaald níet van de straat.&lt;br /&gt;Kennis gaat gepaard met beheersing. De litanie in onderwerpskeuze heeft bij Berckmans een formele pendant. Zijn taal wemelt van de herhalingen, die ik in hun muzikaliteit ook interpreteer als ademstoten. Berckmans beschrijft totdat de syntaxis van zijn stem het opgeeft en er een pauze moet komen, veelal in de vorm van een nieuwe alinea (technisch gezien doet zijn werk denken aan dat van Ivo Michiels). Soms instigeren ademstoten korte, zelfs uit één woord bestaande alinea's. Blazersaccenten bijna. Andere keren lijkt de zuurstof onuitputtelijk en wordt de lezer geconfronteerd met massieve tekstblokken, die toch goed te volgen zijn door een inwendig ritme. Een kaddisj in volstrekte mineur. Dergelijke blokken kunnen zijn gescheiden door een witregel, die in `Post-factum in een gaskamer gesproken' uit &lt;em&gt;Bericht uit Klein Konstantinopel &lt;/em&gt;(1996) steevast expliciet wordt verantwoord: vanwege verse koffie, vanwege schaamte, vanwege een volle blaas. Ook kan Berckmans zijn verhaal ordenen in afdelingen, die elk hun eigen toonsoort hebben. En af en toe een distinctief uiterlijk: een liedfragment, Engels, een gedicht. Incidenteel maakt een gedicht met prozapuncties, een soort maatschappelijke lyriek in de traditie van &lt;em&gt;Tijd en Mens&lt;/em&gt;, zelfs het hele verhaal uit. Berckmans verzorgt door het lichaam bepaalde tekstuitstoten, lamento's die de nadruk op hun eigen vormbewustzijn leggen.&lt;br /&gt;`Berckmans wordt achtervolgd maar funksioneert nog minimaal', de ouverture van &lt;em&gt;Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace&lt;/em&gt; (2000), opent met een soort Natureingang en valt dan in een ikverhaal waar de protagonist speldepriksgewijs wordt geobjectiveerd. Zulke dissonanten klinken bijvoorbeeld aldus: `Het schijnt dat Berckmans tegenwoordig ook een hondje heeft dat hij vanaf zijn geboorte Charlowie heeft genoemd. Naar het schijnt is Chalowietje een vetzakje en schijt hij in huis en heeft die mallotige malloot van een Berckmans reclamaties gekregen van het verhuurbureau die een brief hadden gekregen van het Buurtaktiekomitee &lt;em&gt;weg met berckmans en weg met charlowie&lt;/em&gt;.' Hier maakt iemand geraffineerd gebruik van hem tot beschikking staande talige middelen om een ideologie te onthullen. Ik wijs op de toepassing van hoofdletters en kleine letters in de laatste acht woorden, waar de spellingsregels worden omgekeerd. De groep plaatst zich boven het individu. Ook leep is dat het verhuurbureau in zijn ambtelijke ongrijpbaarheid een meervoudsvorm krijgt. Ten slotte wordt de naam van de hond door onverschillige buurtbewoners lichtjes verhaspeld. Ze kennen het beest dan ook vooral van zijn stinkende keutels. Berckmans kent de naam, blijkt verderop in de bundel, van zijn inmiddels overleden vader met wie hij een haatliefde-verhouding onderhield – diens hond heette ook Charlowie.&lt;br /&gt;In mede door de dope geïnstigeerde lyrische buien noemt Berckmans zijn trouwe kameraad Thelonious Hond.&lt;br /&gt;Berckmans' stijl is in laatste instantie uitgesproken muzikaal, mogelijk om zich te kunnen identificeren met een utopie die door het leven van alledag is gesmoord. In het bijzonder jazz lijkt tot de hogere orde te behoren, een hemels genot. Aan zijn gestorven moeder vraagt Jean-Marie in een brief: `Hoort gij daar dikwijls de kornetten en trompetten van Jericho, die de muren deden omvallen, en waren het Bix en Miles die erop speelden, en krijgt gij daar wel alle dagen genoeg rozijnenbrood.' De utopie wordt aangeraakt en terstond gerelativeerd met een tastbaar ingrediënt. Zoals met name John Coltrane Berckmans' idool heet te zijn omdat die `naakt was toen hij stierf, en volslagen alleen'. Eind jaren zeventig, in de punktijd, schreef hij overigens de poëziebundel &lt;em&gt;Tranen voor Coltrane&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;Misschien is het flauw om jazz bij Berckmans de status van primus inter pares te verlenen. Ik doe het toch, omdat de auteur zelf de nadruk legt op rock 'n roll. Jazz zou wel eens een intellectueel tintje kunnen hebben dat hij in zijn exercities tegen `de bovenbouw' liever verdonkeremaant. Mijn getamboereer op jazz komt ook voort uit het feit dat het genre het veelal zonder tekst stelt, en dat de volgens mij kenmerkende onderstroom in Berckmans' werk een stuwing kent die ongearticuleerd blijft.&lt;br /&gt;Op feitelijk niveau heerst er onrust, intentioneel is het het ritme dat de teksten voortstuwt. En de schrijver, in zijn bewegingen tussen bureau en toog: `Als Berckmans niet meer weet wat nog te bedenken, bedenkt hij home sweet home = dump sweet dump'.&lt;br /&gt;Zo'n gehakketak in een als het ware door semantische maatsoorten geïnfecteerd brein heeft consequenties voor de psychologisering in dit werk. Berckmans verklaart zo uitgesproken a-literair, dat zijn teksten langs een omweg ultraliterair worden. Uit &lt;em&gt;Taxi naar de Boerhavestraat &lt;/em&gt;citeer ik een alinea uit het tweede deel van het verhaal `Total loss in Barakstad en op Linkeroever', getoonzet &lt;em&gt;A la façon de Charles Bukowski&lt;/em&gt;: `Tegen dat hij met de hele operatie klaar was had Vandervloedt haar fiets in de gang geparkeerd en op slot gedaan en was ze met een luid &lt;em&gt;jochei&lt;/em&gt; de trap komen oplopen. Ze was klaarblijkelijk in een vrolijke stemming. Ze hinnikte van het lachen. Ze mekkerde van het schateren. Soms was ze depressief en soms was ze in een vrolijke stemming, ze was verschrikkelijk wisselvallig, het ging allemaal met veel ups en downs, maar uiteindelijk kwam alles altijd wel weer goed. Ze volgde zes zeven soorten van kreatieve therapie, een beetje schilderen, een beetje beeldhouwen, wat muziek, niks bijzonders, reggae bij Rasta David, vrije expressie bij Jan Frank, psychodrama, dat hielp soms, maar meestal niet.'&lt;br /&gt;De alinea tart de veelgeprezen kunst van het weglaten. Dit is Coltrane, rechtstreekse creatie en de gelijktijdige ontmanteling ervan. Ik zie ook een parallel met de visie die op Beckett werd gegeven: het einde is het begin.&lt;br /&gt;De werkelijkheid bij Berckmans is zuur, maar je mag haar, om in de stijl van de auteur te blijven, met een korreltje zout nemen. Ze is gearrangeerd door de tekst die in de nieuwe versie een even dominante als vrije partij heeft ingeruimd voor de overdrijving. Zo lijkt het met alle respect amper voorstelbaar dat de hoofdpersoon in &lt;em&gt;Brief aan een meisje in Hoboken &lt;/em&gt;(1994) 750.000 liedjes kent. Met dat getalsmatige voorbeeld bedoel ik slechts dat deze auteur minder op zijn woord hoeft te worden geloofd dan op de drive die het woord in kwestie bewerkstelligt. Stijl en redeneerwijze maken integraal deel uit van de thematiek.&lt;br /&gt;Het zou raar zijn om Berckmans' werk in de authenticiteitssfeer te trekken als zijnde onopgesmukt en ontdaan van franje. Het is juist overdadig met, naar mijn idee welbewust, kinderlijk veel bijvoeglijke naamwoorden. Een willekeurige zin uit &lt;em&gt;Rock &amp; Roll met Frieda Vindevogel&lt;/em&gt; (1991): `Van de noordzeekust tot aan de Poolse grens heeft niemand zulke dikke tieten en zulk een dikke kont als dikke Zwanita.' Zoals de extreme aandacht voor kak al deed vermoeden, lijkt Berckmans' werk verwant met de groteske. Personages kunnen gemakkelijk voldoen aan hun namen als Bruttabestia en Porcamiseria. De ene helft dicteert, de andere helft vegeteert. Überhaupt keren in dit oeuvre door de jaren heen namen en alter ego's terug, bij wijze van herkenningstune (`fred doet even retteketet en wiske doet vervolgens een piske'). Dat netto effect hebben ook de talloze antidepressiva en merkprodukten van de Aldi, levensmiddelenfourageur aan kenners met een kleine en snobs met een grote portemonnee.&lt;br /&gt;Nevengeschikte ellende. Berckmans is een lijstenopsteller, de opsomming is zijn literaire methode. De lezer dient zich te herbezinnen op de betekenis die door het anekdotische dringt. Een voorbeeldje: `Morgen moet Berckmans niet naar het OCMW maar naar het ACV om &lt;em&gt;beroep aan te tekenen tegen een beslissing van de RVA&lt;/em&gt;.' Deze zin verwijst naar de Belgische empirie én maakt zich eruit los. Het achteloze overtal aan afkortingen van de organisaties werkt vervreemdend, zodat beroep aantekenen tegen een beslissing van ineens een wel erg automatisch geplengde taalstructuur wordt en ter discussie komt te staan. Die structuur verbergt een waardeoordeel, een superioriteit van visie en ideeën.&lt;br /&gt;De zinloosheid van het bestaan koppelt Berckmans aan een leeg geworden taal. In het schier poëticale verhaal `De wortel en de brievenbus' uit Taxi naar de Boerhavestraat staat een zin die deze conclusie naar vorm en inhoud belichaamt: `Soms hoor je mensen lachen achter een soort van geluidsmuur, je weet niet waarom ze lachen, je weet niet wat er te lachen valt, maar ze lachen, loeihard, allemaal samen, soms in een soort van sauluspaulusvisioen hoor je mensen praten aan een tafeltje in de kroeg, je zit wel eens in de kroeg, je weet niet waarover ze praten, je weet ook niet wat er aan het einde van de twintigste eeuw nog te zeggen valt, wat voor zin de woorden nog hebben, of de grammatica nog enigerlei steek houdt, en wat voor absurde steek dan wel. Een van de bok gepoepte steek misschien.'&lt;br /&gt;Net als bij Beckett wordt het spreken door het spreken geproblematiseerd. Berckmans' jazzperformance bootst de in problemen geraakte grammatica na, improviseert erop met een particuliere dynamiek. Dat beschouw ik als een revolte tegen de maatschappij en tegen traditionele literatuur. Experimenteren om te existeren. Ik merk op dat sporadisch in dit spreektalige werk opduikende schrijftaal vaak een interne spanning verwekt.[1]&lt;br /&gt;Naar mijn gevoel gaat Berckmans het verst in zijn meest recente proeve &lt;em&gt;Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace&lt;/em&gt;, zeker wanneer de bundel over de helft is gekomen - de teksten lijken chronologisch geordend. Vooral in het driedelige `Alles wel in Kromsky's hel' komt Berckmans los. Ik beschouw het als een jazzsuite. De evolutie van een schrijverschap dat in &lt;em&gt;Vergeet niet wat de zevenslaper zei&lt;/em&gt; (1986) pas goed begon met onder meer een rond Chicago en New Orleans gecentreerd verhaal dat jazz als onderwerp nam, inclusief Leon Bix Beiderbecke wiens kornet de muren van Jericho moest doen omvallen. Inmiddels wordt de anekdote dichter bij huis gezocht, en heeft Berckmans jazz tot constructieprincipe verheven. Misschien kan een nadere blik op een wat langer fragment uit `Alles wel in Kromsky's hel' iets verduidelijken:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;`Ik ben in deze box nee deze brox nee het lijkt hier gvd wel een krocht in de bronx. Overal keutels en toch nooit en/of nergens wat te vreten.&lt;br /&gt;Vruchtwater en brekend water overspoelen nu het door moederkoeken verstopte verstropte schijthuis.&lt;br /&gt;Een joint, een joint, mijn verstopte verstropte schijthuis voor een joint.)&lt;br /&gt;Vrouwen kussen is er niet meer bij, laat staan vrouwen.&lt;br /&gt;Het duurt nog eeuwen voor eerst de vooravond neerstrijkt, vervolgens paf boem patat de avond valt, ten slotte de nacht, uw diepste onontsluierbare geheimen opnieuw ontsluiert en prijsgeeft aan het rucht en het kreupel gepeupel.&lt;br /&gt;En dus eten we vandaag oude knoeft, als het al niet niets is en wij vasten en hongeren in de kroniese kronieke kronologiese vastentijd, als het de advent al niet is, want wanneer hebben wij ook nog te vreten, al is het knoeft, al is het versementeerde gebetonneerde geasfalteerde Knauff, misschien als Pasen op Goede Vrijdag valt, misschien volgend jaar in maart, de precieze data moet ik nog zoeken op de kalender twee jaar oud, geen schrikkeljaar wel schrikkeljaar, nobody knows the trouble I've seen.'&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dit dunkt me thema met een improvisatie, waarin ik een paar lijnen zal proberen te trekken. Het spel van &lt;em&gt;brox&lt;/em&gt; tot &lt;em&gt;bronx&lt;/em&gt; in de eerste alinea zie ik als trapsgewijs afstand nemen van een grondtoon. Semantisch motiveren box en keutels, samen met het allitererende &lt;em&gt;vreten&lt;/em&gt;, de overgang naar &lt;em&gt;vruchtwater&lt;/em&gt; in de tweede alinea, waar moederkoeken ook te begrijpen valt als zoetigheid tegen de honger. De plaatselijke improvisatie &lt;em&gt;verstopte verstropte&lt;/em&gt;, klank en betekenis tegelijk, keert terug in de derde alinea tussen haakjes, die in zijn verlangen naar geestverruiming simultaan alludeert op de beroemde Shakespeare-claus `A horse! a horse! my kingdom for a horse' (&lt;em&gt;horse&lt;/em&gt; is ook slang voor heroïne). Dan breekt de ketting als het ware, de schrijver is even bezig en ondertussen geeft hij één van zijn komisch-navrante licks over vrouwen. Na die cesuur zet Berckmans met verdubbelde kracht in, voor twee chorussen. Een abstraherende reeks van &lt;em&gt;vooravond&lt;/em&gt; tot &lt;em&gt;nacht&lt;/em&gt; blaast concrete melodietjes met &lt;em&gt;paf boem patat&lt;/em&gt;, varieert rond de korte o op het woord &lt;em&gt;sluier&lt;/em&gt; en laat vervolgens, als wordt het alfabet gevolgd, de &lt;em&gt;p&lt;/em&gt; en de &lt;em&gt;r&lt;/em&gt; domineren. Met het dubbelzinnige woord &lt;em&gt;patat&lt;/em&gt; als verbindingsstuk kan de tweede chorus, de slotalinea, het begingegeven van honger hernemen. De alinea heeft in al en als structurerende noten, varieert op klank (&lt;em&gt;kroniese, kronieke, kronologiese &lt;/em&gt;en &lt;em&gt;knoeft, Knauff&lt;/em&gt;) en op betekenis (&lt;em&gt;advent, Pasen, Goede Vrijdag &lt;/em&gt;en &lt;em&gt;versementeerde, gebetonneerde, geasfalteerde&lt;/em&gt;). Bij wijze van afsluiter citeert Berckmans uit een bluesklassieker, een negerslavenlied dat met een beetje goede wil te situeren valt in de bronx van de openingsalinea. Zo zou de tweede chorus in het thema zijn overgegaan.&lt;br /&gt;In een heel kort bestek zie ik dus typische jazztechniek: lokale herhalingen en varianten die deels door elkaar en deels door bestaande melodieën worden opgewekt. Ook flauwiteiten worden niet geschuwd, ze maken immers deel uit van het bonte repertoire dat een mensenleven heet. Een zekere neiging tot hallucineren lijkt de schrijver niet vreemd en de lezer moet hier even aan wennen, associaties zijn niet altijd even voor de hand liggend. Onbegrijpelijk is het echter allemaal ook weer niet, zeker geen `kroniese verwarring door kriptiese uitspraken' zoals verderop staat.&lt;br /&gt;Sterker nog, het verhaal geeft zelf toelichting op de werkwijze. `Nieuwe logische denkpatronen maken nu opgeld en geraken zelfs in zwang, redeneersystemen worden er door verzwangerd.' Er lijkt een opstand tegen een verticaal te noemen rationalisme gaande, dat klaarblijkelijk te beperkt is geweest. Voor het verwijden van begrip is het `fonetiese inprentingsvermogen' een hulpmiddel dat meer adequaat horizontaal kan uitpakken. De klank, en de onmiddellijke ervaring ervan, schept bij de lezer enige ruimte ten opzichte van een voor mijn part metafysisch concept. Het is wat is, lijkt Berckmans te willen pleiten, zijn lineaire proef is het bewijs. En het oor zou wel eens een aardig alternatief kunnen zijn voor het altijd bemiddelende brein.&lt;br /&gt;Keurige amusementsjazz, met geconfijte kersjes op de cocktail, biedt het verhaal niet. De afwijkende spelling, het vermengen van talen, Berckmans is anti-academisch maar niet ongeschoold.&lt;br /&gt;Wie in de jazz een persoonlijke solo weggeeft, tells a story.[2] &lt;br /&gt;Het eropvolgende verhaal in &lt;em&gt;Na het baden bij Baxter en de ontluizing bij Miss Grace &lt;/em&gt;vat een liflafferige reductie tot al te omvattende taferelen samen: `Het is gewoon een kwestie van het organiseren van het systeem. Het systeem is het welbeproefde endless repeat, altijd hetzelfde, altijd hetzelfde doen, gescandeerd, geritmeerd, gelaagd ook weleens, maar toch van een wel zeer bijzondere eenvoud, een eenvoud die eenvoud is omdat er maar vier kwarten zijn die haar eenvoudzijn bepalen: eten en drinken en pissen en kakken.' Of hier ook van vier metaforen mag worden gesproken, weet ik niet goed. In elk geval brengt Berckmans zijn onderwerpskeuze terug ten faveure van de ritmiek, vier kwarten maken natuurlijk een maat. De ondermijning van gangbare literatuur en gangbare leeswijzen raakt dan specifiek de zogenaamde inhoud. En daarmee naar mijn smaak dus de sociologische invalshoek. De schrijver waardeert het oor op - de vorm, de muziek.&lt;br /&gt;Ik heb begrepen dat Berckmans zijn teksten sinds enige tijd met behulp van systeemkaarten aan een secretaris dicteert en daarna correcties aanbrengt in het tot stolling gebrachte gesproken woord. Bewerkte live-opnames als het ware. Berckmans staat in een orale traditie, aan zijn teksten valt te horen dat woorden op de tong zijn geproefd.&lt;br /&gt;Elk onderdeeltje moet tot op de komma op de juiste plaats belanden. Een heidens karwei, dat de lezer op zijn beurt ertoe noopt de teksten geconcentreerd tot zich te nemen, zonder zucht naar snelle bevrediging. In het titelverhaal van &lt;em&gt;Café De Raaf nog steeds gesloten&lt;/em&gt; (1990) moet de ikfiguur naar een dokter, van welk bezoek hij in een dagboek verslag uitbrengt: `Je hele verhaal nog eens in een handomdraai en een notendop van voren naar achteren verteld. De verkorte versie. De achterflap. Voor de honderdduizendste keer.' Nauwelijks verhuld is dit een kritiek op het literaire bedrijf, dat smult van waargebeurde verhalen uit de zelfkant en dan nog het liefst in een bij een interview uit te serveren samenvatting. Wie Berckmans' boeken openslaat leest dan ook vooral iets anders.&lt;br /&gt;Onverlet blijft dat het citaat waarmee ik opende geldig is. Contact wordt dringend gewenst. De vorm van &lt;em&gt;Brief aan een meisje in Hoboken&lt;/em&gt;, Berckmans' herschrijving van zijn cultdebuut &lt;em&gt;Geschiedenis van de Revolutie &lt;/em&gt;(1977), is heel treffend die van een eenzijdige correspondentie. Alle verstrekte informaties zetten de poort open naar contact, dat bij Berckmans echter maar zelden ontstaat. Zijn dialogen getuigen daar al pijnlijk van. Vanzelfsprekend zitten hulpverleners en cliënten op twee sporen, maar ook geliefden in dit oeuvre praten langs elkaar heen. Ik denk bijvoorbeeld aan `Ray &amp; Cecilia, Hoogzomer 1985' uit &lt;em&gt;Vergeet niet wat de zevenslaper zei&lt;/em&gt;, een heterogeen verhaal dat uitblinkt in beletselstekens. In soapseries worden sterren waarschijnlijk geacht daarbij te zuchten.&lt;br /&gt;Terzijde teken ik aan dat de Top-5 Aller Tijden die Ray en Cecilia opstellen overeenkomsten vertoont met de Top 20 die de hoofdpersoon in &lt;em&gt;Brief aan een meisje in Hoboken&lt;/em&gt; uit zijn 750000 liedjes concipieert. Muziek is en blijft een gemene deler.&lt;br /&gt;Zeker een talent als Berckmans wil uiteraard ook contact in de zin dat hij verlangt naar lezers, naar erkenning. Zijn werk geeft signalen af dat de schrijver amper wordt gelezen, een onrecht dat hij dan compenseert met desinteresse - dat zijn en misschien alle literatuur toch niets voorstelt, wat `boekjes'. Maar de ambitie in de literatuur blijft onverkort hevig. Een alter ego droomt bijvoorbeeld een verhaal te maken `dat zo groots en wild zou zijn dat wie dan ook er nooit nog een ander zou hoeven schrijven.' Elders voelt een soortgelijk type dat zijn woorden hem uitlachen, ze gehoorzamen nergens aan. En zo steekt hij het beschreven papier in brand, en begint vermoedelijk opnieuw met de zoveelste versie.&lt;br /&gt;Het is het mom van Céline, de perfectie die steekt achter schijnbare imperfectie, de onnatuurlijke inspanning om natuurlijkheid te krijgen. Naast een mythe van de zelfkant exploreert Berckmans de mythe van het schrijverschap. Een alter ego bekent dat hij elke dag een verhaal maakt en het meeste weggooit. Daarnaast volhardt hij erin in de kroeg zijn ogen maar vooral zijn oren open houden, `[zodat ik] de nonsens geconcentreerd blijf aanhoren, en misschien dat ik er dan vroeg of laat eens wat mee doe, misschien.'&lt;br /&gt;Skaz moet worden gewonnen op de omgeving. Dat hard labeur kan tevens de rechtvaardiging zijn van een ogenschijnlijk in ledigheid doorgebracht leven. Gemeenlijk schrijft de auteur zich, zo meldt hij aan zijn overleden moeder, een zakbreuk.&lt;br /&gt;Berckmans' repeterende huurachterstanden lijken niet uit inactiviteit te zijn ontstaan. Het hoofdpersonage in het poëticale verhaal uit &lt;em&gt;Taxi naar de Boerhavestraat&lt;/em&gt; bevroedde er zijn hele leven over te zullen doen om `die ene enkele metafoor' te vinden. Later ontdekt hij dat er voor het algehele defaitisme `niet die ene enkele metafoor bestaat maar dat er honderdduizend metaforen voor bestaan en dat je ze allemaal moet boekstaven voor het te laat is, voor niemand er nog weet van kan hebben, voor ze nooit nog kunnen worden geopenbaard.' Al luidt de voorlopige uitkomst van deze queeste `wortel in de brievenbus' en is de zaak toch enkelvoudig gebleken, het verhaal in kwestie demonstreert dat de lat bij Berckmans hoger heeft gelegen dan op chroniqueren alleen. De Grote Deurwaarder zou daar rekening mee kunnen houden wanneer Hij zijn exploten uitvaardigt.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt; [1] W. Bronzwaer wees op de ethische implicaties van skaz als vertelmanier. Ook is volgens hem de ontwikkeling van de Europese literatuur goed te beschrijven in termen van een contrast tussen mondeling en schriftelijk taalgebruik (`De humanisering van de vertelinstantie; over Anton Koolhaas en Jacques Kruithof', in: &lt;em&gt;De vrije ruimte&lt;/em&gt;, 1986: 85-101).&lt;br /&gt;[2] Bij deze globale analyse heb ik gebruikgemaakt van bevindingen in `Blower and wailer. Over jazz &amp; poetry' door Gillis Dorleijn uit &lt;em&gt;Licht is de wind der duisternis. Over Lucebert&lt;/em&gt; (1999: 238-277). &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;Yang&lt;/em&gt; XXXVII/4 (december 2001) &lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-6731273574820127022?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/6731273574820127022'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/6731273574820127022'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2011/02/jmh-berckmans-2001.html' title='J.M.H. Berckmans (2001)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-5553681046158671628</id><published>2010-11-29T22:04:00.004+01:00</published><updated>2010-11-29T22:16:18.260+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='toespraak'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><title type='text'>Willem Elsschot (2010)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;‘En dan begint het gedonder opnieuw’&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Stel dat Willem Elsschot zich had laten kunnen katapulteren naar de eenentwintigste eeuw om zijn eigen reclameman te zijn, hoe zou hij dan zijn werk promoten? Zou hij het zinrijk vinden het te smoren in loftuiting en dweperij, terwijl literatuur nu controversieel moet zijn? Die eigenschap draagt bij aan het summum, ofwel: ‘het debat’. Deze bijeenkomst &lt;em&gt;Elsschot zeer kritisch &lt;/em&gt;beschouw ik daarom als uitstekende marketing. Graag doe ik eraan mee. Dat is overigens ook eigenbelang want zo kan ik mijn eigen niche uitventen.&lt;br /&gt;Alleen snap ik niet goed waarom mij is gevraagd uitgerekend iets over Elsschot te zeggen. Diens werk is mij grotendeels onbekend, net als de secundaire literatuur. Hooguit drie boeken heb ik van hem gelezen, en dat ik hiervan niet eens zeker ben, tekent de geringe indruk die ze op mij achtergelaten hebben. Het zullen overigens mijn Hollandse genen zijn die dit op zichzelf beschamende feit niet als hinderlijk ervaren, er zijn immers veel andere boeken die mijn nieuwsgierigheid sterker prikkelen.&lt;br /&gt;Helaas kan ik dus amper bijdragen aan het debat. Gelukkig bestaat dat in Vlaanderen niet, wegens infrastructurele redenen. Ook zal ik op geen enkele lange teen trappen door mijn probleem met Elsschots werk te verklappen: ik vind het saai. Tegelijk dringt in mij het besef door dat dit een curieus probleem is, omdat Elsschots boeken weinig pagina’s tellen. De teksten zijn voorbij voor je het weet, dus hoe kunnen ze dan langdradig overkomen?&lt;br /&gt;Voor deze gelegenheid heb ik een steekproef genomen door &lt;em&gt;Het Tankschip &lt;/em&gt;te lezen. Deze novelle is niet bepaald Elsschots debuut. Hij had de stiel al in de vingers, en daarom dunkt het me redelijk het te testen. Ik kende &lt;em&gt;Het Tankschip&lt;/em&gt; ook niet, dus stond er fris tegenover. In elk geval letterlijk is het een waardevolle tekst; toen de voor zoonlief gesigneerde eerste druk uit 1942 werd ontvreemd uit een antiquariaatvitrine, schatte men voor 2000 euro lichter gemaakt te zijn. Zelf gebruik ik de officiële editie uit 2003, bezorgd door Peter de Bruijn.&lt;br /&gt;In het nawoord van die uitgave is de hoofdreden voor mijn keuze te vinden, als Elsschot getuigenis aflegt van het schrijfproces van die ‘verdomde novelle’, dat zo’n twee jaar vergde: &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;‘Als ik het geschreven heb, begint het pas goed. Dan ga ik schrappen en bijvoegen; vooral schrappen. Zo veel tot ik op een geven moment tegen mezelf zeg: nu moet je ophouden anders blijft er helemaal niet meer over. Ik schrijf met de hand en na al dat schrappen en bijvoegen ga ik het tikken. En dan begint het gedonder opnieuw: weer schrappen, weer bijvoegen.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De dunheid van Elsschots boeken is derhalve te wijten aan het feit dat ze uitgepuurd zijn. Dat soort economisch schrijven intrigeert mij, niet alleen omdat Elsschot daarom volgens de recente Boekenbeursbijlage van &lt;em&gt;Knack&lt;/em&gt; als ‘de meest Nederlandse aller Vlaamse schrijvers’ geldt, maar ook omdat het een democratische ingang biedt voor een onderzoekje. Elsschot koos bewust niet voor redundantie, zoals de volgens dezelfde bron meest gelezen Nederlandse auteur in Vlaanderen, Herman Koch, dat deed in &lt;em&gt;Red ons, Maria Montanelli &lt;/em&gt;uit 1989. &lt;br /&gt;&lt;br /&gt;‘Ik heb nooit begrepen waarom de ouders van een kind dat achterlijk is, hem &lt;em&gt;daarbij&lt;/em&gt; &lt;em&gt;ook nog &lt;/em&gt;de verkeerde kleren aantrekken, zodat het nog meer opvalt. In de pauze stond hij in zijn winterjas op het schoolplein en kauwde langzaam op zijn boterhammen, die hij uit een plastic doos &lt;em&gt;met deksel &lt;/em&gt;haalde, waarbij er altijd &lt;em&gt;een paar &lt;/em&gt;broodkruimels op zijn kin bleven hangen en er &lt;em&gt;ook wat&lt;/em&gt; speeksel uit zijn mondhoeken &lt;em&gt;naar beneden &lt;/em&gt;liep. Het was zo’n zielig gezicht dat je had willen weten wie die ouders waren, dat ze hem &lt;em&gt;daar zo &lt;/em&gt;in zijn veel te warme kleren broodkruimels lieten morsen en kwijl langs zijn gezicht lieten druppelen [&lt;em&gt;eigenlijk kan het hele stuk achter de komma weg&lt;/em&gt;]. Maar als ik zeg zielig gezicht, &lt;em&gt;dan&lt;/em&gt; is dat &lt;em&gt;ook&lt;/em&gt; niet helemaal wat ik bedoel.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Cursief zette ik alle overbodigheid. Het redundante effect wordt voornamelijk gesorteerd doordat de hoofdpersoon meer babbelt en opinieert dan verslag doet. Zogezegd veeleer &lt;em&gt;skaz&lt;/em&gt; dan ambtenarentaal. Hoewel in &lt;em&gt;Het Tankschip&lt;/em&gt;, dat een raamvertelling is, de meeste informatie evenmin komt van een verteller, maar tijdens een lang gesprek uit de directe rede van met name het personage Boorman, is dat relaas veel strakker. Waar bij Koch echter de hoofdpersoon naar eigen zeggen al niet slaagt te verwoorden wat hij bedoelt, is het een van de kenmerken bij Elsschots fameuze figuur dat deze dat al te goed kan. Boorman verpersoonlijkt aldus doelgerichtheid. &lt;br /&gt;In die zin acht ik &lt;em&gt;Het Tankschip&lt;/em&gt; een vaardig boek. Maar of het bijdraagt tot mijn leesvreugde, waag ik te betwijfelen. Mij zou het niet verbazen als dit project interessanter was geworden indien Boorman minder had gesproken en er een verhaal was opgezet met gelijkwaardiger actoren, zodat de krachten meer over het drama waren verdeeld. Nu koerst Elsschot eigenlijk rechtdoor op dezelfde weg.&lt;br /&gt;En of er in &lt;em&gt;Het Tankschip&lt;/em&gt; inderdaad geen woord te veel in staat? Ik zal u niet vermoeien of tergen met opsommingen van zinsneden waar Elsschots voornemen niet helemaal gestand is gedaan. Niemand is perfect noch kan zijn eigen woorden altijd nakomen en schoolmeesterij zal evengoed vergissinkjes bevatten. Misschien is het wel aardig een aantal stopwoorden en weerkerende uitdrukkingen te signaleren dat gelijkelijk is verdeeld over zowel de diverse sprekende personages als over de verteller: ‘dan ook’ als het gaat om een logica, ‘even’ als het gaat om een gebeurtenis, ‘eenig’ als het gaat om een aantal, ‘steeds’ als het gaat om een gevoel, en ‘opeens’ als het gaat om een verrassing. Ten slotte zeggen personages nogal eens wat tegen elkaar ‘met een *** blik’.&lt;br /&gt;Noodzakelijk zijn zulke woorden niet. Voorts levert Elsschot pleonasmen als ‘door grootdoenerij imponeren’, ‘innerlijk koken van nieuwsgierigheid’ en ‘heftig gebonk’. Deze zijn echter evengoed op te vatten als superieure ironie, het punt waar het bij mij een beetje spaak loopt. Ik ben net te weinig proleet om stijl niet te kunnen waarderen, en geloof ook in de Russisch-formalistische idee van de-automatisering. Maar die beoogde een hernieuwde blik op de wereld, terwijl Elsschot zijn stijl inzette om een communicatiepatroon uit te tekenen, een ethologie waarin, voor zover ik het me herinner, de idealist Laarmans het aflegt tegen Boorman. Wanneer het mij zou lukken daarbij behorende ironie te smaken, dan hang ik de goede verstaander uit en behoor ik tot de vereniging Ons Soort Mensen waarvan de auteur uiteraard erelid is. &lt;br /&gt;Die constatering geeft aan &lt;em&gt;&lt;em&gt;Het Tankschip&lt;/em&gt;&lt;/em&gt; een hedendaags tintje dat mij verrast, en voor Elsschotkenners wellicht logisch is. Sinds de klassenmaatschappij opgeheven schijnt, heeft namelijk een hardnekkige overtuiging postgevat over asymmetrie. Het begon ermee dat politici zakkenvullers zijn. Vanaf de kredietcrisis is daar het lastig te ontkennen feit bij gekomen dat zelfs falende bankiers, in nood bijgestaan door de overheid, bonussen mogen opstrijken. Dit terwijl ze netto slechts mooie woorden verkopen, en de zogeheten gewone man ondertussen degene is die dat allemaal met zijn belastinggeld moet betalen en die er telkens wordt ingeluisd. De plot van &lt;em&gt;&lt;em&gt;Het Tankschip&lt;/em&gt;&lt;/em&gt; drijft zelfs op het gegeven dat er door de verkoop van een schip eigen kapitaal niet in de staatskas zou verdwijnen. Of men dat nu als sociale kritiek ziet of als erkenning van een realiteit, Boorman blijft de grote ritselaar, wiens trucs men grinnikend of woedend moet gadeslaan, bij wijze van absolutie of catharsis voor het eigen leven.&lt;br /&gt;Mij blijft het duister of dat de reden is waarom ik boeken lees, maar dat doet er niet toe. Het gaat om Boormans doelgerichtheid die bij ontstentenis van een valabele werkelijkheid louter in woorden gestalte kan krijgen en zich in &lt;em&gt;Het Tankschip&lt;/em&gt; misschien niet helemaal perfect ontvouwt. Wie onder het schrappingsdogma althans alle verwante taalgevallen bij elkaar veegt, komt in Elsschots novelle, als ik het goed heb geteld, 248 woorden te veel tegen. &lt;br /&gt;Pleeg ik nu heiligschennis? Ik kan het me niet voorstellen. Wat mij zou boeien is de reden waarom Elsschot zo fanaat zei te schrappen. Intuïtief kan daarop het antwoord zijn dat lezers dan meer kunnen invullen in plaats van uitgeduid te krijgen hoe en waarom een verhaal loopt zoals het loopt. De context moet voldoende ophelderen. Door de dosering van de auteur wordt lezen een vorm van meeschrijven, een onderhuids compliment aan de schranderheid van de lezer annex klant – indien die daar gevoelig voor is. &lt;br /&gt;Op dit punt wil ik terugkeren naar het schrijfproces van &lt;em&gt;Het Tankschip&lt;/em&gt;, waarbij in een bepaald stadium de novelle opgedragen werd aan de nagedachtenis van Menno ter Braak, die bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zelfmoord pleegde. Met diens naam is in de literatuurgeschiedenis een ander, E. du Perron, nooit ver weg, alsmede hun tijdschrift &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt;. Het illustere tweetal lustte schrijvers niet die nooit definitief afstand namen van het naturalisme. Ze vonden hen provinciaal, wat tot uitdrukking kwam in een zogeheten huiskamerrealisme. Hieronder vielen populaire streekromans en de moderne avonturenroman, die vanzelfsprekend een flinke omvang hadden. Een bijzonder doelwit bleek Theun de Vries, over wie Du Perron verzuchtte: ‘wat schrijft die Theun toch maar dikke boeken!!!’ Zijn eigen ultieme roman &lt;em&gt;Het land van herkomst&lt;/em&gt; was anders ook niet echt anorectisch. &lt;br /&gt;Nee, dan Elsschot, een held voor de mannen van &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt;. In een stuk waar hij een link legde met Nescio essayeerde Ter Braak: ‘De romans van Willem Elsschot zijn geschreven in heel gewoon Nederlands, dat hier en daar de Vlaming weliswaar verraadt, maar nergens het provinciale taaleigen opdrijft tot een cultus. Dat wil zeggen, dat de romans van Elsschot hun betekenis danken niet aan het feit, dat ons het water in de mond komt als wij ze lezen; Elsschots taal is vrij van alle extravagantie, sober, soms scherp afgebeten, een andermaal precies vertellend, met de koele humor van de waarnemer.’&lt;br /&gt;Wat men ook als Vlaming in deze Hollandse wijsheden kan proeven, hier wil ik nagaan hoe deze legitimatie van Elsschot, waaruit met een fikse dosis projectie een geur opstijgt die vette provincialen moest verjagen, zich voortplantte in de literatuur van Noord-Nederland. De schrapmythe exploiteer ik dus niet teksteditorisch-interpretatief, maar poëticaal-politiek.&lt;br /&gt;In 1963 verscheen een roman die volkomen in de geest van het roemruchte tijdschrift was geschreven, met handelingen en meningen van enige studenten Nederlands te Amsterdam: &lt;em&gt;Bij nader inzien &lt;/em&gt;van J.J. Voskuil. Toch zou ik dit boek evengoed een streekroman van de Oudemanhuispoort kunnen noemen, al was het om de uitputtende nauwgezetheid waarmee ieder wissewasje genoteerd wordt en dat de duizend pagina’s ruim overstijgt. (Uit dezelfde kring van &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt;-adolescenten kwam Frida Vogels, wier cyclus &lt;em&gt;De harde kern &lt;/em&gt;dertig jaar later veel critici verleidde het duizelingwekkende aantal pagina’s te vermelden, met de verzekering dat het dundruk was.)&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Bij nader inzien &lt;/em&gt;kende een wisselende ontvangst, die terug te voeren was op poëticale premissen. Het tekstgerichte tijdschrift &lt;em&gt;Merlyn &lt;/em&gt;wilde in zijn benaderingswijze afrekenen met de erfenis van het personalistische &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt;, van wie Ter Braak tegen zijn maat Du Perron bijvoorbeeld kon beweren: ‘Het sympathieke in Elsschot is, dat hij geen seconde de &lt;em&gt;dupe&lt;/em&gt; is van zijn eigen zwendelarij; hij is een combinatie van Laarmans en Boorman en als ik me niet vergis au fond een uiterst geschikte kerel’. Over Voskuils megaroman was Merlyn-redacteur Kees Fens negatief. Hij had een voorkeur voor teksten die ‘naar het epigrammatische’ neigen. Ontzag schiep hij voor ogenschijnlijk eenvoudige, veelal uit de journalistiek stammende kortebaanschrijvers als Carmiggelt en Annie M.G. Schmidt. Hun puntige stijl was volgens Fens in de Nederlandse literatuur schaars vertegenwoordigd, mede als gevolg van ‘een wat overernstige, misschien ook moralistische traditie’. Fens tracht op zijn beurt aan te haken bij de smaak van &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt;, door aan Voskuil die achtergrond te ontnemen. Voor hem, Fens dus, loopt er een geldige lijn van Nescio en Elsschot naar de vroege Reve tot Alberts, allen gekende auteurs van dunne boekjes.&lt;br /&gt;Precies die lijn wordt in de jaren zeventig geëxploiteerd, getuige ook een bloemlezing van verhalen uit dat decennium, ingeleid door Aad Nuis. Hij gewaagt dan van een ‘ironisch-realisme’, helder én met een geringe omvang. Dit bevestigt het &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt;-schema betreffende de omvang en ontkent het betreffende een neonaturalistische mentaliteit. Wel worden Nescio en Elsschot andermaal kroongetuigen voor de goede zaak. Terwijl Jeroen Brouwers een soortgelijke diagnose stelt en die boeken juist in hun pretentieloosheid vervloekt, kunnen ze Nuis’ goedkeuring wegdragen, temeer daar hij lijvige en ambitieuze romanprojecten als van Joyce &amp; Co, Polet en Vogelaar, die in diezelfde tijd hun voltooiing naderen, minder kan waarderen. &lt;br /&gt;Een decennium later bevestigt Aad Nuis in een serie colleges te Groningen zijn voorkeur voor dunne literatuur. Hij rekt het begrip zelfs uit. Dun verwijst naar een stijlopvatting, die opponeert tegen ‘de Brouwerse moerassen’ die dik vertegenwoordigen. Nuis parafraseert deze tegenstelling in het zuinig omspringen met woorden versus flamboyante overdaad. Aldus zou de Nederlandse literatuur vooral dun zijn, een overjarige constatering gevoegd bij een dito epitheton: &lt;em&gt;calvinistisch&lt;/em&gt;. Vlaamse schrijvers heten in dat licht dik of, om een ander befaamd epitheton te gebruiken, &lt;em&gt;barok&lt;/em&gt;. &lt;br /&gt;Daarbij noemt Nuis Elsschot als uitzondering. Met hem daagt dat andere cliché, de kunst van het weglaten. Dik schrijven lijkt Nuis minder authentiek Nederlands, ‘meer iets voor Amerikanen of Duitsers uit Dantzig of iemand als Rushdie.’ Nuis’ voorbeelden van de Nederlandse variant hierop zijn weinig vleiend, zeker bij kwalificaties als ‘grote zelflitanieën’ en ‘stapelaars van formaat die hun teksten op zeer uiteenlopende manieren volstoppen’.&lt;br /&gt;Ook hanteert Nuis het begrippenpaar exuberant-intiem. Exuberant staat bij hem voor grote woorden en dito constructies en ideeën. Niet zo best kennelijk. Wie zou hem deze opinie euvel duiden? Hij is niet meer onder ons, net als Willem Elsschot. Wel zat Nuis lang in de politiek, bij een partij die Ter Braak volgens hem zeker ook had gekozen. Hij, Nuis dus, werd nog staatssecretaris van de linkse hobby’s cultuur, kunst en media, en hij moest ongetwijfeld lijvige rapporten doorworstelen. Doelgerichtheid is dan lijfsbehoud – een koninkrijk voor een memootje.&lt;br /&gt;Ik zou haast gaan denken aan volkswijsheden dat zij die veel woorden nodig hebben leugenachtig zijn en dat, als nauwelijks meer impliciete ethische en devote categorie, eenvoud het kenmerk is van het ware. Zo mogelijk nog meer onbetwistbaar, want een empirisch feit, is dat in Van Dale, Nederlands officieelste woordenboek, als voorbeeld bij het lemma &lt;em&gt;dunheid&lt;/em&gt; een zin stond, die bijna zeker door Boorman is aangedragen: ‘de dunheid van het boekje is een voordeel’.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Toespraak bij &lt;em&gt;De stad van Elsschot&lt;/em&gt;, Letterenhuis, Antwerpen 21-11-2010&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-5553681046158671628?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5553681046158671628'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5553681046158671628'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2010/11/willem-elsschot-2010.html' title='Willem Elsschot (2010)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-5414263414073324122</id><published>2010-11-07T20:24:00.003+01:00</published><updated>2010-11-07T20:31:25.681+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='toespraak'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><title type='text'>Rein Bloem (2010)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;‘Weinig badwater ging verloren’&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Anderhalve maand geleden had Huub Beurskens een &lt;a href="http://huubbeurskens.blogspot.com/2010/09/hondsch.html"&gt;posting&lt;/a&gt; over J.H. Leopold. Met een technische kritiek brak hij diens poëzie, blijkbaar door dichters én letterkundigen gewaardeerd, in mootjes. Een opsomming van wikkend becommentarieerde details moest bewijzen dat Leopold zowel niet kon incanteren als verbeelden. Hierop kwam een intense &lt;a href="http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2010/09/jh-leopold-jammer-maar-helaas.html"&gt;reactie&lt;/a&gt; van de poëzieblog &lt;em&gt;De Contrabas&lt;/em&gt;. Daar werd met geen woord gerept over Leopold, laat staan over diens gedichten, en met veel woorden over determinanten bij Beurskens in verband met zijn integriteit aangaande recente affaires die slechts de website zelf leken aan te belangen. Toch trof me tussen alle roodkonigheid een half hoofdzinnetje, dat een observatie van een &lt;em&gt;Dritte im Bunde &lt;/em&gt;op het sociale netwerk Facebook citeerde: ‘Deze poëzie verweert zichzelf wel’.&lt;br /&gt;Mij interesseert dit idee, omdat het appelleert aan een utopie. Dit althans wanneer ik geloof hecht aan een stelling, die ik enige tijd geleden lanceerde maar die eerlijk gezegd door weinigen wordt onderschreven: dat uitgevers hun boeken te weinig van binnenuit kennen om ze adequaat te kunnen introduceren bij potentiële lezers. Ik vrees dus dat voor wie het genre een warm hart toedraagt alle poëzie, inclusief die van Leopold, openbaar moet worden gelezen en herlezen, en in die simpele hobby bijna beschermd als een &lt;a href="http://www.mo.be/index.php?id=63&amp;tx_uwnews_pi2[art_id]=30098&amp;cHash=b2c5d8c3f8"&gt;opgejaagd dier&lt;/a&gt;. Dat er, om eens een geduchte term te gebruiken, &lt;em&gt;content&lt;/em&gt; aan moet worden verleend.&lt;br /&gt;Als er iemand daartoe in staat is, dan toch wel Rein Bloem. Dit blijkt andermaal uit de selectie &lt;em&gt;Lees dat en herlees dat&lt;/em&gt;, waaraan Perdu haar naam heeft mogen verbinden maar die ongetwijfeld is gefinancierd door alle uitgevers van de Lage Landen wier backlist de afgelopen veertig jaar door Bloem, overigens ook door zijn vertalingen, bij elke denkbare doelgroep onder de aandacht is gebracht. Specifiek over één gedicht van Leopold schreef hij bijvoorbeeld een kort artikel voor &lt;em&gt;Raster&lt;/em&gt; in 1998 en daarover vertelde hij destijds ook op de radio. &lt;br /&gt;Wel dekt het werkwoord ‘vertellen’ niet wat Bloem deed en waarom hij tot een van mijn helden behoort. Enthousiasmeren: dat is wat hij deed. Tegelijk verrichte hij met het artikel een knappe prestatie binnen de tak van sport die sinds onheuglijke tijden met de spelregels zit te hummelen en die de neerlandistiek wordt genoemd. We horen Bloem niet over Leopolds uitgeversperikelen en zijn strategieën een plaats in het bestel te krijgen, noch over de poëtica die uit Leopolds beschouwingen te destilleren valt, noch over de kritische ontvangst toen en nu van zijn teksten, noch over zijn ouders en geliefden of over de drukgeschiedenis, noch over de maatschappij en Leopolds engagement daarmee. &lt;br /&gt;Nee, voor al die belangwekkendheden heeft Rein Bloem het te druk. Hij houdt zich namelijk bezig met lezen van de tekst die hij onder handen heeft en met verklaren waarom er staat wat er staat. Zo behandelt hij, misschien nog net wat meer op de vierkante millimeter dan Beurskens, een puntkomma, een aantal lettergrepen, een pars pro toto, een enjambement, een rijm, een neologisme, een herhaald voorzetsel, een hoofdletter en een verledentijdsvorm.&lt;br /&gt;Literatuur is in de eerste plaats een bijzondere vorm van taalbehandeling. Niet voor niets noemt Bloem in dit stuk zijn leermeester Wytze Gerbens Hellinga. Deze heeft, samen met H. van der Merwe Scholz, in 1955 een volgens mij cruciale bijdrage geleverd aan de neerlandistiek: &lt;em&gt;Kreatiwe analise van taalgebruik. Prinsipes van stilistiek op linguistiese grondslag&lt;/em&gt;. Maar Bloem zou Bloem niet zijn wanneer hij van Leopold geen ander gedicht behandelt dan zijn leermeester het tot tranen toe had gedaan. Wel besprak Bloem van Leopolds ‘Schepen liggen er’ alleen al de eerste twee regels naar eigen zeggen uitentreuren in lezingen, essays en lessen. ‘Schepen liggen er, pats daar liggen ze. Een normale zinsbouw zou die onmiddellijkheid niet veroorzaakt hebben. Concreter kan het niet, ware het niet dat wij, volop aanwezige toeschouwers, tegelijkertijd buitengesloten worden, we weten immers niet waar we zijn’.&lt;br /&gt;Hellinga, niet direct herinnerd om zijn scheutigheid, is ook degene geweest die aan de jonge Bloem na een mislukt examen een boek gaf van ene Mallarmé, met de tekst &lt;a href="http://poetes.com/mallarme/coup_de.htm"&gt;‘Un coup de dés jamais n’abolira le hasard’&lt;/a&gt; die volgens de oudere Bloem aan de basis staat van een precaire, desgewenst wit te noemen traditie in de Lage Landen.&lt;br /&gt;Het Leopoldstuk is niet helemaal representatief voor Bloem. Sporadisch begaf hij zich in het mijnenveld van auteursintenties en biografische anekdotes. Dat waren de voor mij wat minder aantrekkelijke kanten aan Bloems exploraties, die wellicht zijn opgevat als pushing van een poëtica of &lt;a href="http://www.yangtijdschrift.be/editorhtml.asp?page=20024L19"&gt;exclusiviteitsbeding van een auteur&lt;/a&gt;. Ik denk niet dat die diagnose op waarheid berust, maar ontwaar wel tekens die in de richting kunnen wijzen, met name Bloems legitieme constatering dat door het venttijdschrift &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt; ‘de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie (kunst en misschien wel samenleving) met vijfentwintig jaar vertraagd’ is. &lt;br /&gt;Bloem pleegde dus ook inhaalmanoeuvres, waarmee het besef rijst van zowel hun urgentie als hun soms roekeloze haast. Mij lijkt het daarom vruchtbaarder zijn pleidooien te bezien in hun functie en effect, omdat de literatuur die ze willen dienen kennelijk niet meteen toegankelijk is. Bloem wil niet alleen ‘de mythe van moeilijk’ ontkrachten, hij wil bovenal – en daar is-ie weer – enthousiasmeren door anderen uit te nodigen mee te doen. Dat zeg ik zo expliciet omdat aan enthousiasmeren nog een kantje zit, dat Rein Bloem verre van zich heeft weten te houden: het wijzen op de eigen voortreffelijk- en ruimhartigheid, en lezers daarmee impliciet op hun dom- en beperktheid. &lt;br /&gt;Dergelijk egogebonk of fanatisme kent Bloem niet, hij probeert de lezers zich juist even te laten concentreren om een kader af te leggen, door in altijd montere taal een logica op te zetten die even complex is als een goochelaar die een truc vertoont. Zelf beweerde Bloem: ‘Ik ben nu eenmaal minder uitbundig, meer van het verstandelijke zou je zeggen. Maar van alle manieren om te zeggen dat je van iets houdt, is dat er ook een’. Kortom, zulk enthousiasme is niet eens eng. En voor alle duidelijkheid, wereldvreemd wordt de kunsttaal er volgens Bloem evenmin van, getuige zijn observatie tijdens het lezen van Van Ostaijen: ‘Poëzie verlegt de horizon, transponeert de zichtbare werkelijkheid zonder die geweld aan te doen; integendeel, die werkelijkheid blijft voor ogen staan, maar krijgt een nieuwe dimensie’. Zijn eigen werkzaamheden daarbij schaart Bloem in het Leopoldartikeltje niet onder de analyse, maar onder de kanttekeningen. &lt;br /&gt;Tot slot is mijn fascinatie precies door dit stuk gewekt omdat Rein Bloem bekent dat Leopolds &lt;em&gt;Verzen 1897 &lt;/em&gt;behoorde tot het talloze dat hij op twintigjarige leeftijd had gelezen, ‘een stortvloed van gedichten’. Het mooie is dat die hem blijvend hebben bepaald, ‘weinig badwater ging verloren, ik put er nog dagelijks uit’. Dit verklaart meteen Bloems soms idiosyncratische wendingen in een betoog, als hij schijnbaar vanuit het niets een verwijzing op touw zet naar een bron uit een andere era en taal: het kunststuk van dienst draagt hij, in een lichamelijke intertekstualiteit, sinds zijn adolescentie met zich mee. &lt;br /&gt;Dit vind ik razend knap. Vooral omdat het iets ongelooflijks heeft zich professioneel bezig te houden met poëzie. Sporadisch is mij dat overkomen, momenteel ook weer – en ik heb me daar altijd bespottelijk bij gevoeld. Ik lees nu veel non-fictie tegenover al die gedichten, om de actualiteit niet te vergeten. Maar Rein Bloem laat zien dat dit onzin is, snobisme waarschijnlijk. Hij toont in en met zijn schrijven wat het is, leven met literatuur. Dan gaat het dus om ervaring, bijvoorbeeld bij een gedicht ‘dat deze tekst op mij werkt alsof ik er zelf bij ben geweest, ik heb iets onmogelijks gezien en ademloos genoten van niets’. Daar is niks elitairs aan. Ik geloof Bloem als hij van zichzelf zegt dat hij altijd leest alsof hij 10 tot 14 jaar was.&lt;br /&gt;Bloem bewijst ook dat Leopold geen moeilijke dichter was, net zo min als Faverey en Ouwens dat volgens hem waren. Dat Bloem, onder de vlag van drie decennia oude polemieken, nog altijd wordt weggezet als apologeet voor een beperkt aantal hermetici, vind ik triest. Omdat dit dus niet rijmt met zijn beleving van literatuur. En voor de volledigheid, hoewel ik snap dat beeldvorming bitter weinig met feiten uitstaande heeft, herinner ik er even aan dat Bloem warme pleidooien hield voor werk van heel andere, voor mijn part dan toegankelijk te noemen dichters, zoals Chris Honingh en Philip Ingelse.&lt;br /&gt;Die &lt;em&gt;open mind &lt;/em&gt;is wellicht mede in de hand gewerkt door de diversiteit van de teksten zelf. Als dat zo is, dan heeft kunst een functie, een verkwikkend effect zou ik moeten zeggen, en dus een rendement. Rein Bloem heeft &lt;em&gt;content&lt;/em&gt; verstrekt, aan auteurs, aan uitgeverijen, aan lezers en, gelukkig maar, aan zijn eigen leven en dierbaren. En doordat zijn stukken openbaar zijn, wordt die &lt;em&gt;content &lt;/em&gt;gedeeld ten bate van een gemeenschap die zo groot kan zijn als ze zelf wil. Misschien is dat toch goed om in het achterhoofd te houden, in tijden dat regeringen boven kunsten staan te zwaaien met kaasschaven die lijken op harakirizwaarden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Toespraak voor Stichting Perdu, Amsterdam, 5-11-2010&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-5414263414073324122?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5414263414073324122'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5414263414073324122'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2010/11/rein-bloem-2010.html' title='Rein Bloem (2010)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-3046443623084510709</id><published>2010-10-17T21:03:00.004+02:00</published><updated>2010-10-17T21:11:10.789+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><title type='text'>Cultureel verschil (2010)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;Vertaalslag&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het verschil als van dag en nacht tussen België en Nederland strekt zich uiteraard ook uit over de taal, de motor voor basaal begrip. Jonge voorgelezenen moeten evengoed creativiteit, empathie en verhitte verbeelding uit de kast halen om uit hun vakliteratuur tot een vergelijk te komen.&lt;br /&gt;Zo is ons drieënhalfjarige &lt;a href="http://dehoningpot.blogspot.com/2009/12/raatmoment-4.html"&gt;taalkundig genie S., &lt;/a&gt;na het succes dat de gebonden editie van &lt;em&gt;Bobbi op het potje &lt;/em&gt;bij haar verwekt heeft, begonnen in de Noord-Nederlandse pageturner &lt;em&gt;De dag dat… ik mijn speen wegdeed&lt;/em&gt;. Bij de titel ontstaat voor haar meteen een raadsel rond de niet geheel onbelangrijke ‘speen’, dat door het synoniem ‘tutje’ eenvoudig opgelost kan worden. Dat is echter schrijftaal, want gesproken hebben we het over een ‘tuutje’. En dat woord betekent in Noord-Brabant, waar ik geboren en getogen ben, iets anders. Ik weet dat uit &lt;em&gt;Rituelen &lt;/em&gt;uit 1980 van Cees Nooteboom. In die roman slingert een vrouwelijk bijpersonage uit die provincie precies deze term naar het geslachtsdeel van een mannelijke hoofdpersoon, om er diens besnedenheid mee aan te duiden: ‘Moar ge hèt gin tuutje’. Wat ingewikkeld om aan S. uit te leggen, maar zulke verwarring kan op termijn beter bestreden worden. &lt;br /&gt;Voor een door het moderne tijdsgewoel &lt;a href="http://www.nrc.nl/opinie/article2607830.ece"&gt;in zijn welwillendheid toch al onzeker geraakte ouder&lt;/a&gt; is het een klus om het gebied rond de lendenstreek tweelandelijk in kaart te brengen. Gelukkig werden er voorbereidingen getroffen door Jeroen Brouwers. Hij legde uit dat in een &lt;a href="http://www.bol.com/nl/p/nederlandse-boeken/de-opdrachtgeefster/1001004002058423/index.html#product_description"&gt;Vlaamse roman &lt;/a&gt;bij grachtengordeluitgeverijen een rokje dan wel kort kan zijn, maar ook weer niet zo kort dat Amsterdam permanent tussen Sodom en Gomorra ligt: een dan zichtbaar wordende ‘bil’ duidt op een lichaamsdeel dat in het Noord-Nederlands ‘dij’ heet. Zelf besefte ik toen meteen waarom sommige Vlamingen mijn werk ronduit onbegrijpelijk vinden, geworteld als het is in de traditie van de belligerente literator van onze familie, mijn KNIL-opa Christiaan Kregting, die ooit aan het rijmen sloeg voor een prijsvraag van een bepaald wasmerk: ‘Zelfs de billen van een homo / krijg je schoon met Omo’.&lt;br /&gt;Van een nog grotere complexiteit lijkt me de bilaterale wanorde rond het woord ‘poep’. Ten noorden van de Moerdijk slaat dat op iets waar S., in combinatie met ‘scheetjes’, veel over spreekt, maar waarvoor zij een alternatieve betiteling heeft. Die zorgde voor consternatie tijdens het recentste wereldkampioenschap voetbal, toen bij Nederland-Brazilië een dreigend uitgesproken observatie van de commentator mij de zenuwen gaf en haar de slappe lach: ‘Kaka aan de bal’. In België is ‘poep’ daarentegen een equivalent van twee noordelijke billen (en dus niet van een dij). Ik moet me dat altijd goed inprenten indien ik op familiebezoek ga en niet al in de trein tot pedagogische dadaïst gedegradeerd wil worden wanneer ik ten einde raad mijn dochter toeroep: ‘Ga op je poep zitten’. Voor de werkelijkheid die deze uitdrukking in mijn geboorteland schept, zij verwezen naar het oeuvre van Markies De Sade.&lt;br /&gt;Een nieuwe dimensie aan de onderbuikdeemstering gaf een boek dat S. onlangs cadeau kreeg van genoemde familie. Het was een internationale beststeller van Werner Holzwarth uit 1989, met tekeningen van Wolf Erlbruch: &lt;em&gt;Vom kleinen Maulwurf, der wissen wollte, wer ihm auf den Kopf gemacht hat&lt;/em&gt;. Het boek is zelfs vertaald in het Fries, dat geen dialect is maar een heuse taal: &lt;em&gt;Fan de lytse mol, dy’t witte wol wa’t him op 'e kop skiten hat&lt;/em&gt;. Ook daarin beleefde het, haha, herdruk na herdruk.&lt;br /&gt;Voor de aan S. geschonken vertaling in het Nederlands, waarvan de eerste editie in 1990 op de markt kwam, tekende de ervaren Ineke Ris. Zij vond het &lt;a href="http://www.leesplein.be/PB_plein.php?hm=1&amp;sm=3&amp;id=35"&gt;één van de allerleukste opdrachten&lt;/a&gt; uit haar loopbaan. En een succes blijkt het ook. Naast de reguliere versie is er een gebonden editie van, een mini-uitgave, al dan niet met een pluchen mol erbij, een kartonboekje en een pop-up, wat dat ook moge wezen. Die anklang komt wellicht mede doordat het boek praktische diensten bewijst. Een &lt;a href="http://kunst-en-cultuur.infonu.nl/recensies/52747-wie-heeft-er-op-de-kop-van-kleine-mol-gepoept.html"&gt;rijpere lezer &lt;/a&gt;getuigde: ‘Mijn jongste vond het nooit leuk om naar het toilet te gaan, maar met dit boekje bij de hand lukte het wel.’ Zelf zou ik willen wijzen op de titel, die de lading van het boek dekt maar me aan de pregnante kant dunkt: &lt;em&gt;Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;Voor Noord-Nederlanders van alle leeftijden is meteen duidelijk wat de dramatische actie is; kenners van de specifieke lyrische traditie aldaar zullen mogelijk zelfs &lt;a href="http://www.youtube.com/watch?v=gszBeFmUrlo&amp;feature=related"&gt;De Raggende Manne &lt;/a&gt;een milde comeback horen maken. Ten zuiden van de Moerdijk zullen de wenkbrauwen echter gaan fronsen. De jongeren onder hen zijn makkelijk bij te lichten, uitgaand van het gulle alternatief van mijn dochter en krijgen er dan een alliteratie bij cadeau: &lt;em&gt;Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop kaka heeft gedaan&lt;/em&gt;. Omdat ook dit kinderboek de &lt;a href="http://dehoningpot.blogspot.com/2010/01/noten-lezen.html"&gt;muzikale structuur in een vraag- en antwoordspel&lt;/a&gt; heeft en de notoir bijziende mol bij zo’n beetje elk denkbaar dier informeert of die op zijn kop kaka heeft gedaan en daar steeds een ontkenning op volgt, ontstaat er gaandeweg bij de voorlezer hooguit uithoudingsvermogen- en concentratiehinder bij de geïmproviseerde vertaling naar het Vlaams. Gelukkig blijft de geest fris omdat het betreffende dier ook telkens de technische term voor zijn uitwerpsel laat vallen, van vijg over keutel naar vla.&lt;br /&gt;Oudere Vlamingen vanaf ongeveer twaalf jaar hebben bij de titel &lt;em&gt;Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft&lt;/em&gt; geheel andere associaties, omdat ‘poepen’ slang is voor cohabiteren, wat bijna Latijn is voor de oudste beweging der wereld. Ik noem die dode taal mede, omdat ze verbonden is met katholiek onderwijs en dus op tragische wijze ook met de &lt;a href="http://www.standaard.be/extra/static/pdf/eindrappport_adriaenssens.pdf"&gt;onherroepelijkheden&lt;/a&gt; die heden expliciet in het nieuws zijn. Een van de bizarre details rond het seksueel misbruik is dat de slachtoffers in het openbaar de criminelen bij hun weinig tot de fantasie overlatende bijnaam noemden, zonder dat er iets gebeurde, laat staan veranderde. Tot die bijnamen behoorden niet alleen &lt;em&gt;de trekker &lt;/em&gt;en &lt;em&gt;den bok &lt;/em&gt;maar ook &lt;em&gt;poepke&lt;/em&gt;. Dat was toen. Na de recente televisiereeks &lt;em&gt;Van vlees en bloed &lt;/em&gt;die gaat over een slagersfamilie in de Kempen, schijnt de outdoorvariant &lt;a href="http://cms1.proximedia.com/files/24418/MediaArchive/krantenartikel.pdf"&gt;‘bospoepen’ &lt;/a&gt;een nationale sport geworden voor door de week en in het weekend. &lt;br /&gt;Dat de vertaling van dit boek is geïnitieerd door uitgeverij C. de Vries-Brouwers b.v.b.a., die volgens het colofon Antwerps-Rotterdams is maar in eerstgenoemde Vlaamse stad gevestigd blijkt en sinds 1946 actief, maakt de gekozen titel nog pregnanter. Ze is gericht op de Noord-Nederlandse markt, waar de meeste lezers zijn en waar sinds jaar en dag, ondanks &lt;a href="http://www.museumplantinmoretus.be/eCache/MFN/80/57/449.html"&gt;Christoffel Plantijn &lt;/a&gt;wiens vruchten misschien niet voor niets door de UNESCO tot het werelderfgoed worden gerekend, het epicentrum van het literatuurbedrijf ligt. Dat anders gezegd heden het zuidelijke filiaal van een klaarblijkelijk tweelandelijke firma akkoord gaat met een titel die het profijt en het begrip elders legt, is een vorm van aanpassing die een lange geschiedenis heeft. Evengoed kan het dat de vertaalster, afkomstig uit Noord-Nederland, geen weet heeft van de bijkomende betekenis van ‘poepen’ in Zuid-Nederland. Ook dat gebrek aan kennis heeft een respectabele traditie.&lt;br /&gt;Of de titelacrobatiek nu dus berust op accommodatie of desinteresse, ik weet niet of onze S. ervan op de hoogte moet worden gesteld. Wel doet ze nog geen jaar met oneindig veel plezier aan ‘kleutergym’ en heeft ze last van een flonkerend geheugen. Na kennisname van de plot antwoordt ze op de allereerste van de ontelbaar vaak herhaalde vraag van de mol wie er kaka heeft gedaan op zijn kop: ‘Het is Bullebak, het is de hond van de slager!’ En wanneer de protagonist, door S. meestal Molly de Mol genoemd (naar het gelijknamige boek van Kate Veale waar dat dier in een vuilnisbak valt en vervolgens slechts uit de gemeentestortplaats weet te ontsnappen door een slakkenspoor van zijn vriendin Lilly Gelatine), na toepassing van het principe &lt;em&gt;oog om oog, tand om tand &lt;/em&gt;kan wederkeren naar waar hij vandaan kwam, blijkt haar eindoordeel altijd weer relevant: ‘De mol gaat terug in zijn hol’.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;a href="http://demankeusurpator.wordpress.com/2010/09/19/vertaalslag-gastprogramma/"&gt;De Manke Usurpator&lt;/a&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-3046443623084510709?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3046443623084510709'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3046443623084510709'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2010/10/cultureel-verschil-2010.html' title='Cultureel verschil (2010)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-3921666206961369942</id><published>2010-05-30T23:08:00.003+02:00</published><updated>2010-05-30T23:28:16.117+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>Authentieke taal (2004)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;En de bal die joeg in de touwen&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;1.&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘the melos yields the mode and the mode the manners’&lt;br /&gt;James Joyce&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Het zou me niet verbazen wanneer de mens in zijn natuurlijke staat, &lt;em&gt;selfsupporting&lt;/em&gt;, permanent heeft gezwegen. Pas toen hij bij het voorzien in zijn behoefte anderen nodig had, zal het gebaar zijn ingevoerd en even later de blues. Ook die lapmiddelen volstonden niet en op den duur is verbaliteit ontstaan die, met een gegroeide differentiatie in de vraag, complexer werd. Wij weten inmiddels niet beter. Maar hoe praat een mens eigenlijk, ook in frontsituaties jegens de ander? Als ik de commentaren bij het Polygoonjournaal mag geloven: in volzinnen met een tinkeling van fijne cadansen, en met antwoorden na keurige pauzes op vragen. Nu geldt dat journaal als gedateerd, het is inmiddels opgeheven, dus mijn geloof telt niet, stoelt op een herinnering. Toch beklijft de indruk dat de mens ook in zijn mimetischer momenten naadloos communiceert. Zelfs uit &lt;em&gt;famous last words&lt;/em&gt; mag worden afgeleid dat de naderende capitulatie in elk geval niet syntactisch is.&lt;br /&gt;Volgens mij vertoont al dat moois in werkelijkheid meer rafels. Maar misschien ben ik in dit idee te particulier, nadat ik voor het eerst van mijn leven een tekst onder ogen kreeg die de letterlijke neerslag was van een gesprek dat ik gevoerd had. Ik waande me een verpersoonlijkte globalisering, opgeslokt door zijn resten. En vooral een levende anakoloet, voor de gelegenheid op een stoel neergeplant bij een minidiscplayer. Mogelijk kan een punctie in enigszins recente literatuur der Lage Landen de bewijslast verleggen.&lt;br /&gt;Korte inhoud van het voorafgaande.&lt;br /&gt;De Tweede Wereldoorlog was amper voorbij of de Vijftigers ontketenden de revolutie door onder meer, in de wederopbouwtijd van schaarste en gehaktbrood zonder al te veel gehakt, te associëren met woorden. Dat leek een warmbloedig protest tegen een duffe moraal, ze lonkten naar het irrationele ook. Niet veel later kwamen er tekenen dat het daarmee maar weer afgelopen moest zijn. &lt;em&gt;Yes, but not like that!&lt;/em&gt; Het van oorsprong Vlaamse tijdschrift &lt;em&gt;Gard Sivik&lt;/em&gt; maakte een begin met de herstart en in de bundel &lt;em&gt;Geboorte-stad&lt;/em&gt; (1958) van tussenfiguur Sybren Polet was al een, vanuit neonieuw perspectief, aangename koelheid te voelen die een artikelenreeks van literatuurhistoricus Calis ving met de catchphrase ‘daling van temperatuur’. Als aanvulling op &lt;em&gt;Atonaal&lt;/em&gt;, &lt;em&gt;Vijf 5 tigers&lt;/em&gt; en Rodenko’s fameuze bloemlezing &lt;em&gt;Nieuwe griffels schone leien&lt;/em&gt;, die de Vijftigers in een traditie had geplaatst en daarmee definitief geïnstitutionaliseerd, maakten René Gysen en Hans Sleutelaar er in 1960 ook eentje: &lt;em&gt;Met andere woorden&lt;/em&gt;. Door Armando werd vanaf 1961 een verbinding aangegaan met de Nul-Zéro groep, en hij propageerde twee jaar later plechtig het ‘einde van de Renaissance. Begin van wat men voorlopig noemt “Het Nieuwe Realisme”. Voor het eerst in de kunstgeschiedenis levert de kunstenaar geen commentaar op de werkelijkheid. Hij interpreteert niet. Hij aanvaardt de werkelijkheid.’&lt;br /&gt;Zoals bekend toonde het omslag van &lt;em&gt;Gard Siviks&lt;/em&gt; 33ste nummer (januari/februari 1964) een snelheidsbord waar door het getal vijftig een streep was gezet. Een Nieuwe Datum In de Poëzie, heette het, en C.B. Vaandrager en Hans Verhagen gooiden kopieën van het omslag op het eerstvolgende Boekenbal in het publiek. Een plengoffer aan literatuur die, buiten de bebouwde kom van de intentie, geen literatuur meer wou zijn? En toen ging ook het gangbare bohémienbeeld van de kunstenaar op de helling, toen het internationaler georiënteerde avant-garde tijdschrift &lt;em&gt;De Nieuwe Stijl&lt;/em&gt; onder de titel ‘Parade der Proleten’ veertig bladzijden lang uitpakte over het dragen van een baard boven sloeberkledij, en over zelfoverschatting in de reguliere kunstkolommen. Een nieuwe traditie vestigde zich, en was zo pril niet of er kwam vanzelfsprekend een satire op. In de roman &lt;em&gt;Tjeempie! of Liesje in Luiletterland&lt;/em&gt; (1968) van de voormalige Vijftiger Campert gaf schrijver Cees Bakels ‘informaatsie zonder emootsie’ en vertolkte ‘koel de eigentijdse stem’ zonder ‘intupputtaatsie, dzjust de pleen fekts’.&lt;br /&gt;Journalistiek in de pas opgerichte &lt;em&gt;Haagse Post&lt;/em&gt; maakte zich opzichtig afwezig door louter de geïnterviewde te laten spreken in een historisch presens. Het geijkte woord moest het maar doen, met adequaat en letterlijk economisch taalgebruik. De auteur leek een cameraoog te zijn geworden, een zeer bescheiden Olympiër, methodisch zuiver in zijn perceptie. Alsof Eisenstein nooit had bestaan. Ook zou je denken dat het ontbreken van enigerlei vertellerscommentaar de recipiënt uitlokt tot het debiteren van een moraal. Desalniettemin, wanneer er officieel ooit een mimetische weergave van de gespreksstijl is geweest, dan moet het in deze periode van de literatuurgeschiedenis zijn. ‘Werkmethode: isoleren, annexeren. Dus: authenticiteit’, berichtte Armando wellicht ten overvloede als primeur.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;2.&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Het interviewboek &lt;em&gt;De ssers&lt;/em&gt; (1967) zou het meest consequente product van &lt;em&gt;De Nieuwe Stijl&lt;/em&gt; en de &lt;em&gt;Haagse Post&lt;/em&gt; zijn. Het was bepaald controversieel. Eindelijk zat Holland weer goed in zijn vel en werd er werk gemaakt van een auto voor eenieder en een boterham met tevredenheid waarop een biefstuk lag – om met dit boek herinnerd te worden aan het feit dat dat vel ruim twee decennia daarvóór dicht tegen het been had gekleefd. En dan kregen de helpers aan dat onvrijillige dieet nog het woord ook! Aafjes’ beruchte verwijt aan het adres van Vijftiger Lucebert indachtig, leek de ss letterlijk alsnog de literatuur binnengemarcheerd. Anderzijds doneerde de positief over het werkstuk gestemde Willem Frederik Hermans terstond de jijbak dat het moreel hoogstaande Nederland evengoed had geheuld door mee te werken aan de moord op percentueel het grootste aantal joden in Europa.&lt;br /&gt;De geïnterviewden toonden geen spijt.&lt;br /&gt;Getuige hun inleiding hadden Armando en Hans Sleutelaar 2500 foliovellen tot hun beschikking die hun gesprekken met acht Hollandse Waffen-ssers woordelijk weergaven. Daarna schrapten Armando en Sleutelaar hun vragen en opmerkingen, en dat leverde een boek van 474 pagina’s op. Redelijkerwijs zal er dus meer geschrapt zijn en lijkt het de vraag of de lezer niet voornamelijk op lassen stuit. Volgens het tweetal was er echter geenszins ingeboet aan authenticiteit. De geïnterviewden hadden de teksten zelfs geautoriseerd. Ten overvloede ondertekenden Armando en Sleutelaar hun inleiding met ‘de samenstellers’.&lt;br /&gt;Om het corpus niet persoonsgebonden te laten zijn, geef ik van elk van de acht in &lt;em&gt;De ssers&lt;/em&gt; sprekende Nederlandse vrijwilligers voor het Duitse kamp een ongeveer even groot fragment, dat in het boek wordt voorafgegaan door een witregel, dus waarschijnlijk door een vraag.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Er was een speciale formule toen wij beëdigd werden in Sennheim: dat we enkel ingezet werden tegen het Communisme en niet in het Westen. Dus niet tegen de Engelsen of Amerikanen. Dat was redelijk, want de Engelsen en Amerikanen beschouwde je eigenlijk nog wel als je broedervolk.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Wat ik hier goed aan vind, is het woord ‘formule’. Dat is namelijk niet de precieze term, en zo gaat dat als je praat, en tegelijk moet je verder. En dan ga je achterwaarts denken terwijl je vooruit doorbabbelt, en daarom komt mij de volgorde in de laatste nevenschikkende bijzin niet helemaal authentiek voor – zeg ik bijna vier decennia jaar later. In de hedendaagse spreekpraktijk zou ze luiden: ‘(…) beschouwde je wel nog als je broedervolk eigenlijk.’ Of reëler zelfs: ‘(…) beschouwde je wel als je broedervolk eigenlijk nog.’ Het gebruik van de passief in het begin, nota bene ook wel lijdende vorm geheten, dunkt me eveneens opmerkelijk, alsof de man zich lichtjes onttrekt aan de eventuele consequenties van het feit dat hij ooit elders in bezwarende omstandigheden heeft vertoefd. Aldus kan hij overstappen van ‘we’ naar ‘je’. Twintig jaar later constateerde Armando dan ook met recht, denk ik, dat mensen ook hun vreselijkste daden in een bedje kunnen leggen en met woorden toedekken. Overigens weet ik geen goed alternatief voor ‘formule’.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Goed, man-tegen-man-gevechten wil zeggen, je ziet dat je eigen kameraden met bajonetten doorstoken worden. Dus je steekt de tegenstander ook met het bajonet. Je vecht met geweerkolven, je vecht met pioniersschoppen, met dolken. Niet alleen dat je tegenstander dat gebeurt, je ziet van je eigen kameraden ook dat die dat gebeurt.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Waarom meen ik hier ineens een voetballer te horen? Komt het door de, van de vorige ss-er wat afwijkende, &lt;em&gt;singularis modestiae&lt;/em&gt; ‘je’, dat Ronald Koeman, inclusief het evenmin kinderachtige ‘mijn persoontje’, later tot grote hoogten zou opstuwen? De aanvang dunkt me ware spreektaal. De bijzin begint niet met het correcte ‘dat’, nee, door de emotie van de herbeleving ga je in één adem een nieuwe hoofdzin construeren. Ook treffend is daarin het pleonasme ‘eigen kameraden’, dat de luisteraar wil overtuigen van de noodzaak én het noodlottige aan het in wezen abjecte in crisissituaties. Daardoor wordt de tweede zin merkwaardig stijfjes. Dit zie je aan het verkeerde, al te deftige lidwoord ‘het’ voor ‘bajonet’ (hypercorrectie), maar vooral aan een lichte vorm van depersonalisatie: je steekt zo’n ding immers ín iemand. Of ben ik nu een purist? Depersonalisatie lijkt begrijpelijk vanuit het standpunt van de dader die, ter instandhouding van zijn geweten, het slachtoffer als ding wil zien. De opzet van het boek werkt hier ook aan mee: terecht merkte Hermans op dat het beter &lt;em&gt;De ssers, vijfentwintig jaar later&lt;/em&gt; had kunnen heten, er heeft zich eelt kunnen vormen op huid en ziel. Het kan echter goed dat ik nu echt aan het hineininterpretieren ben geslagen, omdat een aantal factoren oncontroleerbaar is: de stressfactor ten tijde van het interview, ontwikkelingen in een dialect dat mij sowieso onbekend is… Zelfs kan ik me voorstellen dat ‘de tegenstander met het bajonet steken’ hip klonk, en dat de spreker er, gestreeld door de aandacht, als het ware een projectie mee pleegde in de richting van zijn jonge, spraakmakende ondervragers. In de zin die Darwin schijnt te hebben bedoeld: &lt;em&gt;the survival of the accommodatest&lt;/em&gt;. Voor het gemak uitgaand van depersonalisatie borduurt de derde zin voort op de tweede, met een retorische touch. De vierde is dan ineens weer natuurlijk, vooral in het cruijffiaanse ‘dat die dat gebeurt’.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Ik kan me nog herinneren, toen de Stabartzt de eerste keer bij m’n bed kwam, toen ik weer bij kennis was. Hij pakte m’n hand en feliciteerde me. Hij zegt, nou, hoe was het in de hel? Dat kan ik me nog altijd herinneren. Een beetje rauw klonk het, maar het was hartelijk bedoeld.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dit begint veelbelovend. Overmand door de herinnering wordt hier niet verteld met behulp van het correcte ‘dat’ maar met ‘toen’ – het vermaledijde voegwoord dat kinderen op de lagere school in opstellen niet mogen gebruiken omdat het dan opdissen wordt in ettelijke wederwaardigheden zonder pointe. Ook ‘was’ treft doel, want dat moet officieel ‘kwam’ zijn en zo’n contaminatie zit in spreektaal gebakken. Pas in de vierde zin krijg ik twijfels, en wel door het bijwoord ‘altijd’. Dat gebruik je niet in deze context, en zeker niet &lt;em&gt;in the spur of the moment&lt;/em&gt;. Dan zeg je, met nadruk: ‘Dat kan ik me nóg herinneren.’ Of ‘nu nog’. De vijfde zin veegt vervolgens de vloer aan met mijn indruk van authenticiteit, door de prolepsis. Met het voorop plaatsen van ‘een beetje rauw’ voel je de stilering. Puur zal het iets als ‘Het klonk een beetje rauw’ enz. zijn geweest, en in combinatie met het vervolg had dat geresulteerd in een hele mooie zin eigenlijk. Mooi is hier alleen het woord niet (en deze zin deugt evenmin, want lijkt een toespeling op een essaybundel over recente poëzie).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Van zo’n man als Göring kon ik het accepteren, hè. Die was immers ook zo praalziek, had mooie sterren en zo. Maar die dreef de spot met zichzelf. Göring stond er voor bekend dat hij een man was, die zei, nou jongens, wat is de nieuwste mop over mij? En dan moesten ze hem de nieuwste mop vertellen.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dit ziet er waarheidsgetrouw uit. Of niet? Spreekt er iemand zowel in termen van ‘en zo’ en ‘er voor bekend’ als van ‘praalziek’? Of zegt het meer over mijzelf dat ik door die vraag te stellen ongeloof hecht aan die vereniging van twee op het oog uiteenlopende taalclusters in het gesproken woord (behoud ik mij dat recht toe of althans mijn werk, want godverdomme wat is dat toch belangrijk)? Ik ken wel de gewaarwording te schrikken van een bepaalde term die de mond blijkt te hebben verlaten: dat dan meteen willen compenseren met iets contrairs – en daar in mijn werk uren op oefenen. Kan het trouwens zijn dat ik te argwanend ben, en het woordje ‘van’ verwacht tussen ‘zei’ en ‘nou’, of is dat te hedendaags? Ergo, waar ben ik? Waarom schiet me te binnen dat Göring was getrouwd met een gravin die Fock heette?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Er valt niets meer te verontschuldigen. Helemaal niets. Helemaal niets. Verontschuldigen wil zeggen, dat je samen nog een gemeenschappelijke norm vindt, waarmee je bepaalde daden meet. En die is hier niet meer.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In de politiek is het een bekend fenomeen dat men op momenten dat de tekst even wegzinkt in het moeras van het bewustzijn de laatste woorden herhaalt. Frits Bolkestein was zo bedreven in die truc, dat ik zijn voornaam uit zijn mond steevast als ‘Frats’ verstond. Maar bij hem betrof het zakelijke zaken, in een betoog. Wat hier wordt gezegd, valt binnen het kader van een persoonlijke zaak, een getuigenis (van dit laatste woord wil ik gezegd hebben dat het zowel vrouwelijk is als onzijdig). En als men het dan niet meer weet, stokt men. Na ‘Helemaal niets’ ligt het in de rede dat het stil wordt. Anderzijds wordt hier vanuit het heden over iets in het verleden gesproken. Het kader is een rechtvaardiging, of ten minste een mate van begrip. Het heeft er alle schijn van dat dat &lt;em&gt;du moment&lt;/em&gt; wordt opgeroepen. Merkwaardig in de slotregel vind ik daarom ‘is’ (de onvoltooid verleden tijd lag voor de hand) en ‘hier’ (in plaats van ‘daar’). Maar mogelijk boor ik daarmee als mens in een blootliggende zenuw van de ander. Wat is de mens? En typ ik dit trouwens neer met mijn hele lichaam?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;De soldaten kregen bijvoorbeeld brieven van verloofdes die het uitmaakten, omdat ze gehoord hadden dat hun been eraf was geschoten. Die jongens kregen het zo ontzettend op hun zenuwen, hè, die gingen huilen en schreeuwen en dan kregen ze natuurlijk een spuitje om te kalmeren. Dat was zo ontzettend!&lt;br /&gt;&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;Dit komt in de buurt. Een reden voor mijn vermoeden is, dat in de vaart van het vertellen de verwijswoorden niet meer eenduidig verwijzen naar het voorafgaande. In de eerste zin zou ‘hun’ in de kluts bijvoorbeeld kunnen slaan op ‘verloofdes’, wat in deze context een onbedoeld, en daarom naturel, komisch effect sorteert. Ook authentiek dunkt me het licht foutieve ‘die’ na het tussenwerpsel ‘hè’: partiële infectie. Het is mijn makke dat ik inmiddels na Jaap Stam, die naar eigen zeggen Kampen op de kaart heeft gezet, het bijwoord ‘natuurlijk’ echter weer onnatuurlijk vind. In zekere zin geldt dit eveneens voor ‘ontzettend’: daar verwacht ik ‘vreselijk’, maar misschien is dat te wuft, in de verloofdenlijn. Juist daarom zou ‘ontzettend’ wel eens echt kunnen zijn. Wel wat voorlijk voor zijn tijd.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Ja, en dat deze transporten niet prettig waren, dat is logisch. Niet wat het vervoer betreft, want wij zijn ook in beestenwagens vervoerd en ik vond het nog wel prettiger ook. Ik zat liever in een beestenwagen, in een goederenwagen, met pakken stro, dan in een coupé, want daar kon je nooit gaan liggen.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De tweede zin vind ik heel curieus, omdat het voegwoord ‘want’ een oorzakelijkheid aangeeft die het achterste deel van de bijzin ontkent. Dat dunkt me vooral curieus, omdat daarvóór de altijd misleidende want retorische term ‘logisch’ was gehanteerd. Bovendien is ‘nog wel (…) ook’ opmerkelijk, omdat hier toch echt ‘eigenlijk’ voor de hand ligt. Of niet? Ben ik weer aan het dissolveren en acht ik dat gepast vanwege de semantische kernen ‘eigen’ en ‘lijk’ in het perspectief van de reële historische keerzijde aan de gememoreerde transporten? Of zie ik dan mijn eigen afgrond als gestalte, of toch maar: de afgrond die ik bij de spreker veronderstel? Waarachtig vind ik in elk geval vervolgens, ja we zijn alweer helemaal terug in handige bruistabletvorm, het toevoegsel ‘met pakken stro’ dat de zin onderbreekt, zoals dat gaat indien je praat, hink-stapspronggewijs. Het oorzakelijke voegwoord dat daar dan weer op volgt, is logisch.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Hitler dood! Een gekke gewaarwording, een gekke gewaarwording… Kerels met hun borst vol onderscheidingstekens lieten hun tranen de vrije loop.&lt;br /&gt;Je hebt er jaren voor gevochten.&lt;br /&gt;Je hebt je kameraden zien vallen.&lt;br /&gt;Je hebt er alles voor over gehad.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Hier lijkt de vermetele techniek van de herhaling bij gebrek aan woorden te worden toegepast. Of ze ook naturel is, lijkt vers twee. Voor mij botst het woord ‘gekke’ al met ‘gewaarwording’ (esthetische alliteratie) en zeker met ‘kerels’. En de uitdrukking ‘tranen de vrije loop laten’ lijkt me niet op zo’n stevige orale basis te berusten, al moet ik erkennen, nee, domweg vaststellen dat spreektaal voortdurend schrijftaal citeert. De drie slotzinnen vind ik aan de akelige kant. Misschien zijn ze werkelijk zo uitgesproken, en dan hoor ik de galm van het Polygoonjournaal. Maar het feit dat Armando en Sleutelaar ze telkens op een nieuwe regel laten beginnen, valt niet anders te interpreteren dan als een auteursingreep die methodisch onmogelijk als zuiver te kenmerken is. Ik vermoed dat hier een las is gemaakt.&lt;br /&gt;Waren de samenstellers wetenschappers in het laboratorium van de werkelijkheid of hebben ze vooral geluisterd naar wat ze dachten te zullen horen? Op basis van de luttele hierboven besproken acht fragmentjes, lijkt het mij gegrond om in elk geval de heersende ethische bezwaren tegen het boek niet bij voorbaat hypocriet of invalabel te verklaren. Er werd immers gesproken binnen een retorische context en dat geeft &lt;em&gt;collateral damage&lt;/em&gt;. Voorzover dat niet duidelijk was, leverde de herdruk van &lt;em&gt;De ssers&lt;/em&gt; voor die retoriek aanvullend bewijs: de volgorde van de sprekers is er omgedraaid. En aangezien de door mij gebruikte vierde druk uit 1990 nog een latere is, zou ik moeten nagaan of ook daarin herschikking is aangebracht. Dat wil ik niet doen, niet eens zozeer uit luiheid, als wel in een poging één raadsel expliciet te conserveren: één van de acht sprekers, oorspronkelijk de derde, is namelijk een vrouw. Wie o wie?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;3.&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Herhalen, herhaken, kelen, betrachten:&lt;br /&gt;een sublieme overeenkomst tussen zovele werkelijkheden’&lt;br /&gt;Marcel van Maele&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Ik ben groot geworden met gesproken taal op de radio. Met name bij voetbalverslagen, onschuldig maar half in de illegaliteit, leek het, omdat ik dan al lang moest slapen en, geheel volgens wetten der anekdotiek, een transistortje mee onder de dekens nam. En welja, daar heb ik dan weer een citaat over: ‘toen ik voor het eerst / radiobeschrijvingen hoorde ik dacht dat ze de sport daarmee / regisseerden, niet versloegen’. Dat staat in &lt;em&gt;Fredy Neptune&lt;/em&gt; van Les Murray, waar de aposiopese ‘hoorde ik dacht’ &lt;em&gt;in a nutshell&lt;/em&gt; aangeeft wat radio zo bijzonder kan maken: iets onvoltooids, anakoloetisch graag, dat inderdaad de suggestie wekt dat taal de bal over het veld stuurt.&lt;br /&gt;Een radioverslag is gericht op een dialoog met de luisteraar, zij het dat die uiteraard niets kan terugzeggen. Da’s quarantaine en die maakt dit genre handzaam voor mijn onderzoek. Voor het diagnosticeren van waarheidsgetrouwheid in de spreektaal heeft het voetbalverslag nog een voordeel. Men loopt in zijn gebabbel altijd achter bij de gebeurtenissen op het veld en mag het gat met het heden niet laten gapen – verslag mag geen commentaar worden. Het gevaar van reconstructie is daarbij afgewend. En ook: men wil, al is het beroepshalve, zijn ervaring delen.&lt;br /&gt;Niet heel veel jaren na de verschijning van &lt;em&gt;De ssers&lt;/em&gt;, in het seizoen 1969-1970, speelde Feijenoord in de tweede ronde van de Europacup 1 tegen het machtige ac Milan. Dat werd een ongekend succes. De 1-0 nederlaag in de uitwedstrijd poetsten de Rotterdammers in eigen stadion weg. Van die legendarische thuiswedstrijd, op 26 november 1969, is een singletje gemaakt, waaruit ik eerst de betreurde commentator (qua leeftijd een jongere neef van de ss-ers) Theo Koomen citeer uit zijn verslag voor de radio:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;En over of zit-ie erin nee nee toch hij zit erin hij zit erin ik dacht dat-ie over zeilde maar hij zit erin het is een doelpunt ik dacht dat-ie erover zeilde maar hij dook in de hoek en Cudicini staat daar verslagen in het doel en Jansen wordt daar door alle Feijenoorders wordt-ie omhelst en gepakt en Treytel is eruit en iedereen iedereen is is gek geworden en ze staan hier voor m’n ramen te dansen.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dit is nou eens pure spreektaal. Ik pleeg daarmee een ernstige tautologie, want wat kan een radioverslag anders zijn? Toch lijkt me de constatering gerechtvaardigd. De herhalingen, het zichzelf corrigeren en ook niet, de programmatische nevenschikking – als ik nog wist wie ik was, zou ik bijna zeggen dat ik mezelf erin herkende. Maar ik besef wel dat dit in laatste instantie een ethische uitspraak is, omdat Koomen onbemiddeld en, zeker vergeleken bij Armando en Sleutelaar, belangenvrij zijn verslag lijkt te doen. Bovendien was hij een Hollander, geboortegetrouw bevooroordeeld enthousiast over de ontwikkelingen in het wedstrijdverloop. En dus klopt mijn uitspraak niet, is hij evengoed retorisch.&lt;br /&gt;De bejubelde doelpuntenmaker was Wim Jansen, die qua leeftijd een zoon van de ss-ers had kunnen zijn. Op een vraag naar de genese van zijn goal antwoordde hij:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Nou ik kreeg dus de bal op rechts aangespeeld en ik wilde dus een voorzet geven maar toen zwaaide-die dus over de keeper op de verste paal zo het net in.&lt;br /&gt;&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;Wederom pure spreektaal. Ik wil vooral wijzen op het gebruik van het woord ‘dus’: het maakt gebeurtenissen logisch en doelmatig, terwijl het commentaar van Koomen al suggereerde dat er bij het doelpunt sprake was van enig toeval, zoals een inzicht uit verstrooidheid heet te kunnen rijzen. De aanrichter bevestigt dat nu. Eigenlijk is al zijn ge-‘dus’ één groot manifest van ongeloof.&lt;br /&gt;De wedstrijd ging verder, ik geef het woord terug aan Koomen (men moet weten dat in die tijd, kinderloze opa vertelt, radioverslagen niet permanent met de wedstrijd mee werden uitgezonden: nog los van verplichte interferenties van het anp-journaal op de hele uren, heerste er überhaupt een inhaalprocedure, men ‘schakelde over naar onze verslaggever ter plekke’ en hoorde dan in het ideale geval een hoogtepunt, dat in feite een fragment was):&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Een juichtoon een juichkreet door het stadion van de 66.000 Coen Moulijn die was z’n tegenstander gepasseerd naderde Schnellinger Schnellinger kon er niet meer bij kwám de voorzet kwám op het hoofd van Van Hanegem en Van Hanegem dook als een snoek en de bal die joeg in de touwen en zelfs Cudicini die er nog naar dook was reddeloos.&lt;br /&gt;&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;Is dit belangenvrij? De ironie wil dat Theo Koomen zo’n beetje de grootste fantast denkbaar was, die er, achter op de motor, bij verslagen van Touretappes niet voor terugdeinsde heroïsche ontsnappingen aan den volke te melden, terwijl het peloton in gesloten gelid langs korenvelden pedaleerde. Eerder een mythomaan dan een journalist dus. Maar ik ben weer eens te snel in mijn oordeel – al wordt dat nu onderhand een stijlfiguur, oppassen Marc met die praattoon, dat je niet in het opzettelijke maniërisme verstrikt raakt dat het werk van Kees ’t Hart, met name de essays, inmiddels in het teken doet staan van het hulpeloos-sterke voorbehoud – me realiserend dat Koomen, wellicht als tegenwicht voor die mythomanie, ook naar de andere kant kon doorschieten. Als één der eersten stelde hij het dopinggebruik bij wielrenners aan de kaak, wat hem op een boycot kwam te staan van het peloton dat blufte dat hij een vuile katholieke leugenaar was.&lt;br /&gt;Voor een in elk geval iets nuchterder commentaar aan de microfoon gaat andermaal het woord naar de doelpuntenmaker, die destijds al De Kromme werd genoemd:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Ja ik kreeg die bal van links dus en toen kopte ik ’m d’r in en toen haalde ik ’m dus uit het net gewoon en toen keek ik dus op die klok hoe lang er nog te spelen was ja voor de rest op dat moment sta je d’r niet bij stil dacht ik.&lt;/em&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Atavisme of affirmatie? De passage lijkt wat je noemt ontwapenend, maar dat is een vreemd en misplaatst woord omdat de ratio van de situatie parallellen vertoont met die van soldaten in volle actie. Nog vreemder is het dat ik moet denken aan de ideologie die Armando achteraf aan zijn beweging poogde te hechten: ‘een wanhopige poging om de consumptiemaatschappij te bejahen’. Becommentarieerd doen alle ‘dus’-sen van Van Hanegem, in wat vanwege het voetbal een populaire cultuur mag heten, hetgeen baardloze, huns ondanks wel degelijk artistieke journalisten diametraal op provo en kabouters en wat dies meer in de jaren zestig wilden aanrichten. En de journalisten hebben aan het langste eind getrokken, mét ironie. En vooral met ellipsen.&lt;br /&gt;Voor de formele kant aan frase van De Kromme past slechts één waardering: zonder woorden.&lt;br /&gt;‘In den beginne was het woord, en het woord was bij God’. Nou, van mij had Hij het mogen houden. Wat is taal toch een *** voor wie niet tuk is op parentheses, al dan niet in de gedaante van noten, haakjes en gedachtestrepen. En wellicht is de waarheid inderdaad niet tijdloos, en is tijdloosheid zelf, zoals Walter Benjamin beweerde, een exponent van een burgerlijk waarheidsbegrip. Ik acht het evenmin onmogelijk dat waarheid intentieloos is. Dat wij een ander begrijpen is eigenlijk een mirakel, dat we onszelf, in wie we toch een meerderheidsbelang hebben, denken te begrijpen wellicht nog meer. Omdat zwijgen inmiddels toch echt een verwijt is geworden, blijft díe dialoog ook een punt van aandacht; wij wachten op het begin van de Renaissance.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;In: &lt;em&gt;Yang&lt;/em&gt; xxxx/3 (okt 2004)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-3921666206961369942?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3921666206961369942'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3921666206961369942'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2010/05/authentieke-taal-2004.html' title='Authentieke taal (2004)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-5314364085318686794</id><published>2010-01-04T21:29:00.005+01:00</published><updated>2010-01-04T21:39:14.842+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='poëtica'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>Etiquette (2005)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Aan gene zijde van het behang&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;1.&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Voor de ruit verdrongen zich tallozen in volgorde van afgang. Toch moest dood vogeltjes zoveelste moeder eerst even melden, de schouders naar achteren werpend, dat rancune geen pas gaf. Ze hadden gezegd dat de velden vol wonderbaarlijk wit lagen. Fatsoen behelsde geen ander omkijken dan dat van de montere blik waaraan geen monnikskapspier te pas kwam. ‘Dat ligt vast en dat weet je maar al te goed.’ Dood vogeltje zag zoute bergen van steen die het al had laten gaan. Anders uitgedrukt, rancune was niet chic, leidde tot ongerichte plasmastroming; men diende geen zenuwknoop bloot. Men moest überhaupt nooit zijn tanden laten zien maar de veren opsteken en die slechts in goedertieren gezelschap laten hangen. O Sint-Apollinia, in hets handen bliezen dood vogeltjes kiezen bleekzucht, de terechtwijzingen in (wie ongevraagd zijn diepste zielenroerselen blootlegt, wordt een poseur). Maar wacht even, dacht het, wie nooit ongelijk bekent zal evenmin zijn excuses aanbieden: hoogst bereikbaar is het perforeerbare &lt;em&gt;neem me niet kwalijk&lt;/em&gt;. Het was in een winkel in tweedehands computers, om om te smelten tot vegaburgers. Dood vogeltje jongleerde alweer met de kruipolie, terwijl het doorgewinterde berichten kreeg uit hets vullingen. Door wilde het, door.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Dit is het eerste deel van een drietraps prozagedicht dat ‘Van de etiquette’ heet. Maar wat is etiquette eigenlijk? Noem het een stelsel van concrete regels, aan de hand waarvan we, als we dat willen, goede manieren vertonen. Ze moeten door stilzwijgende toepassing het leven voor de onbekende ander, aan gene zijde van het behang[1], een beetje draaglijk maken en daarmee, in de kapspiegel van hun tevredenheid, voor onszelf. We kunnen dan met recht ‘we’ zeggen. Zo zat ik eens in de tram, het was er vol, en er kwam een oude dame binnen. Ze keek naar het eerste het beste bankje, dat was ingenomen door een moeder en kind. En die bleven daar, ondanks de zegswijze dat opstaan voor een ouder iemand niemand misstaat. De oude dame sprak die wijsheid toch maar even uit, de moeder reageerde erop en de oude dame wenste haar kind vervolgens een bestaan vol ongeneeslijke ziektes toe.&lt;br /&gt;Zo’n in een etiquette vastgelegde beschaafdheid lijkt me per saldo een abstractie. Ze valt bijvoorbeeld te verbinden met het christendom dat het artikel van de naastenliefde mede zal hebben uitgevonden ter meerdere glorie van de donateur. Wie op het ondermaanse goed is en doet (de volgorde is me nooit helemaal duidelijk geworden), schijnt iets zeer moois te wachten te staan. Vandaar wellicht dat de laatste woorden van paus Johannes Paulus ii op 2 april 2005, vertaald uit het Pools dan, een certitude behelzen: ‘Laat me nu naar het huis van de Vader gaan.’ Het behang in dat huis moet transparant zijn; over de gedragsregels ter plekke is nooit opheldering gekomen.&lt;br /&gt;In een etiquette vastgelegde beschaafdheid lijkt me ook iets wat afhankelijk is van gewoontes in een land. Elk behang heeft zijn kleur. In het Oosten, om me even te bezondigen aan een essentialisme vanuit het miniuniversum alhier, ben je bepaald onbeleefd wanneer je niet onmiddellijk, ongeacht of anderen naast je ook wat hebben, een bord eten verorbert dat je voorgezet krijgt. Ook boeren en bongen zijn er sterk aanbevolen, als teken dat het eten je heeft gesmaakt. Ik geloof niet dat zulke culinaire gedragingen in het Westen erg populair zijn. Buiten de huiselijke kring wel te verstaan; binnen de muren aan deze zijde van het behang, ‘zolang de anderen het maar niet zien’, lijkt vergoelijking en dus vergeving nog wel te vinden.[2] Deze regels ten bate van het oog van derden ten faveure van het eigen ogenpaar lijken hier een bijkans transcendente waarheid, waarvan we in de praktijk misschien vergeten dat ze qua geldigheid behalve ruimtelijke ook tijdelijke beperkingen heeft; ik hoef vermoedelijk niet naar de nog altijd fijne studie &lt;em&gt;Het civilisatieproces&lt;/em&gt; van Norbert Elias te verwijzen, om te beweren dat wat vroeger onbeleefd heette, dat nu niet meer hoeft te zijn, en vice versa.&lt;br /&gt;Ik geloof ook dat dood vogeltje problemen heeft met die rare concepten. De winkel voor de tweedehands computers waar het zich bevindt, lijkt het type gebouw dat makelaars wel als ‘instapklaar’ aanprijzen: plavuizen alom, pvc kozijnen, verlaagde plafonds, en licht, elektra en water werken. Wil het vogeltje door het behang heen? Het krijgt te stellen met opvattingen over ‘rancune’, en heeft zelf zo zijn ideeën over poseurs. Zijn dat dingen vanuit de huiskamer of juist vanaf de maan bekeken? In elk geval zijn het abstracties en het feit doet zich voor dat dood vogeltje daar bepaald lichamelijk op reageert, tot aan de vullingen toe. Ontvangt het satellietsignalen uit het Oosten of geschiedt een en ander uit initieel onbegrip? Iets wat onbestaanbaar lijkt, blijkt in elk geval een bestaanbare repercussie te kunnen hebben.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;2.&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Voor een goed stabiliteitspact moest dood vogeltje honnepon zijn, opschietend met een sluimerende politieke verkoudheid. Zeer koud is het dat het verbrandt en hetzelf tot grote blijdschap stemt. Winnaars hebben geen pijn, hun iets anders toewensen is laag, de bloem narcis. Of intelligibel ongewenst en dat dan niet opbiechten. Inslikken? Het is niet slim om te zeggen dat je slim bent. Het is wel dom om te zeggen dat je dom bent.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Als er tegenwoordig íets abstract wordt genoemd, is het wel de politiek. Op regeringsniveau worden er grote beslissingen genomen die de zogenaamde gewone man concreet voelt, en hij is daar zelden blij mee. Want hij voelt zich uniek, geen geval waarop veralgemenisering toegepast mag worden. Ja, hij weet wel dat beslissingen niet per geval genomen kunnen worden en noodzakelijkerwijs een collectief gelden, maar toch: de geschiedenis voltrekt zich aan hém. En ja, hij weet wel dat hij niet echt de enige is, maar zo voelt hij dat niet. En dat kan tot onlust leiden en, in een &lt;em&gt;worstcase scenario&lt;/em&gt;, tot – alsnog collectieve – bonje van stakingen, vuurhaarden en dies meer.&lt;br /&gt;Vandaar misschien dat politici tegenwoordig, in recidive feitelijk want het item heeft al vaak op de agenda gestaan, pogen om ‘de kloof tussen de burger en de politiek te dichten’. Ook media doen daar aan mee, door die politici met behulp van itempjes vol &lt;em&gt;human interest&lt;/em&gt; in hun dagelijkse doen en laten te portretteren, met de suggestie dat alles zich aan deze zijde van het behang afspeelt. Nu is het onontkoombaar dat we de ander altijd benaderen op grond van het beeld dat we van hem of haar hebben, maar de pogingen van media lijken toch te berusten op een arrogant idee van de gewone man, een idee dat je populistisch moet noemen. Ik herinner me uit Nederland de in zijn verlegenheid wat afstandelijke vvd-lijsttrekker Joris Voorhoeve. De man moest door een verkiezingsspot ‘menselijker’ gemaakt worden en hij gooide op het strand met een bal naar zijn kinderen.[3] Dit had zo’n treurige neerslag dat hij er abstracter door leek dan ooit: een tot overmaat van ramp ‘intellectueel’ te noemen politicus die, wederom binnen de muren, liever achter zijn bureau zat.&lt;br /&gt;De vertoonde concreetheid heeft volgens mij averechtse effecten. Ook op de Vlaamse televisie, waar ik woonachtigheidshalve naar kijk, zag men bij de recentste verkiezingen de politicus in zijn tuin, aan het fornuis, maar men zag hem ook aan dure diners aanzitten, vergaderen aan tafels waar permanent broodjes en Spa werden aangesleept, in mooie auto’s het land rondgereden worden, enzovoort. En hoe de partij sp.a ook de slogan &lt;em&gt;Socialisme zal gezellig zijn of niet zijn&lt;/em&gt; ingang trachtte te doen vinden[4], met zulke knakkers wilde men al helemaal niets van doen hebben. Thuis in Antwerpen moet ik met lede ogen toezien wat dat voor effecten heeft: een stem op het nationalistische, inmiddels tot Vlaams Belang herdoopte, Vlaams Blok, dat nog net iets concreter zegt dat politici zakkenvullers zijn – ‘winnaars’, om met dood vogeltje te spreken, die geen pijn hebben. Die retoriek heeft dood vogeltje van sportprogramma’s. En het Vlaams Belang gaat ondertussen bijvoorbeeld voorbij aan de complexe, in zekere zin abstracte internationale milieupolitiek, door op zijn allerconcreetst op zwerfvuil voor de deur te wijzen, plus op de hegemoniale aanwezigheid in de straat van Turkse slagers en de afwezigheid van Vlaamse. En kom niet aan de Vlaming zijn charcuterie! Hij voelt zich verplaatst in een huis dat makelaars wel als ‘charmant’ aanprijzen: de vorige bewoner heeft het grondig volgens zijn zeer uitgesproken smaak vertimmerd. Het Vlaams Belang krijgt zijn moedwillige cynisme over het bestaande beloond met meer stemmen, en zal die blijven krijgen omdat het van fatsoenlijke partijen niet mag meeregeren, waarmee het op circulaire wijze andermaal zijn stelling bevestigd ziet dat de concrete wereld van de gewone man wordt miskend.&lt;br /&gt;Het erge is wel dat bij die zogenaamde gewone man door alle media-inspanningen het idee schijnt post te vatten dat er een of ander complot tegen hem gaande is. Alles echter binnen de mate van het voorstelbare. Na de aanslagen in New York, Madrid en Londen schijnt de vrees voor een groot islamitisch gevaar niet zo erg groot; kennelijk appelleert het fenomeen van een goed georganiseerd terrorisme ten koste van massale slachtoffers weer aan té abstract ideeën.[5] Juist de &lt;em&gt;kleine &lt;/em&gt;criminaliteit heeft de aura onstuitbaar in opmars te zijn, van vernieling over diefstal tot roofmoord. De realitytelevisie laat het immers zien en de krant zegt het, al dan niet met statistieken.&lt;br /&gt;In dit verband zou je dat complot moeten identificeren met de abstractie. En de rol van de zogenaamd gewone man met die van het concrete slachtoffer, het slachtoffer dat zich structureel, zoals Tzvetan Todorov in een fraaie beschouwing over de herinnering opmerkte, in een profijtelijke situatie bevindt, want altijd in het centrum van de aandacht en dus van de erkenning. Om die paradoxale, of beter perverse situatie te continueren, kan het slachtoffer maar beter níet vergoed worden voor zijn leed. Het behang aan deze zijde monsterend, mag de ‘schuld’ van hem bij &lt;em&gt;les autres&lt;/em&gt; blijven, buiten. Want het nationalisme is, om Danilo Kiš aan te halen, de ideologie van de gegarandeerde, maar uitgestelde overwinning.[6]&lt;br /&gt;Taal blijkt in elk geval al geen bindmiddel voor een natie, terwijl een meer in aanmerking komend iets, solidariteit, om allerlei redenen niet opportuun schijnt te zijn. Ook vergaten media in Vlaanderen bij al hun populisme een simpel voorlichtend dingetje, namelijk dat de genoemde verkiezingen ook een beetje over Europa gingen, waar het gros van de beslissingen over afzonderlijke naties valt. Dat is wellicht de ultieme abstractie, een ver-van-mijn-bed-show die niet &lt;em&gt;prime time&lt;/em&gt; wordt uitgezonden. En expliciete verkiezingen over Europa, zoals die in Nederland met alle desastreusiteit van dien zijn gehouden, nee, daar begint men hier niet aan. Ze zijn wel goed, maar niet gek.[7]&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;3.&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Voor het af was. Als een ouwel om een toegevouwen brief spannen de netten om hets buikje dat anders niet te bruinen is. Van de agaten zon, zeker gevangen door de onberispelijke steppen, mocht de straling niet worden onderschat. Het zou ook infaam zijn, berispt dood vogeltje hetzelf tot het nut van het algemeen en voor de veiligheid excommuniceert het het. Maar het vloeit waar het niet gaan kan en is dat een mirakel? ‘Als je ogen iets onaangenaams zien sla je gauw je handen ervoor of doe je ze dicht. Maar sla jij je handen maar eens voor je gedachten, doe jij je gedachten maar eens dicht,’ schreef Charlotte Mutsaers. Hoe zou het eigenlijk zijn indien dood vogeltje met dezelfde maatstaven bejegend werd als die waarmee het hets autres bejegent? Was het de bok met de orthopedische schoenen? Het beluistert muziek. Claxons en ongelukken vallen steevast ritmisch perfect. Ook wil dood vogeltje een tartaartje bakken om een boterham door de jus te kunnen halen. En eindelijk mocht het er bij prijsaanpassing uit. Poppen werden gerold, velden aangerand door gras – dat kon bijten.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Er zit iets onaanraakbaars aan ons bestaan waarvoor veel termen voorhanden zijn. Daaruit kies ik maar even het woordje ‘lot’. In meer of mindere dramatische mate hechten we daar geloof aan: het in glas vervatte icoontje dat we ondanks de drukte accuraat aan de pas bezette muur hebben gespijkerd, slaat ineens in stukken uiteen tegen de plavuizen. Zulke dingen gebeuren, en sommigen spreken dan van een ‘ongelukje’, en iets meer mensen van dat vervloekte ‘lot’. Dan wordt het concrete voorval een abstractie, en het gebeurt dat de menselijke soort, religieus of niet, zich daardoor geleid voelt. Vooral aan de overzijde van de Atlantische Oceaan ziet men dat anders. Men moet het leven in eigen hand nemen, met goede wil kan de krantenjongen altijd miljonair worden (&lt;em&gt;the American Dream&lt;/em&gt;).&lt;br /&gt;Het curieuze is nu dat dat transatlantische geloof veelal ingebed is in een veel groter geloof, in een sujet dat God wordt genoemd. Ik heb soms het idee dat Hij een pseudoniem is voor de vrijemarkteconomie die mensen verandert in wolkenkrabbers. En met dat idee treedt een tweede curiositeit in werking: om de breideling van de vrijemarkteconomie tegen te gaan, heeft aan deze zijde van de oceaan lang de overtuiging geheerst dat de overheid kon en moest ingrijpen, zodat het lekkende huisje van zwakkeren alsnog een solide doorzonwoning kon wezen. De maatschappij heette evenzeer maakbaar, de abstractie van het ‘lot’ kreeg haar concrete tegenwicht in ‘sturing’ waarvan vooral door ‘zwakkeren’ vruchten konden worden geplukt.&lt;br /&gt;Dit bleek volgens een meerderheid van politici en publieke opinies fout te lopen,[8] het kostte te veel geld en begunstigde vooral profiteurs. Vanuit Amerika had Ronald Reagan al bericht dat de overheid (de ambtenarij, altijd die ambtenarij!) niet het antwoord maar het probleem was. Maakbaar heetten en heten hooguit nog niet-westerse landen waar door middel van, eventueel onder vn-vlag uitgevoerde, interventies ‘vrijheid en democratie’ gebracht moeten worden. En ondertussen is men overgestapt op de strategie van de privatisering, die het individu in staat stelt om zichzelf bij te verzekeren, zijn lot of, in een mooie baan, vrije dagen te kopen, en voormalige staatsbedrijven om de beurs op te gaan. Een en ander wordt bewolkt met fijne woorden die alle op ‘kwaliteit’ duiden, een voor mensen die over geen of weinig middelen beschikken, laat staan over dubbel glas, bijna utopisch begrip.[9]&lt;br /&gt;Ik weet het niet. Ik geloof steeds sterker dat de abstractie inderdaad regeert, op allerlei niveaus trouwens. Ook bij bedrijven, die hun autonomie opgeven in fusies, in het kader van ‘duurzame groei’. In het meest expanderende geval worden ze multinationals die lokale overheden overwoekeren. Daar wordt de wereld niet mooier op, maar volgens mij blijft ze tastbaar, zij het enige kwadraten onbegrijpelijker.[10] Dat lijkt echter in eerste instantie een kwestie van zelfbesef (een demon, te vinden in de bezemkast van onze geest), dat bewoners van dezelfde wereld kunnen omzeilen door zich via &lt;em&gt;commitment&lt;/em&gt; te laten uitputten. Vanwege het aan hen buiten hun verantwoording toebedeelde werk voelen ze zich verantwoordelijk de handen dusdanig vol te hebben, dat ze geeneens een gedachte hoeven te laten opkomen, ter uitvoering waarvan dezelfde, overvolle handen zouden moeten worden ineengeslagen. Als slachtoffer weigeren zij slachtoffer te zijn, en dat getuigt in zekere zin van goede manieren, wat mij in zekere zin lofwaardig lijkt. Maar misschien is dit een kwestie van murw overleven, zonder de reeds in de zeventiende eeuw uitgevonden en in huizen gematerialiseerde scheiding tussen wonen en werken.[11] Al veranderen in een exclusief economisch geworden arbeidsethos regels en zeden voortdurend, wie die contingente abstracties opvolgt blijft&lt;em&gt; the fittest&lt;/em&gt;.[12]&lt;br /&gt;Zelf zie ik literatuur als een middel om aan zo’n etiquette te ontkomen, en als het ware een vrijstaat in het hart van de staat te implanteren. Om te beginnen doe ik dit met behulp van een veredeld soort homeopathie, door al die bizarre taalgebruiken domweg, en ja: met tandengeknars[13], in mijn teksten op te nemen en als het goed is op schandelijke wijze op elkaar te laten parasiteren. Deze &lt;em&gt;outsourcing&lt;/em&gt; klinkt misschien gemakzuchtig, maar ik doe dat ook omdat ik begrip graag zie groeien. Dus zal ik eerst uit media de abstracties moeten overnemen, voordat ik, in een schier bodemloos vat van taal, begrijp wat ermee geambieerd wordt (men hoeft Foucault niet te lezen om zich te realiseren dat wie die het woord neemt of op schrift stelt macht heeft) Dood vogeltje ziet op het laatst slechts om zich heen, en weet zich bevrijd door ‘prijsaanpassing’ – maar ik weet inmiddels dat dat heel concreet prijsverhoging betekent. Een eufemisme dus, gebaseerd op demagogie. Het vogeltje mag zonder kapspiegel zijn woning verlaten. Een eerste schrede naar een gefundeerde poging om onbeschaamd ‘we’ te zeggen, misschien zelfs naar een collectivisme waarvoor geen bewustzijnsvernauwing of pastoraal patois van node is?&lt;br /&gt;Daarom zou ik tot slot graag iets uit een essaybundel van Arjen Mulder willen aanhalen, als hij de kraakbeweging memoreert in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Die krakers trokken bij voorkeur in panden die makelaars wel als ‘authentiek’ aanprijzen: sinds de bouw nooit meer naar omgekeken en dus ‘met behoud van originele elementen’. Uitgerekend in die biotoop hebben krakers volgens Mulder nooit hun eigen taal ontwikkeld, en slechts de bestaande taal geparodieerd. Waarom zouden ze ook, ze zochten een ruimte buiten de voorgeschreven orde, los van de ondraaglijke – ik zou zeggen: abstracte – verplichting het zinvolle leven te leiden dat hun ouders zeiden te leiden omdat hún ouders dat voorschreven. Voor Mulder heeft de kraakbeweging een tussentijd gerepresenteerd, kiezend voor gene zijde van het behang, maar dan zonder etiquette: ‘Als media ergens niet tegen kunnen, is het wel dat ze er soms niet zijn. Alles moet geregistreerd. Alles moet toegankelijk gemaakt. En deze eisen zijn gebaseerd op goede argumenten. De mensenrechten! Het recht op informatie! Verantwoordelijk burgerschap! Maar ieder woord kan overal voor worden gebruikt. Daarom: het recht om niet geïnformeerd te worden. Het recht geen mens te zijn! Jullie houden jullie codes maar!’[14]&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;[1] Ik gebruik deze metafoor in plaats van de in deze context al zo vaak gebezigde – en binnen zijn beperkte geografie al te divers toegepaste – van het gordijn. Zie voor een beknopte geschiedenis van die huisdecoratie Thera Wijsenbeek-Olthuis in Huub de Jonge, &lt;em&gt;Ons soort mensen. Levensstijlen in Nederland&lt;/em&gt;. sun: Nijmegen 1997.&lt;br /&gt;[2] ‘Juist doordat we elkaar zo na staan, kunnen we niet altijd uitmaken wat de ander wil, slaan of strelen.’ (Franz Kafka, &lt;em&gt;Brieven aan Ottla en andere familieleden&lt;/em&gt;. Querido: Amsterdam 1980)&lt;br /&gt;[3] Deze herinnering is op haar beurt mediaal gekleurd, want stamt uit een televisiesketch van Youp van ’t Hek. Overigens markeert mijn spellingscontrole ‘vvd-lijsttrekker’ en suggereert als alternatief: ‘vodlijsttrekker’.&lt;br /&gt;[4] Hier wordt uitgerekend een concept omhelsd dat aan de gehate noorderburen wordt toegeschreven. Zie Henk Driessens ‘Over de grenzen van de gezelligheid’ in &lt;em&gt;Ons soort mensen&lt;/em&gt;. Ook memoreerde Hans Achterhuis in &lt;em&gt;Politiek van goede bedoelingen&lt;/em&gt; (Boom: Amsterdam 1999) dat een decennium eerder bij de verkiezingen voor Europa parlementariërs zelfs ten tijde van de etnische conflicten in Kosovo bleven optreden in televisiequizzen, gesteund door folkloristische reclamespots over de respectievelijke landen.&lt;br /&gt;[5] Dit blijkens een enquête onder Vlamingen over terreur. Bijna bevestigend voor mijn hypothese is dit onderdeel: ‘De aanslagen hebben wel invloed op ons gevoel. Drie Vlamingen op de tien beweren dat ze wantrouwiger zijn geworden tegenover moslims. Opmerkelijk is dat het vooral mensen zijn die nauwelijks moslims in hun omgeving hebben wonen.’ (&lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt;, 7-9-2005)&lt;br /&gt;[6] Todorov en Kis geciteerd uit: &lt;em&gt;Ga ik weet niet waar, haal ik weet niet wat. Een keuze uit honderd keer Raster&lt;/em&gt;, samengesteld door Piet Meeuse, K. Michel, Kees Nieuwenhuijzen, Willem van Toorn, Jacq Vogelaar, Marjoleine de Vos. Bezige Bij: Amsterdam 2002. Vgl. ook Ischa Meijer in &lt;em&gt;Brief aan mijn moeder&lt;/em&gt; (Bert Bakker: Amsterdam 19755): ‘De zondebok is pas dan tevreden als hij, hoe of waar dan ook, zich in zijn vastgeroeste rol-gedaante kan presenteren. Zijn uitgestrekte nek wordt tot prooi van wie-dan-ook. Zijn eigen gevoelsleven heeft, naar zijn “mening”, hoe langer hoe minder recht van bestaan – in tegendeel: de, tot in het absurde toe, afhankelijke houding, die almaar sterker naar zelfkwelling neigt, bepaalt hoe langer hoe meer zijn identiteit.’ Wie, van de andere kant bezien, voor zo’n zondebok een gevoel van medelijden ontplooit reduceert hem ook tot slachtoffer, meent Achterhuis (zie noot 4) lucide theoretisch volgens de praktijk. Ik ben het met hem eens dat er aan medelijden een gemakzuchtig, zelfbeschermend en als het ware jezuïtisch trekje zit; tegelijk dunkt me dat wie in de allernaaktste praktijk blíjft deconstrueren niets anders rest dan dadenloosheid.&lt;br /&gt;[7] ‘Maar moet ik werkelijk gecompliceerd worden onder de gecompliceerden?’ (Hugo von Hofmannsthal, &lt;em&gt;De roos en de schrijftafel&lt;/em&gt;. Athenaeum–Polak &amp;amp; Van Gennep: Amsterdam 1994) Voor de tegenstem van het moderne Nederland kan nog worden gewezen op het feit dat nationalisme zich niet zozeer uit in patriottisme, als wel in negatieve gevoelens, bijv. anti-Duits, anti-Amerikaans (zie James C. Kennedy, &lt;em&gt;Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig.&lt;/em&gt; Boom: Amsterdam/ Meppel 19993).&lt;br /&gt;[8] De volgorde is nooit helemaal duidelijk. Vgl. Jean Baudrillard in &lt;em&gt;De fatale strategieën&lt;/em&gt; (Duizend &amp;amp; Een: Amsterdam 20024): ‘Wat zijn dat voor mensen die opiniepeilingen nodig hebben om beslissingen te nemen, en voor wie de tests een strategische plaats innemen? Ze bezitten geen enkel initiatief meer, en dat nog wel door de valkstrik van het medium waaraan zij hun macht toevertrouwen. Alle media bevatten deze schitterende valstrik: ze vernietigen de politieke functie van een samenleving en bevredigen zo het ironisch onbewuste van de menigte, die in het verborgene blijft neigen tot de symbolische moord op de politieke klasse.’&lt;br /&gt;[9] Wouter Bos, oppositieleider van de voormalig socialistische PvdA, noemde bij de Algemene Beschouwingen ministers in het nota bene christenrechtse kabinet ‘ouderwetse socialisten’: ‘Ze kunnen slecht tegen kritiek, ze geloven heilig in hun eigen politieke correctheid en ze denken dat als je in Den Haag aan een paar knoppen draait, je een hele samenleving kunt veranderen.’ (&lt;em&gt;de Volkskrant&lt;/em&gt;, 22-9-2005) Vgl. tevens nummer 42 op de beste boeken van de twintigste eeuw volgens de Edmund Burke Stichting: ‘Milton Friedman, &lt;em&gt;Capitalism and Freedom&lt;/em&gt; (1962). Een verklaring waarom de vrije markt en de vrije samenleving onmiskenbaar met elkaar verbonden zijn. Nu het communisme langzaam uit het collectieve geheugen wordt weggespoeld, is het goed kennis te blijven nemen van die fundamentele waarheid.’ (&lt;/span&gt;&lt;a href="http://www.burkestichting.nl/nl/studenten/boeken20steeeuw.html"&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;http://www.burkestichting.nl/nl/studenten/boeken20steeeuw.html&lt;/span&gt;&lt;/a&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt; )&lt;br /&gt;[10] Vgl. Michael Hardt en Antonio Negri in &lt;em&gt;Empire (&lt;/em&gt;Van Gennep: Amsterdam 2002): ‘De grote industriële machten produceren niet uitsluitend goederen, maar ook subjectiviteiten. Zij produceren instrumentele subjectiviteiten binnen de biopolitieke context: behoeften, maatschappelijke relaties, lichamen en geesten, ofwel: zij produceren producenten.’ Ik volg deze auteurs in hun detectie van de symptomen, maar niet in hun even paranoïde, grootschalige als optimistisch aandoende bestrijding ervan, waartoe juist dóór de globalisering ‘de massa’ zou moeten ageren.&lt;br /&gt;[11] Een kleine eeuw daarna deed in het Nederlands het substantief ‘beschaving’ zijn intrede, volgens J. Huizinga in &lt;em&gt;Geschonden wereld. Een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving&lt;/em&gt; (Tjeenk Willink: Haarlem 1946). Hetzelfde boek dateert, zonder een verband te leggen, de aantasting van de christelijke zedenleer in precies die tijd, bijvoorbeeld door Rousseaus ‘nobele wilde’. Tevens kan gedacht worden aan de toenmalige opkomst van de middenklasse. En van het kapitalisme, dat Max Weber naar verluidt in verband heeft gebracht met het protestantisme, vooral in de calvinistische variant: men draagt persoonlijke verantwoordelijkheid, dus ook voor een marktgerichte economie.&lt;br /&gt;[12] ‘Alles aanvaarden is niets meer bezitten.’ (Maurice Gilliams, &lt;em&gt;Winter te Antwerpen&lt;/em&gt;, geciteerd uit: &lt;em&gt;Vita brevis. Verzameld werk.&lt;/em&gt; Meulenhoff: Amsterdam 1984) Anderzijds leerde &lt;em&gt;Woutertje Pieterse&lt;/em&gt; al: ‘Logische geleidelijkheid is geen suikerpot of jurk, waarin men ’t minste scheurtje opmerkt en betreurt.’ (Contact: Amsterdam 19954 )&lt;br /&gt;[13] ‘Zodra ik mij nergens meer kwaad over maak, zal ik als een pop waar men de stok heeft uitgehaald, in elkaar zakken.’ (Gustave Flaubert, &lt;em&gt;Haat is een deugd. Een keuze uit de correspondentie&lt;/em&gt;. Arbeiderspers: Amsterdam 19885) Vgl. J. Ritzerfeld in &lt;em&gt;Grensovergang Oestiloeg&lt;/em&gt; (Bezige Bij: Amsterdam 1984): ‘Die tijd gebruiken om de rommel, de ballast kwijt te raken, uit te schakelen. Niet door hem af te trekken van wat ik ben, maar door hem te accentueren in wat ik ben. Te verdubbelen, en in die zin op te tellen bij wat ik ben.’&lt;br /&gt;[14] &lt;em&gt;Het buitenmediale&lt;/em&gt;. Perdu: Amsterdam 1991.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;In: &lt;em&gt;Parmentier &lt;/em&gt;xiv/3+4 (november 2005)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-5314364085318686794?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5314364085318686794'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5314364085318686794'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2010/01/etiquette-2005.html' title='Etiquette (2005)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-4371463369726752930</id><published>2009-11-29T23:40:00.005+01:00</published><updated>2009-11-30T09:04:12.869+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>Fietsen (2007)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘Dat zij de aarde zullen erven’: naar een ecologica van poëzie&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;voor S.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In het universum van Guido Gezelle hebben wij ons nooit goed kunnen verplaatsen. Er schuilt te veel onomstotelijke waarheid in die niet zozeer lijkt gebaseerd op ervaring als wel op geur (van de Grote Koffiebrander). Iets aan het oeuvre van de priester-dichter weet ons echter steevast te bekoren: het kiest partij voor de natuur die zich geconfronteerd ziet met een al te prominent, want op vele fronten verbetering aspirerend rentmeesterschap van de mens. Diens verlangen naar comfort en positie genereert nalatigheid en misdraging.&lt;br /&gt;Inzake Gezelle moeten we er bij nader toezien mee leven dat hij in zijn poëzie langs een omweg alsnog de mens centraal stelt. Het zij zo, de man bewoog zich door een paradoxale negentiende eeuw – optimistisch over de technologische mogelijkheden en panisch voor de cultureel-maatschappelijke repercussies daarvan. Met dat voorbehoud bezorgt één gedicht ons toch een fikse kater. Het staat in de bundel &lt;em&gt;Rijmsnoer&lt;/em&gt; (1897) en gaat over een ‘schrijwiel’. Dit is een voorloper van de fiets. De aandrijving geschiedt nog niet met behulp van pedalen en een ketting, maar door zich à la Fred Flintstone met de voeten af te zetten tegen de grond. Hebben we het dan eigenlijk over een wat barokke manier van lopen of over tweebenig steppen? Niet helemaal. Zitten de wegdeksamenstelling en de hellingsrichting mee, dan kan de berijder van het schrijwiel zich zalig laten rollen. Bovendien hoeft hij, en daar kan zelfs een hypermoderne &lt;em&gt;lifestylishe&lt;/em&gt; step niet tegenop, zijn bagage niet zelf te dragen.&lt;br /&gt;Niettemin ziet de licht conservatieve Bruggeling, die toch woordentassen zal hebben moeten vervoeren, geen heil in het transportmiddel. Hij beschimpt het terwijl hij het bezingt. Zal zijn priesterrok een ritje sowieso niet hebben vergemakkelijkt, Gezelles voornaamste bezwaar getuigt van een modern te noemen luiheid: ‘en ’k moet uw lijf,/ zittende op en af uw’ zâle,/ draven doen, door mijn bedrijf’. De vereiste, hippisch gepercipieerde, bewegingen zijn hem te ‘driftig’. Hij gaat liever lopen. En als hij daar geen zin in heeft of de beraamde afstand of vracht te groot is, weet hij een door de beeldspraak al voorbereid alternatief: ‘’k hure een wagen, ’k hure een ros’. Alles beter dan dat hij ‘den asem kwijt’ zou raken.&lt;br /&gt;Nu kan het dat Gezelles longinhoud minder ontzagwekkend is geweest dan die van zijn hoofd, maar juist vanwege de bedenkingen die dat laatstgenoemd lichaamsdeel heeft laten rijzen, verwondert het gedicht ons. Het schrijwiel is namelijk geruisloos, wat lastig beweerd kan worden van een eveneens door Gezelle bedicht transportmiddel: de trein. Wanneer dat ‘stoomgevaarte’ voorbijkomt ‘davert’ de aarde, stelde de poëet al in zijn debuut &lt;em&gt;Dichtoefeningen&lt;/em&gt; (1858) vast, en moet zelfs de landman ‘met bevend herte’ de arbeid even staken. Hangend op zijn riek voelt hij van doen te hebben met niet minder dan ‘’t ijselijkst serpentenhoofd/ met een kronkelend lijf’: een uitvinding van de duivel, inclusief een vanwege de kolenuitstoot nefaste impact op het milieu. Als toegewijd katholiek ontwaarde Gezelle wel een lichtpuntje aan de stoomtrein: hij fungeerde als glasvezel avant la lettre want je raakte er snel mee in een buitengewest om ‘glorie te oogsten/ voor den Heere’. Ook een andere goede zaak, de Vlaamse taal, zag Gezelle het liefst terrein winnen ‘zoo snel als op hunne ijzeren staven,/ de stoomgevaarten henen draven’. Toch had hij in zijn afkeuren niet naar de andere kant hoeven doorslaan. Of was hij over tweewielers valselijk voorgelicht door een, van de beeldenstormers uit het Noorden, overgewaaide kindertraditional?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;En Jezus zei tot zijn discipelen&lt;br /&gt;Wie niet lopen kan moet tippelen&lt;br /&gt;Maar Petrus die was niet bang&lt;br /&gt;En sprong bij Jezus op de stang&lt;br /&gt;Maar arme Petrus sprong voor niets&lt;br /&gt;Want Jezus had een damesfiets&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Wij achten het onwaarschijnlijk dat Gezelle zich door dit soort agitprop liet leiden. Kortom, zijn afkeer voor het schrijwiel was redelijkerwijs misplaatst.&lt;br /&gt;Is immers de tot in Gezelles metaforiek doorgedrongen optie paard en wagen, als mens- en natuurvriendelijker wijze van voortbewegen werkelijk zo ideaal? Wij betwijfelen het. Ook dit transportmiddel zorgt voor geluidsoverlast, zeker indien het met ‘’s peerdenvolks ijzeren stappen’ gaat over rustiek ogende kasseien. Vraag het vandaag aan bewoners van de Brugse binnenstad die hun ramen tot in de sponningen horen trillen, als er langs hun huis toeristen per genoemd, ongetwijfeld als authentiek ervaren vervoermiddel rondgeleid worden. Daarbij wasemt een paard een dermate penetrante geur uit dat we ons niet kunnen indenken dat men gras, bloemen of desnoods de zon op de stenen of de aarde kan ruiken. Wel gissen we dat Gezelle een intuïtieve voorkeur voor het dier heeft gekoesterd, omdat het in de Apocalyps opduikt als teken van Onomkeerbaar Betere Tijden. Eveneens in de negentiende eeuw meende Hegel trouwens dat zijn idee over het einde van de geschiedenis kracht werd bijgezet toen hij vanuit zijn raam in Jena Napoleon voorbij zag hobbelen te paard.&lt;br /&gt;Geenszins willen wij suggereren dat kerk en keizerrijk beter af waren geweest indien ze (de representatie van) het paard hadden ingeruild voor het schrijwiel. Even cyclisch als het geluk is immers de ellende. Hooguit lijkt ons, geheel onbevooroordeeld, dat paard en wagen de interactie met de omgeving verstoren, zij het niet in dezelfde mate als de trein. Om nog te zwijgen van de auto die bepaald niet in het Flintstonestadium is blijven steken: vier maal vier levert inmiddels een gecalculeerde uitkomst op die significant afwijkt van wat we op school hebben leren opdreunen. Maar dat was in de tijd dat we zonder kenteken eindeloos rondjes over de koer maakten in een skelter ofwel gocart, waarvan voor het raggen door bos, heide en duinpan een mastodontische variant op de markt is gekomen die quad heet en die door de Nederlandse wet als driewieler beschouwd wordt.&lt;br /&gt;Wat haalt het dan van paard en wagen? De Amerikaanse filmqueeste &lt;em&gt;Easy Rider&lt;/em&gt; (Dennis Hopper, 1969) had een antwoord: de motor. Dit ding gold als ultieme vorm van vrijheid. Men doorkruiste er zonder uitgestippelde route het land mee en wanneer men vermoeid was, maakte men een vuurtje, at en dronk wat zich zoal aandiende en legde zich op bronmossen terneder voor de nacht. Hoe ver staat dit af van de bijna uitgestorven topos van oer-Hollands vermaak, als bedicht door Renée van Riessen:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Twee op de brommer, leren jassen&lt;br /&gt;tegen de wind. Eén lichaam zijn ze&lt;br /&gt;dat zijn beste jaren gehad heeft.&lt;br /&gt;Met mondvoorraad onder haar dijen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Tassen vol broodjes, een thermoskan&lt;br /&gt;met koffie. Twee op een deken&lt;br /&gt;in de berm, zij schenkt en snijdt&lt;br /&gt;de worst op het brood met voorzichtige handen.[1]&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het vervoermiddel lijkt geaccommodeerd aan zijn berijders: massief onpretentieuze lulligheid en geen eurocent te veel. Terwijl de brommer, in de twee strofen technisch parallel gesteld aan een deken, angst voor het buiten belichaamt[2] en zo vergelijkbaar wordt met de expliciet toeristische en grootschaliger caravan, breken de twee jonge coureurs in &lt;em&gt;Easy Rider&lt;/em&gt; door provincialistische demarcatielijnen heen, gulzig de wereld tegemoet. Dat hun motorstuur hoger op het frame staat gemonteerd, met de handvatten verder uiteen dan normaal, benadrukt die uitdagende openheid[3]. Even missionair als Gezelle hang- en sluitwerk om de waarheid aangebracht had, rukken de hippies van dienst het los. Zij zwichten niet voor prescriptieve opvattingen, hebben ze niet eens nodig, één als ze zijn met ‘de natuur’. We gebruiken hier aanhalingstekens, omdat het concept vaag is: het verwijst naar zowel de onbedaarlijk leuterende menselijke inborst als naar het sprakeloos omringende groen. De paradox blijkt dan dat de motor een integrale ervaring van de omgeving belemmert. Of zouden de berijders rotsvast geloven dat ze door de wind in hun gezicht waarlijk in contact staan met wat hen omringt? Het ook door de bloemenkinderen voortgebrachte duivelskoppel lawaai &amp;amp; stank maakte dat al onmogelijk, niet het minst voor elke medemens die zich toevallig in hun buurt ophield.&lt;br /&gt;Aardig is dat de Nederlandstalige poëzie een voorafschaduwing van de film bevat, die een alternatief vervoermiddel beproeft. In het titelgedicht van &lt;em&gt;Lady Godiva op scooter&lt;/em&gt; uit 1960 rept Sybren Polet van ‘bloemen,/ je beweegreden/ die geen remmingen kent’. Zowel vrijheid als natuur zijn er ter meerdere eer en glorie van de mens, die ze ontbolsterd kan beleven. En de scooter naturiseert, hij heet een ‘mensvormig veulen’. Dat verwijst onder meer naar de historische Lady Godiva, echtgenote van de heer van Coventry, wiens onderdanen leden onder de belastingdruk, ondanks smeekbedes van Godiva om verlaging. Toen manlief ten slotte beloofde haar verzoek in te willigen indien zij naakt te paard door de stad zou rijden, ging de dame op deze uitdaging in. En de heer hield woord. Overigens stelde hij door een straatverbod voor de bewoners zijn echtgenote, als ware ze een cowboy op de weg naar de &lt;em&gt;shoot-out&lt;/em&gt; voor de saloon, niet echt bloot aan verlustigende middeleeuwse blikken (alleen de legendarische Peeping Tom trok zich daar niks van aan). Tevens had amazone Godiva haar lange haar en juwelen aan.&lt;br /&gt;Het paardenmotief van de vermaarde experimenteel Polet vlijt zich tegen Gezelle aan, bij wie natuur en mens eveneens moeilijk te ontwarren zijn. Schildert de negentiende-eeuwse priester-dichter bomen vaak af als mensen, van wie bijvoorbeeld ‘hoofd en armen afgesneên’ zijn, de twintigste-eeuwer Polet laat het loof van ‘de bomen – oude jezuïeten en dominees – buigende bomen’ de borsten kussen van Lady Godiva. Haar naam betekent ‘door God gegeven’ (&lt;em&gt;Godgifu&lt;/em&gt;), een kwestie van de omstandigheden benutten door uitruil. De boomactie dunkt ons dus veeleer vrolijk dan ondeugend in denken en doen, en komt bovendien minder grimmig over dan Easy Rider. Wellicht is de scooter daar debet aan. Het ding gaat minder snel dan een motor, terwijl het wel theatraliteit bezit. In Italië gooit het hoge ogen, als hulpmiddel bij de verleiding. Een motor gromt, een scooter tuit zijn lippen. Niettemin heeft Polets slotkwatrijn bijna iets overmoedigs:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Rijd dan, rijd, rijd – immers wijs zijn&lt;br /&gt;de eenvoudigen van lichaam&lt;br /&gt;van wie gezongen is&lt;br /&gt;dat zij de aarde zullen erven –&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;En inderdaad, de opzichtige omkeringen van de Bijbel blijken geen stand te hebben gehouden. Sinds de jaren zestig, waarin Polet net wat ouder was dan de babyboomers die toen en later het mediale beeld ervan hebben ingekleurd en zo de rolschaatsen van hun overmoed inruilden voor de inlineskates van het beroepsopportunisme, zijn de tijden veranderd. Eenvoudig doorrijden, zoals dichterlijk werd aanbevolen, blijkt de kortste route naar een blinde muur[4]. De ongekende mogelijkheden staan inmiddels onder het gesternte van de god Pragma. Wat valt er nog te doen? In zijn memoires maakte de auteur zelf de balans op: ‘Nu nomadisch leven voor de westerse mens niet meer mogelijk is, rest ons alleen nog nomadisch denken en schrijven, een dynamiek die voor het scheppen bepalender is dan de “maakbaarheid”, waarop vooral door links‘ socialistische en marxistische schrijvers – en in mindere mate ook door mij – de nadruk werd gelegd.’[5]&lt;br /&gt;En zo moet ook de scooter het veld ruimen. Een leuk detail bij Polet is dat hij het ding zelf heeft afgeschreven. Op zijn website staan foto’s uit de jonge jaren waarin hij een scooter bestuurt, zijn vrouw achterop, maar volgens zijn memoires maakte hij later tochten door het onbekende per mobilhome. Die mag een variant heten op de caravan, die zoals gezegd te verbinden valt met de brommer. De benaming ‘mobilhome’ onthult echter dat het ding huis en vervoermiddel ineen is, probleemloos te parkeren in een woestenij waar de caravaneigenaar vergeefs zal zoeken naar het stopcontact. Maar toch, ook bij deze uitvinding wielt de mens nog immer uit voor zijn uitlaat (een woord dat niet voor niets net afwijkt van ‘aflaat’ en als synoniem ‘knalpijp’ heeft), onecologisch tot en met. Hoe mentaal verantwoord ook, de mobilhome gebruikt evengoed fossiele brandstof, is lawaaiig en stinkt.&lt;br /&gt;Moeten we alsnog verhippiseren en het schrijwiel nemen? Of zijn paard en wagen de meest acceptabele panacee tegen al ons ongemak? Voor vrachttransport is de auto, met allerlei varianten, vermoedelijk vele malen efficiënter want tijdbesparender (over het schrijwiel past in dit verband slechts eerbiedige stilte). En als het gaat om de vervoerservaring dan leunen scooter en motor nog betrekkelijk dicht tegen het paard-en-wagengevoel aan, zonder dus de bezwaren van geur en volume weg te nemen. Is er werkelijk niets wat ons in vervoering voorbij de laatste dingen brengt? Stomtoevallig weten wij misschien een alternatief. Het is een nakomeling van het schrijwiel en het is onduidelijk of Gezelle haar ooit te zien kreeg. De gebruiksmodi zijn alvast legio: heroïsche sport om te bekijken, lichte recreatie om te doen, beperkt woonwerkverkeer om te ontzondigen en, in België, excuus om op maximaal twintig kilometer traps neer te strijken voor het zondagse Beloofde Clubpintje. Maar met name voor ervaring, noncompetitief dus, is dit medium onovertroffen. Toegegeven, luxepaardjes vervloeken het knip- en plakwerk dat in Vlaanderen voor fietspad doorgaat, want prefereren lief lopende asfaltpaden. In een vlaag van eerlijkheid weten ze echter dat aangestampte aarde even fijn is. Op welk parcours ook, de fiets laat het landschap naar eigen vermogen en wens aan zich voorbij trekken, zonder iets aan reuk of zicht in te boeten. Of zoals Gorter het uitdrukte: ‘Geuren, vocht- en kouzoete –/ voort gaan de rijende wielen/ om de trappende voeten –/ oogzwerven en zweetrillen.’ Dit staat in de &lt;em&gt;Verzen &lt;/em&gt;van 1890, dus vóór Gezelles schrijwiel. Maar ja, Herman Gorter was een generatie jonger. En een Hollander en een sportman en een zeiler en een schaatser en een cyclist (hij was zelfs het stadium van de velocipède voorbij). Nu nog pedaleert men zichzelf desgewenst open en verdrijft eventuele sores tot een mantra[6].&lt;br /&gt;Voor vrachtvervoer valt de fiets evenmin te onderschatten. Er bestaan aërodynamische karren, die men eenvoudig aan de achteras of -vork kan vastklikken. Dan kunnen er heus een paar boodschappen meer mee dan een Senseo-pad. Of, als een exclusieve Peeping Tom, een kind met zicht op der ouders achterwerken. Misschien behelst die positie niet direct het ultieme consumentengenot, maar is ze wel nuttig voor het, desnoods onbewuste, besef waar kracht, energie en kinese vandaan kunnen komen. Zoals een gedachte het product is van een door het hersenraderwerk aangedreven spier die we wil noemen – en die we kunnen trainen. ‘Wees als een onberoerde lier/ die geen stem heeft/ die alle stemmen heeft’ (Zbigniew Herbert).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;[1] Geciteerd uit Guus Middag: ‘Twee op een brommer’, in: &lt;em&gt;Ik maak nooit iets mee en andere avonturen&lt;/em&gt;, Amsterdam, 1995.&lt;br /&gt;[2] Dat blijkt mede uit het taallek in het legendarische Nederlandse verkeersopschrift ‘FIETSPAD: dus niet brommen’, dat fietsen de vrijheid verleent die de brommer heeft opgegeven. Wel wordt de gevangenis als typische binnenruimte gewoonlijk ervaren als een vreemd en gevaarlijk ‘buiten’.&lt;br /&gt;[3] Vgl. heden de &lt;em&gt;cruiser,&lt;/em&gt; een fiets die met soortgelijk stuur en bredere banden bijvoorbeeld kan worden ingezet op het strand – aan de branding, waar normaliter koninklijke hoogheden te paard te spotten zijn. Als antipode kan de &lt;em&gt;pocketbike &lt;/em&gt;gelden, waarvan het erg lage zadel de berijder, wil hij niet metamorfoseren tot amandelschaafsel, ertoe noopt zijn knieën wijd te spreiden, met het baarmoederlijke bijeffect van &lt;em&gt;biddende voeten&lt;/em&gt;. Een van de doelstellingen van een wedstrijdclub terzake, geciteerd uit het Reglement 2007, luidt echter: ‘de jeugd in de gelegenheid stellen zich optimaal voor te bereiden op een leven vol mobiliteit’.&lt;br /&gt;[4] ‘Het is een fataal misverstand om te denken dat je ofwel kosmopolitisch moet zijn en dan elke band en binding met een bepaalde streek moet verloochenen ofwel je leven lang zou vastzitten aan de streek waarin je geboren bent en geborneerd moet blijven.’ (Ton Lemaire, &lt;em&gt;Met open zinnen. Natuur, landschap, aarde&lt;/em&gt;, Amsterdam, 2002)&lt;br /&gt;[5] Polet, &lt;em&gt;Een geschreven leven 2&lt;/em&gt;, Amsterdam, 2005.&lt;br /&gt;[6] Is daar een minimale beweging per seconde voor nodig of een toename van vermoeidheid? Vgl. Fernando Pessoa: ‘Onder het wandelen heb ik volmaakte zinnen bedacht die ik me later thuis niet meer herinner. Ik weet niet of de ontzaglijke poëtische kracht van die zinnen voortkomt uit het feit dat ze hebben bestaan of dat ze nooit hebben bestaan (nooit werden geschreven).’ (geciteerd uit: &lt;em&gt;Het boek der rusteloosheid door Bernardo Soares&lt;/em&gt;, Amsterdam, 1995)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;[met Dietlinde Willockx]&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;In: &lt;em&gt;Streven&lt;/em&gt; LXXIV/6 (juni 2007)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-4371463369726752930?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/4371463369726752930'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/4371463369726752930'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/11/fietsen-2007.html' title='Fietsen (2007)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-4951164426034573402</id><published>2009-10-05T17:13:00.007+02:00</published><updated>2009-10-12T09:44:55.878+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>Esthetisering (1999)</title><content type='html'>&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;span style="font-size:100%;"&gt;&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;span style="font-size:100%;"&gt;&lt;strong&gt;Van god los maar niet heus&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt; &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘en feeën die ons helpen te vergeten&lt;br /&gt;dat ze niet bestaan’&lt;br /&gt;Jan Hanlo&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Oranje won van Duitsland bij de EK 88. Na de wedstrijd gezien te hebben belandde ik in een stadscentrum, waar het druk was. Er werden leuzen gescandeerd als &lt;em&gt;Beckenbauer ’raus&lt;/em&gt;. Vrolijkheid raakte in een kolk van knipogende woede, rond fonteinen ook. Een ‘spontaan volksfeest’ liep uit op een tribunaal. Er kwam televisie bij.&lt;br /&gt;Het waren vooral jongeren die met gezochte uitzinnigheid reageerden op de winst van het Nederlands elftal. Ze refereerden aan de Tweede Wereldoorlog die ze, evenals hun ouders vermoedelijk, niet hadden meegemaakt – zich lavend aan de overlevering, een met plaatjes verlucht verhaal. Nu ontvouwde zich een gedenkwaardige nacht. Zíj schreven geschiedenis, rechtstreeks!&lt;br /&gt;Er is een overeenkomst tussen het beleven van een oorlog en het refereren eraan: men strijdt tegen een vastgestelde vijand, waarbij men deel uitmaakt van een gemeenschap. Dit gemeenschapsidee is denkbeeldig. In het ene, reële geval is het ieder voor zich, in het andere is de vijand geen vijand meer. Toch wil men zich aan het gemeenschapsidee kluisteren.&lt;br /&gt;Het handhaven van een illusie tegen beter weten in is een concept, waarbij ik gelijkenis zie met opvattingen die Frans Kellendonk over literatuur ontwikkelde. In zijn weergaloze essays bepleitte hij kunst die nadrukkelijk onecht is, in een van de werkelijkheid afgeschermde sfeer. Dan ontstaat het effect van ironie ofwel &lt;em&gt;oprecht veinzen&lt;/em&gt;, Kellendonks naar eigen zeggen ontgoochelde vorm van geloven. Hij wilde overtuigd zijn van iets waarvan hij niet overtuigd was. De avond in 1988 bood een extreem staaltje oprecht veinzen. Daags erna werd Duitsland weer Nederlands beste handelspartner.&lt;br /&gt;Oek de Jong heeft aan Kellendonks opvattingen enige historische achtergrond verleend. Kellendonk groeide op in de jaren vijftig, een wereld met vooroorlogse zekerheden. Het geloof dicteerde normen en waarden, en een klassieke opvoeding bracht verbondenheid met culturele tradities. Schematisch bezien werden mensen tezamen gehouden en liet de maatschappij weinig later haar mombakkes van overzichtelijkheid vallen.[1] Religies kampten met secularisering, het onderwijs werd gedemocratiseerd en, meen ik, babyboomers begonnen hun gestage mars naar de top (alwaar aangekomen de hakken in het zand werden gezet: Clinton en Blair schraagden hun interventie te Kosovo met deugden die ze vroeger van smalende hoofdletters hadden voorzien). Eeuwenoude hiërarchische verhoudingen kregen een tik die ze schijnbaar niet te boven zouden komen. Gemeenschapszin was op alle fronten ondermijnd. Kellendonk, voor wie geloof en twijfel complementair waren, besefte dat, bestempelde zich als postchristen. Hij had het katholicisme verlaten en stelde er met zijn oprecht veinzen metafysisch denken zonder metafysica tegenover.&lt;br /&gt;De artistieke biotoop van Kellendonks concept situeert De Jong ook. Hij memoreerde Wallace Stevens’ adagium ‘the final belief is to believe in a fiction, which you know to be a fiction, there being nothing else. The exquisite truth is to know that it is a fiction and that you believe in it willingly.’ Ik zie naast de frappante parallel ook verschil met oprecht veinzen. Stevens hangt volgaarne aan verdichting. Is dat geloof voor hem afdoende of desnoods absoluut, Kellendonk zag er de voorlopigheid van in. Volgens hem moest ironie zichzelf elk ogenblik kunnen corrigeren. Kellendonk ademde graag wat hij noemde de lucht van het voorbehoud.&lt;br /&gt;Het verschil kan verband houden met de omstandigheden waaraan de opinies ontsproten. Stevens heeft zijn adagium waarschijnlijk in Tweede Wereldoorlog geformuleerd. De wens leek de vader van de gedachte. Ik betwijfel of ik het adagium uiteindelijk serieus mag nemen, ook de schoonste fantasie weerstaat honger en pijn niet. Kellendonks opinie zie ik als aanlenging van dit werkelijkheidsvermijdend denken. Volgens de Schrift is het aardse bestaan ijdel. Het eeuwige, boventijdelijke leven moest je ware zijn. Maar dat geluk was niet kenbaar, berustte louter op een algemene voorstelling. Kellendonk ruilde algemeen in tegen persoonlijk, dogma tegen verbeelding. Het katholicisme kwalificerend als ‘heilzame fictie’ heeft hij de kenbaarheid van het eeuwige geluk geseculariseerd.&lt;br /&gt;Wellicht voltooide Kellendonk, die literatuur definieerde als een debat tussen het ik en het zelf, een proces dat met de Romantiek was ingezet. Men keerde zich van de maatschappij af ten gunste van eigen emoties. Voorheen kende kunst publiek nut en gaf een richtsnoer. Nu werd &lt;em&gt;verbeelding&lt;/em&gt; het toverwoord. Dat is het gebleven, ook in een ontkerkelijkte samenleving. Nog luidt de dominante – metafysisch geënte – opvatting dat kunst troost biedt.&lt;br /&gt;Bij Kellendonks opinies over kunst en religie betrok De Jong tot slot de schrijfdaad. Volgens hem moet de auteur geloven in wat hij schept. Maar dat gaat ook op voor de lezer die de schepping onder ogen krijgt. Kan niet is geen reden. Batavus Droogstoppel die – waar hij bij economisch verkeer de identieke papierwaarde van een geeltje en een snip weg zou wuiven – de geschreven regel ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur’ alleen aanneemt als het vier uur en guur is, betoont een geringe ontvankelijkheid voor literatuur. De lezer moet het &lt;em&gt;narratief contract&lt;/em&gt; uitdienen. Met het opslaan van een boek en het consumeren van het eerste woord, respecteert hij de vorm waarin de gebeurtenissen zijn gegoten en begint te doen alsof ze bestaan. Dat is Stevens én dat is oprecht veinzen.&lt;br /&gt;Lezers verwachten door het narratief contract geen link met één bepaalde of bekende situatie. Terwijl een krantenbericht kan uitnodigen tot een ingezonden brief of het formeren van een actiegroep, zet literatuur niet gauw tot daden aan. Ook wanneer een feit wordt opgerakeld of zelfs, zoals in &lt;em&gt;Max Havelaar&lt;/em&gt;, verandering in de werkelijkheid geambieerd, voelen weinig lezers zich tot handelen gemaand. Hier is ook een term voor, de &lt;em&gt;esthetische conventie&lt;/em&gt;: de lezer is bereid aan directe verwijzingen naar een gevestigd werkelijkheidsmodel minder belang te hechten en de vraag naar de onmiddellijke praktische of morele relevantie van de tekst niet te stellen.&lt;br /&gt;Ik vind deze houding willekeurig en vrijblijvend, de lezer gaat door een paradoxale catharsis. Hij leeft mee met wat hij als niet-waargebeurd ziet en weet zich na afloop – onwerkelijkheid onderdrukt nooit gevoel voor waarheid – gelouterd door wat hij onschadelijk had gemaakt.&lt;br /&gt;Esthetisch lezen heeft trekken van een spel.&lt;br /&gt;Volgens Huizinga’s &lt;em&gt;Homo ludens&lt;/em&gt; uit 1938 ligt het wezen van het spel ten grondslag aan onze cultuur. Die vooroorlogse hypothese blijkt omineus. De huidige maatschappij is doordesemd van aan spel ontleende beeldspraak die het percentage werkelijkheid op een verraderlijke manier verhogen. Wetten heten ‘spelregels’; wie zich er niet aan houdt krijgt straf. Even leek er een inbreuk op dit verdrag te komen toen werd gepleit voor ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’. Hierop kwam protest, overtredingen zouden het einde doen zoekraken. Menige draconische ingreep kon vervolgens als onafwendbaar doorgevoerd worden. Bijvoorbeeld in de bijstand: het ‘vangnet’ bleek een ‘hangmat’ (in Duitsland wil de sociaal-democratische bondskanselier Schröder nu een ‘trampoline’). Eufemismen sorteren geen kinderachtige effecten.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Met esthetisering als symptoom ga ik uit de recente geschiedenis twee voorvallen releveren waar nooit iemand van zal hebben vernomen.&lt;br /&gt;Aan het eind van de zomer van 1997 overleed Diana ‘Lady Di’ Spencer. Ik kan over haar niets ten goede of ten kwade beweren. Dat treft, want ik ken haar niet. Wel schijnt ze gescheiden te zijn geweest van haar man en die man is prins te Engeland. En toen ging Diana dood. Hier is zoveel over beweerd – Heijne sprak van een orgie – dat ze van de uren die in die inspanningen zijn geïnvesteerd Methusalem had kunnen overleven. Willekeur lag erbij op de loer. Bijna tegelijk stierven ook Moeder Theresa, Georg Solti en Mobutu, hetgeen publicitair verbleekte onder een ongekende slagschaduw.&lt;br /&gt;Diana stierf na een auto-ongeluk, dat zou zijn veroorzaakt door opdringerige &lt;em&gt;paparazzi&lt;/em&gt;. De beschuldigende vinger ging prompt naar hen uit, terwijl zij kunnen arbeiden omdat er naar hun foto’s vraag is. Tweeëneenhalf miljard individuen over de wereld verenigden zich even in rouw omdat ze Diana hadden vermoord. Oprecht veinzen buiten proportie (toen Nietzsche bij god de dood constateerde reageerden er minder mensen), maar troost schijnt een waardevast artikel te zijn.&lt;br /&gt;In de week naar de begrafenis werd het spel met verve gespeeld. Het Engelse volk bekritiseerde zijn koningshuis, dat een formele rouwverklaring had afgelegd en weigerde van vakantie terug te komen. De roep om openlijke betrokkenheid werd zo luid dat koningin Elisabeth alsnog afreisde naar de hoofdstad om zich onder het volk te begeven. Ze sprak tegen mensen die dranghekken vasthielden met één hand en met de andere hand foto’s maakten. Er werd weer rechtstreeks geschiedenis geschreven. Ook hield de koningin een persoonlijke televisietoespraak. Van de autocue las ze een tekst met een onechtheid die Kellendonk niet had durven bedenken. Het volk was gesust.&lt;br /&gt;De uitvaartdienst in Westminster Abbey lag per minuut lag vast. Een onzekere factor was Elton John, die een voor de gelegenheid aangepast lied zou vertolken. Hij had moeten beloven ‘niet te gaan huilen zoals bij Gianni Versace’ (de modeontwerper door wiens overlijden eerder dat jaar Amerika voor een week een gemeenschapsidee verwierf). Om de kans op brokken te reduceren was de pianopartij van Elton tevoren opgenomen. Hij hoefde alleen live te zingen, wat wel enige concentratie vergt met een orkestband. Elton huilde niet. De andere onzekere factor was Charles Spencer, broer van de overledene, die inderdaad een toespraak hield waarin hij onder meer netjes de vloer aanveegde met het Engelse koningshuis. Toch bleef het protocol in tact en geloofde menig toeschouwer het theater. Pas een dag later gaf een edelman Charles Spencer op zijn flikker, omdat die uit een verscheurd gezin kwam, zelf huwelijksproblemen had en in Zuid-Afrika woonde.&lt;br /&gt;Er was ook een niet op cd of video verkrijgbare rouwdienst. Op het landgoed van de Spencers waar publiek noch pers werd toegelaten. Een plechtigheid in besloten kring, zoals dat gaat bij mensen.&lt;br /&gt;Mijn tweede historische gebeurtenis is van dezelfde tijd, ditmaal uit eigen land. De in Amsterdam woonachtige familie Gümüs dreigde naar Turkije te worden teruggestuurd. De pater familias, met het bijna uitgestorven ambacht van kleermaker, had niet aan de spelregels voldaan. Hij was te kort legaal in Holland werkzaam. Als zodanig werd hij &lt;em&gt;witte illegaal&lt;/em&gt; genoemd, want waar werkelijkheid dreigt is beeldspraak snel gevonden. Tegen de nakende uitzetting hadden buurtbewoners uit De Pijp een actiegroep in het leven geroepen. Er was nauwelijks aandacht voor.&lt;br /&gt;Bredere belangstelling voor de zaak kwam toen een bewogen Van Thijn zijn ‘politieke lot’ aan Gümüs verbond. Van Thijn getuigde het lidmaatschap van de PvdA op te zeggen, indien de staatssecretaris (van dezelfde partij) tot uitzetting zou besluiten. Hij leek vrijblijvendheid weg te bonjouren. Wel was de willekeur aan zijn inspanning evident: er verkeren duizenden, onbekende mensen in de situatie van Gümüs. Mocht voor hem dan een uitzondering worden gemaakt? Gümüs werd speelbal van een debat. De plaatselijke intelligentsia belegde een avond in Paradiso, een CDA-fractievoorzitter zei burgerlijk ongehoorzaam dat het Amsterdamse bestuur een eventueel besluit tot remigratie niet moest uitvoeren.&lt;br /&gt;Naarmate de werkelijkheid dichter bij Gümüs kwam, werd zijn zaak voor de politiek heikeler. Iemand moest ‘de kar trekken.’ De staatssecretaris verwees de zaak door naar het kabinet en het kabinet verzocht de Tweede Kamer om een beslissing. Toen geschiedde het onvermijdelijke: de meerderheid gebood uitzetting. Even onvermijdelijk was het gedrag van de hoofdrolspelers. Gümüs weigerde tijdens zijn &lt;em&gt;persconferentie &lt;/em&gt;Nederlands te praten. En Van Thijn trok de consequenties uit zijn opvatting niet en wou zich hooguit beraden op zijn lidmaatschap van de partij. Hij bleef. De tweede besefte eerder dan de eerste dat het spel was uitgespeeld. Wel gaf Van Thijn een snok aan zijn inzichten. Hij bleef bij de partij omdat Gümüs dat had gevraagd. Ook stelde de politicus dat Gümüs ‘het gezicht had kunnen zijn van een tolerant beleid in de multiculturele samenleving’. Met de term gezicht was Gümüs weer van zijn individuele trekken ontdaan. Van Thijn had zijn private gezicht gered – door middel van een esthetische operatie.&lt;br /&gt;Van de CDA-fractievoorzitter werd niets vernomen.&lt;br /&gt;De twee voorvallen uit de recente geschiedenis hebben gemeen dat ze als feit onbestuurbaar schenen en zijn gaan varen onder de vlag van een narratief contract. Dispariteit bleek niet opportuun. Mensen veranderden in personages, gebeurtenissen werden gebundeld in causale verhalen. Vervolgens raakte door de esthetische conventie, lijkt de diagnose, de thuishaven van de werkelijkheid definitief onbereikbaar.&lt;br /&gt;Vergeleken bij Diana zal Gümüs sneller uit het nieuws zijn. Zijn casus berustte meer expliciet op economisch belang (Rosemöller: ‘Als Gümüs een vliegtuig was, had hij in Nederland mogen blijven’). Hij kreeg nog wel een ton van de Prince de Lignac, maar dat behelsde een feitelijkheid. De kleermaker is een beperkter personage over wie de sprookjes opraken. Op een goed moment is alles rondverteld. Diana biedt daarentegen stof tot verdichting en heeft, zolang er geen te heftige beursschommelingen komen, tijd van leven. Ze opent de deur naar metamorfosen, een principe waarvan Meeuse in zijn essay &lt;em&gt;Het laatste fabeldier&lt;/em&gt; vermakelijke voorbeelden gaf. Verhalen verlenen Diana ‘de taaiste vorm van onsterfelijkheid’. Bovendien moet bij Gümüs worden bedacht, dat als er niets meer te verzinnen valt je goed moet kunnen vergeten.&lt;br /&gt;Nog in de kerstbijlage 1998 van &lt;em&gt;De Groene Amsterdammer&lt;/em&gt; werd het leven van de princess of Wales uitgeduid aan de hand van theorieën van een Franse paleontograaf annex literatuurwetenschapper. Eerder had het blad Diana tot pornoster gepromoveerd. Wat? Had ze er een verborgen leven op nagehouden? Het bleek te gaan om het ‘beeldenspel’ dat ze had ontketend.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Terwijl dichters zich gaande de eeuw van vergelijkingen afwendden, doen wetenschappers steeds krachtiger een beroep op die kunstgreep. Men meent &lt;em&gt;representaties&lt;/em&gt; genoemde uitingen in de werkelijkheid te kunnen lezen. Immaterialisering blijkt een gegeven. Ook de wereld schijnt thans een verhaal te zijn, vol ‘narratologische en fictionele structuren’. (Lijk ik ze zelf bij Diana en Gümüs te hebben ontwaard, het was nog erger: ik hield een ‘metaverhaal’ over die kunstgrepen. In Heijne’s woorden stelde ik de orgie ter discussie, waarmee ik bon ton ben van over-overbewustheid.) Zo deed de gereputeerde cultuurfilosoof Finkielkraut over de oorlog in voormalig Joegoslavië de uitspraak ‘Kroatië is een metafoor.’ Dat vind ik stuitend. En onfris, dat aarde verandert in kontkrummels van het schuiven op de bureaustoel.&lt;br /&gt;Geestgrond is letterlijke geestgrond geworden. Niemand schrikt nog als een gebeurtenis uit de actualiteit ‘symbolisch’ blijkt of een ‘sjabloon’ laat zien. Een publiek persoon heeft een ‘voorbeeldfunctie’. Er wordt over zekere mensen gepraat als ‘iconen’ of ‘idolen’ wier reputaties ‘mythische proporties’ hebben aangenomen, enzovoort. Is de cynische geleerdheid van Baudrillard met zijn &lt;em&gt;precessie van de simulacra&lt;/em&gt; een feit? Hij knipte het lintje door voor het tijdperk van simulatie dat, Baudrillard zegt het, liquidatie van alle referenties gelast door een kunstmatige wederopstanding in de tekensystemen, een materie rekbaarder dan betekenis. Dan is er geen imitatie meer, noch verdubbeling en zelfs geen parodie – het draait om de ‘substitutie van het reële’.&lt;br /&gt;Ik begrijp wel dat je boven de krant makkelijker de ontbijtboterham binnenkrijgt door bij kennisname van pijnlijkheden iets zogenaamd achterliggends op te voeren, een grotere structuur ten behoeve van ‘verderstrekkende’ zin en betekenis. Een mechanische greep uit de vergaarbak van de cultuurgeschiedenis zal de eetlust niet doen vergaan.&lt;br /&gt;Een schril voorbeeld van de cerebraal-verantwoorde hoogmoed die bij deze construeringen aan de dag wordt gelegd vind ik het televisieprogramma &lt;em&gt;Het blauwe licht&lt;/em&gt;, waarin Anil Ramdas en Stephan Sanders met wisselende gasten aanpalende camerabeelden aan een kritische blik onderwerpen. De aandacht voor "lage kunst" lijkt bereidwillig, maar &lt;em&gt;Het blauwe licht&lt;/em&gt; openbaart negentiende-eeuwse superioriteit. Zei Wittgenstein inzake het heuristisch proces dat je de ladder moet omvergooien na erop geklommen te zijn, Ramdas en Sanders werken precies andersom in wat ik anillise noem: motieven worden eerst gesteld en dan welsprekend ontrafeld. Er ontplooit zich hogere semiotische duiding. Ramdas en Sanders weten ‘wat er werkelijk aan de hand is’, ze begrijpen en verklaren alles. Psychologische portretten doemen alla prima, er worden culturele doopcelen gelicht, ideologieën gepoerd. Een trillend neusvleugeltje is al een geweldig betekenisvol iets, alsof Balzacs fysiologieën nooit zijn weggeweest.&lt;br /&gt;&lt;em&gt;Het blauwe licht&lt;/em&gt; wordt georganiseerd door de VPRO en De Balie, twee nationale centra van de goede smaak. Uit highbrow media zijn Ramdas en Sanders sowieso niet weg te branden. Hoe onbeschoft het ook klinkt (en tegenstrijdig in mijn betoog), ze belichamen een type interpreet bij wie iets nooit is wat het is, maar een essentie verbergt die slechts door schranderheid kan worden ontsluierd. Vermeende verhulling smeekt om onthulling, de anillise is standaard. Oorspronkelijk isoleerden kranten dergelijke columnistische acrobatiek nog door een vette, zwarte streep van de berichtgeving. We schijnen nu niet meer te onderkennen dat deze esthetiek de werkelijkheid omzeilt. Welke werkelijkheid?, zal een snugger iemand repliceren die door het modernisme is gegaan en zijn mitsen en maren kent. De werkelijkheid wordt immers gekleurd door onze waarneming, en wat we zeggen legt feilen aan de taal bloot. Volgens Kellendonks meest optimistische schatting delen we een ‘plak van de werkelijkheid, een smal reepje van een groot en pikkedonker bos, zoals dat, vol valse schaduwen en spookachtige verkleurd, oplicht in het schijnsel van een zaklantaarn’. Deze charmante vergelijking leunt op Plato, weet de snuggere iemand die ook wijs het hoofd kan schudden bij een waarheidsaanspraak.&lt;br /&gt;Op de repliek van zo’n voorwaardelijk wezen kan ik niet anders dan fijntjes antwoorden: een werkelijkheid die niet in je dichtgeleerde kop zit. En doe een beroep op enige dichtregels van Stevens, wanneer hij het verlangen aanroert om in een metafoor te geloven: ‘It is to stick to the nicer knowledge of/ Belief, that what it believes in is not true.’ Misschien is de werkelijkheid die ik hovaardig bedoel niet steeds amusant. Ze zou wel eens verifieerbaar kunnen zijn, zelfs in de jeukende handen van de interpreet.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Waar werkelijkheid schijnt te moeten ontaarden in een tekst, zorgt de esthetische conventie ervoor dat een tekst niet in werkelijkheid ontaardt. Dissidenten die een boek met een bepaalde actualiteit in verband brengen, wordt een ‘mimetische lezing’ verweten door de gemiddelde literatuurkundige. Men heeft dan wel de termen &lt;em&gt;referentialiteit&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;context &lt;/em&gt;gelanceerd, dat dunken me respectievelijk logeerkamer en tuinhuis van Villa Fictie. Plechtstatig uitgedrukt blijft het object buiten het linguïstische systeem irrelevant.&lt;br /&gt;Hier ga ik slechts in op hoe de schrijver binnen de esthetische gedachte functioneert.&lt;br /&gt;Het eerste wat je in de collegebanken leert over de schrijver is dat je hem moet vergeten. Alleen de verteller mag worden uitgevogeld. De waterscheiding kun je liëren aan de ergocentrische leer, in den beginne, vlak na de Tweede Wereldoorlog, gerechtvaardigd door Wellek &amp;amp; Warren in &lt;em&gt;Theory of Literature&lt;/em&gt; en met Wimsatts en Beardsleys term &lt;em&gt;intentional fallacy&lt;/em&gt;. Door een fictionaliteitsprincipe te postuleren zou in literatuur elk ‘ik’ altijd losstaan van een historische persoonlijkheid. Een tekst heeft geen – romantische – zelfexpressie. Behalve dat een auteursintentie onachterhaalbaar is vindt men haar, en daar verraden zich des interpreets jeukende handen, ook niet wenselijk.&lt;br /&gt;Wat later begon men de verteller te verdunnen. Hij moest ressorteren onder de vertelinstantie, een begrip dat gezichtsloosheid suggereert, als een loket. Ook repte men, de Nouveau Roman indachtig, van een camera. Men wilde hooguit stemmen horen. Maar ook deze zijn van een mens (die de camera heeft gemaakt).&lt;br /&gt;De onschadelijkmaking van de schrijver was in de tweede fase gekomen. In het roerige jaar 1968 verklaarde Barthes de auteur, als door de kapitalistische maatschappij geschapen &lt;em&gt;bourgeois&lt;/em&gt; bron van betekenis, dood. Elke stem van de auteur, die Barthes honend met een hoofdletter spelde, heette te zijn vernietigd. Klinkt dit democratisch, zeker bij Barthes galmde ‘De koning is dood, leve de koning’. De weg lag open voor interpretaties die niet virtuoos genoeg konden zijn, de kroon op het behandelde werk. Maar de kroon viel op de test van de interpreet. Barthes’ &lt;em&gt;mort de l’auteur&lt;/em&gt; was een &lt;em&gt;naissance du lecteur&lt;/em&gt; die tekst zag als weefsel van citaten. Schrijven was, en dit woord werd razend modieus, een zaak van ‘inschrijven’. Er kon slechts menging optreden met bestaande taal. Volgens Barthes was er nooit sprake van gevoel, humeur of expressie, maar van een oneindig woordenboek. Hij bekende dat maatschappij, geschiedenis, psyche en vrijheid bij zijn concept niet meer meedoen. Hij komt uit Frankrijk, een democratie. Volosinov vermocht die luxe niet te delen, toen hij onder meer stelde dat we nooit woorden zeggen of horen, maar wat (on)waar is, (niet) goed, (on)belangrijk, (on)aangenaam, et cetera.&lt;br /&gt;Ligt de principiële aanwezigheid van tenminste één stem literatuurkundigen zwaar op de maag, modernistische schrijvers wellicht ook. Ze schermden met een term als depersonalisatie en varianten daarop. Eliot heeft werk gemaakt van de these dat de dichter niet zozeer meedeelt als wel wordt meegedeeld. Hij leek de schrijver als medium (vertelinstantie!) te zien. Terecht werd tegengeworpen dat Eliot een gedicht maakte dat &lt;em&gt;The waste land&lt;/em&gt; heette, een titel met een retorische component. Een dooddoener wellicht, maar in dit verband een nuance. Eén van Eliots voorlopers was Mallarmé, door Barthes opgevoerd bij de bewering dat het bij Mallarmé de taal was die sprak.[2] Deze kristallijnen gedachte herinnert aan Diego Maradonna die ‘de hand van God’ voelde toen hij op de WK 86 hands maakte en scoorde.&lt;br /&gt;Taal is hoe dan ook door een persoon op papier gezet. Als ik mijn praktijkdefinitie &lt;em&gt;Dichten is omgaan met het verlangen naar de linkerkantlijn&lt;/em&gt; mag opwerpen, lijkt me dat Mallarmé tenminste redenen had voor de volgorde waarin hij woorden presenteerde, een regel afbrak, wit inlaste. Vervolgens rangschikte hij zijn gedichten en zette er eventueel motto’s bij. Zonder enige intentie? Ik heb het niet eens over herschrijven.&lt;br /&gt;Barthesiaanse esthetische houdingen pardonneren geen ‘ik’ meer. Men gewaagt liever van subject dat een illusie schijnt te zijn, noch authentiek noch uniek noch autonoom. We kunnen beter almachtig interpreteren en beginnen met Wittgensteins ladder weg te halen, lijkt de boodschap. Bal poneerde eens dat ‘het vertellend subject’ in het communicatieschema geplaatst moet worden aan de rechterkant, bij de ontvanger, niet links bij de zender.[3] De Ramdassen en Sandersen onder de literatuurkundigen hebben het voor het intikken. Het valt zwaar dan niet mee te schamperen met Ter Balkt:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Het ik is een ding op de weg die geen weg&lt;br /&gt;meer is en ook is ieder ding nu een ander ding&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ik ben niet zo naïef te denken dat literatuur werkelijkheid afbeeldt. Wel dat een schrijver zich uitspreekt, langs een omweg van variabele afstand waarvoor Kellendonk de term &lt;em&gt;ideeënmuziek &lt;/em&gt;reserveerde. Na publicatie van de grimmige roman &lt;em&gt;Mystiek lichaam&lt;/em&gt;, een ‘moderne moraliteit’, heeft hij ondervonden dat hij een ik had. Een samenspel van meningen in een verhalende context uit de mond van diverse bordkartonnen personages en vertellers werd door snuggere recensenten gereduceerd tot antisemitisme.&lt;br /&gt;Kellendonk reageerde gestoken en bitter, en daardoor wellicht overtrokken. Zijn al te relativerende eindconclusie: het was maar literatuur, die Plato wijselijk uit de staat had verbannen. Toch had Kellendonk in de roman standpunten gedebiteerd (ideeënmuziek stoelt, alle fragmentatie van het subject ten spijt, op een geheel), zoals hij voor verschijning van &lt;em&gt;Mystiek lichaam&lt;/em&gt; verklaarde: ‘Wanneer ik de behoefte had om hier en daar even mijn hart te luchten, om door het verhaal heen te sloffen en af en toe wat te essayeren, dan deed ik dat (...) Echt het achterste van je tong laten zien kun je nooit, maar ik heb ’m in dit boek wel een flink eind uitgestoken’. Een grote stap voorwaarts vergeleken met het absolute voorbehoud van de modernistische &lt;em&gt;Revisor&lt;/em&gt;-clan waaruit Kellendonk afkomstig was. &lt;em&gt;Mystiek lichaam&lt;/em&gt; hoorde, als weinig ander boek van het tijdvak, ín de staat. Met de aanroep van Plato neutraliseerde hij zijn werk jammerlijk.&lt;br /&gt;Kellendonk had het slecht getroffen met het literaire klimaat. Men moet inmiddels een slipcursus hebben gevolgd om de auteur van vlees en bloed te ontwijken. Hij of zij treedt &lt;em&gt;vanzelfsprekend&lt;/em&gt; op voor de televisie en biedt een kijkje in ‘de mens achter de persoon’. Ook in andere media is het openhartige interview populair. Er wordt, om Kees ‘t Hart aan te halen, ‘documentatie van de werkelijkheid’ geleverd. Ten slotte heeft menig schrijver een column, waarin thema’s aan de orde komen als Het Eerste Tandje Breekt Door Bij De Kleine, Het Lekt In Mijn Broek en Wie Ik Tegenkwam Op Weg Naar Het Café. Biografische kafuitstoot lijkt een verplicht nummer. De literatuurkunde onderkent dergelijke manifestaties overigens door er een term voor te bedingen: het ‘public character’ (Booth) dat geenszins mag worden verward met schrijver noch verteller. Ik hoop dat de literatuurkunde gelijk heeft, maar ik vrees van niet altijd.&lt;br /&gt;Vlees en bloed blijft hoe dan ook uit papier gespaard. Behalve in politiek correcte kringen, waar een aansprakelijkheidsverzekering tot over het graf gewenst lijkt. Rabelais is voor &lt;em&gt;Gargantua en Pantagruel &lt;/em&gt;verketterd omdat hij onvoldoende ‘narratieve ruimte’ bood aan vrouwen. Een ander uiterste, dat ritselt van de kettingformulieren.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Vermijdend denken aan de hand van spelelementen domineert westerse samenlevingen. Gods rentmeester tegenwoordig is de voorlichter. De functie werd ingesteld om een zo voordelig mogelijk beeld te scheppen van de organisatie uit wier naam men optreedt. Dat is pas representatie.&lt;br /&gt;Aankleding is belangrijker geworden dan hetgeen aangekleed wordt. In de meest letterlijke zin geldt dit voor de dracht die in een beetje baan vereist is. Men praat niet namens zichzelf maar streeft een doel na namens een hogere instantie.[4] Dan moet je ‘een goed plaatje krijgen’. Ook babyboomers die niet willen doorgaan voor aftandse hippie zijn tenminste uitgedost met een stropdas die thuis, een andere sfeer, wordt afgegord. In de publieke wereld handhaaft ritueel gedrag zich, als iets buitentijdelijks, bovenzinnelijks. Ik hanteer Platoonse termen, om residuen van hiërarchisch denken te signaleren. De aloude overzichtelijke wereld is volgens mij geenszins van het toneel verdwenen.&lt;br /&gt;Spelgedrag gaat mensen beheersen vanaf dat ze zich van zichzelf bewust raken, vanaf de peutertijd dus. Dit is het merkwaardige aan kinderen, patroonheiligen van de Romantiek vanwege hun natuurlijkheid. Is er iemand uitgekookter dan het kind dat zijn doel wil bereiken? Voor een toffeetje gebruikt het middelen waar Machiavelli van had gelekkerbekt.&lt;br /&gt;Een stropdas is een verstelde slab.&lt;br /&gt;Het is verleidelijk – en elitair – te veronderstellen dat in snuggere kringen onecht gedrag wordt doorzien en de omslag naar de onoverzichtelijkheid van het dagelijks leven wel is gemaakt. Maar ook daar zijn conventies dermate obstinaat, dat de werkelijkheid buitengesloten kan blijven. Bijvoorbeeld door de democratisering van het onderwijs greep, ondanks haar gunstige kanten, in sneltreinvaart een verbluffende kennisvernietiging plaats. Geen hooggeleerde kon of kan daarmee instemmen. Evenmin is er één die op grond van die redelijke waarneming werk weigerde dan wel het op oude voet voortzette. Voor geboden werd geknield.&lt;br /&gt;Mogelijk is het mooi om heden en verleden zelden te nemen zoals ze zijn, maar steeds aan te passen aan de eigen behoeften. Wellicht kun je dat met Meeuse een teken van vitaliteit noemen; niets blijkt onmogelijk. Meeuse, in dezelfde tijd opgegroeid als Kellendonk, beroept zich uiteindelijk ook op Stevens’ adagium. Dat mag zingeving heten. Maar ik kan dit louter mooi vinden uit artistiek oogpunt. Er blijft zoiets als de werkelijkheid, ‘dat ongrijpbare fantoom’ in termen van Meeuse. Zo tastbaar als een handvol zand. Je kunt er verhaal van maken, inderdaad, maar dan verleen je altijd een mate van verband, samenhang, logica – een tegenzet.&lt;br /&gt;Ik moet nu terugkomen op columns. Ze lijken persoonlijk, bevatten menigmaal een (liefst afwijkende, maar in elk geval mooi geformuleerde) opinie. Over het alledaagse, waar anekdotes vol poehaïstische karakteriseringen tot verhaal gesmeed worden, en ook nog over Diana of Gümüs die onder geroutineerde handen in personages veranderen. Ik meen dat in deze ad hoc-esthetisering de kneep zat waarom bij de Kosovo-crisis Nederlandse schrijvers in stilte vervielen en daarna gingen bakkeleien over zich wel of niet te engageren. Bij een buitentekstuele oorlog die een genuanceerd, universeel probleem stelt, moet men de spelhouding laten varen en uit een ander vaatje tappen, dat van het werkelijke repertoire.&lt;br /&gt;Reportages, heet van de naald, gaven daar een indruk van. Nadrukkelijk niet gemaakt door schrijvers.&lt;br /&gt;Is het typisch Nederlands dat ze zich tot de burenruzie beperkten en het kwaad slechts in elkaars navel proefden? Dit verwijt van purisme is gebaseerd op ethiek, op grond waarvan wordt verwacht dat bij uitstek schrijvers hun stem bij grote maatschappelijke vraagstukken laten horen. In een veronderstelde esthetische expertise echter – de fraai omkranste opinie, psychologisch inlevingsvermogen. Er moet, liefst door identificatie met de goeden, van betrokkenheid kond worden gedaan. De veronderstellingen ontdekte Möring toen hij bekende dat hij vanachter de schrijftafel niets over de Kosovo-crisis te vertellen had en hem hoon ten deel viel: ‘Zeg nooit dat je geen opzienbarende mening over een onderwerp hebt, want dat is een opzienbarende mening.’ Möring ondervond dat niet elk voorval uit de actualiteit zich leent voor een professionele opinie tegen basisinkomen, fles wijn of publicitaire rugwind. Hij zat klem, wou niet gemakzuchtig verkondigen ‘verbijsterd’ en ‘machteloos’ te zijn, noch positie zoeken in het commentaarcultuurlijke spectrum van platbombarderen tot witte duiven loslaten. Dat zou tekst opleveren van, in Kellendonks terminologie, de eerste persoon meervoud.&lt;br /&gt;Kennelijk verwachtte Möring van zichzelf wat bijzonders als schrijver. Kunst die, na afstand genomen te hebben in tijd en ruimte, het zogenaamde abstracte drama toegankelijk maakt in kleine, concrete verhalen. De implicatie is dat literatuur andermaal aanvullend is, met dank aan de verbeelding. Bijstellen, herroepen – alles is weer mogelijk, op papier geboren tot papier weergekeerd. Elk gevaar is bezworen, kunst en leven niet tot elkaar veroordeeld maar gesplitst. Zoals Kellendonk het in zijn essays wilde maar zichzelf in &lt;em&gt;Mystiek lichaam&lt;/em&gt; niet helemaal kon gehoorzamen. Bij alle opzichtige kunstmatigheid steekt zijn tong soms inderdaad uit.&lt;br /&gt;Uitgerekend het kunstmatige deed Plato literatuur verwerpen. Werkelijkheid, redeneerde hij, is vervangen door woorden en beelden, waarmee een wereld van schijn en bedrog het licht ziet. Wel kon de invloedrijke filosoof genade opbrengen voor de &lt;em&gt;diegesis&lt;/em&gt; in verhalen, voor zover ze gebruik maakten van de indirecte rede en een pedagogische functie hadden. Het overige spreken is volgens Plato onethisch en onrechtmatig. Met name de &lt;em&gt;mimesis &lt;/em&gt;in het drama: op het toneel zeggen spelers tekst die door een ander is opgetekend, ze menen dus niet wat ze zeggen, kunnen geen verantwoording voor hun teksten afleggen – laat staan dat er consequenties kunnen worden getrokken na de voorstelling.[5]&lt;br /&gt;Plato ziet anders gezegd risico’s aan het narratief contract en verwerpt het bij voorbaat, onwetend dat het veiligheidsslot van de esthetische conventie pas in de Romantiek zou worden geïnstalleerd. Immanente kwaliteiten gingen als criterium dienen. Tegelijk werd de literaire canon opgeschoond door verwijdering van menig genre dat direct de wereld in wilde.&lt;br /&gt;Het is het “doen alsof” dat Plato afwijst en dat Kellendonk wil omhelzen.&lt;br /&gt;Ik zou ze wel in debat willen zien, hopend dat ze elkaars ongelijk bewezen. Daar heeft de literatuur wat aan en de staat ook. De huidige tijd mag worden verlost van de esthetische farce: de werkelijkheid als een boek tegemoet treden en aan een boek werkelijkheid ontzeggen. Ik kan de farce ook in EK-termen uitdrukken: werkelijkheid als vijand, snuggere iemanden als gemeenschap. Maar misschien hebben heilige verbonden het eeuwige leven.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;[1] Vergelijk &lt;em&gt;Droom&lt;/em&gt; uit 1988 van Kees Ouwens (in het bijzonder het gedicht ‘Nee, allang niet meer’) waarin de omslag wordt beschreven zonder nostalgie. Kellendonk had Ouwens’ tot dan toe verschenen boeken alle in bezit.&lt;br /&gt;[2] Vaessens stelt dat het mes aan twee kanten sneed. Het gecanoniseerde modernisme (en symbolisme), dat dus geen relatie wilde zien tussen werk en maker, rechtvaardigde de naar erkenning zoekende ergocentrische praktijk. Opvattingen over het scheppen konden worden ‘bewezen’ en geprezen (zie: Thomas Vaessens, &lt;em&gt;Circus Dubio &amp;amp; Schroom. Nijhoff, Van Ostaijen en de mentaliteit van het modernisme&lt;/em&gt;. Amsterdam/Antwerpen, 1998).&lt;br /&gt;[3] Helaas bevestigt Vervaeck in een waardevol boek dit beeld. ‘Het gaat niet meer om vaste kernen, maar om beweeglijke snijpunten. Niet meer om subjecten die een tekst uitvinden en manipuleren, maar om beelden die elkaar voortbrengen en die zo de tekst opbouwen’ (zie: Bart Vervaeck. &lt;em&gt;Het postmodernisme in de Nederlandse en Vlaamse roman&lt;/em&gt;. Brussel/ Nijmegen, 1999).&lt;br /&gt;[4] Teruggekoppeld naar de ergocentrische literatuurbenadering: Schmid las een door Dostojevski nominaal ondertekende, eerder in een krant verschenen voetnoot uit Aantekeningen uit het ondergrondse als afkomstig van ‘de journalist’ Fjodor Dostojevski. Alleen zo kon de &lt;em&gt;Dechiffrierungskode &lt;/em&gt;bewaard blijven (zie: Wolf Schmid, &lt;em&gt;Der Textaufbau in den Erzählungen Dostojevskijs&lt;/em&gt;. München, 1973).&lt;br /&gt;[5] Zie: Samuel IJsseling, &lt;em&gt;Mimesis. Over schijn en zijn&lt;/em&gt;. Baarn, 1990.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Bibliografie&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Mieke Bal: ‘Naar zijn beeld en gelijkenis, of de identiteit van en tussen instanties’, in: &lt;em&gt;Forum der Letteren&lt;/em&gt; 1987/1, 43-49.&lt;br /&gt;Roland Barthes: ‘La mort de l’auteur’, in: &lt;em&gt;Oeuvres complètes. Tome II 1966–1973&lt;/em&gt;. Édition établie et présentée par Éric Marty. Parijs, 1994: 491-495.&lt;br /&gt;Jean Baudrillard: &lt;em&gt;In de schaduw van de zwijgende meerderheden&lt;/em&gt;. Vertaling Ruurd Bakker e.a. Amsterdam, 1986.&lt;br /&gt;Wayne C. Booth: &lt;em&gt;Critical Understanding. The Power and Limits of Pluralism&lt;/em&gt;. Chicago/London, 1979.&lt;br /&gt;H.M. van den Brink: ‘God troont op de gezangen van mensen. Een gesprek met Frans Kellendonk’, in: &lt;em&gt;NRC-Handelsblad&lt;/em&gt;, 9-5-1986.&lt;br /&gt;Aart Brouwer: ‘De oermoord op prinses Diana’, in: &lt;em&gt;De Groene Amsterdammer&lt;/em&gt;, 16-12-1998.&lt;br /&gt;Douwe Fokkema &amp;amp; Elrud Ibsch: &lt;em&gt;Literatuurwetenschap &amp;amp; cultuuroverdracht&lt;/em&gt;. Muiderberg, 1992.&lt;br /&gt;Kees 't Hart: ‘Voor de afgrond’, in: &lt;em&gt;De Revisor&lt;/em&gt; 1994/5+6, 30-35.&lt;br /&gt;Bas Heijne: ‘De grote orgie. Onze cultuur is de cultuur van het commentaar’, in: &lt;em&gt;NRC-Handelsblad&lt;/em&gt;, 24-12-1997.&lt;br /&gt;J. Huizinga: &lt;em&gt;Homo ludens.&lt;/em&gt; &lt;em&gt;Proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur&lt;/em&gt;. Groningen, 1974 (1938)&lt;br /&gt;Oek de Jong: &lt;em&gt;Een man die in de toekomst springt&lt;/em&gt;. Amsterdam, 1997.&lt;br /&gt;Frans Kellendonk: &lt;em&gt;De veren van de zwaan. Essays&lt;/em&gt;. Amsterdam, 1987.&lt;br /&gt;Piet Meeuse: &lt;em&gt;Doorkijkjes. Over de werkelijkheid van beelden&lt;/em&gt;. Amsterdam, 1995.&lt;br /&gt;Marcel Möring: ‘Kosovo kan kunst worden’, in: &lt;em&gt;Trouw&lt;/em&gt;, 1-5-1999.&lt;br /&gt;Joost Niemöller: ‘Diana de pornoster’, in: &lt;em&gt;De Groene Amsterdammer&lt;/em&gt;, 10-09-1997.&lt;br /&gt;Plato: &lt;em&gt;Constitutie.&lt;/em&gt; &lt;em&gt;Politeia&lt;/em&gt;. Vertaald door Gerard Koolschijn. Amsterdam, 1997.&lt;br /&gt;Weert Schenk: ‘Diep ontgoochelde Ed. van Thijn gaat zich als PvdA-lid storten in debat over vreemdelingenbeleid. “Gümüs wil dat ik blijf. De klap is al hard genoeg”’, in: &lt;em&gt;de Volkskrant&lt;/em&gt;, 10-09-1997.&lt;br /&gt;Graaf Spencer: ‘Woorden van rouw en bitterheid’, in: &lt;em&gt;de Volkskrant&lt;/em&gt;, 08-09-1997.&lt;br /&gt;Wallace Stevens: &lt;em&gt;Opus Posthumous&lt;/em&gt;. Edited, with an Introduction by Samuel French Morse. New York, 1977 (1957).&lt;br /&gt;V.N. Volosinov: &lt;em&gt;Marxism and the philosophy of language&lt;/em&gt;. New York/ Londen, 1973 (1930).&lt;br /&gt;René Wellek &amp;amp; Austin Warren: &lt;em&gt;Theorie der literatuur&lt;/em&gt;. Vertaald door Tom Etty, T. Anbeek en J. Fontijn. Amsterdam, 1974 (1948).&lt;br /&gt;W.K. Wimsatt jr.: ‘The Intentional Fallacy’, in: &lt;em&gt;The verbal icon. Studies in the meaning of poetry&lt;/em&gt;. London, 1970: 3-18 (1946).&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;In: &lt;em&gt;Parmentier&lt;/em&gt; ix/2 (najaar 1999)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-4951164426034573402?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/4951164426034573402'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/4951164426034573402'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/10/van-god-los-maar-niet-heus-1999.html' title='Esthetisering (1999)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-5070449262653990432</id><published>2009-09-05T16:29:00.004+02:00</published><updated>2009-09-05T16:41:35.092+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='humor'/><title type='text'>De gendarme van Saint-Tropez (1993)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Het bedrog van de verrekijker&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Een trap wordt louter bestegen met twee treden tegelijk. Hoewel zijn handelingen stelselmatig tijdgebrek verraden, is het voorstadium wel te herkennen. Twee opties: de kepie gaat strakker op (onbarmhartig jegens de dunne huid boven de oorschelpen), hij steekt zijn hoofd vooruit. Welke beweging ook, ze heeft het meest van een spasme. Iets balt zich in hem samen. Een dierlijke kreet weerklinkt. Dan verplaatst alles zich naar de armen, waarin de ontlading volgt. Die moet men zien. ‘Alsof de film versneld wordt afgespeeld.’&lt;br /&gt;Ludovic Maryvonne Cruchot is niet boos, hij is getroffen. Als wachtmeester van Saint-Tropez lijkt het zijn taak de secondewijzer tot stilstand te brengen, zijn roeping om hem te doen teruglopen. Wie dan nog denkt kan beter meteen begraven. Cruchots neutraalste blik weet een aan het maniakale grenzende toorn nauwelijks te verbergen. Voor een goed begrip van zijn doen en laten dient men zich ervan te vergewissen dat het meer een kwestie is van doen dan van laten. Ludovic Cruchot, agent in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Wanneer hij holt, lijken zijn benen afwezig; het zwaartepunt komt op schouderhoogte. Cruchot ís zijn armen.&lt;br /&gt;In werkelijkheid behoren alle vier de ledematen toe aan Louis de Funès. Diens rol van wachtmeester besloeg een reeks van zes komedies: &lt;em&gt;Le gendarme de Saint-Tropez&lt;/em&gt; (1964), &lt;em&gt;Le gendarme à New York&lt;/em&gt; (1965), &lt;em&gt;Le gendarme se marie&lt;/em&gt; (1968), &lt;em&gt;Le gendarme en balade&lt;/em&gt; (1970), &lt;em&gt;Le gendarme et les extra-terrestres&lt;/em&gt; (1978) en &lt;em&gt;Le gendarme et les gendarmettes&lt;/em&gt; (1982). Waarom zoveel films rond hetzelfde personage? Vanwege het succes. Wat wil men met succes? Continueren. Er moet zoiets bestaan als de formule van Cruchot.&lt;br /&gt;De wachtmeester is afkomstig uit een bergdorp. Meteen aan het begin van de cyclus verricht hij een arrestatie in de kerk, tijdens een dienst. Cruchot is een ware dienstklopper, hij slaapt soms in tenue. Onrecht wordt bestreden omdát het bestreden moet. Bij een dergelijke natuurwet gedijt Ludovic Cruchot. Het dorp is zijn biotoop. De zon gaat op, de zon gaat onder. Voor een waarom dient men de wereld in te gaan. Zoals Cruchot, wanneer hij wordt overgeplaatst naar de bruisende badplaats Saint-Tropez. De vraag rijst of hij zijn idioom kan handhaven.&lt;br /&gt;Nee. Legt Ludovic Cruchot zich daarbij neer? Wederom zal een ontkennend antwoord moeten volgen. Waarmee het conflict in de films is geboren. Omstandigheden dienen zich te plooien naar de gendarme, nooit andersom. De stad moet verdorpt.&lt;br /&gt;In de wereld volgens Cruchot geldt slechts orde. Een samenstel van voorschriften vormt zijn arcadia. Overtreders dienen te worden berispt noch gestraft; vermorzeld is het minste – dáárom. Hierop maakt de vleesgeworden drogreden één uitzondering: de wens van een meerdere, mits met het blote oog waarneembaar. De arrestatie in het godshuis greep dan ook plaats bij empirische ontstentenis van de Allerhoogste. Had Hij in de koorbanken gezeten, wist de wachtmeester zich werkeloos (tot Hij de andere kant opkeek). Geen tweede die zo hecht aan hiërarchie als Cruchot. Het gelijk ligt altijd in de tegenwoordigheid van de hoogste in rang.&lt;br /&gt;Deze dubbele moraal wekt hypocrisie. Ludovic Cruchot bejegent zijn chefs met een stuitende nederigheid. Hij is een virtuoos in napraten. De luttele keren dat hij hun visie deelt, treedt betekenisverlies op. Vaker is hij gekrenkt – niemand zo recht in de leer als hij – en koelt dat legitiem op zijn ondergeschikten. In Cruchot gist een cumulatieve woede: de stompzinnigheden die zijn meerderen over hem hebben uitgestrooid verzamelt hij, met geheugen van een olifant. Zijn vierkoppige peloton (Berlicot, Fougasse, Tricard, Merlot) fungeert vervolgens als kwispedoor. Eigen tekortkomingen bespeurt hij bij één van hen, onverschillig wie; met een doorsnee dictator heeft hij gemeen dat aan zijn toorn een volstrekte willekeur ten grondslag ligt. Wanneer Ludovic echt in zijn element is, volkomen gedachteloos, wuift hij zijn assistenten weg met zijn kepie. Als vliegen. Bij het welslagen van een opdracht neemt Cruchot de volle verantwoording, die op zijn troepen wordt afgeschoven zodra het een fiasco blijkt. Achteraf weet hij het immer beter. Vooraf ook, maar ‘wij zijn slechts radertjes in een groter geheel’.&lt;br /&gt;Zou hij zijn evenbeeld tegenkomen, hij sloeg hem terstond in de boeien.&lt;br /&gt;Ludovic Cruchot is gekant tegen de vooruitgang, zedenverwildering en het verval der cultuur in het algemeen. Zijn dochter annex oogappel Nicole (Geneviève Grad), moederloos sinds de geboorte en op verleidensrijpe leeftijd, wordt door hem in kledij gehuld die een onberispelijke smaak dient te vertegenwoordigen en een noordpoolmentaliteit prijsgeeft. Schril steekt haar al te frisse lucht van dorpse deugden af tegen de omgeving. Haar leeftijdsgenoten, de films vonden hun oorsprong in de jaren zestig, tooien zich met bloemen, kralenkettingen, bonte hoeden, oorbellen, pluimen en zo meer: hippies. Zij zijn de natuurlijke, vleesgeworden vijand van Cruchot. Ook zonder kleding, dan heten ze nudisten. Waarom zijn ze vijand? Daarom. Omdat ze de belichaming zijn van vooruitgang, zedenverwildering en het verval der cultuur in het algemeen. Dirk Ayelt Kooiman heeft het verschijnsel wel eens beschreven: je zo hopeloos verstrikken in de betekenis die je aan dingen hecht, dat het feit als zodanig dat er aan voorafgaat vergeten wordt. Nudisten dragen slechts hun huid, de kleur van de werkelijkheid. De kleuren die de wachtmeester kan velen zijn grijs, beige, kaki. Op het hoofdbureau hangt een portret van De Gaulle; hij is het opperwezen, zijn naam ruist hooguit. Geen woorden maar daden.&lt;br /&gt;Het middel heeft Ludovic Cruchot tot doel verheven. Elk spoor van chaos dient verdelgd. Hoe hoger hij komt, hoe makkelijker dit ideaal wordt te verwezenlijken. Zijn hartenwens is bij wijze van spreken geen lekker wijf, kapitale villa, achtgangenmaaltijd of Zwitserse bankrekening maar een herderlijke volmacht. Hij taalt naar een Zesde Republiek. Pas met Cruchot als sterke man kan er gelijkheid zijn. Waar zijn collega’s dagdromen van dappere daden om de ander te behagen, te delen, strijdt hij slechts ter meerdere glorie van zijn diepste zelf, de Vorm. Die mag gerust van zin verstoken zijn. Menselijkheid, leert de wachtmeester, is fataal. Twee assistenten brengen dat in de praktijk, als ze kilometers van de thuisbasis zonder vervoer komen. Ze krijgen een lift; nadat ze op de bestemde plaats zijn afgezet, slingeren ze de barmhartige chauffeur op de bon wegens mankementen aan de auto (onleesbaar kenteken, kapot linker voorlicht) en onverantwoordelijk rijgedrag (geen voorrang verleend).&lt;br /&gt;Normen hanteert Cruchot niet voor het herstel van waarden. Desnoods wentelt hij zich door het slijk, zeker als zijn chef Gerber (Michel Galabru) zo beschikt. Dit strookt niet werkelijk met Ludovics enorme eergevoel. Hij is bij voortduring genoopt correcties aan te brengen. Zijn verblijf ten dienste van het algemene belang te Saint-Tropez ontaardt regelmatig in persoonlijke wraakacties. Op een gegeven moment weet hij Gerber te chanteren. De wachtmeester gebiedt aangesproken c.q. behandeld te worden als generaal – symptomatisch dat Gerber daar maar maarschalk van maakt. Cruchot is het niet genoeg: ‘maak je klein, nee nog kleiner’.&lt;br /&gt;Bij deze rol buit De Funès zijn lengte maximaal uit. Langer dan 1.65 m zal hij niet zijn. Jean Girault, de regisseur van alle gendarmefilms, gebruikt veelvuldig het kikkerperspectief. Maakt dit de entourage overweldigend (&lt;em&gt;Triumph des Willens&lt;/em&gt;), hier sorteert het vooral het ermee samenhangende, verzwegen effect: hoe nietig de mens is. Waarmee het gekwaak van Cruchot een klassiek minderwaardigheidscomplex zou compenseren. Zo’n mannetje, maar een stem... Anderszins tekent het letterlijk Ludovics wonderbaarlijke afstand tot de werkelijkheid. Wandelt hij door beschaduwde avenues te New York, glinsteren de toppen van de wolkenkrabbers in het zonlicht.&lt;br /&gt;Het dagelijkse leven en de wachtmeester raken maar niet aan elkaar gewend. Telkens doen ze pogingen tot identificatie. De camera fungeert als intermediair. Ludovic Cruchot staat altijd midden in beeld, liefst uit vooraanzicht (close-up); voor hem wordt territorium gevorst, troepen geïnspecteerd (pan). Die bewegingen vloeien samen in één instrument: de verrekijker. In &lt;em&gt;Le gendarme en balade &lt;/em&gt;worden fragmenten vertoond uit de drie voorafgaande films. Deze inbedding openbaart soms het vernauwde blikveld, de bioscoopbezoeker moet het stellen met de omtrekken van de verrekijker. Het ding is dan met terugwerkende gepromoveerd tot camera – en de bioscoopbezoeker tot wachtmeester. Tevens is de verrekijker Cruchots hulpmiddel tegen de nudisten. Nadat hij er hun naaktheid mee heeft geverifieerd, bepalen de respectievelijke posities in het landschap de strategie. Met als repeterende breuk dat aan de uitvoering iets schort. Nudisten betrapt de wachtmeester op heterdaad immer gekleed. Ludovic ziet nooit wat hij heeft gezien. In de termen van Kooiman: hij ziet betekenissen, geen feiten. Staat aan het zand verkleefd, twee armen met een lichaam.&lt;br /&gt;De kardinale fout van Cruchot lijkt dat hij zien verwart met hebben. Deze jager schiet zijn prooi door een vizier zonder geweer. Liever smijt hij met kogels. ‘Hij wil zo graag.’ De wachtmeester is een geval van overorganisatie. Cruchots spervuur van fluitjes en gebaren veroorzaakt een inflatie van tekens. Hij priemt met twee vingers naar zijn ogen, wat scherp toezien moet beduiden en verblinding tot gevolg heeft. Misschien maar goed dat hij geen geweer heeft, een gerede kans dat de loop was omgebogen naar de schutter. Cruchots dadendrang leidt tot begoocheling. De zeldzame keer dat hij slaagt in een missie, is te verklaren uit een misverstand of een moment van onachtzaamheid. In de regel verslapt hij ooit. Waar op een driesprong het verkeer zichzelf regelt, stuurt een gendarme de zaak prompt in het honderd. Een bewonderenswaardige mate van overbodigheid kan Cruchots werkzaamheden niet worden ontzegd.&lt;br /&gt;Zijn overgave laat zich ook in de liefde gelden. Ludovic heeft geen oogje op een vrouw, hij smacht. Niet winnen, maar gewonnen zijn. Wanneer de beminnelijke, geïnteresseerde Josepha informeert of hij kinderen heeft, antwoordt de weduwnaar dat hij een klein klein dochtertje opvoedt. Lijkt dit een tactische manoeuvre, dat Cruchot zich hiermee niet uit de markt wil prijzen – jeugdig type –, het kan goed een losse flodder zijn. Dat het hem ontviel zoals verliefden overkomt: iets even kleins als onschuldigs beweren, waarna het dilemma doemt daarvan de allengs groter wordende gevolgen (leugen om dubieus bestwil) te dragen, of zichzelf te ontmaskeren. Vanzelfsprekend verkiest de onkreukbare Cruchot het eerste.&lt;br /&gt;Toch bijten ze elkaar een beetje, de liefde en Ludovic Cruchot. Aan een idylle valt niet te peuteren; ambtshalve is ze ronduit verdacht. De wachtmeester is een bundeling zintuigen. Cruchots lach als hij Josepha &lt;em&gt;ma biche&lt;/em&gt; noemt, doet &lt;em&gt;my bitch&lt;/em&gt; vermoeden. Poeslief, zoals zijn meerderen worden benaderd. Belangeloosheid mist domweg een doel. Wind strijkt over het strand van Saint-Tropez en Cruchot, bij wie de zenuwen óp de huid liggen, wordt geprikkeld. Dat is het principe achter de gehele cyclus: er is niets aan de hand, Ludovic grijpt in en raakt verzeild in de onmogelijkste toestanden.&lt;br /&gt;Problemen kent hij niet, hij schept ze immers. Staat de wachtmeester te boek als een speurder, in feite is hij een komische figuur. Inclusief het klassieke shot uit het genre: camera onbewegelijk gericht op een schutting, eerst rijzen kepies, dan spiedende gezichten. Ook het omgekeerde geschiedt. Cruchot achtervolgt in New York een man die zijn entrecote heeft gejat. Na een dolzinnig dansgevecht (persiflage op &lt;em&gt;West Side Story&lt;/em&gt;) herovert hij zijn lapje vlees. De man blijkt een zware, voortvluchtige crimineel te zijn. En de wachtmeester floreert – buiten diensttijd. Die neiging tot absurdisme spreekt ook uit een scène, waarin Ludovic geld weghaalt uit een kluis. Het aanpalende portret van Josepha krijgt een bokkiger gelaatsuitdrukking naarmate hij meer bankbiljetten pakt.&lt;br /&gt;Cruchots activiteiten ademen vooral de geest van de jongeling. Josepha, bij wie hij geruststellend onder de plak zit, behandelt hem dienovereenkomstig. Een operatie tegen nudisten krijgt de codenaam Konijn, zijn chef Grote Beer enz. Ludovic kan ook vreselijk mokken. Wanneer de complete gendarmerie van Saint-Tropez op non-actief is gesteld, koestert hij in zijn privémuseum een &lt;em&gt;originele straatkei, mei 1968&lt;/em&gt;. Cruchot voelt zich verbannen. Zijn temperament wordt getergd. Hij bevuilt zijn auto moedwillig om hem te kunnen wassen, het volstaat niet. In de maatschappij moet iets ondernomen. Desnoods ondermijning van het gezag, zolang dat toch – nog – niet in zijn handen is. Ludovic sluit een pact met de duivel, helpt de nudisten tegen de nieuwe gendarmes. Zolang de armen maar bewegen. Hij versaagt nooit, blijft abnormaal zichzelf.&lt;br /&gt;Tegelijk is Ludovic Cruchot op jaren. Zijn absolute leeftijd schommelt tussen 55 en 60, vervroegde uittreding dreigt. Jarenlange werkervaring is omgeslagen in betweterigheid die door de jongere garde amper wordt geaccepteerd. Dé vrees van de districtscommandant, er kunnen zelfstandige troepen ontstaan: ‘Straks richten ze nog een vakbond op.’ De gendarmefilms zijn opzichtig reactionair; een bevroren moraal, bedolven onder een moemakende meligheid. Dat is iets wat De Funès vertegenwoordigt: de ondergrens van wat nog grappig is. In Arnon Grunbergs &lt;em&gt;Blauwe maandagen&lt;/em&gt; staat een rangorde, je ging naar films van Chaplin, dan naar Tati of Buster Keaton of de Marx Brothers, ‘en als er helemaal niets anders was, Louis de Funès.’ Dit geldt voor ouderen en voor de jeugd. Verzin een vooroordeel, de gendarmes beelden het uit. &lt;em&gt;Le gendarme et les gendarmettes &lt;/em&gt;staat in het teken van een experiment met stagiaires – meisjes. Eén hunner is zwart, Cruchot krijgt terstond een fantasie met hoog takkietakkiegehalte: dansen in rieten rokje, gekruiste botjes op het hoofd. Achteraf blijkt ze de geen voorkeursbehandeling wensende dochter van een Afrikaanse president te zijn (het rijk heet Boungawa), wat een ander licht op de zaak moet werpen. Het ligt er dermate dik bovenop, dat het etiket ‘seksistisch’ de eigen mond afplakt. En uiteraard beheersen de dames de stiel beter dan hun gelouterde collega’s, die een principieel amateurisme voorstaan. In de schutkleur van hun uniform vallen ze op.&lt;br /&gt;Waar loert het gevaar? De personages van de cyclus kampen met een alomtegenwoordige taal. Eén agent wordt in &lt;em&gt;Le gendarme se marie&lt;/em&gt; duizelig van de reclameteksten (curieus dat dan een T-shirt met merknaam wordt opgetrokken, waarna, ondanks de nudistentraditie, voor het eerst een blote tiet in beeld komt). ‘Reclame is de pest van de moderne tijd,’ weet de burgervader van Saint-Tropez.&lt;br /&gt;Werkelijk penibel wordt het als in &lt;em&gt;Le gendarme et les extra-terrestres&lt;/em&gt; buitenaardse wezens de badplaats bevolken, die als twee druppels lijken op de bewaarders van de openbare orde. Wel hebben ze metalen lichamen; de enige wijze om hun valsheid vast te stellen is op hen te slaan. Ze klinken hol. ‘Wij zijn de laatste redding van de beschaving’, verklaart Cruchot namens de originelen tegenover de kopieën. De wezens zijn louter hulzen, het schort hun in alle opzichten aan inhoud. Dat uitgerekend Cruchot hen daaraan herinnert, mag een gotspe heten. Naarmate de cyclus vorderde, kreeg de regisseur meer vat op zijn karakter. Het werd gereduceerd tot een schema, de flagrantste eigenschappen uitvergroot. Ludovic: als mens een personage, als personage een hyperbool. Wie over hem schrijft, ontkomt moeilijk aan superlatieven.&lt;br /&gt;De acteur Louis de Funès vereist als komiek, in al zijn films en zelfs in zijn beste momenten, een speciaal soort lach. Ik sprak zoëven over meligheid, maar daar heeft het intrinsiek weinig mee te maken. Om De Funès moet je je dwingen te lachen. Hij wil je een drempel over krijgen, waarna alle kritiek zinloos wordt. De toeschouwer dient in een toestand van volmaakte nostalgie te raken, in een tijd die hij niet kent maar waarvan hij zich in zijn mindere momenten een voorstelling heeft gemaakt. Een tijd zonder twijfels, met de lach in zijn oorsprong die, zoals Canetti toegaf, de vreugde bevat om een buit of een brok eten waarvan men zich zeker waant.&lt;br /&gt;Stond wachtmeester Cruchot van meet af in een gespannen verhouding met godsafgevaardigden, halverwege kent hij als non verkleed de woorden van het requiem niet en in de slotfilm, waarin de computer zijn intrede doet, leest een moederoverste Marx. De teloorgang is compleet. De gendarmereeks bevat goede slechte afleveringen. Girault meende zich steeds meer stijlbreuken te kunnen permitteren. Ontwaart een agent opgeschoten motornozems bij een café dat natuurlijk ‘des Arts’ heet, verandert de setting in een saloon met cowboys en rokende colts. Aldus ontstaan tekenfilms. Ludovic Cruchot terroriseerde zijn omgeving. Hij groeide uit tot een reproduceerbare figuur. Zijn woede werd onschadelijk gemaakt, er kan zonodig om gegrinnikt omdat ze volkomen onredelijk is. ‘Mijn nee is definitief.’&lt;br /&gt;Cruchot heeft zijn afkomst uit het bergdorp niet verloochend. In een gesloten wereld heerste een beschaving zonder civilisatie. Waar hij de grammatica ontwierp voor een gebarentaal.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;de Biels&lt;/em&gt; iii/1 (mei 1993)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-5070449262653990432?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5070449262653990432'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5070449262653990432'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/09/de-gendarme-van-saint-tropez-1993.html' title='De gendarme van Saint-Tropez (1993)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-7441724175789144236</id><published>2009-07-03T21:17:00.007+02:00</published><updated>2009-09-04T09:40:22.441+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>De Morgen (2009)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘Het laatste restje kwaliteitsjournalistiek’?&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Nagenoeg de complete top van de Vlaamse opinie-industrie, 27 mannen en 1 vrouw, stichtten ‘Het collectief van de Beste Pennen schreven voor De Morgen’. Was het vermelde schrijfgerei niet achterhaald? De &lt;a href="http://www.mediakritiek.be/index.php?page=330&amp;amp;detail=430"&gt;eis &lt;/a&gt;aan de directie was om, in een tijd van wereldwijde massaontslagen, de verdrietige dienstbeëindiging van dertien (13) medewerkers te heronderhandelen. Het collectief zette dit protest kracht bij door een maand geen columns voor deze opdrachtgever te maken.&lt;br /&gt;Een siddering trok door de Lage Landen.&lt;br /&gt;Natuurlijk, de groepsnaam verwees naar een reclameslogan van &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;. Retoriek zal in het protest als boemerang hebben moeten fungeren. Toch bezigde het collectief de term evengoed:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Op zaterdag 16 mei ontsloeg de Persgroep, het moederbedrijf van &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, &lt;em&gt;Het Laatste Nieuws &lt;/em&gt;en &lt;em&gt;VTM&lt;/em&gt;, dertien werknemers van &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;Onder hen een aantal van de beste pennen en meest kritische stemmen in de Vlaamse journalistiek.&lt;br /&gt;Zij die het protest tegen de geplande herstructurering mee vormgaven, werden mee aan de deur gezet; mensen die het beste van zichzelf hebben gegeven om de maandenlange onderhandelingen tot een aanvaardbare cao te leiden verloren hun baan.&lt;br /&gt;Wij vinden het volstrekt onaanvaardbaar dat een krant die zich altijd op zijn onafhankelijkheid en tegendraadsheid beroept, de meest onafhankelijke geesten de laan uitstuurt.’&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Derhalve gelden andere reclametermen als ‘onafhankelijk’ als argument – binnen het concern De Persgroep Publishing dat winst door middel van ‘synergie’ maakt! Bedenkelijker dunkt me dat klassenjustitie wordt aangeklaagd met klassenjustitie. Er is onderscheid tussen ‘kritische stemmen’, die in de bijbehorende publiciteit steeds bij naam werden genoemd, en het voetvolk dat mocht opdraven als ‘3 eindredacteurs, 2 lay-outers en nog 2 fotografen’. De eis om heronderhandeling suggereert dat minder kritische stemmen wel de laan uit mogen. Sympathieke Beste Pennen! In wat voor universum leven zij eigenlijk? En wat is er gebeurd om tot zo’n statement te komen?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In oktober 2008 had De Persgroep bericht dat &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; haar standplaats Brussel moest inruilen voor Kobbegem, waar ze in de gebouwen van &lt;em&gt;Het Laatste Nieuws&lt;/em&gt; gehuisvest zou worden. Twee maanden later kwam er de tijding bij dat vanwege de economische crisis, met concreet een verlies van 3 miljoen euro, 26 van de 97 werknemers ontslag zouden krijgen. Daarop volgde protest onder de noemer &lt;em&gt;Red De Morgen&lt;/em&gt;, inclusief op 20 februari een feest bij overbuur de Koninklijke Vlaamse Schouwburg waar nogal wat artistiek-intellectuele Belgen ‘gratis voor hun gazet’ acte de présence gaven. Op 3 maart had het &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;-personeel ‘een zure nasmaak’ toen De Persgroep het Nederlandse mediaconcern PCM kocht voor 100 miljoen euro (de koop bleek duurder uit te pakken vanwege problemen bij het &lt;em&gt;AD &lt;/em&gt;dat, oplagegewijs de tweede krant van Nederland, meer dan een kwart van zijn medewerkers de deur moest wijzen). Ten slotte deelde op 24 maart de directeur-generaal van De Persgroep mee dat het aantal gedwongen ontslagen gereduceerd was tot 15 en dat de verhuizing niet doorging.&lt;br /&gt;Uiteindelijk bleken bij de ondertekening van de cao door directie en vakbonden twee medewerkers vrijwillig op te stappen. Omdat de keuze van de overige dertien slachtoffers als ‘afrekening’ werd beschouwd, begon De&lt;em&gt; Morgen&lt;/em&gt; een staking die steun kreeg van de Vlaamse Vereniging van Journalisten: ‘Het kan niet dat mensen die zich inzetten voor hun collega's, op die manier worden geliquideerd.’ Voor het eerst in haar bestaan verscheen er een dag geen krant. Voorts kwam er de Beste-Pennenactie, verzamelden bezorgde lezers zich en vertrok een redactrice op vervotteaanse wijze.&lt;br /&gt;Dat er rond die tijd in den lande soortgelijke besparingen zweemden bij &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; onder mediabedrijf Corelio en bij de &lt;em&gt;Gazet van Antwerpen&lt;/em&gt; onder krantengroep Concentra, bewijst ten overvloede dat dit geval niet op zich staat. Donkere wolken pakken zich samen boven papieren kranten, omdat jongere en toekomstige lezers er weinig belang in stellen. Een aantal wil niets weten, de meerderheid zou vergroeid zijn met televisie en, vooral, het internet, waar het nieuws in aantrekkelijk korte berichten altijd actueel is. En bij minder lezers dalen de advertentie-inkomsten – investeringen verschuiven. Bovendien is er bij de strijd om de lezer concurrentie gekomen van gratis kranten.&lt;br /&gt;President Sarkozy heeft voorgesteld jongeren vanaf hun achttiende een jaarabonnement te schenken, waarin minister Plasterk ook wel iets zag voor Nederlandse adolescenten: ‘Zo groeit hun interesse voor kwaliteitsinformatie’. Het idee zat in een pakket maatregelen met overheidssteun voor de Franse geschreven pers. Die was noodzakelijk. In Amerika zou zoiets dweilen worden met de kraan open: de ene papieren editie na de andere maakt slagzij.&lt;br /&gt;Theoretisch kan dat het publieke debat en het functioneren van de democratie bedreigen. Toen de overname van PCM in de lucht hing, uitte de Nederlandse pers – bijvoorbeeld met een nummer over ‘de toekomst van bedrukt papier’ door &lt;em&gt;De Groene Amsterdammer&lt;/em&gt;, met H.J.A. Hofland als gastredacteur – zulke zorgen en wuifde ze weg omdat Persgroepbaas Van Thillo een beschaafd mens zou zijn. Aan de andere kant van de Moerdijk wilde tezelfdertijd in bijzijn van de Vlaamse minister-president ‘een staten-generaal van de media’ de kwaliteit en de pluraliteit van de pers garanderen. Of zoals het in een brede oproep in &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; stond: het ‘laatste restje kwaliteitsjournalistiek’ mocht niet worden wegbezuinigd.&lt;br /&gt;Toch is het niet alom kommer en kwel. Er wordt succes geboekt door een redactioneel relatief smal bezette internetkrant als &lt;em&gt;The Huffington Post&lt;/em&gt;; dichterbij valt te denken aan &lt;em&gt;nrc next&lt;/em&gt; dat een site heeft die onlineartikelen doorlinkt, in de structuur van een weblog. Als specifieke loot van de digitalisering mag dat de biotoop heten van de ‘burgerjournalistiek’, waarmee buiten de instituties om nieuws wordt verslagen. Erg professioneel en vlekkeloos gaat dat nog niet, maar de ambitie is er. Ze heeft te maken met de nadrukkelijke aanwezigheid van pr-afdelingen die reguliere journalistiek in zekere zin &lt;em&gt;embedded&lt;/em&gt; maken. Onder het motto ‘Don’t hate the media, be the media’ opereert een site als Indymedia buiten concerns om, waarin verreweg de meeste kranten zijn ondergebracht en een zelfstandig redactiestatuut hoofdschudden instigeert.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De Persgroep is slechts een van de megaspelers die door het instrument van de fusie en onder de banier van synergie minder personen het werk van meerderen laten doen. Door deze rendabiliserende gedachte haalt &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; het sportnieuws bij stalgenoot &lt;em&gt;Het Laatste Nieuws&lt;/em&gt; en economische wetenswaardigheden bij &lt;em&gt;De Tijd&lt;/em&gt;. Dan nog weten zulke structuren zich geconfronteerd met een gebrek aan tijd voor contextonderzoek en feitencontrole. Uitbesteden aan freelancers moet de oplossing zijn. Menig bericht wordt overgenomen van persagentschappen en bureaus die gespecialiseerd zijn in &lt;em&gt;free publicity&lt;/em&gt; [1]. De aandeelhouders lijkt dit allemaal niet te deren.&lt;br /&gt;Hier is de aparte ironie dat concernkranten onafhankelijk waren bedoeld. Ze wilden losraken van de zuil en niet langer één politieke opvatting debiteren, in het ergste geval als spreekbuis van een partij. Deze kranten zijn het product van de commercialisering die in de Lage Landen haar beslag kreeg in 1989: het jaar waarin door de val van de Muur de ideologie haar einde zou hebben gevonden. Ze maakten meteen korte metten met de &lt;em&gt;old school&lt;/em&gt; journalist, zoals bij de &lt;em&gt;Red De Morgen&lt;/em&gt;-actie getypeerd: ‘een zure, esoterische, intellectuele, moeilijke, ja zelfs masturbatoire werknemer’. Stijl en denken mochten ‘zeker sexier’. De tijd leek rijp voor een kwaliteitskrant, omdat deze ‘zeer nauwkeurig en consequent informatie en commentaar gescheiden houdt’. Precies dat achtte politiek hoofdredacteur Yves Desmet in een terugblik de makke aan &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, toen die nog in handen was van de socialistische partij en zich vooral intolerant zou hebben getoond met zijn grote linkse gelijk. In de ontvoogde versie binnen de commerciële mediaconcerns kon elk orgaan pluriform zijn zonder politiek correcte taboes [2].&lt;br /&gt;Opmerkelijk is voorts hoe kneedbaar de term ‘kwaliteitskrant’ wordt, zeker voor &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;. Nog geen decennium terug stonden er minder foto’s in, waren de teksten langer en analytischer. Nu heet dat elitair. Men moet ‘zeggen waar het op staat’, want zeker na 9/11 ontluistert links bij voorkeur zichzelf. Mocht de winst van de postideologie al in de diversiteit liggen, deze is gepaard gegaan met kekker verkondigde meningen. Toon en formulering dringen zich op. Daarbij lijkt de invloed van televisieblad &lt;em&gt;HUMO&lt;/em&gt;, zoals dat zich sinds 1969 onder hoofdredacteurschap van Guy Mortier ontwikkelde (en waarmee de huidige generaties Vlaamse auteurs zijn opgegroeid), bepaald onmetelijk.&lt;br /&gt;Ter adstructie een zin uit David van Reybroucks &lt;em&gt;Pleidooi voor populisme&lt;/em&gt;, een pamflet uit 2008 dat &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; in haar postideologische gedaante tekent en dat in samenvatting op de opiniepagina verscheen: ‘De gulheid waarmee politici en commentatoren het begrip [populisme] rondstrooien is groter dan die waarmee bij de bevrijding chocoladerepen werden uitgedeeld.’ Eigenlijk staat hier: ‘Politici en commentatoren gebruiken het begrip [populisme] al te vaak’. De eerste stilistische ingreep betreft het constaterende werkwoord, ingewisseld voor het smeuïger maar semantisch onjuiste ‘rondstrooien’. Na die keuze had alles geschrapt kunnen worden vanaf ‘groter’ – dat dan vervangen kon door ‘groot’ of desnoods ‘gigantisch’. Maar er is nog een versiersel: een historische vergelijking. Omdat de auteur in de door hem ten tonele gevoerde tijd niet geboren was en het vermelde feit behoort tot de bekendste weetjes, behelst de tweevoudige stilistische ingreep, die vanwege de vlakke verwoording geen barok kan heten, weinig meer dan zoveel mogelijk lezers behagen en zichzelf naar voren schuiven. Overigens vallen in dit voorbeeld vorm en inhoud samen, omdat het doet wat het behandelt en bepleit: populistisch zijn. Ook ondergaat het object bij Van Reybrouck verder geen ironisering (bijvoorbeeld met beginhoofdletters Bij Elk Te Bashen Fenomeen) noch tof Engels, figuren waarin &lt;em&gt;HUMO &lt;/em&gt;bij zijn opiniemanie gespecialiseerd is.&lt;br /&gt;Het pregnantst worden zulke meningen, opgemaakt in vaste rubrieken en columns, verpersoonlijkt door de Beste Pennen. Als merken uit de culturele en wetenschappelijke sector duiden ze de wereld geregeld in 750 woorden naast een fotootje. Om elke schijn van linksigheid te vermijden heeft ook Bart De Wever &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; voorzien van dwarse meningen – en bleef zaniken over zijn marginaliteit [3]. Wie na de ontslagen het tij definitief gekeerd ziet met een opiniestuk van Aad de Mos over het wonderschone spel van Barcelona in de Champions League-finale, ontkent dat op dezelfde plaats Arnon Grunberg verkondigde niet meer bij literaire prijsuitreikingen aan te zitten en Joost Zwagerman voor de zoveelste keer zijn opvattingen over het socialisme opwarmde omdat hij ze ‘vanavond […] in het praatprogramma &lt;em&gt;Phara&lt;/em&gt; op Canvas’ zou debiteren. Sowieso was de ruimte voor sport en roddel gegroeid. Vroeger was het allerminst per definitie beter, dus die tegemoetkoming aan ‘het publiek’ hoeft niet verkeerd te zijn, maar bij apert tijdgebrek houdt het sensatie-boven-informatie een risico in. Drukmiddel is de hype, door Hofland kek gedefinieerd als ‘de truc om van een mug een olifant te maken’. In dit amusementskader valt eveneens het introduceren en herformatteren van steeds nieuwe bijlagen met lifestylethema’s en advertorials te zien.&lt;br /&gt;Populisme is een gewichtig middel geworden dat welbewust wordt ingezet. Hieraan kleeft een artistieke kant, bepleit door Hans Abbing in &lt;em&gt;Van hoge naar nieuwe kunst&lt;/em&gt; (2009), en een ideologische, te raadplegen in Van Reybroucks pamflet. Merkwaardig is wel dat lezers en prominenten bij hun protesten tegen de ontslagen die strategieën van &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; ontkenden. Ze heette bijvoorbeeld ‘een krant die nadenkt’, hetgeen naar de marketingafdeling zal verwijzen. Nog vreemder was de vraag of ‘de hoofdredactie in het conflict met het personeel te zeer in management-denken verzonken [is] waardoor ze gewoon “vergeten” dat de ontslagen redacteurs voor absolute kwaliteit staan’. De concernstructuur noopt immers tot managementdenken, waarbij te hopen valt dat het etiket ‘absolute kwaliteit’ geloofwaardig overkomt indien het hogere segment van de lezersmarkt moet worden bereikt.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Men kan zeggen dat dit goedbedoelde en wat onhandige steunbetuigingen van buitenaf zijn, symbolische daden om onrecht niet helemaal klakkeloos voorbij te laten trekken. Toch lijken ook van binnenuit de argumenten niet werkelijkheidsgetrouw, zolang men de struisvogel in zichzelf de overhand geeft door de ontslagen als donderslag bij heldere hemel te beschouwen. Ze zijn helaas de culminatie van anderhalf decennium beleid. Met die optiek erkent men dat &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; haar autonomie allang had opgegeven in een concernstructuur. Dat betekent een globale manier van verrekening van winsten en verliezen, los van de afhankelijk gemaakte onderdelen. Dat mag onbillijk zijn, het is wel de realiteit: je kunt een krokodil lastig verwijten dat hij vlees eet, zelfs als hij heeft beloofd niet te bijten.&lt;br /&gt;Zo stond PCM te koop, omdat die in tweeënhalf jaar was leeggeplukt door de Britse investeringsmaatschappij Apax. En het schier teleologische geval van De Morgen is in 2004 zelfs belicht in de door Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof en Dieter Lesage geschreven bundel &lt;em&gt;Populisme&lt;/em&gt;. De krant zelf achtte die evidenties toen ‘rommel’ – de hoon kwam neer op wereldvreemdheid, ‘ouderwets links’ in zijn morele praal. Wel werden dezelfde argumenten vijf jaar later gebruikt bij de reddingsactie [4]. &lt;em&gt;Populisme&lt;/em&gt; is afwezig in Van Reybroucks gedocumenteerde pleidooi over precies dat onderwerp, al werden diens kenmerken van de te bespelen ‘gewone man’ in 2004 nog opgesomd als elitaire clichés.&lt;br /&gt;Net als op de televisie kijkt men daardoor in concernmedia immer tegen de laklaag van hetzelfde beperkte aantal ‘publieksvriendelijke’ namen aan, bij wie welbespraakt en spraakmakend synoniemen zijn. Maar mede mogelijk gemaakt door dat postideologische enthousiasme draait de wereld door. Wellicht viel dat mij het meeste op aan het collectief van Beste Pennen: ze betonen zich naoorlogse verzetstrijders, gedijend in formats die ze nu bekritiseren. En wederom unisono! Ik moet bekennen dat, met alle respect, opluchting zich van mij meester maakte, toen een gevolg van de dramatische actie door het collectief voor het voetlicht kwam: ‘Politiek commentator Carl Devos zal niet schrijven over de Vlaamse en Europese verkiezingen van 7 juni.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;[1] Zie over zulke voorgekauwde producten &lt;em&gt;Flat Earth News&lt;/em&gt; (2008) door Nick Davies, dat naar de cultuurindustriële wet veel publiciteit heeft gekregen zonder dat er iets veranderde. Over ‘synergie’ en aanverwante concerngeplogenheden: Naomi Kleins &lt;em&gt;No Logo&lt;/em&gt; (2000), volgens wie de klant annex consument ‘lijfeigene van deze feodale merkheren’ geworden is.&lt;br /&gt;[2] &lt;em&gt;De visie van een Wetstraatrat&lt;/em&gt;, Antwerpen/Amsterdam, 2004, blz. 217-222. Definitie kwaliteitskrant van Mark Grammens op http://www.mediakritiek.be/, maart 2009, die prettig tendentieus ontwikkelingen in de journalistiek belicht.&lt;br /&gt;[3] Het idee van een groot links complot in de journalistiek is zo hardnekkig dat de chef van de – met de&lt;em&gt; Morgen&lt;/em&gt; verwante – &lt;em&gt;Volkskrant&lt;/em&gt; denkt zijn blad te hebben ‘bevrijd van linkse dogma’s’ door opiniestukken van Wilders af te drukken. Maar die kan overal zijn doldrieste uitlatingen kwijt en weet de controverse toch zo sturen dat hij de martelaar van het vrije woord is.&lt;br /&gt;[4] Blommaert, ‘De mediacrisis herbekeken’, http://www.indymedia.be/nl/node/32056. Ooggetuigenverslag met contextverlies door een ontslagene op http://mensbrugghe.wordpress.com/, doorgedreven commentaar op http://visionairbelgie.wordpress.com/2009/05/24/red-e-morgen/. Relevante schets van project naar product door voormalig medewerker John Vandaele op http://www.indymedia.be/nl/node/33286. Voorgeschiedenis in Bruno Vanspauwen, &lt;em&gt;De Miljoenen van De Morgen. Een verhaal van idealen, illusies en geld,&lt;/em&gt; Leuven, 2002.&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;Streven&lt;/em&gt; LXXVI/7 (juli-aug 2009)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-7441724175789144236?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/7441724175789144236'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/7441724175789144236'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/07/de-morgen-2009.html' title='De Morgen (2009)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-8676238792734207379</id><published>2009-06-15T23:43:00.005+02:00</published><updated>2009-06-15T23:51:12.449+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>Yves Leterme (2009)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;De definitieve doorbraak van de vierde macht &lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Als het onze perversie is om nooit de reële gebeurtenis te wensen maar haar spektakel, nooit de dingen maar hun teken en de geheime spot van hun teken – dan wil dit zeggen dat we er niet zo’n behoefte aan hebben dat de dingen veranderen, of het moet zijn dat de verandering ons verleidt.’&lt;br /&gt;Jean Baudrillard&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Hoewel ruimtelijk inzicht niet mijn sterkste punt is, weet ik vrij zeker dat iemand pas na zijn overlijden een in memoriam kan krijgen. Mocht dit inderdaad de regel zijn, dan is de spreekwoordelijke uitzondering daarop Yves Leterme. Op vrijdagmorgen 19 december 2008 had de site van &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; een lang biografisch artikel, waarin gedecideerd afscheid werd genomen van de premier. In die functie was de man toen echter nog volop in de weer (dat meldde ook het aanpalende bericht ‘Leterme rekt doodsstrijd’). Omdat andere Vlaamse kranten teksten publiceerden die soortgelijke vreugdevuren ontstaken, leek de wens de vader van de gedachte. Zelfs toen er ’s middags als onderdeel van de zaak, gecentreerd rond de Fortisbank, een persbericht verscheen waarin gemeld werd dat een raadsheer van het Hof van Beroep door een collega ‘fysiek, verbaal en mentaal zwaar belaagd’ was, bleef de aandacht gericht op één persoon die ‘het land in gijzeling’ hield. Men rook zijn bloed – de zondebok was op offerafstand geraakt.&lt;br /&gt;Deze &lt;em&gt;human interest&lt;/em&gt; kreeg trekken van een tendensroman. Als ik mij even beperk tot de (door Bart Brinckman verzorgde) biografie van &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt;, dan wordt het hoofdpersonage niet steeds bij naam genoemd maar heet hij ook ‘een koppige West-Vlaming’, ‘de West-Vlaming’ die ‘het schoolvoorbeeld van een rancuneuze binnenvetter’ is, en ten slotte ‘de Ieperling’. Hier acteert een &lt;em&gt;flat character&lt;/em&gt;, zoals ‘de neger’ die een goed ritmegevoel heeft en ‘de jood’ die geld opstrijkt uit een internationaal complot. Dat deze twee varianten in de media zelden opduiken, komt uiteraard doordat ze het discriminatieverbod overtreden. Bij Leterme blijkt dat niet van kracht. Zijn door hem overigens gretig geëxploiteerde geografische afkomst determineerde een gebrek aan geestelijke souplesse. Er werd bijvoorbeeld een parallel geschetst met oud-wielrenner Michel Pollentier die ‘ook uit de Westhoek’ komt, zodat diens onhandige dopingaffaire op Alpe d’Huez de val van de premier verhelderde.&lt;br /&gt;Nu hoeft er niet gewichtig gedaan te worden over de omstandigheid dat de meeste Vlaamse kwaliteitsjournalisten wonen in de driehoek Antwerpen-Gent-Brussel. Het is eigenlijk wel grappig dat zij bij bijvoorbeeld Steve Stevaert steevast aangeven dat hij uit Limburg of Hasselt komt – in België zijn er niet alleen drie anderstalige regio’s, Vlaanderen herbergt zijn eigen buitenlanden. Toch rijst de indruk dat inzake Leterme, geen knuffelwestvlaming zoals Arno of Flip Kowlier, dit onschuldige delict scherper is. Hij wordt zogezegd genotvol gediscrimineerd. Terwijl die houding bij het Vlaams Belang, die haar toepaste op buitenlanders, leidde tot een cordon sanitaire, lijkt datzelfde verbond van fatsoenlijke smaak gesloten rond de inboorling Leterme om het delict toe te dekken met openbaarheid. Een leidmotief waarmee dit personage, en het vasthoudende deel van zijn kiezers en partijgenoten, wordt gekenschetst is dat van Calimero, het televisie-eendje dat zich tekortgedaan voelde door de boze buitenwereld. Aan die negatieve eigenschap wordt vervolgens meer of minder expliciet voedsel gegeven.&lt;br /&gt;Ook daarvan biedt het stuk in &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; voorbeelden: ‘Feitelijk had hij gelijk. Maar zoals zo dikwijls liet Leterme zich alleen door de feiten leiden en ging hij compleet voorbij aan de context.’ Voordat ik verder citeer, zij gewezen op de frase ‘zoals zo dikwijls’ waarmee de paternaliserende verteller het stereotiep goed en slecht luister bijzet.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Zijn hobbelige parcours als eerste minister verstoorde de relaties met de media. Hij ergerde zich aan de berichtgeving in alle kranten. Hij stoorde zich aan de slordigheden, er was te weinig aandacht voor zijn “goede plannen” voor de mensen. Maar Leterme begreep niet dat een eerste minister met de media een chemie moet opbouwen, een chemie die vervolgens naar een soort van charisma kan worden omgezet.’&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Hier is een nieuwe catechismus ontstaan. Een politicus, hoe deze conform zijn West-Vlaamse inborst ook zwoegt (tijdens de dans om de banken 16 à 17 uur per dag), moet journalistieke wetten eerbiedigen voor hij een kans van slagen krijgt.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;In deze verwerkelijkte fictie doemde tijdens het regeringsdrama een antagonist op, minister van Justitie Jo Vandeurzen. Deze zou ‘ook een grijze muis’ zijn, maar durfde ‘verantwoordelijkheid’ te nemen door eigener beweging af te treden omdat ‘de schijn van betrokkenheid’ bij dubieuze zaken zijn ‘geloofwaardigheid’ had aangetast. Aldus kwam hij ‘met opgeheven hoofd uit dit onverkwikkelijke schouwspel’. Maar in zijn ontslagbrief suggereert Vandeurzen veeleer problemen bij de magistratuur en legt hij zich neer bij de beeldvorming: ‘Ik heb er ondertussen mee leren leven dat in deze tijden de perceptie belangrijker is dan de waarheid of de werkelijkheid.’ Zijn baas mist die berusting. Of zoals ‘de gerenommeerde Gentse politicoloog’ Carl Devos – ondanks universitaire decreten omtrent A-publicaties permanent op televisiescherm en opiniepagina – aan het dagblad &lt;em&gt;Trouw&lt;/em&gt; zei: ‘Leterme komt nu niet goed weg. Het blijft een ontslag dat met veel tegenzin genomen is, geen exit met grandeur.’&lt;br /&gt;Het antagonisme met Vandeurzen werd vervolgens, zoals dat in tendensromans gebeurt, als zodanig benoemd. Zo kon Leterme bij zijn door de buitenwacht gewenste ontslag een trap na krijgen. Bij niemand is dan ook het beeld van ‘de boemerang’ zo vaak opgedoken. Ontelbare keren kreeg Leterme eigen verwijten en blunders naar het hoofd geslingerd. De &lt;em&gt;Brabançonne &lt;/em&gt;met de &lt;em&gt;Marseillaise&lt;/em&gt; verward, getwijfeld aan het francofone intellect, de RTBF vergeleken met Radio Mille Collines, ‘800.000 kiezers’ in de kou gezet, ‘vijf minuten politieke moed’ ontbeerd voor het communautaire vraagstuk…: de triomfale onoriginaliteit van deze terechtwijzingen door iemand te pakken op zijn eigen woorden doet vermoeden dat journalisten om hun gemakzucht grinnikten. Hooguit vergde het terugkaatsen van de vermeende rancune het uiterste van hun metaforische vermogen: ‘Zijn “harde schijf” is legendarisch en wordt nooit opnieuw geformatteerd’.&lt;br /&gt;Hoewel subtiliteit in de bellettrie nooit een maatstaf voor succes geweest is, frappeert de banaliteit van de uitgeserveerde details. Ik citeer weer &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; (uit een analyse van Wetstraatredacteur Steven Samyn): ‘Als kers op de taart werden op de slappe ministerraad slappe frieten, mayonaise en frikandellen geserveerd. Smakeloze kost voor een smakeloze regering.’ Deze onthulling kan dubbel gecodeerd zijn, omdat ook bekend werd in welk Brussels restaurant tezelfdertijd Open VLD crisisoverleg pleegde. De grote roerganger daarvan, Letermes voorganger Guy Verhofstadt, zou sowieso een andere culinaire inslag hebben. Zijn veelgeprezen kosmopolitisme van Gent tot Toscane had tevens tot gevolg dat er destijds een Italiaanse kookte in de Wetstraat. Zij maakte bij communautaire stremmingen onder Leterme zelfs even haar comeback – en meteen, luidde het &lt;em&gt;breaking news&lt;/em&gt;, waren de onderhandelingen vlot getrokken.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Met Verhofstadt dringen zich in journalistiek opzicht &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; op en politiek hoofdredacteur Yves Desmet. Deze is getuige zijn opiniestukken nogal een fan, zoals heetgebakerde comments, boven welk genre ook de bron voor ‘wat er speelt onder de bevolking’, steevast constateren (inclusief de insinuatie dat Verhofstadt en hij bij dezelfde loge zitten). Desmets dunk van Leterme is minder hoog. Mij staat geen hoofdredactioneel over de regering bij waarin de premier niet van jetje kreeg. Het ontslag leek de beloning voor maandenlang beuken. Leterme leidde immers, volgens het hoofdcommentaar, de ‘slechtste naoorlogse regering’ die België gekend had, met uiteraard respect voor Vandeurzen, ‘een eervol en integer man die niet in de onwettelijkheid is gegaan, maar beter andere instructies had gegeven aan zijn procureur bij het hof van beroep’. De wanprestatie kwam volledig op conto van Leterme:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘volks, joviaal, intelligent aan de ene kant: dodelijk kil, rancuneus en wantrouwig aan de andere kant. Naarmate die tweede persoonlijkheid het overnam van de eerste verloor hij het vertrouwen, zeker van de oppositie, dan van zijn coalitiegenoten, uiteindelijk zelfs van zijn eigen fractie. Eenzaam en verbitterd moet hij nu de kelk ledigen, en zal hij waarschijnlijk nooit nog een hoofdrol spelen in de Belgische politiek. Van 800.000 stemmen tot politieke paria in minder dan twee jaar, het moet het meest onwaarschijnlijke parcours uit de Wetstraatgeschiedenis zijn.’&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Vermoedelijk nog beduusd door het welslagen, zijn de eerste drie woorden van dit portret wonderlijk positief voor Desmets doen. Diezelfde dag citeerde hij voor de opiniepagina van &lt;em&gt;De Morgen &lt;/em&gt;uit zijn oude files om de ex-premier nog genuanceerder te typeren: ‘gedreven door het minderwaardigheidscomplex van de West-Vlaamse zoon van de schilder-behanger’. Wel had Desmet toen al een tweede einde onderkend: ‘Het systeem van ons-kent-ons, het systeem van informele netwerken die zich weinig gelegen laten aan formele rechtsregels, een systeem van gearrangeer en regelen tussen politieke broodheren en politieke aanhorigen in overheidsdienst.’ Hiermee warmde hij een cliché op over België, over de regering-Verhofstadt volgens Letermes verkiezingscampagne (het Sabenadossier), en over het fenomeen politiek in brede zin. Het was ironisch dat in &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; Marc Reynebeau het bijbehorende klassieke parcours van dienstbaarheid aan een partij, om vanuit een gestage opbouw van een netwerk tot de top door te stoten, juist passé achtte. Leterme belichaamde een nieuw type, in de jaren negentig opgestane politicus die uiting gaf aan de doorgedreven personalisering.&lt;br /&gt;Dit verklaart adequater de hebbelijkheid van media de erin optredende mensen onophoudelijk aan een dieptepsychologisch doorzicht te onderwerpen. Ideologisch gezien valt er schijnbaar minder te beleven. Elke aanleiding vergt een op maat gesneden gedachtegoed, zodat christendemocratie, socialisme en liberalisme louter in hun immer kneedbare neovormen te begrijpen zijn. De sterrencultuur noopt dan ook tot geheugenverlies, al was het omdat anders de veelgepleegde kwalificatie ‘nooit gezien’ ofwel ‘&lt;em&gt;du jamais vu&lt;/em&gt;’ doel mist. Aldus kan steile opgang, zoals dit voorbeeld getuige ook Desmets voorspelling wil, bij tegenslag leiden tot opbranden.&lt;br /&gt;Het gekke is dat die tegenslag niet alleen door macro-economische rampspoed, onwillige collega’s en weifelend optreden op Letermes weg is gekomen, maar dat die door media over hem is afgeroepen. En dat gebeurde dus niet zachtzinnig. Mij schiet maar één referentiepunt te binnen: de manier waarop Geert Wilders de vele dingen benoemt die hem niet zinnen, louter met grimmige superlatieven. Helaas misbruiken bladen de ratio van ‘het debat’ voor medewerkers die door jaar na jaar verplicht columns te vullen niet meer beseffen dat ze over mensen van vlees en bloed schrijven ten overstaan van een publiek, maar het zou me niet verbazen wanneer de marathonreeks commentaren van Desmet op Leterme, culminerend in het spugen op een lijk, juridisch kan worden beschouwd als aanzetten tot haat.&lt;br /&gt;Ik noem dat gek, want de nood aan kritische journalistiek lijkt hoog. Dat Leterme echter ten prooi viel aan centrifugale krachten die destructie beoogden is des te pijnlijker, omdat steeds benadrukt werd dat het land in een diepe crisis verkeert. Die reflex van schandaliseren, het zich verkneukelen over een dreigende mislukking, vertonen ook Lijst Dedecker en Vlaams Belang. Gerolf Annemans gaf zelf toe: ‘Voor mij is het vooral een gelukkige dag omdat eens te meer bewezen is dat dit land niet langer werkt.’ De rest van zijn commentaar loog er evenmin om: ‘Om dit land te kunnen leiden, heb je echt een rat nodig. Iemand die kan marchanderen en zichzelf steeds opnieuw verkopen. Yves Leterme was een verdienstelijke Vlaamse minister-president: koppig, noest, West-Vlaams. Maar als federaal premier was hij echt een maatje te klein. Daarvoor heb je iemand zonder geweten nodig, maar blijkbaar heeft hij dat nooit geleerd van zijn voorganger Guy Verhofstadt.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Leterme werd gelyncht omdat hij de scheiding der machten niet gerespecteerd zou hebben: een beroepsgeheim van een rechter heette geschonden. Maar dat is geredeneerd vanuit de Verlichtingsdrieslag uitvoerend, wetgevend en rechterlijk, terwijl de representerende macht erbij gekomen is. Bij het regeringssneven werd dat manifest. &lt;em&gt;NRC Handelsblad&lt;/em&gt; berichtte: ‘De Vlaamse omroep zond live uit vanuit de Kamer. Een verslaggeefster vroeg Kamerleden om reacties op het rapport, terwijl ze het nog zaten te lezen. Hoofdredacteur Peter Vandermeersch van &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; leverde in de uitzending commentaar op nieuws uit het crisisberaad van ministers, dat “goed ingevoerde bronnen” hem per sms stuurden.’&lt;br /&gt;Dat de genoemde krant het nieuws over een neochristendemocraat dirigeerde is tekenend. Als voormalige spreekbuis van de CVP ging &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; na de verzuiling een eigen koers varen – zoals in de postideologie &lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt; van een socialistische krant veranderde in een fotoblad met middle class bijschriften. Maar doordat dit, Reynebeaus karakteristiek van de nieuwe politicus indachtig, gebeurde in de context van gepersonaliseerd nieuws op basis van lezersverwachting, heeft de bashing van Leterme een pervers trekje: de man is eerst grootgemaakt en vervolgens gekleineerd. Ook bij de vierde macht regeert het neoliberalisme. Niet voor niets viel uitgerekend in &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; te vernemen dat de &lt;em&gt;Krant van West-Vlaanderen&lt;/em&gt; ‘voor Leterme een geprefereerd communicatiekanaal’ is: de verzuiling duurt onder alternatieve etiketten voort.&lt;br /&gt;In mijn ogen kleurt het motief van de 800.000 stemmen daarmee pimpelpaars. Politiek en media (uitgezonderd uiteraard Desmet) werkten voor de gelegenheid van de verkiezingen samen, met de kiezer annex lezer als klant. Misschien stemde het nooit geziene resultaat jaloers, er viel in elk geval geen munt uit te slaan, omdat slechts Leterme er beter van leek te worden. Over het electoraat heen prefereerden zowel media als politiek toen de tegenkanting. Als de man zich zo sterk voelde dat hij hun catechismus durfde te overtreden, zocht hij het voortaan zelf maar uit. Desnoods mocht hij hun belangen dienen door de Calimero te spelen met die provinciale verongelijktheid over hem aangedaan onrecht. Een journalist die zich achteraf schijnbaar bewust werd van de dwaasheid van deze status quo, verdedigde zich met de observatie dat de premier vóór de Fortisaffaire al op slechte voet stond met de pers.&lt;br /&gt;Maar het is waar, alle specialisten gaven blijk van kennis van zaken over Letermes nooit geziene spartelingen. Zodra een overleg langer dan een uur duurde, signaleerden zij het risico van een ‘bunkersyndroom’, volgens welke men bij ontstentenis van contact met de corrigerende buitenwereld, de media dus, de realiteitszin verliest. Dit gevaar groeide slechts omdat de wegkapitein van de ploeg uit West-Vlaanderen kwam, zodat hij als een ware Flandrien ‘koppig zijn ondergang tegemoet koerste’. En zo geschiedde. Hij werd opgevolgd door Herman Van Rompuy, die van Carl Devos zelf de zegen kreeg: ‘een absolute topper’. Diens duiding van de rodelantaarndrager, over wie overigens consensus heerste hij na parlementair onderzoek van blaam gezuiverd zou worden, kon in één zin: ‘Leterme heeft misschien vrienden in de Dorpsstraat, in de Wetstraat zijn ze zeldzaam’.&lt;br /&gt;Ook klopt het dat – over scheiding van machten gesproken – de meest geheime verklaringen en documenten meteen op het internet stonden. Vandeurzens ontslag schijnt zelfs in een sms van &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt; gemeld te zijn voor alle regeringsleden op de hoogte waren en terwijl kabinetsmedewerkers met Wetstraat-journalisten belden om mee te delen dat er nog geen beslissing was genomen, meldde &lt;em&gt;De Standaard Online&lt;/em&gt; dat de regering was gevallen. Lang is het bon ton geweest ‘de media’ de schuld te geven van publiek gemaakte ellende, waarop de verontwaardigde reactie kwam dat slechts de brenger van het nieuws op zijn falie krijgt. Dat was in de tijd dat er volgens het cliché geen maat stond op politiek gekonkel waarover zelden uit de school werd geklapt. Omdat men gegijzeld was (stockholmsyndroom)? Eén van de vier machten achtte die tijd voorbij en schreef een roman onder de titel &lt;em&gt;Huilen met de wolven&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;Streven&lt;/em&gt; LXXVI/2 (febr 2009)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-8676238792734207379?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/8676238792734207379'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/8676238792734207379'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/06/yves-leterme-2009.html' title='Yves Leterme (2009)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-3588645430474549238</id><published>2009-05-29T12:03:00.019+02:00</published><updated>2011-09-21T16:39:31.891+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='poëzie'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='boek'/><title type='text'>Zoem! Evoluties (2009)</title><content type='html'>&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;– Menigten drommen pakken samen.&lt;br /&gt;Een schervenglinstering belet elk zaaien van&lt;br /&gt;de dubio dignitatis, iets wat je echter al wist.&lt;br /&gt;Dan maar in conclaaf met de libido die niet&lt;br /&gt;onzijdig worden wil. Je slaat op haar met een&lt;br /&gt;plastic zak, waarin je voor de gelegenheid je&lt;br /&gt;hoofd verborgen hebt. Daarna bestel je koel&lt;br /&gt;en loslippig een Grande Sugar Free Alpacino&lt;br /&gt;Vanilla Skim Latte. De strijders beleggen weer&lt;br /&gt;een vergadering. Hopelijk zijn er broodjes bij,&lt;br /&gt;per halfuur verzorgd opgetast door de bonden.&lt;br /&gt;Jean heeft een lange snor, zijn schoonmoeder&lt;br /&gt;is homo. Het is de vraag wat je in hen voor een&lt;br /&gt;maat ziet. Daartoe maak je de passeerbeweging&lt;br /&gt;met bal. Er is een ongenoemd blijvende iemand&lt;br /&gt;die nu eenmaal zijn dagelijkse Porsche moet.&lt;br /&gt;Gun dat, gun dat, goal. Niet elke eend is een&lt;br /&gt;citroen. Laat dat nu, wolkenkind, en ga eindelijk&lt;br /&gt;verticaal klasseren. Zaad is gewoon dik bloed&lt;br /&gt;zonder factoren, weet je nog. Voor het kielgat.&lt;br /&gt;Je opent een tube componentenlijm bij het&lt;br /&gt;reglement van internen, terwijl je glas knaagt –&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;‘Wat ging er door u heen?’ wordt gevraagd over hartverscheurende momenten. De nieuwsgierigheid geldt de reikwijdte van een ervaring of het mechaniek van een inzicht. In &lt;em&gt;Zoem! Evoluties&lt;/em&gt; heeft Marc Kregting getracht zulke soms tegenstrijdige omstandigheden op te roepen en er taal voor te vinden. Vanaf 1996 – zijn poëziedebuut was amper twee jaar oud – begon hij daartoe gedichten te maken die tussen gedachtestreepjes staan. Alles kon er verblijven wat fatsoen en orde uitbannen. Het ritme van de poëzie stelde zich ondertussen teweer tegen de publieke opinie (‘men’) die onbruikbare geschiedenis en fundamenteel afwijkend denken platwalst. Zo verwekte Kregting in &lt;em&gt;Zoem!&lt;/em&gt; een gestage en ongecensureerde ontwikkeling van werkelijkheden. De tijd die hij nodig had om zijn veelomvattende project te voltooien, liet de teksten rijpen tot poëzie met een zo grote intensiteit en humor dat haar effect bevrijdend is.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Je moet er wat moeite voor doen, maar dan verleidt ook deze tiende bundel met onnavolgbare humor en buitengewone taal’ (Yra van Dijk, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.nrcboeken.nl/nieuws/de-beste-boeken-van-2009"&gt;NRC Handelsblad&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Geen andere bundel is een zo hecht georganiseerde uitbraakpoging uit de geëgaliseerde taal waarin ik ben thuisgemaakt en opgesloten. Via ontnuchterende verbindingen word ik van betekenis naar betekenis naar buiten geleid. Regelmatig grijp ik mis en ik word daar niet slechter van’ (Hans Groenewegen, &lt;em&gt;Awater&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘een hoogst karakteristieke stijl die echter van een heel klein aantal lezers de kans zal krijgen zich als een bijzondere gewaarwording te laten gelden. De gedichten zijn verhalende teksten met overwegend korte regels boordevol ontwikkeling (vandaar ook de ondertitel 'Evoluties'). Ze kunnen uitstekend apart gelezen worden. Wie graag taaltochten onderneemt, zal lang van huis kunnen blijven.’ (Albert Hagenaars, &lt;em&gt;Biblion&lt;/em&gt;)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Het kost energie om de poëzie van Marc Kregting te lezen. Als mijn aandacht even verslapt, dreigt de onverstaanbaarheid de overhand te nemen. Toch wil deze poëzie communiceren; het probleem is alleen dat zoveel verschillende stemmen om aandacht vragen (…) Hoe je &lt;em&gt;Zoem!&lt;/em&gt; ook leest, als de weergave van een denktraject, een reflectie op de plek van de mens in de wereld, een bundel over het dierenrijk, een poëticale exercitie, een boek over het begin van het leven: geen lezing sluit de ander uit. Bijna alles is mogelijk met dit boek. Het biedt dan ook een ongekend rijke, verwarrende en complexe leeservaring’ (Laurens Ham, &lt;em&gt;Poëziekrant&lt;/em&gt;)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Het zijn vooral de opeenvolgingen die krankzinnig grillig en soms hilarisch zijn. (…) een alwetende maatschappelijke stem die geridiculiseerd wordt (…) Die vorm gaat in de loop van de bundel een beetje wringen, maar dat is vaker met Kregtings gedichten, die fris ogen als je ze oppakt maar zich moeilijk in hoeveelheden achter elkaar laten lezen (…) Het is met alle wonderlijkheden een duizelingwekkend geheel. En toch ligt er een bommeliaans gevaar op de loer in de gedichten van Kregting, vanwege de overdaad aan spitsvondige humor’ (Erik Lindner, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.eriklindner.nl/content/view/285/380/"&gt;De Groene Amsterdammer&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘intense titelloze taalexperimenten’ (Maaike Meijer, &lt;em&gt;De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Geen logische wetten zijn hier het reglement, maar onderliggende structuren. Kregting wil niet echt iets beweren, hij toont ons een levend organisme van humor en venijn en voedt onze hersenen daarmee. Ik lees veel dingen over de huidige maatschappij, zonder dat er een oordeel mee wordt uitgesproken, maar daar gaat het ook niet om. Het gedicht is autonoom, omdat het in zichzelf groeit, en tegelijk autonoom omdat het de wereld ook weerspiegelt’ (Hanz Mirck, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2009/07/mirck-over-kregting.html"&gt;De Contrabas&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;‘&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Waarom is een tekst poëzie, ook al ziet ze er als proza uit? Omdat ze, met Kregting als het sterkste voorbeeld, een soort verdichting in letterlijke, bijna chemische zin heeft ondergaan tijdens het schrijfproces’ (Wam de Moor, &lt;em&gt;Streven&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Ondanks de strijd tegen de dwang om te categoriseren, de officiële vormen van kennis en het vergoddelijkte consensusdenken, lijkt Kregting in zekere zin ook zelf te mikken op een overkoepelende term, hoe ambivalent die ook mag zijn. Aan de hand van een uitgesponnen metaforisch spel waarin de elementen elkaar besmetten, wekt Kregting een soort “alles” tot leven, een onreine en heterogene eenheid. Zo ontmoet de vloeistof in de bundel op een gegeven moment de aarde, zodat de twee samenkomen in een troebele en stroperige modder. Tegelijk tast Kregting hier ook zijn eigen beeldentaal aan; ook water is maar een gemankeerd beeld voor wat onvast is.’ (Koen Sels, &lt;em&gt;De Leeswolf&lt;/em&gt;)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Je buitelt door de referenties en de steeds een andere kant op schietende zinnen heen; de talloze mogelijke betekenissen flitsen voorbij en zijn nauwelijks bij te houden. Maar ook valt dan op hoe de bundel geraffineerd gebruik maakt van motieven en frasen, die steeds worden gespiegeld door parallelle frasen of die worden hernomen in een andere context. (…) Met zulke technieken van gelaagde verwijzing laat Kregting steeds de betekenissen van woorden en frasen zelf razendsnel evolueren. Grote verschillen, zoals tussen dood en leven, kunnen dan op oneindige snelheid overbrugd worden.’ (Samuel Vriezen, &lt;em&gt;&lt;a href="http://blogger.xs4all.nl/sqv/archive/2010/05/06/548523.aspx"&gt;Awater&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Gebloemleesd:&lt;br /&gt;- ‘Je bent geroepen uit de toppen van’ en ‘Het genot van modder en eenmaal kauwen’ in: Maaike Meijer, &lt;em&gt;De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2011&lt;/em&gt;. Arbeiderspers: Amsterdam/Antwerpen, 2011&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Vertaald:&lt;br /&gt;- ‘&lt;a href="http://netherlands.poetryinternationalweb.org/piw_cms/cms/cms_module/index.php?obj_id=17314"&gt;Above these mountains of salt, loss sets in’&lt;/a&gt;, &lt;em&gt;Poetry International Web&lt;/em&gt;, 2010 (vert. Astrid van Baalen).&lt;br /&gt;- ‘&lt;a href="http://netherlands.poetryinternationalweb.org/piw_cms/cms/cms_module/index.php?obj_id=17318"&gt;Bzzzz! What was that? It could be’&lt;/a&gt;, &lt;em&gt;Poetry International Web&lt;/em&gt;, 2010 (vert. Astrid van Baalen).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;ISBN 978 90 284 2304 6, 64 blz.&lt;br /&gt;Grafische vormgeving Joost van de Woestijne&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-3588645430474549238?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3588645430474549238'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3588645430474549238'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/05/zoem-evoluties-2009.html' title='Zoem! Evoluties (2009)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-6715980466091573947</id><published>2009-05-21T21:49:00.002+02:00</published><updated>2009-05-21T23:21:46.874+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='poëtica'/><title type='text'>Waarom (2003)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;br /&gt;In een opkomende helderheid&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Life’s nonsense pierces us with strange relation&lt;br /&gt;(Wallace Stevens)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;God, ik zou wel willen. Feit is echter dat ik om precies te zijn nihil komma nul van de wereld begrijp, dat relaties binnen de species mens voor mij gewikkeld zijn in rokken van duisternis, en dat elke samenhang tussen de fenomenen me ontgaat. Daarom omhels ik, strikt platonisch en volmondig experimenteel, Sandra Kim: ‘J’aime j’aime la vie’. Wel wordt van mij in het dagelijks leven verwacht dat ik handel door zonder verpinken taal uit te stoten in ordelijke en voor alles ordentelijke meningen jegens de ander, door besluiten te nemen. Ik praktiseer die concessiepolitiek waarschijnlijk naar beste vermogen, maar de netto opbrengst blijkt gering. Het is allemaal ik en ik en ik, en altijd moet door voor A te kiezen B als oneigenlijk worden uitgebannen. Zo’n beroepspraktijk lijkt mij niet zozeer communicatief als wel reductionistisch en doelmatig, met een betekenisdictum dat onafwendbare lekken bewust dicht, verhult. Heet die milieubelasting soms fatsoen? Werd het in de negentiende eeuw uitgevonden en wanneer en waar kan ik mij daar nog op afrekenen? En indien een samenhangsuggestie al verhoogd rendement brengen zou, is haar drijfveer niet onverschilligheid? Mogelijk trek ik een scherm op tegen de wereld om oordelen uit te kunnen wasemen en willekeurige besluiten door te kunnen voeren.&lt;br /&gt;Schematisch berust mijn dagelijkse werkzame leven op het afwezig maken van dingen en mensen. Het afwezig spreken, wellicht. Mocht het niet zo pathetisch klinken, dan had het een totalitair drama kunnen heten, een penetreren in alles wat de ander aan deze en gene zijde van de huid met zich meedraagt. Een aantasten van autonomie. Gelukkig zou de wereld even hard of zacht doordraaien om zijn as indien ik de waffel zou houden of er domweg niet was.&lt;br /&gt;Nu volgt De Onherroepelijke Wending In De Nieuwe Alinea, soepeltjes gelardeerd met De Jongste Wetenschappelijke Inzichten. Op het moment dat ik achter mijn computer ga zitten om te schrijven tracht ik het hele affiche van de realiteit te schetsen. Dat houdt onder meer in dat ik mezelf eindelijk kan dumpen en mijn karkas als het ware wordt bevleesd. Wat ik intyp is zo onbemiddeld mogelijke ervaring. Dan beleef ik een waarheidje van Foucault: ‘De taal is in stukken gehakt, in zichzelf verdeeld, en anders gemaakt; zij heeft haar oorspronkelijke helderheid verloren; de taal is een geheim dat binnenin zich, maar aan de oppervlakte, de ontcijferbare tekens draagt van wat ze zeggen wil. Ze is tegelijk verstopte openbaring, en openbaring die langzamerhand in een opkomende helderheid zichtbaar gaat worden.’ Ik vermoed dat het bij mij dan concreet tussen twee polen gaat bewegen. Die van een mateloze verliefdheid op de wereld waarbij, onverbeterlijke minnaars eigen, elk futiel symptoom (niet het allesverklarende maar het gemiste telefoontje, niet de aankomende maar de vertrekkende trein) voor heel eventuele aanhankelijkheid gewogen wordt. Kribbigheid is de pendeldiplomaat naar de andere pool, van de huiver voor de afgrond, voor de afwijzing. Alles of niets, de overmaat of het merg. Dat wat ik normaliter ten faveure van de negentiende eeuw inslik, kan aan bod komen en de lieve vrede hoeft niet bewaard te worden. Zij het dat ik nog steeds zou willen, begeleid door de muziek van Sloterdijk: ‘De geest van de utopie hoort minder toe aan het zichzelf vooruitstralende worden van het betere dan aan het altijd nog zichzelf licht gevende Nog-zijn van het begonnene. Er gloeit geen voor-schijn, maar er is na-licht.’ Ik beschouw deze toonval als een onthulling, een term die, als ik me op het glibberige pad van de etymologie mag begeven, de vertaling is van APOKALUPSIS.&lt;br /&gt;Schrijven komt voor mij neer op aanwezig maken. Dat is een trage, amateuristische en illegaal aanvoelende rondgang, waaruit ik monddood tevoorschijn kom. Met het preciezer worden van het spreken, neemt het zwijgen evenredig toe. Een gepruts en gepel. Ik kap ermee op het moment dat ik me niet langer de auteur maar de lezer van de onderhavige tekst waan. Vanuit dat vermoeden is het mij een raadsel gebleven waarom er een, liefst gelijkende, foto op de achterflap van een boek moet.&lt;br /&gt;Wel vraag ik me af waarom ik de moeite neem om achter een bureau te gaan zitten, bijvoorbeeld als de zon schijnt of wanneer er gegeten en gedronken kan worden en meer van die geneugten. Het ‘schrijverschap’ blijkt nog altijd sacraal in zijn hoedanigheid van sociaal alibi, om mensen niet onder ogen te hoeven komen. Ik constateer dat het zitten achter een computer ook fysiek verslavend is, en gelukkig kan ik erbij roken. De volgende vraag luidt waarom ik het tot nu toe nodig heb geacht de resultaten van die arbeid openbaar te maken. Kennelijk ben ik nog zo ijdel een stem te willen laten horen die uit vele contradictoire stemmen bestaat. Dat moet er haast op duiden dat ik met het tonen van een woelige, democratische wereld protesteer tegen wat ik een hermetische want gekortwiekte wereld noem. Zo’n project is een buitenpersoonlijke utopie. En stiekempjes ga ik er, aangenaam woordeloos geworden, als het ware alsnog op zoek naar de ander. Dan is de tekst, om Celan te citeren, ‘eenzaam en onderweg’ en staat in het teken van ‘&lt;em&gt;het geheim van de ontmoeting’&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;Yang&lt;/em&gt; xxxix/3 (nov 2003)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-6715980466091573947?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/6715980466091573947'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/6715980466091573947'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/05/waarom-2003.html' title='Waarom (2003)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-5286343966859005024</id><published>2009-05-13T12:18:00.003+02:00</published><updated>2009-05-21T21:52:21.952+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='poëtica'/><title type='text'>School der Poëzie (1997)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Een uitspraak van iemand&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Ich bin kaum ein unklarer Kopf zu nennen, aber auch kein klarer. Mit Nachtsicht: das Klärungsvermögen ist stark, das Verunklärende gibt aber nur im einzelnen nach.’&lt;br /&gt;Robert Musil&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;In de tijd dat mijn debuutbundel verscheen, benaderde het literaire tijdschrift &lt;em&gt;De Zingende Zaag&lt;/em&gt; me voor een manifest van maximaal drie pagina’s. Nu is er weer een boek en word ik door &lt;em&gt;De Revisor&lt;/em&gt; besteld, andermaal voor drie pagina’s. Het lijkt wel of er iets in de lucht hangt of iemand.&lt;br /&gt;Ik bof toch maar. En dat als dichter, panda der mensheid.&lt;br /&gt;Heb ik wat te wensen eigenlijk, weet ik een koers? Dat is een vreemde vraag. Ik schrijf toch. Nee, het is volstrekt natuurlijk dat de panda zijn vilten pantoffels uittrekt om eens goed in de spiegel te kijken die gelijk een blik gunt op de overige continenten van de aarde die naar verluidt niet plat is maar ook niet helemaal rond.&lt;br /&gt;Stel dat ik werkelijk een koers wist, zou ik dan verordineren dat iedereen die koers zette? Weer een vreemde vraag. Ik pleeg nog liever autoplagiaat. Jaco Pastorius was bassist. Hij ontwikkelde een eigen stijl die allerwege navolging kreeg. Jaco trof bassisten die beter Jaco speelde dan hijzelf. Ook raakte – we schrijven de jaren tachtig – het fenomeen MIDI in opkomst. Jaco kwam in een muziekzaak. Daar was een MIDI-synthesizer, met onder andere het gesampelde geluid Jaco Bass. Jaco speelde er ‘Teen town’ op, een eigen compositie. Op toetsen klonk toen zelfs Pastorius als Pastorius.&lt;br /&gt;Het maken van een manifest op afroep begrijp ik niet goed. Wel vind ik het leuk dat dingen mooi worden vormgegeven.&lt;br /&gt;Had de vorige keer de erfenis van de avant-garde als aanleiding, ditmaal is het Herman Gorter die een eeuw terug zijn &lt;em&gt;School der poëzie&lt;/em&gt; uitbracht. Tegenwoordig schijnt bijna elke dag historisch te zijn. Toch is het niet uitgesloten dat er nu ook wel eens wat gebeurt.&lt;br /&gt;Over Gorter hebben we op de middelbare school geleerd, dat hij bij de Tachtigers hoort en dat &lt;em&gt;Verzen&lt;/em&gt; het hoogtepunt uit zijn werk is. We weten van de hogere school dat toen Gorter aan het clubblad &lt;em&gt;De nieuwe gids&lt;/em&gt; wat gedichten aanbood die in het slot van &lt;em&gt;Verzen&lt;/em&gt; zouden terechtkomen, oppertachtiger Willem Kloos tegen plaatsing was. Maar ze kwamen erin.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dichten is een geïnspireerde bezigheid. Dat dacht ik in mijn eerste periode toen ik geen gedichten schreef, en in mijn tweede periode toen ik gedichten schreef over iemand die op mijzelf leek. Ik omringde me in de tweede periode met vulpen, papier en, i.v.m. vlekken op het manuscript, rode wijn. Ik schreef ’s nachts; de gedichten ontstonden in één vlaag. Ik was hoorbaar, liep veel door de kamer, tussen boeken. Het gangbare denken.&lt;br /&gt;Inmiddels hangt boven mijn bureau een kaart van een kameel, wiens nek is bedekt met vier zoentjes. Ik de gesubsidieerde illegaal maak teksten op de computer. Mijn handschrift kan ik sinds lang niet meer lezen, daarover zou ik krasse verhalen kunnen doen. Ook ben ik geworden wat ik was, een ordinaire bierdrinker (maar nooit onder werk, dan neem ik azijn). Zelden voltooi ik iets op één dag. Vaker pruts ik aan een bijzinnetje, kraken mijn hersenen onder kruiselings over het scherm staande woorden waartussen het verband mij ontgaat. Ik doe mijn best.&lt;br /&gt;Die woorden komen overal vandaan. Ik exploiteer reclame, praatprogrammaklanken en ambtenarenpatois. Tegelijk delf ik – slecht verliezer met scrabble – naar versteend Nederlands. Al die ingrediënten bestaan onafhankelijk in mijn teksten. Op de juiste wijze opgediend moeten ze samen een typische Kregting-toon voortbrengen. Geen woord is van mijzelf.&lt;br /&gt;Waar begint het allemaal mee? Ik vrees dat woede mijn drijfveer is. Omtrent de wereld zie of hoor of lees ik iets, en wil protesteren. (Het ligt me niet mijn stem aan een groep te geven. De enige keer dat ik heb gedemonstreerd, duurde vijf minuten. Rondom klonken leuzen waarmee ik het hooguit half eens was.) Dus sluit ik me op, met wat steekwoorden.&lt;br /&gt;Ik vrees ook dat in het uiteindelijke resultaat de wereld niet eenvoudig is terug te vinden. Ze wordt door het gedicht omringd, de woorden doen verwoede pogingen haar tegen te houden. Ik moet daar altijd wel om lachen en nogal hard ook, in het genre van geschater.&lt;br /&gt;De reden van deze naar bewapening neigende weerstand is dat de woorden een alliantie aangaan. Ik kan slechts mijn gehoor daartegenover stellen, steeds hardop overlezend, intervenieer op ritme en klank. Mijn debuutbundel was vooral jazzrock, een welige en heftige vermenging van stijlen. Bijvoorbeeld ‘Malaga Virgen’ van bassist Percy Jones (die duidelijk door Pastorius heen is gegaan). Nu ben ik ouder en bij wijze van spreken rustiger, zet meer naast elkaar zodat de resultaten ordelijker lijken.&lt;br /&gt;Melodieus zal ik wel nooit worden; instrumentaal blijf ik.&lt;br /&gt;Aan elke tekst ligt een idee ten grondslag. Betekent dit dat mijn teksten ideeën bevatten? Eerst is er een soort opvatting, dan ga ik in de slag en ten slotte raak ik mezelf kwijt. Het verschil met de overheid is dat zij zich bewust terugtrekt. Ik probeer altijd wel een persoon in te voeren, een omtrek, heldere doorschenen oppervlakte.&lt;br /&gt;Ik denk soms dat dit alles ‘geven en nemen’ is. Alleen voor mij? Ik citeer Dickinson 1563:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;By homely gift and hindered Words&lt;br /&gt;The human heart is told&lt;br /&gt;Of Nothing –&lt;br /&gt;“Nothing” is the force&lt;br /&gt;That renovates the World –&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Zovelen hebben gelijk en ik geloof ze niet. Zelf voel ik het meest voor de gedachte dat je je ergens nooit helemaal in kunt vinden. Dat met een ander overeenstemmen letterlijk op een misverstand berust maar eigenlijk vooral verdacht is. Dat is een uitspraak van iemand geweest, ik ben vergeten wie.&lt;br /&gt;Wat is eensgezindheid of, erger, gelijkgezindheid anders dan hardnekkige blindheid? Voor &lt;em&gt;consensus&lt;/em&gt; moet je geloof ik Latijn kennen of in de politiek gaan (en &lt;em&gt;parasensus &lt;/em&gt;is Grieks, een ander soort politiek).&lt;br /&gt;Kunstenaars die in dezelfde tijd werken zijn alleen voor buitenstaanders tijdgenoten. In werkelijkheid zie je gescheiden werelden. Dat is niet meer dan een biologische wet. Motieven om je, als beginneling, bewust bij anderen onder te brengen zou ik overigens wel weten.&lt;br /&gt;Wie wil inzien hoe het zit met invloed op mijn poëzie zal haar moeten consumeren. Maar dan ook integraal, dan kunnen we samen kijken. Waar ik moeite mee heb, is het toesteken van een helpende hand die hoe dan ook hiërarchie verraadt. Een enjambement wijst al richting. Is het zo’n hand als van de pierrotachtige figuur in Fellini’s &lt;em&gt;8½,&lt;/em&gt; die boven het hoofd van een toeschouwer zweeft en diens gedachten vertaalt?&lt;br /&gt;Heel belangrijk in literatuur is beeldspraak. Beeldspraak vergt talent. Bertrand was nog geen vijfentwintig toen hij een stuk in &lt;em&gt;Gaspard de la nuit&lt;/em&gt; zo wist op te zetten: ‘Ce n’est point avec le froc et le chapelet, c’est avec le tambour de basque et l’habit de fou que j’entreprends, moi, la vie.’ Hier lees ik een nevenschikking van maximaal aangegrepen en uitgestelde vaardigheid. Een chiasme voor de betekenissen: de&lt;em&gt; froc&lt;/em&gt; hoort bij de &lt;em&gt;habit &lt;/em&gt;en de &lt;em&gt;chapelet&lt;/em&gt; hoort bij de &lt;em&gt;tambour&lt;/em&gt;. Tegelijk tracht de &lt;em&gt;froc &lt;/em&gt;met de harde r een pact aan te gaan met de &lt;em&gt;tambour&lt;/em&gt;, en waagt de &lt;em&gt;chapelet&lt;/em&gt; in de warme a en zijn ingeslikte slotmedeklinker iets met de &lt;em&gt;habit&lt;/em&gt;. Die initiatieven worden weerspiegeld in de overkoepelende zin, waarin moi eventjes een dam opwerpt. In een notendop lees ik het hele conflict tussen &lt;em&gt;je&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;moi&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;Een beeldspraak die faalt verbrijzelt de tekst, zijn omgeving, de maker.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Zoals misschien opvalt, reageer ik niet direct op Gorter. Ik erken dat dit overzichtelijk zou zijn.&lt;br /&gt;In zijn ijzig-waardige bijdrage aan het manifestennummer van &lt;em&gt;De Zingende Zaag&lt;/em&gt; had Erik Spinoy het over esthetisering: ‘de discussie die wordt aangekondigd, wordt bij voorbaat versmacht in het keurslijf van de opzet en vervangen door de &lt;em&gt;simulatie &lt;/em&gt;van een discussie.’&lt;br /&gt;Direct reageren ik doe dus niet. Ook omdat dat jegens de betrokken auteur zou getuigen van onbesnaarde hoogmoed (een eigenschap die anders van pas komt). Men moet een minimum aan kiesheid bewaren omwille van de arme figuur die ongevraagd wordt opgebracht. Menigeen kan zijn naam om een reden uitstrooien en met wat water erbij fijn poedelen. Vaak betreft het dan individuen die zelfs volgens de laatste literatuurgeschiedenis niet steeds hebben geharmonieerd. Ik kan me voorstellen dat de arme uit zijn graf herrijst om hen door zijn monocle aan zijn ene hand te bestuderen, en er vervolgens met zijn wandelstok in de andere hand op los te toffelen: ‘en nou ophouden jullie!’ Het badzand is kolengruis. Schrijven in of tegen een traditie is oneindig ingewikkeld.&lt;br /&gt;Ik herinner aan de kaartlezende automobilist die een boom groet.&lt;br /&gt;Ten slotte, heeft literatuur nut? Hoewel hij evenals een politicus minstens één grote boodschap per dag produceert, kiest de schrijver door zijn werk een omweg. Het zou de lezer niet direct aansporen tot handelen. Deze beperking is reëel, mede omdat een à tempo overzichtelijk wereldbeeld nuances vaak versmaden. Toch zou je als schrijver naar meer mogen streven. Literatuur kan ten minste, refererend aan de voetballerij, ‘iets extra’s brengen’. Ze noopt tot zorgvuldigheid. Een goede schrijver is een kind dat overal bij vraagt: waarom? Literatuur die geen herkenning op de korte termijn ambieert en met een afwijkende wijze van ademhalen systematiek verstikt, ontkracht vooroordelen waarmee levende en levenloze materie blijkt te worden bejegend.&lt;br /&gt;Dit nut rijmt niet met de status van literatuur die in dit land weinig meer is dan snobistisch voor een dubbeltje, zelfs in verhouding tot andere kunsten. Daarom trekt menige panda zijn vilten pantoffels uit om te schrijven voor de krant (en zo journalisten het brood uit de mond te stoten) of om met universiteitsbobo’s in jury’s en commissies te gaan zitten ter beoordeling van collegae. Kennelijk heeft literatuur, laat staan poëzie, voor de staat geen nut.&lt;br /&gt;Hierdoor voel ik me helemaal gelegitimeerd autonoom te zijn. En bij dezen wil ik verbieden dat iemand ooit iets uit dit stukje overneemt. Pas op hoor, als ik grappig doe kan ik erg woedend zijn.&lt;br /&gt;Er moet een autonome poëzie zijn, die over de wereld gaat.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Revisor&lt;/em&gt; xxiv/5+6 (dec 1997)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-5286343966859005024?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5286343966859005024'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/5286343966859005024'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/05/school-der-poezie-1997.html' title='School der Poëzie (1997)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-8202430822353798753</id><published>2009-05-05T22:13:00.005+02:00</published><updated>2009-05-21T23:21:02.644+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='poëtica'/><title type='text'>Avant-garde? (1994)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;21 + 1 manifesten&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Enige dingen kennelijk zo vanzelfsprekend dat ze gezegd moeten. Alleen een proef levert bewijs: elke seconde, elke gedachte en elke letter besteed aan het wezen van literatuur is verspilling. Op deze plek enz.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Zwijgers, wil de uitdrukking, zijn 'superieur'. Indien zij een mededeling doen, is die beknopt en komt daarin het bevel nabij (Canetti). Over de psyche van degene die deze uitdrukking verzonnen heeft, wil en kun je je niet uitlaten, maar degene moet eerder een luisteraar geweest zijn dan een spreker. Misschien hebben zwijgers niets te zeggen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Wie steevast ongevraagd zijn diepste zieleroerselen blootlegt, wordt een poseur.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Een schrijver ziet personages onder zijn handen ontstaan. Hoe ze zich gedragen, of hij het met hen eens is of niet – ze worden bloedverwant van zijn vingers. Morriën had het bij Van der Grafts gedicht 'Adam' eens over &lt;em&gt;Adam van der Graft&lt;/em&gt;. Het weggevallen woord nagelt trefzeker vast.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Een genie zo onbegrepen dat het zich nauwelijks kan bevatten.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;History is bunk, vond Henry Ford in 1919. Dat dit nog niet is vergeten, weerspreekt of ondersteunt dat zijn stelling?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;(Beide afgeleid van &lt;em&gt;compromissum&lt;/em&gt;? Compromis en compromitteren dragen verschillende gevoelsladingen.) Kunstenaars die geldelijk interessante dingen doen tegen hun artistieke zin zeggen dat ‘de schoorsteen moet roken’. Maar uit een schoorsteen die niet geregeld wordt schoongeveegd komt weldra geen rook. Dit vanwege vogelnestjes, die koolmonoxidevergiftiging kunnen veroorzaken. Wel kan er dan rook komen uit de schoorsteen van het crematorium.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dat de simpelste oplossing vaak de beste is, speelt dilettanten in de kaart.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Zij die om de kans op een bon mot niet te verspelen de reputatie of het geluk van anderen benadelen, verdienen een onterende straf. Dat is nog nooit gezegd, maar ik durf het te zeggen. La Bruyère,&lt;em&gt; Les Caractères ou les Moeurs de ce Siècle&lt;/em&gt; naar de uitgave van G. Servais en A. Rebellieu. (Erik Satie, &lt;em&gt;Teksten&lt;/em&gt;. Bijeengebracht en van aantekeningen voorzien door Ornella Volta. Uit het Frans vertaald door Frieda van Tijn-Zwart)&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Belangrijke beslissingen zijn achteraf weloverwogen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Wat vind jij daar nou van, vroeg de schrijver wanhopig. Ik zeg niets, zei de vriend, want ooit schrijf je dat toch op terwijl het niemand wat aangaat. De schrijver werd hels – hoe kon zijn vriend dát nu van hem denken? Later schreef hij eens over verontwaardiging, waarbij deze zin voorkwam: &lt;em&gt;Ik zeg niets, zei de vriend, want ooit schrijf je dat toch op&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Da capo. Innerlijke noodzaak van uiterlijke gevolgen. Het hebben van een naam (geen reputatie) versus het hebben van een gezicht (geen omtrek).&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Boksers met een bit. Als in het nauw gedreven paarden gaan ze door de ring. Meer schijnbewegingen dan slagen. Boksen is gewelddadig aftasten. Soms ontspringt er een troebele blik, gaat een wenkbrauw open. Je begrijpt wel waarom dat bit geplaatst is. Bij opwaartse stoten zou er het nodige door de ring gaan vliegen, in een ander geval werd het veelvuldig slikken. Maar wat voor een bokser zou het zijn, die met één magische stoot de voortanden van zijn tegenstander splijt? Zeg: drie millimeter. Zonder dat er enige &lt;em&gt;wil &lt;/em&gt;van de beweging uitgaat – zoals Anselmus aartsbisschop van Canterbury werd omdat een bisschopsstaf tegen zijn vuist werd gehouden. Slaan met zo'n precisie, dat het tandvlees te verbaasd is om te bloeden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;I don’t normally go out with ladies with voices lower than mine. (Jon Lucien)&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Die achter hun naam een punt zetten.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Zou er verwant aan pleinvrees iets als toekomstvrees zijn? In &lt;em&gt;Het leven van Henri Brulard&lt;/em&gt; kijkt Stendhal steeds vooruit naar de lezer van 1880 en blijft zo binnen de grens van zijn eeuw; hij steekt bijvoorbeeld niet door naar een lezer uit het jaar 2000 of later. De ontzagwekkend zoemende tijd na iemands dood, toch weer vrees voor een te grote ruimte?&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Voor oosterse wijsheden moet je oosters kennen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Nokxpmfrt. yrhr;okl s;hr,rrm rrm ;ovjyr brtdvjiobomh bsm fr jsmf" fr omhrvs;vsi;rrtfr gpiy. nreidy dvjs,[rmfr yss;/&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Een citaat verstrekken vóór de handeling vormt het andere uiterste (niet van de straat zijn, heet dat ongeveer) en apathie jegens de eigen kunsttraditie is overbekend, maar het blijft onthutsend dat Nabokov in de door de Parijse Olympia Press verzonden drukproeven van &lt;em&gt;Lolita &lt;/em&gt;stuitte op 'Beaudelaire'.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Wie wil overtuigen van zijn gelijk, doet dat bij voorkeur met zo min mogelijk overtuiging.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;De dingen die wij half-blind, tastend, doen hebben waarschijnlijk meer met de 'wilsvrijheid' te maken dan de dingen die wij vrij en helderbewust doen. (Jan Hanlo)&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Lever kritiek op een beginnende schrijver en hij zegt dat het allemaal zo bedoeld is ('juist clichés gebruiken'). Lever kritiek op een ervaren schrijver en hij zegt verbaasd te zijn dat het allemaal uit zijn tekst te halen is. Houd liever je mond.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Zingende Zaag&lt;/em&gt; 24/25 (1994)&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-8202430822353798753?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/8202430822353798753'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/8202430822353798753'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/05/avant-garde-2004.html' title='Avant-garde? (1994)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-1472216710051563666</id><published>2009-04-28T23:39:00.004+02:00</published><updated>2009-05-21T23:21:31.259+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='poëtica'/><title type='text'>Epifanie (1994)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Aan de plomp&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Oorspronkelijk wilde ik ridder worden of tuinarchitect. Het liefst ging ik natuurlijk in de voetballerij, desnoods parttime, als de meester van de vijfde die het geschopt had tot het Nederlands elftal (tweede helft tegen Tsjechoslowakije, 1969). Mijn constitutie werkte daar niet echt aan mee, dat begreep ik wel. Ik was wat Droogstoppel noemde en Du Perron hem genoeglijk nazei ‘lui, pedant en ziekelijk’. Soms probeerde ik het heus, hield een balletje drie keer hoog, mikte op een lantaarnpaal maar bedoelde uiteraard de ernaast geparkeerde auto, wreef aarde over mijn blote knieën. Ik moest dan, klonk het onverbiddelijk, op adem komen. En besloot in het gras te gaan liggen.&lt;br /&gt;Zo pienter was ik nog, dat ik me ophield buiten bereik van het ouderlijk oog. Mijn grazige weiden bevonden zich aan de overzijde van een dijk die ik onder geen beding mocht oversteken. Een lichaam vol vervaarlijke beloften (als je er te hard over denkt, lezen mensen ze van het voorhoofd) trippelde ik langs een rustoord. Het heette Aeneas. Daarachter begon een park. Je kon er in komen over een brug waarvan de okeren verf was afgebladderd. Ik bepaalde me tot het stukje niemandsland ervoor. Het aanpalende ziekenhuis maakte er geen aanspraak op. Ik vertraagde mijn pas bij het talud en perste de bal in het opgeschoten gras. Liet me iets naar beneden glijden, richting sloot. In de verte zoefde vrachtverkeer naar België. Ik streek neer.&lt;br /&gt;Aangename lamlendigheid bekroop me. Deze verpozing was welverdiend. Ik opende mijn ogen en keek opwaarts. Het was alsof alles zich geleidelijk omkeerde, de lucht dichterbij kwam dan het gras – &lt;em&gt;De eenzaamheid door genot&lt;/em&gt;: ‘Het landschap werd een bijkomstigheid van de hemel.’ Ik zweefde tussen troost en angst. Onwillekeurig begon ik te praten maar verstond me niet. Gorter heeft het op rijm gezet:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;In de verte zag ik blanke wateren,&lt;br /&gt;voor me was zacht klateren&lt;br /&gt;van eene stem die ik wel ken,&lt;br /&gt;en daaromheen was ’t al stilte en&lt;br /&gt;die hoorde ik nog meer dan ’t klein gebeek&lt;br /&gt;van woorden in haar zacht gespreek.&lt;br /&gt;Alles was stil behalve het stemklateren,&lt;br /&gt;daarachter blonken blanke wateren.&lt;br /&gt;Ik hoorde kleine woorden gaan&lt;br /&gt;in glazen stilte diaphaan.&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Er gebeurde feitelijk niets. Toch had ik het idee dat ik iets meemaakte wat ik me tegelijk herinnerde. Te omvattend om te kunnen inschikken, laat staan verwoorden (een ontdekking die je niet herkent). De verbijzondering van het algemene dat zich temerig, misschien uit barmhartigheid, verborgen hield? Stond het voorval in verband met metaforen, beeldsnippers van een voorbije tijd die als het ware over mijn toekomst werden verstrooid? Andermaal een groot dichter aan het woord:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;O vonnis over mijn bestaan&lt;br /&gt;de lange jaren hier te voren,&lt;br /&gt;de dagen die nog niet geboren:&lt;br /&gt;u missen en u niet ontgaan.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Ik pleeg nu teksteditische ontucht. Alleen al voor deze strofe had Leopold vier opties. Vanwege het bestaan van de variant &lt;em&gt;heen&lt;/em&gt; in plaats van &lt;em&gt;hier &lt;/em&gt;in de tweede regel ben ik zo vrij dit citaat toch te geven, in de veronderstelling iets voor mij onzegbaars verwoord te zien.&lt;br /&gt;De som van mijn aanwezigheid aan de plomp was nogal mystiek – vergis je niet, ik lag op de koude grond – maar toch niet eng. Want dat was het wonderlijke: ik wist me heftig beroerd én zo egaal als het oppervlak van het troebele water beneden aan mijn voeten. Matthijs Vermeulen schreef ooit het artikel ‘Over de grote gevoelens’, en volgens hem zijn ze inderdaad te herleiden tot een tegenstelling. Liefde en haat, attractie en repulsie, enzovoorts. De gebeurtenis, voor zover je hier van een gebeurtenis kon spreken, had me volstrekt geneutraliseerd.&lt;br /&gt;Een ogenschijnlijk gering uitvloeisel, weinig meer dan de trilling van een snaar. Ik las eens dat er vier gemoedsaandoeningen zijn te onderscheiden: begeerte, vreugde, vrees en droefheid. Deze zou je kunnen rangschikken naar werkelijkheids- en waarderingswaarde:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;strong&gt;positief&lt;/strong&gt; &lt;strong&gt;negatief&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;reëel&lt;/strong&gt; vreugde droefheid&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;irreëel&lt;/strong&gt; begeerte vrees&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Bijna alle veranderingen in het gemoed zijn intern. Ze beperken zich tot de categorie, in het schema: van links naar rechts (en andersom) of van boven naar beneden (idem). De zeldzame neutralisatie die ik beoog overtreft de categorieën. Ze dient zich zowel aan in waarderings- als in werkelijkheidswaarde. In het schema diagonaal te aanschouwen, ze zouden een mooi Andreaskruis vormen.&lt;br /&gt;Emoties zijn verheven curiositeiten met een hoge graad van precisie. Tegenwoordig lijk je er alom op te stuiten. Het vaak al te weinig door enige kennis van zaken gehinderde impulsieve doen; ongeleide projectielen die in een zompig humeur opgeslorpt worden tot een &lt;em&gt;verhaal.&lt;/em&gt; ‘En daarna gebeurde er zus en toen, tot overmaat van ramp, maakte ik mee... Dus je begrijpt hoe ik...’ Je kunt er niet meer uit brouwen dat het dapper is dat iemand zoiets komt openbaren. Zichzelf te overwinnen, hoeveel moeite dat gekost heeft.&lt;br /&gt;Energie is plasmastroming.&lt;br /&gt;Gewichtig lijkt het me dat ik nog jong was, toen. Geen ballast aan herinneringen te hoeven torsen. Onbevangenheid was anders hoogstwaarschijnlijk verdrongen door weemoed. Of erger: door nostalgie. Dat zou in ontaarding hebben geresulteerd – noties als vreedzame geluiden uit de verte, kindergeroep, de plof van een bal.&lt;br /&gt;Hoe moet ik het voorval aan de plomp destijds hebben beoordeeld? Troost putte ik uit het vermoeden dat de onmetelijke ruimte rondom eindig leek. Ongetwijfeld gingen de gedachten naar kerk en school. Jezus, had ik vernomen, was geen kwade jongen. Banger was ik voor zijn pa, die een knappe bol mocht zijn maar het had toegestaan zijn zoon aan het kruis te nagelen (en nog wel met z’n voeten aan elkaar omdat er één spijker over was.) Tamelijk abstracte angst vertaalde zich in de haast tastbare dreiging – groene vingers – om de lucht in te vallen. Ik had daar altijd nare dromen van.&lt;br /&gt;Vermoedelijk greep alles plaats in een enkel ogenblik. Het spreidde zich uit over een middag. Eer ik thuiskwam was het donker, mede omdat ik naar de bal moest vissen die op miraculeuze wijze in de sloot bleek te zijn gerold. ‘Waar kom jij vandaan?’ ‘Nergens.’ Ik meen dat dit antwoord zich niet in een warm onthaal mocht verheugen, maar in een familie met nog acht zusjes lijkt vergeten de beste remedie tegen de eeuwige kwaal die bezorgdheid heet.&lt;br /&gt;Over de gerekte middag hoefde ik mijn vader niet aan te spreken. Als hij terugkwam van de fabriek (hij werkte tegen stukloon in de textielbranche, de gummi binnenzijde van zwemtassen) plofte hij ruggelings op de bank, verwijlde in andere sferen. Dus wendde ik me tot mijn moeder en verschoof het toneel naar de pedagogisch verantwoorde kant van de dijk. Ja maar jongen, je lag toch stevig in het gras, vertelde ze en knoopte haar lange rode haar los. Wat later brak Herman Brood door en in zijn mooiste liedje wist Pé Hawinkels voor hem ‘And I was so sure to loose my mind/ ‘Cause I’m one of a kind.’ Een zeker redeloos geluk in wanhoop, dat was het.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Midden 1988 verkeerde ik – welja, blijf de hoofdpersoon maar&lt;em&gt; ik&lt;/em&gt; noemen – in een impasse. Ik wenste de geschiedenis aan de plomp te laten herleven. ‘Ik ga er goddomme gewoon over schrijven.’ Net als andere studenten Toegepaste Vrijetijdswetenschappen had ik voordien in het diepste geheim pogingen in die richting ondernomen, maar nu was er een onderwerp. Ik vergaarde: park, sloot, bruggetje, afgebladderde verf enzovoorts. Het liep op niets uit. Ik staarde naar een blad vol raadsels. Het leken wel bekentenissen. Daags erna kraste ik alle zogezegd verifieerbare elementen door, herschikte en voilà:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;strong&gt;A priori&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Als je buiten, in gekuild gras&lt;br /&gt;bijvoorbeeld, als je buiten&lt;br /&gt;in gekuild gras ligt, ruggelings&lt;br /&gt;een koe aan katoenen wolken,&lt;br /&gt;als je ruggelings een koe&lt;br /&gt;aan katoenen wolken onttrekt.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Tocht vangen met dotten poolbont.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Je houdt het hoofd een beetje schuin.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Tegen de jaarwisseling zette ik &lt;em&gt;stelpen&lt;/em&gt; in de plaats van &lt;em&gt;vangen&lt;/em&gt; en zond het gedicht naar een tijdschrift. Ik hoorde er niets van.&lt;br /&gt;Omstreeks mei 1989 schrapte ik de bewuste strofe met de dotten. Ik woog het gevolg. Dat handjevol sprieten waarop ik me had neergevlijd was weg. Woordvolgorde, ritme, klank hadden ze bezet. Ik stuurde de verbeterde versie van het gedicht naar hetzelfde tijdschrift. Maanden later kreeg ik een briefje dat het geplaatst zou worden.&lt;br /&gt;Het had er alle schijn van dat ik ging debuteren. Verheugd belde ik een vriend. Hij was narrig, want al zo lang bezig en dit en dat en ik wel. Hij had gelijk. Je verneemt wel eens van figuren wier kap over de wieg al de schaduw van het dichterschap afwerpt. Ik heb nooit de ambitie gekend om te schrijven, ‘A priori’ is me in zeker opzicht overkomen. Tweemaal.&lt;br /&gt;Wel had ik me, nog voor Brood, vol overgave gestort op het pianospel. Al gauw, omstreeks mijn achttiende, bereikte ik de top van mijn technisch kunnen. Geoefende vingers weigerden te gehoorzamen, waar een achteloos opgepakte pen nota bene volgzamer leek. Toch geloof ik niet dat de studie tevergeefs is geweest. Want wat is taal zonder muziek? (Keer deze vraag ook om.)&lt;br /&gt;Het gedicht verscheen. Mijn naam was verkeerd gespeld. Ik werd gewezen op verwantschap met dichters die ik weer vergeten ben. Poëzie had ik nooit gelezen; ze boezemde me, met de nogal godsdienstige neiging woorden serieus te nemen, weinig vertrouwen in – een hipster van lichte muziek tegen een meisje van klassiek in de kantine van een conservatorium: wat jij doet op die viool haal ik al jaren uit mijn synthesizer.&lt;br /&gt;Had ik met het gedicht een ervaring beschreven? Neen. Een belevenis? Al evenmin. Beide laten ze zich navertellen. Daarmee wordt de essentie van het voorval aan de plomp voorbijgestreefd. Talloze mensen zullen iets hebben ondervonden als gesuggereerd in ‘A priori’. Symptomatisch voor geen decennium, vrij toegang voor elke generatie (begrip uit de oliedomdelving). Stel je voor, al dat gras dat maar zo weinig te doen heeft gehad. Wat ermee gebeurt is vers twee. Verwonderde gespitstheid verdient de voorkeur, hetgeen nog niet impliceert dat je zogezegd de ziel van het kind als een toverhemd moet kunnen aantrekken om tot enigerlei verstaan te komen. Een gis ontzag volstaat. Is het mogelijk een autobiografie te schrijven met louter teksten van derden?&lt;br /&gt;Ik ondervroeg eens een ware dichter. Gaandeweg ging ik meepraten. De regels ‘Ik huiver meer/ dan ik nog preek’, uit zijn officiële debuut, legde ik uit als schatplichtigheid aan de traditie boven de eigen stem. En de ware dichter keek me aan en zei: maar in die tijd huiverde ik toch meer dan ik preekte?&lt;br /&gt;Wellicht willen gedichten die de herinnering opzoeken juist een vingerwijzing zijn voor wat komen gaat. Je kunt je er niet op prepareren. Dit behoort tot de volkswijsheden: je verheugt je ergens op, verzorgt de optimale condities en vervolgens valt het ontzettend tegen. Deze dan: je denkt in de zevende hemel te zijn en realiseert je achteraf aan acute sneeuwblindheid te hebben geleden. En tot slot: je wandelt over een straat die je honderden malen belopen hebt, het is een dag als alle andere en opeens ben je doordesemd van geluk. Waarom? Het soort poëzie dat ik hier op het oog heb, delft die momenten op. Het is in zekere zin laf, want ontleedt niet maar verleent fictieve betekenis.&lt;br /&gt;Bij een computer is een Read Only Memory en een Random Access Memory te onderscheiden. ROM valt enkel te lezen. Het huist ín de computer, voorgeprogrammeerd. Altijd aanwezig, ook als het ding uit staat. Niets kan er aan gewijzigd. Je kunt er jouw data aan toevoegen door ze binnen de mogelijkheden van het programma te brengen. Pluis een reepje stof van toen uit tot het weefsel zichtbaar is. Als je daarvan iets wilt behouden, sla je dat met dank aan het RAM op. Het wordt onderdeel van je floppy. Vraag het op, breng er veranderingen in aan. Zelf is het RAM niets zonder jouw wil. De tekst ontbindt zich, weggeschreven in cirkelvormige sporen.&lt;br /&gt;Allemaal hogere wiskunde, en niet eens zo prijzig meer. De vraag blijft wie de bedenker van het ROM is. Deze vooralsnog onbekende zal erom lachen, wat zuur en gedempt bijvoorbeeld, zoals in het slot van Minne’s ‘Sourdine’:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Sommigen, uitverkoren,&lt;br /&gt;microcosmosjes van God,&lt;br /&gt;onder een gunstige ster geboren,&lt;br /&gt;verruimen het lot.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Maar de meesten blijven&lt;br /&gt;binnen de grenzen van zich-zelf.&lt;br /&gt;Alleen de stapels hunner boeken&lt;br /&gt;stijgen tot aan het hemelgewelf.&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Vermeulen had nog alle hoop: ‘Het zal niet lang meer duren of de sensaties en emoties tot welke een kunstenaar ons min of meer dwingend overhaalt, of welke hij ons onthoudt, zullen met voldoende betrouwbaarheid beoordeeld en gecatalogiseerd kunnen worden volgens een percentage van winst of verlies, van voordeel of schade, dat hoorder en toeschouwer boekt die zich aan hen overgeeft. En de kunstenaar zelf zal voor de eerste keer in de historie een criterium bezitten, dat hechter is en onontwijkbaarder dan alle aesthetische of technische bespiegelingen.’&lt;br /&gt;Maak je verhaal af. Ik ben uiteraard teruggeweest naar het niemandsland, al geschiedde dat eerlijk gezegd toevallig (kraamvisite bij één van de zusjes). Het domein was betegeld en diende als parkeergelegenheid. Ook stonden er bordjes bij. Haast gerustgesteld betastte ik het verdwenen gras.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;In: Bas Pauw en Rob van Rossum (red.), &lt;em&gt;Een zegevierend moment. Zeventien epifanieën&lt;/em&gt;. Perdu, Amsterdam, 1994.&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-1472216710051563666?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/1472216710051563666'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/1472216710051563666'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/04/epifanie-2004.html' title='Epifanie (1994)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-339745787975560107</id><published>2009-03-18T23:13:00.003+01:00</published><updated>2009-03-18T23:22:03.541+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='signalement'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>Joost Zwagerman (2008)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;De erfenis van een linkse politiek&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;In ‘Tegen de literaire quarantaine’, de Frans Kellendonklezing 2006, trok Joost Zwagerman van leer tegen auteurs die het ook na 9/11 stielvervuiling achtten actualiteit in hun teksten te laten sijpelen. Zelf heeft hij altijd maatschappelijke thema’s vertaald in fictie en ze rechtstreeks in non-fictie behandeld. Zo verschenen van hem in één jaar twee boeken over de Nederlandse politiek.&lt;br /&gt;&lt;em&gt;De schaamte voor links&lt;/em&gt; is een pamflet, waarin Zwagerman de ontwikkeling van het socialisme schetst vanuit de vermeende hoogtijdagen in de jaren zeventig tijdens het kabinet-Den Uyl tot en met de door de gedoogcultuur van de multiculturaliteit lamgeslagen brekebenen van nu. Vervolgens roept Zwagerman op tot een bredere kongsi van vooruitstrevendheid. Die vindt hij noodzakelijk, omdat de oude socialistische hangijzers geannexeerd zouden zijn door mensen als Fortuyn en Hirsi Ali – wier controversiële film &lt;em&gt;Submission&lt;/em&gt; een première had in een door Zwagerman gepresenteerde aflevering van ‘Zomergasten’. Links zette hen echter weg als bedenkelijke types. Daarmee censureerde het niet alleen de broodnodige discussie, evengoed over de eigen grondslagen trouwens, het ontplooide een morele superioriteit die nergens op was gegrond.&lt;br /&gt;Deze analyse is vaker gemaakt, bijvoorbeeld in &lt;em&gt;Vermoord en verbannen&lt;/em&gt; (herziene druk 2006) door René Marres. Maar waar die, zoals zovelen, links schuimbekkend verlaat, wil Zwagerman trouw blijven. Wel reduceert hij het veelkantige socialisme in Nederland tot de PvdA. Dit vergemakkelijkt het allicht zondebokken te vinden binnen het ooit salonomstotende Nieuw Links, dat heden contraproductief zedenpreekt bij monde van partijbrontosaurussen of niet gepensioneerd te krijgen columnisten. Doordat zij zo blasé geworden zijn, mist men de aansluiting bij wat er in brede kringen leeft. Het zal daarom wezen dat Zwagerman mild is over de huidige leider Wouter Bos, een realpolitiker wiens wisselvalligheid en tegenspraken kunnen worden verklaard uit een wens tegemoet te komen aan zoveel mogelijk diverse stemmen.&lt;br /&gt;In &lt;em&gt;Hollands welvaren&lt;/em&gt;, een verzameling columns, krantenartikelen en opiniestukken over Nederland tussen 2004 en 2008, ligt de voedingsbodem van Zwagermans pamflettistische ideeën; fragmenten blijken zelfs gerecycled. Curieus is dat het hier zeer recente geschiedenis betreft die, van het ene schijnbaar onvergetelijke evenement naar het andere, soms aandoenlijk ver weg lijkt. Ze roept vooral herinneringen op als stof voor het cultuurkritische opiniewezen, waardoor ze veeleer contemporaine geschiedschrijving van de media wordt. Gelukkig gebeurde er meer. Het boek behandelt tevens enige uitingen van lagere cultuur zoals realityshows, reclame en literaire kritiek, waarmee Zwagerman traditiegetrouw blijk geeft van een brede, door uiteenlopende informatiebronnen gesteunde belangstelling. In die gretigheid om uit de eigen darmen te kruipen is hij allerminst wereldvreemd.&lt;br /&gt;Een afdeling heet ‘Het wilde westen’, zoals zijn soortgelijke boek uit 2003 dat ook fragmenten uit het pamflet herbergt. Met die titel, verwijzend naar een staat van exaltatie waarin, getuige hun asocialiteit, onbeschoftheid en exhibitionisme, zijn landgenoten zich volgens hem permanent bevinden, knipoogt Zwagerman tegelijk naar Frans Kellendonks fameuze essay over literatuur en publieke opinie. Deze veel te vroeg gestorven auteur had echter een compromisloze, doorgecomponeerde stijl, terwijl Zwagerman bij zijn bewonderenswaardige empathie en nuance (ook inzake Theo van Gogh) voor alles publieksvriendelijk wil zijn. Een alinea over het voorvoegsel ‘post’ waarin wat stromingen moeten worden genoemd die niet in ieders woordenboek staan, sluit hij af met: ‘bent u daar nog?’&lt;br /&gt;Zwagerman toont zich mijns inziens overmoedig in het tribuut aan Kellendonk, omdat diens titel luidde: ‘Ons wilde Westen’. De eigen positie is daar anders gezegd in de kritiek vervlochten, en precies die laatste, moeilijke stap zet Zwagerman, die veel kracht verspilt aan de weerlegging van andere opinieventers, niet altijd. Hij meent bijvoorbeeld morele superioriteit bij links te bewijzen met inconsequenties: men mocht zich bij het weigeren van militaire dienst beroepen op gewetensbezwaren, terwijl het minder wordt geaccepteerd dat sommige ambtenaren van de burgerlijke stand geen homoseksuelen wensen te trouwen. Dat is een scherpe vergelijking, die tot nadenken stemt. En dan kan men suggereren dat niet-willen-doden een wat andere grootheid is dan geen-contact-aangaan.&lt;br /&gt;Voorts signaleert Zwagerman dat er zelfcensuur plaatsgrijpt in de confrontatie met de islam, uit angst voor persoonlijke represailles én uit een verlangen door niet nodeloos te kwetsen de verhoudingen betamelijk te houden. Hij vergelijkt dit met de ongegeneerde omgang met het christendom, dat maar niet vaak genoeg beledigd lijkt te kunnen worden, zonder dat er iemand naar omkijkt. Ook deze observatie snijdt hout, mede vanwege een vervolgvraag: lang hebben christelijke profanaties wél geleid tot kerkelijke vervolgingen en publieke ontstemming, dus zou de islam nu, deels verplaatst naar een westerse biotoop, een proces doormaken met dezelfde richting? En zo ja, hoe valt die tendens te ondersteunen?&lt;br /&gt;Zelfcensuur, ten slotte, is ook de grootste bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting die Zwagerman te vuur en te zwaard verdedigt. Hij wekt daarbij de indruk dat het hier een autonoom fenomeen aangaat. Maar wordt Het Vrije Woord niet bij voorkeur verleend aan mensen met mainstream gedachtegoed, dat ze bovendien appetijtelijk vertolken? Ook Zwagermans eigen pamflet valt zo te bekijken. Als specimen van zelf geëntameerd debat is het momenteel een gegeerd genre: drie uitgeverijen hebben reeksen lopen met een eigen marktlogica (na twee vermeldingen in verkiezingsanalyses uit de zuidelijke pers: ‘&lt;em&gt;De schaamte voor links &lt;/em&gt;trekt de aandacht in België’). Het zal niet anders zijn voor de wondere wereld der columnistiek. Zwagerman vindt er, als voor elk medium optredende opiniemaker die over alles een snedig oordeel kan produceren, sneller toegang toe dan pakweg een onbekende Vlaming die de algenbloei in de Zeeschelde onderzoekt. Niet dat dit heel erg is, maar op langere termijn misschien wel. Ook moesten ooit kennis en macht gespreid worden.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;Streven&lt;/em&gt;, november 2008&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-339745787975560107?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/339745787975560107'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/339745787975560107'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/03/joost-zwagerman-2008.html' title='Joost Zwagerman (2008)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-7600577892033603605</id><published>2009-03-13T12:02:00.004+01:00</published><updated>2009-03-16T12:35:37.900+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><title type='text'>Meloen (1994)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vanzelfsprekend, “natuurlijk”&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Ik kan niet meer dan denken doen!&lt;br /&gt;Al werd mijn hoofd als een meloen –&lt;br /&gt;De mensen immers zijn eenmaal&lt;br /&gt;Of corporeel of cerebraal.&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Meloen is zowel mannelijk als vrouwelijk en je wilt niet voortrekken. Daarom verwijs je maar met &lt;em&gt;het&lt;/em&gt;. Het gekke is dat het vaak wordt gegeten in combinatie met. Met ham: Ardenner ham of parmaham (en citroensap en zwarte peper). Met ijs. Met drank.&lt;br /&gt;Maar eigenlijk wil je het helemaal niet hebben over eten; je houdt erg van meloenen, zij het niet als gezichtspunt.&lt;br /&gt;Herbie Hancocks solodebuut &lt;em&gt;Takin’ off&lt;/em&gt; opent met ‘Watermelon man’. Hancock dacht door die compositie aan zijn jeugd, geeft er een overpeinzing over – een exclusieve categorie zelfstandige naamwoorden zou het leven dienen te worden geschonken: beginnend met hetzelfde voorzetsel als vereist. Herbie Hancock is geboren en opgegroeid in Chicago. ‘Watermelon man’ roept de beslist allesbehalve voorzichtige loftuitingen in herinnering van de watermeloenverkoper en hoe die zijn rondjes maakte door de achterafstraatjes en steegjes van Zuid-Chicago. The wheels of his wagon beat out the rhythm on the cobblestones, lichtte Hancock desgevraagd toe. Herbie Hancock is pianist, een heel goede, je zegt het maar even.&lt;br /&gt;Je vader werkte tegen stukloon in de textielbranche (gummi binnenzijde van zwemtassen). Als hij thuiskwam plofte hij ruggelings op de bank en kon geen woord meer uitbrengen. Deed hij dat toch, dan had je moeder altijd een part meloen voorhanden. Je vader had een grote mond, maar gebruiken deed hij die niet echt. Dit is een ander verhaal.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Meloen, daar kun je een servetje goed bij hebben. Meloen is een democratische vrucht als je ervan eet. Iedereen krijgt een kleverige mond, beschaafde en vervelende lieden, welopgevoede en vervellende lieden en integere lieden. Iemand zei je eens dat integriteit helemaal uit de tijd is. Maar dat was boven een glas bier en die iemand likt zelfgewenst konten. Van kontlikken voor de goede zaak raak je persoonlijk weinig opgewonden. Een kont smaakt niet naar meloen maar naar gember.&lt;br /&gt;Je hebt wel eens een meloen doorkliefd op jouw hoofd gezet, dat was geen doorslaand succes. Ook liet je ooit een tijgerbrood in de zon liggen, dat rook toen naar meloen. Maar minder zoet, eerder bedorven. Meloen ruikt onbedorven en zondig.&lt;br /&gt;‘Watermelon man’ werd vastgelegd door Rudy van Gelder op 28 mei 1962. Het is gospelachtig van klank en opzet, zoals dat gaat met herinneringen. Je kent een bewerking van Quincy Jones, een begenadigd arrangeur. Hij liet een blazerssectie spelen alsof ze naar een slappe achtervolging van James Bond zat te kijken (in de tijd dat hij nog paard reed). Ook voorzag Jones een mannenkoor van een mallotig chorusje: ‘Wa-ter-me-lon man.’ Dat heeft hooguit met extracten te maken. Het origineel is instrumentaal.&lt;br /&gt;Meloen heeft iets geils en dat is het verkeerde woord. Je bedoelt dat het een vanzelfsprekende, “natuurlijke” opwinding met zich meebrengt, niet opgelegd en zeker niet onbehoorlijk. Een terloopsheid die iedereen wel kent. Dat moet je dan toegeven, na erover nagedacht te hebben.&lt;br /&gt;A. van Duins carnavalskraker over hele grote bloemkolen gaat met een knipoog naar tieten te immens om er als toeschouwer serieus van van de kook te raken. Dat lijkt voorbehouden aan echte kunst, zonder dat die hoog of laag hoeft te heten. In de roman &lt;em&gt;Cynici &lt;/em&gt;(1928) van Anatoli Mariëngof krijgt Olga Konstantinova, idool en vrouw van hoofdpersoon Vladimir Vasiljevitsj, een minnaar. De vele laconieke zinnetjes in de roman kunnen niet verhullen dat Vladimir hieronder lijdt; ze versterken integendeel zijn verdriet. Wel hebben Olga en Vladimir een mollig dienstmeisje, Marfoesja, over wie voortdurend wordt opgemerkt dat ze hout in de kachel doet, de kachel aansteekt, en het vuur brandende houdt. Als Olga bij haar minnaar is, gaat Vladimir midden in een ijskoude nacht naar Marfoesja. Ze doet open, de storm blaast het boerenjakje ‘van haar naakte, watermeloenronde schouders’. Je zou kunnen zeggen dat noodgedwongen de aantrekkingskracht iets is verschoven, van de ene vrouw naar de andere in de directe omgeving en van het ene lichaamsdeel naar de andere.&lt;br /&gt;Had Van Duin ‘meloenen’ gescandeerd, dan waren op het netvlies wellicht aangenamer vormen verschenen. Om te beginnen van borsten, waar je echter nooit van kan genieten omdat het zo’n afgeladen woord is (‘VIEL/ maar een vrucht welk en zat vol van het voldane’). De schil tussen schunnig en aanwakkerend en dat komt niet alleen door het sap dat meloen bevat.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Ja jongens, wat zijn jullie onder elkaar. De meloen stamt van de familie der komkommerachtigen, een even connotatiekleffe vrucht. Maar meestal denk je bij meloen alleen aan de zomer en bij komkommer niet. Ockham zei dat omdat de oorzaken in het verstandelijke deel van de ziel voldoende kunnen zijn het niet noodzakelijk is andere oorzaken aan te nemen.&lt;br /&gt;Een kokosnoot is ongeveer een meloen met baard.&lt;br /&gt;Je hebt reeds gemerkt dat bij het eten van meloenen servetjes goede diensten kunnen doen. Maar wat als je een spleetje tussen je voortanden hebt? Twee servetjes? Dat kan wel eens uitdraaien op een principekwestie.&lt;br /&gt;De geur van meloen is een verwijzende, van voortdurend &lt;em&gt;er niet meer zijn&lt;/em&gt;. Jean Genet liep als jonge man dwars door het snikhete Andalusië. ‘De zon vulde mijn hoofd met lood dat als denken dienst deed en leegde het tegelijkertijd ook weer.’ Dat is meloen, het breekt af én bouwt op. Het voedt zich. Een verwante, want in hetzelfde seizoen furore makende geur als die van zonnebrandolie blijft in het eerste stadium. ‘Op die leeftijd kende ik geen vermoeidheid. Ik droeg zulk een vracht van mistroostigheid met mij mee dat ik er zeker van was mijn hele leven lang te blijven zwerven.’ Aldus Genet. Hier beschrijft hij de absolute leeftijd van meloen.&lt;br /&gt;Later verfunkte Hancock ‘Watermelon man’, op zijn magnum opus &lt;em&gt;Headhunters &lt;/em&gt;uit 1973. Het stond op die elpee en het arrangement was van Harvey Mason. Een fantastische drummer, alleen waarom moeten dergelijke lui mettertijd solo-elpees maken? Eerst vond je die versie weinig aan, als je haar nu hoort ben je ontroerd. Je danst er vaak op, ook ’s winters. En de verbeterde samenstelling van het gewraakte waspoeder Omo Power, dat textiel rein behalve ook gatendicht zou maken, werd per reclame met een gitaristische, rhythm ’n bluesy ‘Watermelon man’ aan de man gebracht, volgens de nog te onbekende uitdrukking knollen voor meloenen verkopen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Er zijn dagen dat je niet aan meloen wilt denken. Eigenlijk heb je nog nooit iemand ontmoet die, tenzij wee geworden, meloen níet lekker vond. Maar dit kan ook andere redenen hebben.&lt;br /&gt;Je kunt nog een tijd doorgaan, ware het niet dat je trek hebt en nu al weet wat de gevolgen zijn als je achter het aanrecht belandt. Wel wil je mededelen dat je boven helemaal niet vaak hebt gelogen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;Jijjajij &lt;/em&gt;1 (winter 1994)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;(Dit stukje is bij wijze van spreken nog niet af of ik besef dat A. van Duin het filmpersonage Joep Meloen creëerde. Tevens biechten lafbekken me op dat ze helemaal niet van meloen houden. En Polets &lt;em&gt;Het gepijnigde haar&lt;/em&gt; laat weten: ‘In de Arabische middeleeuwen dacht men dat, als iemand meloenzaad plantte in een met aarde gevulde menselijke schedel, de aldus gekweekte meloenen de intelligentie vergroten van wie ze at. Kweekte men ze in een ezelskop dan werd de eter dommer en verduisterde zijn geest.’&lt;br /&gt;Voor een vrucht is de meloen zwaar. De schil heeft relatief ook nog een aardig gewicht. Dat geeft macht. In de krant stond dat een man vanaf een balkon op de eerste verdieping meloenschillen in een vuilnisbak op de begane grond wilde gooien, zijn evenwicht verloor, richting vuilnisbak ging en stierf. De krant vermeldde niet hoe het de schillen was vergaan, terwijl algemeen bekend is dat in augustus 1996 de Russische sprintzwemmer Alexander Popov met een mes in zijn nieren werd bewerkt door een Moskouse meloenverkoper. Maar Popov herstelde en kwam terug. Wel gedraagt hij zich sindsdien als een clown, als zijn beroemde land- en naamgenoot, wat van de meloenverkoper niet gezegd kan worden omdat over hem niets gezegd kan worden bij gebrek aan andere informatie dan die uit de dikke duim. We vergeten hem niet.&lt;br /&gt;Piet Meeuse schrijft in &lt;em&gt;Schermutselingen&lt;/em&gt; een bijkans poëticaal verhaaltje over ons onderwerp. Hij beziet de meloen als een vorm van gecontroleerde spanning. De vrucht staat op bezwijken, terwijl hij de indruk wekt kuis en groen en rustig te zijn. En als de meloen zich overgeeft valt hij in moten ineen en schenkt ‘de volle glorie van zijn koele, sappige en roze binnenste, dat even pittig oogt als het flauw smaakt, en als je even later je blik laat gaan over de lege schuitjes van zijn schil zou je zwerven dat hij postuum ligt te glimlachen.’&lt;br /&gt;In Amerika, het land van de ongekende oppompingen, is er een stripteasedanseres die Honey Melons heet. Als Joep nu eens het pseudoniem Youp aanneemt, kan hij haar broer-manager zijn annex beschermheiligman.)&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-7600577892033603605?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/7600577892033603605'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/7600577892033603605'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/03/meloen-1994.html' title='Meloen (1994)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-2420519218220417345</id><published>2009-03-04T21:33:00.003+01:00</published><updated>2009-03-04T21:41:38.381+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='signalement'/><title type='text'>Bert Schierbeek (2005)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;Vogel valt&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;In 1972 publiceerde Bert Schierbeek dit gedicht: ‘vogel zingt / tak breekt / vogel valt / vogel vliegt / vogel zingt’. Het schetst een complete cyclus. De suggestie is dat de opverende jubel van de vogel de tak doet breken waarop hij zit. Maar omdat het beest gezegend is met de gave van het vliegen kan het na zijn val probleemloos opstijgen. Zonder tegenbericht zet zijn jubel zich voort. De mens moet het echter, technische bijstand daargelaten, stellen zonder vliegvermogen. Voor hem zou de val leiden tot de ondergang. Op aarde, welteverstaan.&lt;br /&gt;Deze explosieve miniatuur komt uit Schierbeeks poëziedebuut &lt;em&gt;De deur&lt;/em&gt;. Die bundel is samen met de zes volgende én met verspreid werk nu bijeengebracht in het lijvige &lt;em&gt;De gedichten&lt;/em&gt;. Editeur Karin Evers herinnert er in haar nawoord aan dat Schierbeek al vóór zijn debuut dichtte, maar onderbroken werd. Zijn vrouw Margreetje stierf na een verkeersongeval in 1970. Hun schijnbaar eeuwige samenzijn was voorbij. Twee jaar had de dichter nodig om te concluderen dat wijlen zijn vrouw geen vogel was. Maar wat die conclusie aan poëzie opleverde, gaf Margreetje alsnog voortbestaan. De dichter was een vogel geworden, wiens gezang de ondergang bezwoer. En zijn volgende bundel rapporteerde halverwege pijnlijk nuchter: ‘Hier zit De deur’.&lt;br /&gt;Bert Schierbeek (1918-1996) had toen al een schrijversleven achter de rug. Vanuit de provincie Groningen voegde hij zich tijdens de oorlog in Amsterdam bij het communistische verzet en na wat traditioneel romanwerk kwam hij bij de geëngageerde literaire hemelbestormers de Vijftigers. Uit die groepsgeest verscheen van hem in 1951 &lt;em&gt;Het boek ik&lt;/em&gt;, dat ter plekke zijn tijd ver vooruit was en in de context van Europees modernisme à la Joyce gedateerd. &lt;em&gt;Het boek ik&lt;/em&gt; is een collage en dientengevolge niet op genre vast te pinnen. Het herbergt proza maar evengoed poëzie, op een door ademstoten gereguleerd ritme. Veelal met notitieblokjes opererend vanuit idyllische eilanden, zou Schierbeek daarop voortgaan en hij plakte op de resultaten het etiket ‘proëzie’. Met &lt;em&gt;De deur&lt;/em&gt;, één van de meest aangrijpende bundels uit de naoorlogse letteren, lag dat kennelijk anders.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Het vogelgedicht is één van de vele waarin luttele, smal geversificeerde woordjes tot een conclusie komen die vlijmend is. Een scherf, zou je zeggen, die het onvermijdelijke trauma na de dood van de vrouw weerspiegelt. Het is alsof Schierbeek in &lt;em&gt;De deur&lt;/em&gt; al die scherven bij elkaar veegt zonder ze te lijmen. Verdriet, ongeloof, vriendentroost die als een mantra de mens bestookt (‘de dood, zei Remco / is een ontroering / ik weet nu beter’), dialect, overpeinzing, de plaats des onheils, de natuur: alles glanst.&lt;br /&gt;Misschien is het adequater om een vergelijking te trekken met een film. &lt;em&gt;De deur&lt;/em&gt; bevat panoramische shots én close-ups. Meer camerastandpunten leggen het landschap van de liefde vast. Hoe particulier de aanleiding ook mocht zijn geweest, Schierbeek veralgemeniseerde haar in dezelfde technische beweging. Karakteristiek voor Schierbeeks poëzie zijn korte, nuchtere passages tussen haakjes, alsof de regisseur zijn acteurs adviseert een tearjerker te vermijden. Woord krijgt weerwoord. Dit verleent Schierbeeks werk een principiële meerstemmigheid, terwijl de tearjerker in zijn effect monofoon is en gesloten.&lt;br /&gt;Leestekens versmadend wilde deze dichter ruimte zonder economisch belang en hij schiep openheid: ‘als ie beweegt / is ie een deur // zo ben ik / een deur’. Een perspectief op de verte, dat samengebald zit in het motto: ‘Als er geen vogel zingt, is de berg nog stiller’. Het staat op naam van Zen, die in &lt;em&gt;De deur&lt;/em&gt; verder wordt vereerd in het neologisme ‘verzenking’. Het moet een mate van onthechting verwekken, bewustzijn van een niet-bewustzijn. De bundel eindigt met het woord ‘weg’: als substantief maakt het beweging mogelijk, als bijwoord afwezigheid. Die noties zou Schierbeek exploreren in zijn volgende dichtbundels.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;em&gt;In- en uitgang&lt;/em&gt; (1974) opent met de lange, oorspronkelijk in 1965 geschreven cyclus ‘De val’, waarin Schierbeek onze tijdelijkheid meet: ‘want de nacht kent ons / de dag niet / wat er komt / de val / de vogel die wij bouwen / die in onze ogen woont / die onze handen maken’. Hij signaleert besef van fragiliteit én onmogelijke verlangens. Poëzie kan daar uitdrukking aan geven: ‘de vogel die komt / en zingend ons woorden geeft / die wij niet kenden’. Kennelijk wil de dichter met dat surplus voorbij de verstomming raken, in het volledige besef dat het dorp Eden uit een metafysische atlas stamt: ‘de val / paradijs / de vogels de vleugels / van voor ons gezicht / die wij zagen en maakten / en vliegen’.&lt;br /&gt;Wijkende aardsheid staat ondanks alles in het teken van optimisme. Een precaire houding, die de dichter laat balanceren op het koord van een utopische ambitie. &lt;em&gt;Vallen en opstaan&lt;/em&gt; (1977) meldt: ‘o god / een kop vol vogels’. Die uitroep komt uit het titelgedicht, dat is opgedragen aan personeel en patiënten van het Hilversumse sanatorium Zonnestraal. Even verderop staat: ‘moge ik beseffen / dat het spooksels zijn / van de tussentoestand’. De bundel als geheel kent een opdracht aan Thea, Schierbeeks nieuwe geliefde die hem als het ware terug in de werkelijkheid trekt. In &lt;em&gt;Formentera &lt;/em&gt;(1984) is het evenwicht hersteld: ‘het woord vinden / dat op je lippen besterft / en dan proeven / de wiekslag / van die vogel // ogen dicht // het vluchtige // die wiekslag’. De dichter heeft zijn zintuig voor vitale beperkingen terug. En voor nuchterheid, die in &lt;em&gt;De tuinen van Suzhou&lt;/em&gt; (1986) een eigengereide humor teweegbrengt, bijvoorbeeld in het fameuze: ‘zegt Li: / een pond veren / vliegt niet als / er geen vogel in zit’. Het lood is bij Schierbeek weer uit de schoenen en hij wandelt verder.&lt;br /&gt;Wel komt hij op een leeftijd dat de rebellen van weleer, net als hij (Constantijn Huygensprijs 1991), ten prooi vallen aan eerbetoon. Schierbeek lauwert Lucebert onbeknot in &lt;em&gt;De zichtbare ruimte&lt;/em&gt; (1993): ‘hij is vreesloos / hoeft niet meer / getroost hij is / over zich zelf heen / gegroeid en leeft / dubbel de dichter / eenzame vogel / in zóvéél lucht’. Deze strofe openbaart meteen iets over het aanzienlijke onofficiële deel van Schierbeeks poëtische oeuvre. Het richt zich op bekenden en wordt onvermijdelijk gelegenheidswerk. Een impressie bij een foto van Antony van Lieshout, ‘hout / boom / lijster / lied’, wenkt naar het memorabele vogelgedicht, maar mist kracht. Zoals ooit bij zijn vrouw is er buitenliterair engagement, maar nu met een collegiale kring. Dit maakt de verspreide gedichten voor buitenstaanders vrijblijvend. En aandoenlijk, als hij bijvoorbeeld dicht voor de Zuid-Afrikaanse vrijheidsstrijder Steve Biko.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Postuum kreeg Schierbeek de bundel &lt;em&gt;Vlucht van de vogel&lt;/em&gt; (1996), die dermate slordig blijkt samengesteld en verantwoord dat er in de verzameluitgave een tussensectie voor is ingericht. De dichter lijkt op de valreep wel tot een voorlopige conclusie gekomen: ‘door te vliegen / houden vogels / net als dichters / het raadsel in stand’. En daarmee is de cirkel rond – de mens kent zijn beperkingen, de door hem gemaakte poëzie niet.&lt;br /&gt;Dit schrijverschap heeft altijd te lijden gehad onder de status van het proza dat, sporadisch gelezen, als ‘onbegrijpelijk’ gold. Schierbeeks gedichten vormen dan zogezegd de marge van die marge. Dat is jammer, ook omdat hij op bevlogen momenten wegbereider is geweest voor wat er nu zoal in de poëzie gebeurt. Het laconieke gevecht met het bewustzijn herinnert aan Martin Reints, de geïsoleerde spreekfragmenten aan F. van Dixhoorn, de minimale sferen aan Gillis Boeuf, en het mozaïek van scherven aan Arjen Duinker.&lt;br /&gt;Behoudens Schierbeeks prozagedichten als in zijn trilogie &lt;em&gt;Weerwerk&lt;/em&gt;, &lt;em&gt;Betrekkingen&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;Binnenwerk&lt;/em&gt; staat al zijn absoluut relativerende poëzie nu dus mooi bijeen, vol intieme geschiedenis. De olympische atleet John Akii-Bua heeft er een even vanzelfsprekende plaats gekregen als de parkjogger wiens struikeling over een stronk nu wordt geregistreerd – op talloze homevideo’s. Het nawoord van Karin Evers, die over Schierbeek eerder &lt;em&gt;De andere stemmen&lt;/em&gt; (1993) en &lt;em&gt;Bert en het beeld&lt;/em&gt; (2000) publiceerde, is op één punt hilarisch: dichter noch uitgever heeft zich ooit zwaar bekommerd om de precieze teksten. Dat is in elk geval in de geest van Bert Schierbeek, die als weinig anderen wist hoe vluchtig de dingen zijn. Gelukkig dat dit unieke maar grillige dichterschap toch even is vastgelegd.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Tijd&lt;/em&gt;, 22 januari 2005&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-2420519218220417345?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/2420519218220417345'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/2420519218220417345'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/03/bert-schierbeek-2005.html' title='Bert Schierbeek (2005)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-2417491953316748211</id><published>2009-02-25T23:00:00.003+01:00</published><updated>2009-03-04T21:29:38.050+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='signalement'/><title type='text'>Richard Minne (2001)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘Lijk een effen lijst’&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Toen ik, jong en amper bedorven, poëzie ging lezen, richtte ik me op toegankelijk ogend werk dat een zekere levenswijsheid uitademde. Het genre leek me een &lt;em&gt;ars moriendi&lt;/em&gt;. Een omgekeerde bewijsvoering: bij mijn idee zocht ik geschikt werk. En zoals wetenschappers door hun objectiviteit prettige signalen krijgen van de intuïtie, raadpleegde ik op de bonnefooi bundels die steevast beklijfden als ze waren uitgegeven door De Arbeiderspers en Van Oorschot. Hun fondsen boden genoeglijke troost voor een gemis waar ik geen weet van had.&lt;br /&gt;Zo werd Richard Minne, hergepubliceerd door Van Oorschot (die hem eerde in een initiaal van zijn pseudoniem R.J. Peskens), mijn dichter van het eerste uur. Een bij nacht en ontij te consulteren gezel, die verleidelijke oprispingen de kop in drukte en de dingen terugbracht tot een essentie. Ik zag me met name filosoferen bij de beginstrofe van een gedicht uit de cyclus ‘Rozenkrans’. Daar was mijn exemplaar van &lt;em&gt;In den zoeten inval&lt;/em&gt; opengevallen:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;De beuken staan nog in hun glans,&lt;br /&gt;maar ’t zijn wellicht de laatste dagen.&lt;br /&gt;Het herfst-goud is een zware krans:&lt;br /&gt;nu zal ik naar geen toekomst vragen.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Ik verbond de in haar eeuwige aanwezigheid plechtig op mij overkomende natuur met de notie van wat ik verstrijken noemde. De regels gaven de indruk van een te exploreren diepte. Iets met de dood, die naar goed artistiek gebruik – “de kunst van het weglaten” – onvermeld gelaten werd. Ik vond het eenvoudige rijm eveneens goed. Regels als vuurstenen.&lt;br /&gt;Ook lezend word je ouder. Na enige tijd begon de mij zo dierbare poëzie te ergeren. Ik vond haar bij nader inzien belerend en topzwaar; inzake de fondsen schermde ik met het stigma &lt;em&gt;traditioneel&lt;/em&gt;. Mogelijk werd ik zelf met de jaren jonger. Heden is het me een raadsel wat ik met al dat werk aanmoest. Ik denk vooralsnog dat een antwoord in het raadsel gezocht kan worden. En zoals het gaat met hetgeen je lief is geweest, slaagde ik erin een enkele achteraf gelaakte keuze te verantwoorden als zijnde onontkoombaar. Richard Minne (en Gerard den Brabander) werd de uitzondering op de regel en bleef mijn dichter van het eerste uur. Ik meen nu snugger te zijn met de these dat hij niet in het hem passende fonds zat. Ook las ik het Rozenkrans-gedicht uit:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Ik rust na lang en bremstig zoeken,&lt;br /&gt;en om het hoofd, dat zachte dingen peist,&lt;br /&gt;is de avond lijk een effen lijst&lt;br /&gt;om afgewerkte schilderdoeken.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;De slotregels waren ontluisterend, mede jegens het gedragen begin. Het fijne vond ik dat in kunst, wat poëzie toch heet te zijn, de natuur als kunst ontmaskerd werd. Tegenwoordig geldt dit als een postmodernistisch hebbelijkheidje. Misschien ondermijnde de dichter zijn openingsstrofe ook door het rijmschema te veranderen. De vuurstenen bleken nat.&lt;br /&gt;Ik ontdekte dat Minne in ondermijning was gespecialiseerd. Met anakoloeten tegen het instituut poëzie, met menige regel tussen haakjes tegen bezonken gevoelens. Deze dichter somt maar op en kenmerkt zich door een hyperbewustzijn. Richard Minne woog Richard Minne. Achter elke hooggestemdheid bleek een façade schuil te gaan die zelf van het betere karton was. De essentie die ik gemeend had te kunnen vinden, bestond eruit dat er geen essentie was. Eventuele verwijten van een tekort aan eenheid of het ontbreken van kop of staart, haalt Minne zijn werk binnen en pareert ze zo half. Ook weet hij doodleuk te melden dat hij als persoon permanent verandert, op hem valt evenmin grip te krijgen. Dubbele ringen in fictie van een debunker avant la lettre, die er in zijn verfrissende roman &lt;em&gt;Heineke Vos en zijn biograaf&lt;/em&gt; niet voor terugdeinst taferelen tot een pakje op te rollen en het te voorzien van het etiket ‘Verleden’.&lt;br /&gt;De rozenkrans komt uit een katholieke traditie. Minne, die zich in een gedicht apostaat noemde, heeft een speelse, rekkelijke inslag. Een moralist die niet durft te moraliseren, een torner voor wie het tornen een sport is geworden. Hij dichtte dan wel vrijelijk over Adam en Eva, de geboorte van Jezus en over Noach, het frappeert dat die verhalen een nieuw begin aan de orde stellen. Soms valt het begrip ab &lt;em&gt;ovo&lt;/em&gt;. Ik relateer het aan lijstjes met nog te maken boeken die Minne in het mengelwerk &lt;em&gt;Wolfijzers en schietgeweren&lt;/em&gt; opstelde.&lt;br /&gt;In werkelijkheid publiceerde hij spaarzaam. Officieel vanwege gezondheidsproblemen en inertie, officieus wellicht vanwege een naar afkeer neigende twijfel aan literatuur. Ook werkte Minne op het land, en dat reduceerde de waarde van kunst – inclusief die van de pastorale. Peeën vergden zwaarder onderhoud dan versvoeten. De gedichten waarin hij zijn koe Tobbie vastlegde mogen niet snel vergeten worden, Minnes correctie ‘’t Geeft allebei water en wind’ in ‘van Tobbie komt melk, van mij komt wind’ blijft meer bij. Ze komt voort uit een geconstateerde onrechtvaardigheid jegens de koe.&lt;br /&gt;Dat is de januskop van Minne bij zijn voortdurende ontluisteringen van de wereld: hij hecht aan de wereld. En met al zijn wantrouwen in de literatuur is hij er wel door geobsedeerd, &lt;em&gt;Wolfijzers en schietgeweren&lt;/em&gt; bevat ook de nodige lijstjes van cruciale boeken. Soortgelijke haat-liefdeverhoudingen jegens leven en kunst openbaarde Multatuli. Zoals die kon uitroepen ‘O God, er is geen God!’, verklaarde Minne tegen Dezelfde Figuur dat er niets dan ruimte om ons is en ‘wat hol gepraat/ en mijn verlangen dat vecht naar U.’ Nihilisten die weigeren nergens in te geloven en wel wat hartigers lusten dan gelei.&lt;br /&gt;Even paradoxaal is Minnes onhandig vermonkelde wens om gelezen te worden tegenover de aandrift geen annexaties door ‘de officiëlen en hansworsten’ te ondergaan. De meest gepleegde woorden bij hem zijn waarschijnlijk ‘niet’, ‘geen’ en ‘zonder’. Zijn tijdschrift &lt;em&gt;’t Fonteintje&lt;/em&gt; poogde zich te ontdoen van kwasterig geachte Van Ostaijen-theorie. Minne predikte individualisme en ontkwam bij die vrijheidsdrang niet aan groepsbarricades. Nonconformisme heeft zijn conformistische randjes. Bijwijlen introduceert Minne de dichter, niet als experimenteel ego maar als retorische figuur. Dan geloof ik het wel. Dieptepunt wat dat betreft is het ‘Vademecum voor den dichter’, met zijn studentikoze uitsmijter ‘veracht den burgerman/ doch ledig zijne kruiken’. Komrij nam het op in zijn bloemlezing, &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt; plaatste het in zijn acquitnummer.&lt;br /&gt;Onder dat voor sommigen legendarische blad uit de vorige eeuw is Minne in de literatuurgeschiedenis gevangen. Zijn werk werd in de jaren dertig door &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt; min of meer verbreid. Hoorde hij er ook bij? Ik denk dat de historische toe-eigening van Minne van doen heeft met een tactisch ontzet door redacteur Du Perron in het decennium ervoor. In een enquête vulde hij als favoriete dichter Minne in, waar op grond van de toenmalige verhoudingen en contacten Van Ostaijen mocht worden verwacht. Ik bevroed dat Du Perron met zijn herziene voorkeur oprecht was, zich ontworstelend aan een voor hem idiote invloed. En consequent was door de lijn Minne in &lt;em&gt;Forum &lt;/em&gt;voort te zetten. De gemeende smaak berustte alleen grotendeels op projectie: een nurks gedicht als ‘Afscheid van Pijper, commis-voyageur’ had Du Perron vermoedelijk graag op zijn naam gehad. Hebben kunstenaars en schoolmeesters ooit een ons zaad in de hand gehouden, vraagt boer Minne zich hardop af. Zijn werk staat mijns inziens – ook Boon wees op de verwantschap – dichter bij Van Ostaijen. Zijn poëtica weer niet, maar met dat begrip is minstens zo veel heilloze verwarring gesticht als door de literatuurgeschiedenis.&lt;br /&gt;Minne hoort bij auteurs die onder het kopje &lt;em&gt;Overigen&lt;/em&gt; worden weggezet. Door hun mentaliteit van de eenling, van de dilettant wellicht. Voor Noord-Nederland kan ik dan Pierre Kemp aanstippen of C.C.S. Crone. Ik raak daarmee tegelijk op het gebied van proza, en aan het even mistige als onzinnige onderscheid met poëzie. Minne diagnosticeerde bij zichzelf een ‘hybridische taal’ tussen de genres, mogelijk in de geest van het prozagedicht dat uit progressief Frankrijk was komen aanwaaien. Wel vind ik zijn poëzie beter naarmate ze korter, en zijn proza naarmate het langer is. De logheid die het lezen van Minnes extracten bewerkstelligt, vergt kennelijk toch nog genrewetten. Soms is minder meer, soms is meer meer. Hoe ook, door een eigen, afgebeten toon blijft zijn werk uit duizenden detecteerbaar.&lt;br /&gt;Die toon wordt in de trant van &lt;em&gt;Forum&lt;/em&gt; gemeenlijk aan de spreektaal toegeschreven, en de onderwerpskeuze situeert men in het anekdotische. Naar mijn smaak dient deze vaststelling vooral de overzichtelijkheid van het eenduidige beeld. Voor mij is Minnes werk een bron waaruit allerlei types literatuur, van reactionair tot revolutionair, hebben kunnen ontspringen. Mag het heden ten dage ongewis geworden zijn wat spreektaal nog is, het patois van Minne blijkt al tamelijk heterogeen – inclusief hoogliteraire elementen die door een hedendaagse bril snel een satirische aanblik hebben. Voor zover spreektaal in het geding is, lijkt ze me present op basaler niveau, in het ritme.&lt;br /&gt;De Minne in de schoot geworpen melancholie acht ik een zaak van afpellen. Zijn gedichten zijn veelal bewerend van structuur. Ze bevatten onpretentieuze toestanden, een plakje tegenwoordige tijd (de enige expliciet bedichte kritiek trof Urbain Van de Voorde). Minnes proza heeft die trek nog manifester, omdat het dikwijls is gedateerd. Teksten als notities, in hun uitgebalanceerde terloopsheid hakend naar een deconfiture. Alles staat ten dienste van de opsomming die het individu, doordat het ontluisterd wordt, scherp wil maken, rekenschap wil doen afleggen. Aldus biedt zijn werk minder gauw toegang aan esthetisch te genieten metaforen, hoewel Minne, coulant gestemd als het ware, pareltjes kan uitstrooien. Hij heeft het er in zijn poëzie bijvoorbeeld over dat ’s avonds aan zijn ruit ‘een kever licht komt drinken’. Mogelijk is dat gewoon een waarneming.&lt;br /&gt;Voor mij als doorsnee Hollander is het speciaal dat ik aan Minne hang. De grens bij Wernhout heeft vanuit Noord-Nederland bezien weg van een loopgraaf. Men mag zich daar niet veel illusies over maken. Zelfs het kanon Van Ostaijen klinkt boven de rivieren als een dienstpistool; onlangs hoorde ik een gereputeerd professor met meesmuilende instemming van zijn toehoorders gewagen van ‘de bekende onbegrijpelijkheid van Van Ostaijen’. De reputatie van Gezelle in Nederland is vergelijkbaar met die van Gorter: virtuoos dichter, averechts gedachtegoed. Van de Woestijne raakt niet buiten de poorten van de universiteit. Minne voert hen overigens allen op in gedichten, als bloot onderdeel van zijn werkelijkheid. Ik vrees dat Claus de enige Vlaming is die boven de rivieren enigszins serieus wordt genomen. Fijnproevers lispelen boven het servet over Gilliams en De Haes (die een Minne-fan was). Pernath ligt al te zwaar op de maag en Hertmans is een verplicht laxeermiddel. Een recent fenomeen als Van Bastelaere is in Holland, buiten een circuit dat hem het kostuum van halfgod heeft aangemeten, feitelijk onbekend.&lt;br /&gt;Om een klassieke status zal Minne niet hebben gemaald. Of misschien wel, openbare achteloosheid kan misleiden. Het antwoord op Minnes exacte ambities is ingewikkeld, omdat hij absoluut relativeert. Een rituele heiden in de kerk van de literatuur; de lezer krijgt wijn en edik voor dezelfde prijs. Minnes werk wordt door eelt bedekt. Sentimenten te over in een taal die weerbarstig is, die ondanks aanhoudende zelfanalyses niet onthult. Of moet het evidente sarcasme schaamte bekleden? Minne heeft het, conform zijn debunkingbeleid, zelf gesuggereerd. Wellicht huist in de eeltlaag Minnes authenticiteit, hoewel deze stelling al te pertinent kan zijn.&lt;br /&gt;Een strofe van een ander gedicht uit de Rozenkrans-cyclus, waarmee dit oeuvre voor mij tot leven kwam, geeft dit zelfportret:&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Ik ben, o Heer, slechts als het veer&lt;br /&gt;dat op twee oevers waakt,&lt;br /&gt;maar bij een hoge stroom te keer&lt;br /&gt;halfwege in nood geraakt.&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Minne pendelde tussen de leer der kluiten en de metafysica. Ik denk niet dat hem ooit ergens een aankomst werd bereid. En meende hij eventjes van de grond te raken, dan zal ‘de nachtvogel Skepsis’, personificatie van alles wat bij Minne tussen haakjes staat, hem hebben teruggeplaatst naar datgene waar tijdelijkheid eeuwig is.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;Tijd Cultuur&lt;/em&gt;, 16 mei 2001&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-2417491953316748211?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/2417491953316748211'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/2417491953316748211'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/richard-minne-2001.html' title='Richard Minne (2001)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-1519059904480772803</id><published>2009-02-17T23:04:00.002+01:00</published><updated>2009-02-18T22:38:48.427+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><title type='text'>Karel Doorman (2004)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘Ik val aan, volg mij’&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Hoe was het ook alweer? We schrijven ’40-’45 en na de moffen hadden nu ook de Jappen ons de oorlog verklaard. En daar gingen wij dan tegen vechten. Wij, dat waren de geallieerden, de goeden natuurlijk. En toen kwam er een Slag op de Javazee en was er een koene admiraal, op een vlaggenschip, en die zag de snode vijand, in totáál overtal, en die zeeman riep tegen zijn matrozen ‘Ik val aan, volg mij’. De Ruyter, zo heette dat schip (naar vroeger), en de held heette Karel Doorman. En nadat hij zijn woorden uitgesproken had, richtte hij zijn kanonnen en toen ging hij zonder vrees kopje-onder, met nog wel duizend man.&lt;br /&gt;Dit verhaal ging rond op lagere scholen. Sommigen kenden de datum, 27 februari 1942, en wisten dat de held eigenlijk de functie van schout-bij-nacht vervulde. Minder leerlingen situeerden de strijd, ver weg toch, rond de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. Een enkeling voegde eraan toe dat Doormans opponent de naam Takagi droeg. Maar die wijsneus was een uitslover. Die had wel erg goed naar de meester geluisterd, wat niet meeviel, want de strekking was dat Kareltje Doorman, met alle respect voor zijn dapperheid, zich niet echt optimaal had voorbereid – hij sleurde zijn mannen mee in de ondergang!&lt;br /&gt;Zelf ontdekte ik pas onlangs dat &lt;em&gt;Ik val aan, volg mij&lt;/em&gt; niet de titel is van de autobiografie van Bush junior maar van een boek over ‘militaire blunders van de twintigste eeuw’.&lt;br /&gt;Daarvóór was mij al wel eens verteld dat de wereld gecompliceerder in elkaar steekt dan het lijkt. Karel Willem Frederik Marie Doorman, net als Hitler geboren in 1889, wilde op de Javazee louter zijn eskader sparen. Maar uit Washington had het opperbevel gedonderd het strategisch gewichtige eiland tot het uiterste te verdedigen en zijn chef, luitenant-admiraal C.E.L. Helfrich, droeg hem op de Japanse invasievloot aan te vallen. Doorman vroeg daarop om luchtsteun, maar die zou godsonmogelijk zijn. Feitelijk was er dan nog niets aan de knikker geweest, want ter plekke bleek het geallieerde eskader ongeveer even groot als het Japanse. Zíj kon echter rekenen op luchtsteun. Ook had de American-British-Dutch-Australian-Command, waarover Doorman de tactische orders moest uitvaardigen, te kampen met een gebrekkige seincommunicatie. Zodat hij op de Javazee heel wat commando’s diende te geven, waaronder ‘&lt;em&gt;All ships follow me&lt;/em&gt;’. De slag duurde in totaal zeven uur; Doorman zelf lag reeds na anderhalf uur met kruiser en al bij het plankton. Wel werd hij een paar maanden later postuum tot ridder geslagen in de Militaire Willemsorde.&lt;br /&gt;In &lt;em&gt;Fredy Neptune&lt;/em&gt; van Les Murray, waar een zeer zeevaardig persoon oorlogen ziet beslechten, staat: ‘Jammer dat je wat je laatste woorden kunnen zijn niet eenvoudig maakt / voor een eenvoudige luisteraar.’ Daarom houdt mijn oor zich graag bij de zeer vrij vertaalde, diets klinkende variant van Doormans saga. Temeer omdat de komma in ‘Ik val aan, volg mij’ twee houdingen jegens de werkelijkheid van elkaar lijkt te isoleren. Je zou die kunnen hechten aan evenveel hoofdfiguren uit een legendarische roman van een man die bij een andere zeeslag, die bij Lepanto in 1571, volgens de één zijn hand verloor en volgens de ander er slechts aan gewond raakte.&lt;br /&gt;De eerste houding, waarbij het accent ligt vóór de komma, volgt het lagereschoolverhaal op de voet. Je kunt dat verbinden met de figuur van Don Quichot. Volgens de reproductie van Cervantes’ roman vecht hij tegen windmolens. Doorman wordt dan een lijder aan zuiverheidswaan. Hij gelooft in iets waarvoor hij, tegen elke realistische inschatting van winstkansen in, zijn stinkende best doet. Hij valt aan, voorop in de strijd voor zijn goede, grote zaak die gepersonifieerd is in het verheven damesidool Dulcinea. Onophoudelijk draait de gebedsmolen van zijn permanente innovatie. De stuntelaar vertrouwt op maakbaarheid! Ziet hij dan niet dat de aarde rustig doordraait, overschreeuwt hij zich niet, vals zelfs als een raaf? Om zo iemand kun je lachen, je kunt zijn altijd wat beschamende wapenfeiten ook verzwijgen of je kunt er zo’n beetje bij in de buurt blijven hangen omdat het, eerlijk gezegd, wel iets hééft, zo’n levensinstelling zonder zichtbare twijfel. Zonder de blutsen op te lopen dan.&lt;br /&gt;De tweede houding, waarbij het accent ligt achter de komma, valt te plakken op de figuur van Sancho Panza, die zich wel bewust is van tot hoe ver iets mogelijk is en waar en wanneer dus Operatie Bakzeil van start gaat. Hier doemt vermoedelijk de pragmaticus op die Doormans ‘volg mij’ ampel overweegt. En voor die haalbaarheid moet hij vooral scherp op anderen letten, want hij is met veel inborsten. Zo kent hij per definitie een vertraging in zijn denken en handelen, en heeft warempel wel iets van een papegaai. Hij ageert niet, hij reageert. Van de mooie principes van de Don voor het algemeen belang vreest hij bijvoorbeeld dat ze tot heel pijnlijke gevolgen kunnen leiden bij de enkeling. En die beschaafde praat van Dulcinea is pancake over nuffig egoïsme, dat zegt toch iedereen. Heden ten dage weet hij dat ‘de jaren zeventig’ passé zijn of dat elk politiek systeem al sinds 1989 zijn failliet heeft bewezen. Dat heeft hij bovendien gezien of gelezen.&lt;br /&gt;Laat Don Quichot het niet horen! Dat soort nieuwsgaring zou hij aan de hoogste wiek van zijn windmolen knopen. En herinnert hij het zich goed dat de criticus (critici) het in die gewraakte jaren zelf wél met hem eens was? Betekent dit dat de mens is veranderd of de tijd? Maar indien de Don nu leefde, zou hij met zijn eigenwijze kop vast denken dat veel gebezigde epitheta voor Panza’s bronnen als ‘kritische journalistiek’ en ‘onafhankelijke media’ proeven waren van een contradictio in terminis.&lt;br /&gt;Descartes stelde ooit: &lt;em&gt;cogito, ergo sum&lt;/em&gt;. Een mooi idee, maar heden ten dage wellicht niet erg realistisch meer. In een weinig opwekkend, maar geenszins heel erg onbelangrijk boek nam ik onlangs kennis van het zogeheten nouveaucartesianisme. Het zou berusten op een ‘Ik praat na, dus ik besta.’ Leuk gevonden, wat dichter bij de werkelijkheid al, maar wie durft er nog een ik te zijn? Ik denk dat de auteur, met alle respect, in zijn snuggerheid alweer achterhaald is. Descartes’ adagium zou op doormaniaanse wijze dringend moeten worden gehermoderniseerd: ‘Wij volgen, dus wij bestaan.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 19 december 2004&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-1519059904480772803?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/1519059904480772803'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/1519059904480772803'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/karel-doorman-2004.html' title='Karel Doorman (2004)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-3445475180957553710</id><published>2009-02-16T23:24:00.005+01:00</published><updated>2009-04-27T23:21:18.017+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><title type='text'>Guido Gezelle (2004)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘’k Hoorde zo geern de vogeltjes schuifelen’&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;In het Engelse klooster van de reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus te Brugge lag Guido Petrus Theodorus Josephus Gezelle, 69 jaar oud, klaar voor de Grote Reis. Het nare abces achter zijn linkeroor mocht weggesneden zijn, het vertrek leek onafwendbaar. Gezelle was bijna voortdurend buiten bewustzijn, stiet krasse Engelse kreten uit en kreeg bij wijze van sacrament een kwart hostie op de tong. Daarna zakte hij weg, plengde soms nog een bevinding in het West-Vlaams. ‘’k Hoorde zo geern de vogeltjes schuifelen’, dat was zijn laatste. Toen ging hij. Het was 27 november 1899, één uur ’s middags.&lt;br /&gt;Aldus een ooggetuige, Caesar Gezelle, vijfentwintig jaar later in het &lt;em&gt;Noordbrabantsch Dagblad&lt;/em&gt;. Eerder had hij in zijn biografie uit 1918 over zijn heeroom een alternatieve versie gegeven, waarbij de stervende ten slotte gezegd had: ‘Ik heb geleefd in simplicitate cordis en veritate’. Maar dat van die vogeltjes was uiteraard adequater. De priester-dichter, die reeds als seminarist de lof prees van zijn zanggebroeders die wistelen en teutelen, knoteren en kneuteren, tjielpen en tiereluiten, had in &lt;em&gt;Rijmsnoer &lt;/em&gt;uit 1897 dan immers voorbeeldig geannuncieerd: ‘Avondstond, mij willekome / daar en ruit geen vogel meer’.&lt;br /&gt;Caesar is niet de enige die het leven van Gezelle opgetekend heeft. Petekind Stijn Streuvels deed het. En onder anderen Christine D’haen, met een uitgekiende selectie van feiten en citaten – een constructivistische stoel, vergeleken bij de bebloemde kussens op geloogd eikenhout van Gezelles recentste biograaf Michiel van der Plas. Die kwantiteit aan levensbeschrijvingen is opmerkelijk: in de Lage Landen zijn ze zeldzaam, ook voor literatoren. En helemaal inzake een tamelijk onspectaculair bestaan dat ambtshalve de ‘kwae genegenheid’ van ‘den lust tot dierlijk vermaeck’ onderdrukte. Maar Gezelle was niet zomaar een verzenbakker. Dit bewees andermaal de polemiek bij zijn honderdste sterfjaar in 1999. Benno Barnard had voor &lt;em&gt;Knack &lt;/em&gt;geboord in de reputatie van de dichter, waarna bleek dat Gezelle nationaal cultuurbezit was, afgescheiden door piketpaaltjes. Gelukkig bracht de bonje ook frisse interpretaties, met name door Erik Spinoy, die Gezelles poëzie een toekomst schonken.&lt;br /&gt;Dat uitgerekend de Hollander Barnard de lont had ontstoken, mocht passend heten. Guido Gezelle was onder de slogan ‘In Vlaanderen Vlaams!’ een hoeder van de taal, die de noorderburen, minstens zo erg als ‘den franschen vijand’, volgens hem naar de vaantjes hielpen. Hij haatte die loochenaars van katholieken daar, alsmede pedante protestanten. Een zelfbewustzijn moest gekweekt, gepaard aan heemkundige kennis, en hij conserveerde in het bijzonder het West-Vlaams in een duizelingwekkend en consciëntieus kaartsysteem, zijn &lt;em&gt;Woordentas &lt;/em&gt;(waar het Woordenboek der Nederlandsche Taal veel profijt van heeft gehad). Dik twee decennia vóór het honderdste sterfjaar was er trouwens vanuit dezelfde perfide natie gesodemieter geweest, toen Fons Sarneel het gewaagd had kritische noten te kraken in een Gezelle-lezing, die nota bene in &lt;em&gt;Ons Erfdeel&lt;/em&gt; werd afgedrukt. Wat dat betreft is het wachten tot Ilja Leonard Pfeijffer bij zijn grondige exploraties naar waar het klotst in de poëzie ontdekt dat het ‘krinklende winklende waterding’ staat voor de, om het in rond Latijn te zeggen, penis. Of dat Onno Blom weer eens een prachtscoop heeft, als een bevriende antiquaar een briefsnipper van Gezelle gaat veilen met de ontboezeming ‘(…) ’k zou zo geern vogelen (…)’.&lt;br /&gt;Geheel volgens de geografische wetten die het literatuurbedrijf regeren, was het anderzijds een (halve) Hollander die Gezelle had opgestuwd in een meer artistieke canon. In 1954 gaf Paul Rodenko hem een prominente positie in de bloemlezing &lt;em&gt;Nieuwe griffels schone leien. De poëzie der avant-garde&lt;/em&gt;. De Bruggenaar herrees eruit als oermodernist, vader van een lijn die over Van Ostaijen naar Andreus zou voeren. Wel kreeg hij zo plaats in een – voor Holland onvermijdelijk – esthetisch pantheon, en dat had Gezelle misschien niet geambieerd. Zijn priesterschap was er wellicht debet aan dat hij voor alles moralist was. Hij kantte zich tegen het ‘progrès’, dat door technologische ontwikkelingen als de ‘ijzerwegen’ gestalte had gekregen. Het volk kon genoegen nemen met de natuur, bestierd door de Almachtige Vader, en moest zich niet laten meevoeren door de ijdelheid der wetenschappen. In Holland had Isaäc da Costa overigens in 1823 al &lt;em&gt;Bezwaren tegen den geest der eeuw&lt;/em&gt; gepubliceerd, evenzeer tegen het optimisme dat aan de Verlichting was ontsproten. Ironischerwijs is Gezelles werk inmiddels ontsloten op cd-rom, en bestaat er een heuse website over hem.&lt;br /&gt;Terwijl Da Costa nogal onleesbaar is geworden, doet Gezelles poëzie fris aan. Technisch is ze veelal voorbeeldig, en soms zelfs speels. Dat de betekenis van menige term slechts in dialectwoordenboeken voortleeft, maakt hem bij gedachteloze lezing, die voor sommigen genieten inhoudt, dadaïstisch. Maar wie Gezelle koppig wil volgen in zijn moralisme, strandt op een tergende neiging tot simpelheid, een onverteerbaar geworden idylle in zijn wereldbeeld. Wie een dichter vervolgens uit een raar soort behoudzucht ontideologiseert, vermoordt hem. ‘Poëzie = woordkunst’, zei Van Ostaijen terecht. Maar het kan niet zijn dat het bij kunst ophoudt, in welke variant van klinkklank tot virtuositeit ook.&lt;br /&gt;Zelf meen ik dat Gezelle ons vandaag wel degelijk iets te zeggen heeft, dat uitgerekend in verband staat met zijn afkeer van het progrès. Ik zie zijn poëzie in het licht van een ander gesloten wereldbeeld: dat van de globalisering. Om ons efficiënt te verplaatsen zijn vliegvelden, wegen en rails aangelegd. Gezelle toont ons al het groen dat daartoe heeft moeten verdwijnen en dat zijns inziens, door de hand van God, evenzeer bemiddeld was ontstaan. En na voltooiing van een traject ben je nu kreukloos op de plaats van bestemming en is elk verleden als het ware horizontaal weggezogen – Bush die op een vliegdekschip wordt gedropt om aan wat mariniers en wereldpersen te vertellen dat zijn zelfgeschapen oorlog tegen Irak opgelost is. Wezenlijk, zou je denken, is er bij die verplaatsing niets belééfd. Gezelle toont ons in verticale bezieldheden wat ervaring is, in de tijd en in de ruimte. Dat zijn ultramontaanse teksten daarbij op hun beurt statisch zijn, wordt van secundair belang. Wel is door zijn onderhuidse twijfel aan de bemiddeling het late gedicht ‘Ego flos’ zonder voorbehoud modern.&lt;br /&gt;Gezelles moraal behelst de antipode van wat markteconomisch gladgestreken lijkt maar een groeiende woestenij is, en biedt een glimp van een nog niet onttoverde wereld. En zo kan bijvoorbeeld deze aantekening uit de nalatenschap doen rillen: ‘gekwetste boomen / gij berken wit’. Bij de zalvende, over het algemeen montere toon van Gezelles gedichten heeft dat mij altijd gefrappeerd. Opgaand nog hoger dan de vogels naar de hemelen, staat zijn poëzie in het teken van een verlies.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 24 augustus 2004&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-3445475180957553710?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3445475180957553710'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3445475180957553710'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/guido-gezelle-2004.html' title='Guido Gezelle (2004)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-9051407245090776578</id><published>2009-02-10T23:30:00.003+01:00</published><updated>2009-09-05T16:41:12.950+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='humor'/><title type='text'>Tommy Cooper (2004)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘Hahaha’&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Het was 15 april 1984, op het podium van Her Majesty’s Theatre in Londen, toen Tommy Cooper, voor het oog van miljoenen televisiekijkers, tijdens zijn act ineenzeeg – een acute hartaanval. Hij stierf kort daarna, om precies te zijn tien minuten later in een ambulance, een voldoende scherpe tijdsboog om te kunnen spreken van ‘sterven in het harnas’. Cooper was immers een podiumbeest, een komiek. Dat het in de zaal aanwezige publiek in eerste instantie om het neerstorten moest lachen, kan als bewijs gelden van Coopers vakmanschap. Ietwat hees lachte hij zelf overigens steevast het hardst, zij het eenmalig dus niet als laatste.&lt;br /&gt;Thomas Frederick Cooper werd geboren op 19 maart 1922 te Caerphilly in Zuid Wales. Hij maakte deel uit van de scouts, misschien geïnspireerd door zijn opa die in India gestationeerd was geweest en de auteur zou zijn van het standaardwerk &lt;em&gt;Tips on the manly art of mapfolding&lt;/em&gt; (Benares, 1870). Zeker is dat Tommy scheepstimmerman en bokser was, en uiteindelijk in het bange jaar 1940 in het leger ging. Daar kwam hij bij de cavalerie en in Egypte raakte hij gewond. Hij maakte van die nood een deugd door, als een Britse versie van Bob Hope, de manschappen te vermaken. Eigenlijk wilde Cooper optreden als goochelaar maar tijdens de auditie mislukte zijn truc, ongetwijfeld met een touw of een zakdoek of een speelkaart, en dat vonden de keuzeheren veel leuker. En bij een gig in een café te Caïro was Cooper zijn helmhoed vergeten en leende van de dienstdoende ober zijn fez. The rest is history, zegt men dan: het hoofddeksel zou zijn handelsmerk worden.&lt;br /&gt;Met wat Pierre Bourdieu de ‘retrospectieve illusie’ noemt, wordt het verleidelijk Coopers sneven in het goochelwezen als de notoire tragiek van de komiek te beschouwen. Zeker als het leven in kwestie zich ontrolt ‘vanaf een oorsprong, voorgesteld als een vertrekpunt maar ook als een eerste oorzaak of, nog beter, een grondbeginsel, tot aan een einde dat tegelijk doel is’. En dat Cooper dan af en toe een truc deed die wél slaagde, past bij de lach en de traan. Cynisch gesteld had hij zich bij zo’n coherent gepresenteerd en voorbeschikt leven geen betere dood dan die in het harnas kunnen ensceneren; het zou een teken zijn aan de wand van wat &lt;em&gt;historians&lt;/em&gt; menen te zien. Het geval wil alleen dat Cooper nog een tijdje militair bleef. En dat hij, na in 1947 afgezwaaid te zijn, met wisselend succes een music-hallact probeerde, pendelend tussen televisieshows en de reguliere bühne van het variététheater. Er was een tijd dat hij 52 shows per week gaf.&lt;br /&gt;Pas rond het midden van de jaren zestig was Coopers roem gevestigd, uiteraard met de iets te strakke rode fez op het hoofd, waar zijn haar op oorhoogte uit piekte. Wel bleef hij verknocht – en volgens deskundigen intrinsiek vaardiger – aan podium en zichtbaar publiek, en versmaadde daar soms fijne televisieoptredens voor. Dat kon ook, omdat hij een lucratieve artiest was geworden all over the world. In 1977 kreeg Cooper te Rome zijn eerste hartaanval en toen zijn longen ook begonnen op te spelen, moest hij eigenlijk het sigarenroken opgeven.&lt;br /&gt;Dat er na zijn dood een levendige industrie met gadgets ontstond, berust vermoedelijk op de vele Tommy Cooper-shows die, ingezet met de zelf ingezongen standard ‘The Sjeikh Of Araby’, de beeldbuizen aller landen niet-aflatend leken te vertonen. Er doemde daar minder een komiek uit op dan een komische strategie. Er is en blijft het goochelen, waarover hij in 1975, verlucht door grappen, een boek schreef: &lt;em&gt;Just like that!&lt;/em&gt; De titel bevat al iets van de verbazing die zogenaamd in Coopers bolle ogen te lezen viel, wanneer een truc lukte. Per ongeluk? Het is eigenlijk nooit duidelijk geworden of het publiek stiekem verwachtte dat de illusionist zijn vaardigheden beheerste – de clou is vooruitgeschoven. Daarnaast pleegde Cooper grappen die zo flauw waren dat ze de luisteraar tergden, hem boos maakten bijna dat zijn lichaam ze klaarblijkelijk toch leuk vond: ‘So I got home, and the phone was ringing. I picked it up, and said “Who's speaking please?” And a voice said “You are”.’&lt;br /&gt;Er zit in dit citaat iets wat ik de Tommy Cooper-ervaring wil noemen. Op gezette tijden heb ik die. De recentste was bij een concert van Sonny Rollins, waar een man &lt;em&gt;African percussion&lt;/em&gt; heette te spelen (met een zelfde waarschijnlijkheidsgraad als dat koning Boudewijn moslim was). Voorbij de helft van het concert wees Rollins de man een solo toe en ik zag hem naarstig om zich heen kijken. Wat nu? Hij greep naar elk dingetje dat hij rondom zich kon vinden, slingerde eraan op diverse afstanden van de microfoon en toen waren alle materies uitgeput. En opeens zag hij op een meter afstand een met huid bespannen doos, waar hij zich letterlijk op stortte en die hij met handen en voeten begon te bewerken. Het duurde ongeveer tien minuten, volkomen uit de context en het publiek vond het fantastisch.&lt;br /&gt;De Tommy Cooper-ervaring berust hierop, dat je je plots realiseert op aarde geworpen te zijn. Als enige, terwijl iedereen er allang blijkt te zijn. De anderen kijken je zo welwillend aan dat je er verlegen van wordt. Ze scheppen een verwachting die je geneigd bent &lt;em&gt;te voldoen door iets te doen.&lt;/em&gt; Je probeert wat, telkens iets anders en telkens krijg je reactie. Gaandeweg lijkt het er sterk op dat je bestaat. Een binnenstebuiten gekeerd solipsisme.&lt;br /&gt;De show waarin Cooper zijn einde vond, kwam voort uit een samenwerking met confrater Jimmy Tarbuck. De mannen kenden elkaar sinds 1964. Na zeven minuten sloeg de ster tegen het canvas, de gordijnen gingen dicht. Het publiek hoorde Cooper hevig ademen door zijn opgespelde microfoontje en lachte: hij zou toch niet in slaap gevallen zijn?! Zelfs Tarbuck verkeerde in de veronderstelling dat zijn kameraad iedereen weer eens bij het ootje nam, al was het wat raar dat deze mond-op-mondbeademing kreeg. En omdat de show sowieso verder moet, ging Tarbuck na een commercial break het podium op en begon, zonder precies te weten wat er hand was, moppen te vertellen.&lt;br /&gt;Joseph Brodsky: ‘In echte tragedies sterft niet de held, / maar sterven scheurend, avond na avond opgesteld, / de versleten coulissen.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 30 juni 2004&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-9051407245090776578?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/9051407245090776578'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/9051407245090776578'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/tommy-cooper-2004_10.html' title='Tommy Cooper (2004)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-8379926750965370685</id><published>2009-02-10T23:18:00.009+01:00</published><updated>2009-09-05T16:40:46.182+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='humor'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>Lenny Bruce (2004)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘Do you know where I can get any shit?’&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Als we Catherine Hardwicks onthutsende film &lt;em&gt;Thirteen&lt;/em&gt; mogen geloven, weet de Amerikaanse jeugd van tegenwoordig langs welke kanalen de chemie je zoal in hogere sferen kan brengen. Geïnspireerd door de president, die in zijn jonge jaren dikwijls een frisse neus moet hebben gehaald? In natuurlijke samenstelling schijnen De Middelen heilzaam te zijn: lurken de Tibetanen zich er niet erg oud aan? Men moet plezier hebben en daarbij wat presteren, liefst een beetje bijzonder. Vooral in de kunsten is het gebruikelijk toevlucht te zoeken tot de stimulantia. Jazzmusici lijken van stonde af intraveneus te zijn gevoed en voor zover het nog niet bekend was, geeft Marcus Boons &lt;em&gt;The Road of Excess&lt;/em&gt; (2002) een historisch overzicht van auteurs wier wapenfeiten mede uit de dope ontstonden. Sartre komt eruit tevoorschijn als een wandelend Bhopal. Een boterhammetje met bruine suiker volstaat niet steeds als de ratio moet opgerekt om het ding an sich nabij te komen.&lt;br /&gt;Dergelijk spul mag worden aangesproken, zolang er een wettelijk verbod op rust. Vermoedelijk is deze dubbele moraal de kick; iedereen beseft dat de laatste taboes wellicht integriteit en oprechtheid zijn. Volgens die spelregels kon Clinton verklaren dat hij in een paradijselijke era wel hasj had gerookt maar niet geïnhaleerd: destijds moest de economie ook voort. Hoe officieel de &lt;em&gt;war on drugs&lt;/em&gt; wordt gevoerd, de staatskas zou knarsen wanneer ze niet indirect werd gespekt. Zo is het altijd geweest – de foto van Nixon en Elvis die een antidrugsbeleid bezegelden met een handdruk waarmee ze elkaar overeind hielden.&lt;br /&gt;Toch heeft openlijkheid een grens. Lenny Bruce ondervond dat. Geboren in 1926 te Brooklyn als Alfred Leonard Schneider, was hij in de Tweede Wereldoorlog boordschutter, die in het Middellandse Zeegebied ballistieke furore maakte. Nadien ging hij de showbusiness in en was wat nu een stand-upcomedian heet. We schrijven het Amerika van de jaren vijftig waar naast de communist een ander spook altijd welkom was. Bruce geloofde in sick jokes, in het stukpraten van door wegzien gebrandschatte connotaties. ‘Klaar is een bijwoord. Komen is een werkwoord, een onovergankelijk werkwoord. Klaar komen.’ Ze waren niet alleen moderne jazz, op scatwijze gebracht, ze behelsden een antidotum voor de gezonde humor van collega’s die repressiviteit serveerden op een bedje van goocheme hypocrisie: ‘Als nou iemand hier of waar ook ter wereld deze woorden decadent, obsceen, immoreel, amoreel, aseksueel vindt, als je denkt dat ik ze absoluut tegen je moet zeggen en jij merkt dat je ze verschrikkelijk graag wilt horen, dan kun je waarschijnlijk niet klaarkomen.’&lt;br /&gt;De autoriteiten deelden dit geloof niet. Het laatste decennium van zijn leven stond Bruce bijna permanent bloot aan justitionele vervolging. In oktober 1961 werd hij in San Francisco bij een act gearresteerd wegens obsceen taalgebruik. Hij noemde namen, gaf het publiek wat het wilde horen en niet weten – routinebeschimping. Zelfs vertelde Bruce doodleuk dat zijn succes volgde uit de segregatie die hij op velerlei fronten bestreed. En hij was al zo groovy dat hij kon gelden als een expert in het schenden van de opiumwet. De werkgelegenheid slonk, rechtszaken stapelden zich op en Bruce moest zich oppeppen voor de goede zaak. Zijn allengs narcistischer wordende geest had gelijk, zijn lichaam niet. Op 3 augustus 1966 werd Bruce aangetroffen op een openbare wc in Los Angeles, een naald stak in zijn arm. Sectie wees uit dat hij was gestorven aan een overdosis morfine. ‘Do you know where I can get any shit?’ zou hij nog gevraagd hebben.&lt;br /&gt;En Amerika verstouwde wat jointjes en brouwde uit destructie gul een mythe, zeker toen de antipsychiatrie met een niet wezenlijk te peilen engagement gekte als normaal ontmaskerde. Bob Fosse kon in 1974 met de in stemmig zwart-wit geschoten biopic&lt;em&gt; Lenny&lt;/em&gt; goede sier maken (Dustin Hoffmann speelde de hoofdrol). In de Lage Landen was er Jotie T’Hooft en met &lt;em&gt;De moeder van David S. &lt;/em&gt;maakte Yvonne Keuls de drugsproblematiek aan gene zijde van de relaxtheid bespreekbaar. Geïnstigeerd door types als Lou Reed en David Bowie met zijn Berlijnse elpees was ook popmuziek rijp voor het heldendom van de verschoppeling met de lonkende aderen. Cornets de Groot heeft in &lt;em&gt;Met de gnostische lamp&lt;/em&gt; beweerd dat in de twintigste eeuw van de jeugd de jaren vijftig de nozem opleverde, de jaren zestig de provo, en de jaren zeventig de junkie. Ontegenzeglijk had drugs een romantische aura. Maar die verbleekte.&lt;br /&gt;Punk, vies van vredespijperij, eiste in Sid Vicious een ostentatief heroïneslachtoffer en de film &lt;em&gt;Christiane F. Wir kinder von Bahnhof Zoo&lt;/em&gt; bracht de boodschap dat drugs een hoop ellende veroorzaken. Inderdaad had Bowie zich alweer een ander imago aangemeten. Drugs werd geassocieerd met criminaliteit en winstbejag, later bijvoorbeeld door houseparty’s, waarbij pilletjes uit duivelse laboratoria een onlosmakelijk onderdeel blijken van de vrijetijdspret.&lt;br /&gt;Bruce’s jaren raakten museaal. In het nummer ‘It’s The End Of The World As We Know It’ voert REM hem ten tonele: ‘The other night I dreamt of knives, continental drift divide. Mountains sit in a line, Leonard Bernstein. Leonid Brezhnev, Lenny Bruce and Lester Bangs.’ In Don DeLillo’s roman &lt;em&gt;Onderwereld&lt;/em&gt; (1997) vertolkt Bruce het kosmopolitische verzet tegen de Varkensbaaiaffaire: ‘zijn lichaam in de losse slappe houding van een bebopper; hij had een antracietgrijs pak aan, Europese stijl, zonder schoudervullingen en met halve revers, en droeg een dunne donkere gebreide das en keek met die Newyorkse, Levantijnse blik.’ DeLillo laat Bruce de afgewende wereldcrisis uitduiden uit het feit dat Kennedy, die evenmin op een pilletje meer of minder keek, de paus had gebeld. En de performer valt terug in zijn witzen.&lt;br /&gt;Eind 2003 kwam het bericht dat George Pataki, gouverneur van de staat New York, Bruce vrijsprak van belediging. Lenny was er in 1964 opgepakt, nadat hij bij een show in Café a Go Go – naar een telling van politiemannen in burger – meer dan honderd keer ‘fuck’ had gezegd. Veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf verliet hij New York, en kwam niet meer aan de bak. Na 37 jaar, veilig opgeborgen in Gods Hall of Fame, kreeg Lenny alsnog gratie, omdat de vrijheid van meningsuiting klaarblijkelijk telde. Een welkom voorbeeld voor de jeugd.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 10 maart 2004&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-8379926750965370685?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/8379926750965370685'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/8379926750965370685'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/lenny-bruce-2004.html' title='Lenny Bruce (2004)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-6658679192172935510</id><published>2009-02-10T23:13:00.007+01:00</published><updated>2009-03-04T21:30:31.342+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>José Ortega y Gasset (2004)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘In dit land kan men niet eens meer in vrede sterven’ &lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Iedereen schijnt een absolute leeftijd te hebben, rijmend met een mentaliteit die zich hoogplatonisch uitkristalliseert. Na geboorte word je wie je was. Ook bestaat er een relatieve leeftijd, waarop een onweerlegbare prestatie geleverd is. Daarna kun je maar beter uitscheiden – het vel zal lubberig worden. Dat is de wet van de mentale dermatologie: over sommige verdiensten, al zijn ze onbedoeld, raak je nooit heen. Je sterft met je eigen, tot de eeuwigheid gedegradeerde wonder.&lt;br /&gt;In het licht van laatstgenoemd fenomeen was het voor mij bizar te vernemen dat José Ortega y Gasset is overleden in 1995, wetend dat zijn &lt;em&gt;La Rebelión de las Masas&lt;/em&gt;, spreekwoordelijk geworden in de wat bijgevijlde vertaling &lt;em&gt;De opstand der horden&lt;/em&gt;, uit 1930 stamt.&lt;br /&gt;De titel verwijst naar onstuimig consumerende massa’s die de Spaanse denker rond zich zag opdoemen, de steden van het oude Europa uitgietend met ‘volheid’. De op zich problematische aristocratie is ingeruild voor een hyperdemocratie, waarin naar materieel gewin en lust wordt gehandeld. Terwijl futuristen weinig tevoren snelheid en een grote schoonmaak van het verleden hadden aanbevolen, bepleit Ortega, die zijn vaderland al eens de rug toegekeerd had, rust en bezinning op de geschiedenis. Zijns inziens anachronistische stromingen als bolsjewisme en fascisme ontberen dat besef. Hij wijst de negentiende eeuw aan als boosdoener. Toen groeide de wereldbevolking explosief, genoopt tot specialisatie raakte het overzicht kwijt. En alsof de grabbelton van het internet reeds een feit was, beperkte het onderwijs zich tot het aanleren van techniek, zonder ontvankelijkheid voor het waagstuk van het bestaan. Voordien, galmt het bijna sartriaans, betekende leven kiezen, vrijheid gebruiken. Nu laat men zich beslissen, meedobberend op de golven van het directe profijt. De natuurmens in een ingewikkelder wordende wereld of, in termen van Sloterdijk, een &lt;em&gt;homo politicus&lt;/em&gt; als dier in een abstracte behuizing. Men ijlt zich homogeen naar moraalloosheid en brengt een beschaafd werelddeel in diskrediet. De makke die Ortega signaleert is dat elkeen overal recht op denkt te hebben (ook op vulgariteit). Dat beschouwt hij als een ‘hermetische afgeslotenheid van de ziel’, diametraal op de dynamiek van de spaarzaam overgebleven asceet. De &lt;em&gt;homo metafysicus&lt;/em&gt; dan, die in oefening zijn ideaal heroverweegt. Koonrode voetnoten, bulkend van belezenheid, doorspekken Ortega’s betoog, en gaandeweg wendt hij zich, woordenpraal nota bene als wezenlijk geweld brandmerkend, rechtstreeks tot de lezer.&lt;br /&gt;&lt;em&gt;De opstand der horden&lt;/em&gt; was in 1926 voor een Madrileens dagblad opgezet als artikelenreeks. Na bundeling kwam het boek terstond in een rijtje met &lt;em&gt;Der Untergang des Abendlandes&lt;/em&gt; (Oswald Spengler, 1922) en &lt;em&gt;La trahison der clercs&lt;/em&gt; (Julien Benda, 1927), werken die de Tweede Wereldoorlog heetten te voorspellen. Feit is dat Ortega’s Nederlandse vertaler, Johan Brouwer, in 1943 gefusilleerd zou worden vanwege een aanslag op het bevolkingsregister te Amsterdam. Maar eerst moest het in Spanje zelf gaan rommelen.&lt;br /&gt;Tijdens de burgeroorlog ging de onafhankelijke Ortega wederom in ballingschap (generallissimo Franco lijkt als tachtigjarige geboren) en diende, steeds meer huid met zich meedragend, alle walmende leuzen te bestrijden vanuit vluchthavens. Zo kon hij te Oegstgeest de Franse uitgave van &lt;em&gt;De opstand der horden&lt;/em&gt; in 1937 vergezeld doen gaan van een nog alarmerender inleiding over de massamens: ‘Hij heeft alleen maar verlangens, en is van mening geen verplichtingen te hebben. Het is de mens zonder de adeldom die verplicht – &lt;em&gt;sine nobilitate – snob&lt;/em&gt;.’ Ortega had de absolute leeftijd van twintig gekregen. Terloops meldt hij dat de politiek de mens verhindert eenzaam te zijn. Het voorwoord was om precies te zijn geschreven in Het Witte Huis, dat hij met zijn gewetensvolle historische bewustzijn memoreerde als pleisterplaats van de honorabele ontdekker van de rede, Descartes, in 1642. Ironischerwijs zou professor Bastiaans er lsd en ibogaïne toedienen aan getraumatiseerde slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, om hen aan de praat te krijgen.&lt;br /&gt;Na 1945 keerde Ortega andermaal naar Spanje terug en hij wende nooit meer. En natuurlijk was hij in die nabije vreemdheid nog op zijn doodsbed, ongetwijfeld een lebbige meneer, in de contramine: ‘In dit land kan men niet eens meer in vrede sterven.’ Had hij van de tijd waarin dit wel kon een beeld uit studies? Het zou een paradox zijn die meer wereldverbeteraars tekent.&lt;br /&gt;Het is verleidelijk te speculeren over de relevantie voor het heden van Ortega’s klachten bij het hoge welvaartspeil. Te eenvoudig lijkt het om zijn onheilsprofetie als reactionaire smetvrees te relativeren, dan wel er als een flinke, windgevoelige denker mee te heulen. En weliswaar zag de wijsgeer soelaas in ‘de Verenigde Staten van Europa’, dat begrip dunkt me wat pijnlijk nu, om Sloterdijk te hernemen, imaginaire gemeenschappen levensecht bloed vergieten. Voorbij de performatieve taaluitstoot is het wellicht zinniger een gokje te wagen wie de horden van vandaag zijn. Omdat Ortega waarschuwt voor intellectuele nivellering die in retrospectief elitaire, mogelijk zelfs absolutistische trekken lijkt te vertonen, valt te denken aan journalisten. Hun ster is gestegen ten koste van leraren, de geleerden van ooit. Of het om olifanten in het Zoniënwoud gaat of een diamant in Kaapstad, de gecontextualiseerde mening, voorheen gedeeld met barbier of toogcollega, rolt er op maat uit. Dit geldt evengoed voor kunstenaars, gesubsidieerd naar de Balkan afreizend om te discussiëren over de toekomst van Oost-Europa. Ortega zou van &lt;em&gt;society&lt;/em&gt; spreken, ‘wier leden alleen maar leven van elkaar uit te nodigen of niet uit te nodigen.’ Aldus heeft de Frans-Amerikaanse auteur Raymond Federman schier letterlijk ingewanden gelezen toen hij door zijn joodse ouders als jongen tijdens een razzia in een kast werd opgesloten; zij werden weggevoerd en hij zat vast, dagenlang, en moest zijn behoefte doen in kranten. Hij vouwde ze keurig toe.&lt;br /&gt;Elke era krijgt de denkers die ze verdient. Punt is wel dat fundamentele opposities tegen een gang van zaken een obligaat cultuurpessimisme ademen, verworden tot rituele retoriek die domweg in het pakket van de actualiteit zit. De wetenschap van José Ortega y Gassets sterfjaar was in elk geval een canard, uit een vertaald &lt;em&gt;best of&lt;/em&gt;-boekje met quotes die men bij bittertafelactiviteiten kan afraffelen. De man blijkt in 1955 afgereisd naar Hoog-Barbarije. Ook dan heeft hij zichzelf naar mijn gevoel overleefd.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 14 januari 2004&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-6658679192172935510?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/6658679192172935510'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/6658679192172935510'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/jose-ortega-y-gasset-2004.html' title='José Ortega y Gasset (2004)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-8683045348728108491</id><published>2009-02-09T23:14:00.002+01:00</published><updated>2009-03-04T21:31:15.634+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='muziek'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><title type='text'>Herman Brood (2003)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘Mannen, laat je niet verneuken door poëzie die niet rijmt’&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Toen het eerbiedwaardige culturele tijdschrift &lt;em&gt;De Gids&lt;/em&gt; in zijn honderdvierenvijftigste jaargang een themanummer wilde wijden aan het fenomeen popmuziek, lag de vraag open wat het omslag te zien moest geven. Ik suggereerde een tekening van Herman Brood, waarop een sergeant zijn soldaten toeblaft: ‘Mannen, laat je niet verneuken door poëzie die niet rijmt.’ De afbeelding kwam er, maar zonder onderschrift – het was per ongeluk weggevallen.&lt;br /&gt;De tekening stond in &lt;em&gt;Stil daar is ie...&lt;/em&gt; uit 1984, een bij een marginale uitgeverij verschenen stripboek ten behoeve van Broods zoveelste comeback waar zijn persoonlijk manager ‘weer helemaal het oude gevoel’ bij had. Het boek werd ingeleid door ene Bart Chabot voor wie het onmogelijk kwaad kon ermee op de ruïneuze resten te gaan staan van een instituut. Aan het eind van de jaren zeventig was Brood de rijmvaste, ongekroonde koning van de Nederlandse popmuziek geweest, niet weg te denken uit de media, conform zijn berkeleyaanse motto ‘Zijn is waargenomen worden’. Het koninkrijk bleek gegrondvest op een georganiseerde chaos, en weinigen kunnen zich aan de top handhaven wanneer resultaten uitblijven. Brood had op het hoogtepunt van zijn roem zijn biezen gepakt. In het beloofde land Amerika flanste hij de elpee &lt;em&gt;Go nutz &lt;/em&gt;in elkaar, die eensluidend werd afgeserveerd door de meegereisde pers: ‘no guts’. Een geval van zelfhaat? Plots werd Brood verweten dat hij overpubliciteit had gezocht... door journalisten. De U-bocht in de waardering was complex. En het werd heel stil rond de zanger/pianist. De oude stiel van tekenaar pakte Brood op, en hij trachtte er de vruchten van te plukken voor zijn auditieve wederopbouw.&lt;br /&gt;Begeleid door rhythm ‘n blues in de ware zin van het woord deed Brood opgeld met verhalen over het triumviraat sex and drugs and rock ‘n roll. Levensgenieting door middel van verantwoorde onbetrouwbaarheid en effectieve amnesie (‘spijt is wat de koe schijt’) was zijn parool. Ontelbaar zijn de reportages waarin de journalist van dienst een nacht stukslaat met de ster, gevoed door diens op pure ervaring gestoelde wisecracks, soms ook bij monde van in de steek gelaten vriendinnen, getuigend dat Herman eigenlijk een Erg Lieve Jongen was Op Wie Je Niet Kwaad Kon Worden. Broods heroïne werd van stonde af door zijn manager in overlevingsdoses verstrekt en later mocht hij belastingschulden vereffenen met gelegenheidsschilderijen voor aan de muren van ‘s lands inningskantoren. Terwijl hij meestal gehuld was in kekke showbizzkledij of in een guerrilla-achtig bespikkeld gevechtstenue, pacificeerde hij bij tijd en wijle zichzelf door kostuums te dragen. Brood mocht doen wat God verboden had, hij was tegelijk iemand die bijna sentimenteel hamerde op fatsoen, bijvoorbeeld jegens de moeder.&lt;br /&gt;In overeenstemming met dat – veelvuldig naar buiten gebrachte – principe van de wiedergutmachung publiceerde hij in 1988 de dichtbundel &lt;em&gt;Zoon van alle moeders&lt;/em&gt;. Die bevatte inderdaad rijmloze poëzie, en wekte over het geheel een onaangepaste en soms zelfs autistische indruk. Brood, geboren in 1946, was opgegroeid met gedichten van de Vijftigers en de Zestigers (met name Vaandrager) die ogenschijnlijk allerminst conventioneel mochten heten. Anarchie lag meer in de lijn van de directe expertise. Ook voor wat betreft de muziek: de jonge Brood was een fan van Little Richard en van Art Blakey. Wel bekende hij als wat oudere, bekende meneer dol te zijn op Johnny Jordaan en tante Leen, waarmee het profiel van tegenstrijdigheid en voorbehoud weer getekend was. Zijn mentaliteit slokte als het ware alles op tussen het vrije vers en de vormvastheid, tussen desintegratie en assimilatie. Ik vermoed dat Brood het allemaal inbouwde om een ontsnappingsroute te hebben. Naar de raderen van de publiciteitsmachine van de literatuur die de tekst is gaan verdringen, was het niet meer dan logisch dat Brood uit &lt;em&gt;Zoon van alle moeders&lt;/em&gt; moest voordragen bij prestigieuze gelegenheden. Zo trad hij op op Poetry International en werd door het kennerspubliek weggehoond. Naderhand verklaarde Brood grijnzend dat hij had gelezen uit het werk van zijn iets hoger aangeschreven vriend Lucebert.&lt;br /&gt;Pendelend tussen non-conformisme en aanpassing, als een eeuwig kind dat op latere leeftijd dan maar zijn haren zwart verfde, kon Brood het zich veroorloven volstrekt zijn eigen zin door te voeren. Hij schilderde in ijltempo het ene doek na het ander vol dat, zeker gaande zijn carrière, voor grof geld van de hand ging omdat het Een Brood was. Een concessie was wel dat hij nooit helemaal serieus genomen werd, en dat verdisconteerde de ster dan door méér van het omstredene te praktiseren. En dus gaf hij regelmatig schilderijen, amper opgedroogd, aan willekeurige voorbijgangers cadeau. Maar hoe Brood ook shockeerde en hoe overbewust hij ook ageerde tegen doorgeschoten tolerantie, het werd allemaal gedoogd.&lt;br /&gt;Stengun of waterpistool? Het bizarre van zijn status bleek nadat een zieke Brood, incontinent en kaal, in 2001 zelfmoord had gepleegd door een duik van het dak van het Hilton Hotel. Terwijl een wagen met Broods stoffelijke resten door de stad reed, riep het massaal toegestroomde publiek: ‘Herman bedankt’. De rat bleef een knuffeldier. Zoals dat moet gaan, kreeg Brood na zijn dood zijn eerste nummer 1 hit met een abominabele versie van ‘My way’ en verkoos het blad &lt;em&gt;Management Team&lt;/em&gt; Herman Brood postuum tot ‘merk van het jaar’. En zijn oude kameraad Chabot, al jarenlang aan de weg timmerend als auteur van obscure boeken, wist niet hoe snel hij delen moest publiceren van een domesticerende biografie die wilde openbaren ‘hoe Herman werkelijk was’. Ze werden en worden bestsellers, omzwermd door interviews die zulke zoete koeken nu eenmaal schijnen uit te lokken.&lt;br /&gt;Natuurlijk heeft ook poëzie die niet rijmt haar middelen om een vreedzame indruk te maken: ritme, assonantie, enz. En door experimentelen vermaledijde sonnetten zijn in anti-vorm inmiddels volledig geaccepteerd en geaccommodeerd. Wie Lucebert ooit heeft horen voordragen, schijnt niet te zijn ontkomen aan de indruk een ouderwetse bard te hebben getroffen. Aldus is rijm werkelijk niet meer dan een geintje, dat voor de zekerheid mogelijk alleen in een beroepsleger moet worden geapprecieerd. Hooguit kun je je afvragen of er erg veel muziek in zit, laat staan dat er oorlogen mee gewonnen kunnen worden. Over ordentelijkheid spreken we niet.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 1 oktober 2003&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-8683045348728108491?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/8683045348728108491'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/8683045348728108491'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/herman-brood-2003.html' title='Herman Brood (2003)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-4428971767688780210</id><published>2009-02-09T23:09:00.003+01:00</published><updated>2009-03-04T21:31:31.075+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='muziek'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><title type='text'>Woodstock (2003)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘No rain! no rain!’&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Vier Amerikaanse midtwintigers kwamen op het idee in augustus 1969 een popfestival te organiseren. Boer Max Yasgur, uit het dorpje Bethel dat 2366 inwoners had, stelde zijn weiden beschikbaar. In een overmoedige bui – het hippiedom verkeerde in zijn hoogtijdagen – verwachtten de jongens zestigduizend bezoekers, die drie dagen lang muzikaal begeleide geestverkwikking zouden kunnen ervaren.&lt;br /&gt;De droom kreeg rare randjes door een zachte maar dwingende toestroom. Hekken om Yasgurs terrein gingen tegen de vlakte, en de organisatoren kondigden af dat het betalende festival gratis werd. Vierhonderdduizend kinderlijke volwassenen kwamen opdagen en per minuut leek het festival, Woodstock, legendarischer te worden. Er ontstond een micromaatschappij. In de loop van de dagen zagen twee baby’s het levenslicht en er waren vier miskramen.&lt;br /&gt;Had de aanzwellende massa iets van troepenbewegingen bij een oorlog, het klimaat was extreem vreedzaam en de werkelijkheid kreeg zowaar iets van een idylle, omwolkt door hyperbewuste naïveteit. Legereenheden voorzagen op vrijwillige basis het tot rampgebied uitgeroepen terrein van voedsel en medicatie. De eeuwenoude theorie van het christendom kreeg eindelijk haar praxis: broederlijkheid door te delen.&lt;br /&gt;Ook een zondvloed kon het saamhorige gedierte des velds niet uiteendrijven. Toen de lucht betrok, bracht de organisatie de apparatuur in veiligheid en informeerde het publiek. Ook met de tip: ‘Hey, if we think really hard, maybe we can stop this rain.’ En het publiek dreinde: ‘No rain, no rain’. Het gebed werd vooralsnog niet verhoord. Zonder reclamatie trouwens, allen achtten de zondvloed &lt;em&gt;nice and clean&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;okay&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;fine&lt;/em&gt;, en de weide veranderde in een modderpoel waar halfnaakt doorheen geroetsjt werd. Alles bleef onverstoorbaar ludiek in leven, en ten slotte pakte blank en zwart alles wat geluid maakte en instigeerden een ritme waardoorheen men triomfantelijk huilde. De gemeenschap was gevestigd; het werd droog. Op een busje was al &lt;em&gt;Even God loves America &lt;/em&gt;te lezen geweest en een non had het V-teken gemaakt.&lt;br /&gt;De volgende donatie van boven kwam van helikopters met het manna van bloemen en droge kleren. Bethel deed zijn naam eer aan – oord waar aartsvader Jacob in een visioen engelen over een ladder zag stijgen en dalen. De hemel leek binnen handbereik.&lt;br /&gt;Een wijkplaats was Woodstock. In de gelijknamige, fenomenale documentaire uit 1970 door Michael Wadleigh vatte een bezoeker het zo samen: ‘the &lt;em&gt;Hamlet&lt;/em&gt;-trip, you know: to be or not to be’. Het reële zijn leek voorbehouden aan de jongeren, met &lt;em&gt;real communication&lt;/em&gt;. Ze keerden zich tegen hun ouders, door wier moraal de genietingen van het leven onaangeraakt passeerden. De Woodstockgangers werden wel gekarakteriseerd als een leger van vreedzame guerrillastrijders.&lt;br /&gt;Tijdens het festival zong John Sebastian het liedje ‘Younger Generation’ (dat hij voor The Lovin’ Spoonful had gemaakt). Blijmoedig vroeg hij zich af waarom ouders altijd&lt;em&gt; square&lt;/em&gt; werden bevonden met hun &lt;em&gt;cardinal rules&lt;/em&gt;. En wat als hijzelf vader was van een kind? ‘And all my deepest worries must be his cartoons.’ Voor vernieuwing, lijkt de suggestie, is het paradigma van de vadermoord aangewezen. Uiteraard klonk er tijdens Woodstock soms meer dat nu bevreemdend voorkomt, maar de meeste muziek was wonderschoon: Joe Cocker voordat hij zich bekeerde tot het designalcoholisme, Crosby, Stills &amp;amp; Nash, Jimi Hendrix, Sly and the Family Stone. Hen verbond protest tegen het gereduceerde leven, met een pleidooi voor het experiment ten behoeve van een nobeler, bevrijder zelf en daarmee ten behoeve van een betere maatschappij. Zij zouden bewijzen dat die wel degelijk maakbaar was.&lt;br /&gt;Frappant in de documentaire &lt;em&gt;Woodstock&lt;/em&gt; is echter het achterwege blijven van een generatiekloof. Een enkele uitzondering daargelaten tonen ouderen uit de omgeving, politiemensen maar ook een Port-o-San Man die onverstoorbaar toiletten schoonmaakt, zich positief, mogelijk in zachtaardige afgunst op de loutere fun die werd ontplooid. De gepredikte peace lijkt even overgeslagen, wellicht metonymisch – meer milde ouders verklaren een kind te hebben dat in Vietnam vecht. Voor telefooncellen staan lange rijen hippies die even naar hun ouders willen bellen om te zeggen dat ze goed zijn aangekomen; op de eerste dag werden er vijfhonderdduizend interlokale belletjes gepleegd. Max Yasgur, die een dubbelganger lijkt van Arafat, spreekt de festivalgangers dan ook lovend toe, waarmee de zegen wel is gegeven.&lt;br /&gt;Wel demonstreert Woodstock dat genietingen faciliteiten behoeven. Het gros van de aanwezigen mag, al dan niet door LSD, in hogere sferen verkeren, een aantal leeftijdsgenoten houdt zich, omgekeerd genereus, constant bezig met de logistiek. De documentaire heeft vaak twee beelden naast elkaar, bijna als iconografie van deze meerstemmigheid (en wederzijdse afhankelijkheid).&lt;br /&gt;Pas na afloop werd het slagveld zichtbaar. Meteen in de vorm van een gigantische hoeveelheid afval dat, volgens mij een primeur, gescheiden opgehaald werd. Op de wat langere termijn bleek het effect echt zuur. De festivalgangers zijn alsnog volwassen geworden – ouders, grootouders soms al. Ongewis is of de pedagogische intentie van John Sebastian (‘And I must be permissive, understanding of the younger generation’) gestand is gedaan. Het cliché van de rijpere mens luidt: een illusie armer maar de droom niet vergeten. Hier lijkt het anders: ludiek verrijkt en de droom verdrongen. De festivalgangers hebben inmiddels machtsposities ingenomen waarin ze, onder het mom van een herstel van oude waarden, rentabiliteit heilig hebben verklaard. Maar misschien stopte hun huidige Honorabele Bondgenoot destijds gewoon kiemen van het neoliberalisme in de regen.&lt;br /&gt;Zijn de jongeren van toen geboren historici geweest, wapendragers van de &lt;em&gt;wijsheid achteraf&lt;/em&gt;? De wijsheid moest eerst even wereldkundig gemaakt in kranten, en alles wat in de krant staat is nu eenmaal waar. En uiteraard kampt hetgeen tegenwoordig historisch heet met herdenkingen. Vijfentwintig jaar na dato kwam er een tweede Woodstock, waar Crosby, Stills &amp;amp; Nash wederom optraden, op zijn minst sterk verouderd – wel zetten ze door het concert hun zoveelste comeback luister bij. Van het oorspronkelijke Woodstock resten gadgets, verkrijgbaar via Internet: ongebruikte en naar believen ingelijste toegangskaartjes, inclusief een &lt;em&gt;Letter of Authenticity&lt;/em&gt;.&lt;br /&gt;Uit protest tegen de Vietnamstrategie had Hendrix het volkslied ‘Star-Spangled Banner’ magistraal aan flarden gespeeld, maar alle naden van de vlag zijn gelijmd zodat er weer in preventieve aanvallen kan worden gegrossierd. Robert Musil laat in &lt;em&gt;De man zonder eigenschappen&lt;/em&gt; Ulrich concluderen: ‘Het menselijk wezen is even gemakkelijk in staat tot kannibalisme als tot de kritiek van de zuivere rede; als de omstandigheden ernaar zijn kan het met dezelfde overtuigingen en eigenschappen zowel het een als het ander, en heel grote uiterlijke verschillen corresponderen daarbij met heel kleine innerlijke.’&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 11 juni 2003&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-4428971767688780210?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/4428971767688780210'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/4428971767688780210'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/woodstock-2003.html' title='Woodstock (2003)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-3518127842694227308</id><published>2009-02-09T23:06:00.004+01:00</published><updated>2009-02-09T23:18:36.895+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='column'/><title type='text'>Leo Beenhakker (2003)</title><content type='html'>&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;strong&gt;‘Haben Sie ein Stunde?’&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Sinds 10 mei 1940 zijn de betrekkingen tussen Duitsland en Nederland aan de gespannen kant. Hoewel er zo’n vijf jaar later een vredesakkoord werd getekend in aanwezigheid van een Nederlandse prins van Duitsen bloede, bleef het wantrouwen prevaleren. Holland mocht een bloeiende handel aangaan met zijn grote broer en de kazen vlogen met Rudi Carell mee naar het Oosten, het betrof veelal eenrichtingsverkeer. De Volkswagen bijvoorbeeld was naar de heilige overtuiging van velen een gouden kalf dat slechts met lenig gebabbel (‘handig en niet duur’) getolereerd werd.&lt;br /&gt;In de loop der jaren begonnen de kerken leeg te lopen en ontstond er een nieuwe religie: voetbal. Het was met name door dat artikel dat oude wonden opengereten werden. Voor de wereldkampioenschappen in 1974 te Duitsland verkondigde de Hollandse coach Rinus Michels, bijgenaamd De Generaal: ‘Voetbal is oorlog.’ Het toernooi bewees de profetie van deze uitspraak. Met onder nummer veertien de Betondorpse verlosser Johan Cruijff in de gelederen verpulverde Holland, door wat met een goebelsiaanse variant ‘totaalvoetbal’ werd genoemd, de ene tegenstander na de andere, om in de finale, geleid door een geallieerde arbiter, uit zijn roes gewekt te worden door de grote broer. Het schier onoverwinnelijke team oogde behalve blasé vooral vermoeid. Kwade tongen schreven dit toe aan een nachtelijke, door &lt;em&gt;Bild&lt;/em&gt; wereldkundig gemaakte sessie bij een overdekt zwembad met autochtone blondines, waar naar verluidt uren durende telefonades met het thuisfront op waren gevolgd. Hoe ook, de West-Duitse administratie profiteerde optimaal van de plots ingetreden zwakte bij het buurland. Dat de wedstrijd was gekanteld door een strafschop, waarover het lijdend voorwerp Hölzenbein later zou bekennen dat hij een &lt;em&gt;schwalbe&lt;/em&gt; had gemaakt met als gevolg dat hij nimmer ongestraft, laat staan ongewurgd bij Lobith het buurland zou kunnen binnenvaren, maakte de zaak louter erger. De Koude Oorlog kreeg – naar Oudhollandse traditie ietwat laat – zijn beslag. Toen Cruijff, wiens heerschappij decadente trekken had aangenomen, een paar jaar later bij Ajax het actieve leven op voetbalaarde vaarwel zei, toonde gelegenheidsopponent Bayern München, conform de wetenschap dat Duitsers gevaarlijk zijn tot aan het laatste fluitsignaal, op de afscheidsmis zijn orthodoxie (8-0).&lt;br /&gt;Het duurde tot de Europese kampioenschappen van 1988 dat, opnieuw op vijandige bodem en onder leiding van Michels, de genade kon wederkeren. In de halve finale trof Nederland, bezield door de witte neger Gullit (die hobby had aan de anti-apartheidspolitiek van Nelson Mandela), het vermaledijde Duitsland onder aanvoering van Matthëus (die zich minder met gods woord bezighield dan met het aansmeren van gele kaarten bij de tegenstander). De Ultieme Coach had in Zijn oneindige wijsheid beschikt dat het scoreverloop van de wedstrijd spiegelbeeldig was aan dat van veertien jaar daarvoor. De wereld die Holland heet was te klein. In Amsterdam werden de grachten net niet voorgoed gedempt; de euforie om de bevrijding kreeg elders onder meer haar &lt;em&gt;verdinglichung&lt;/em&gt; met het omgooien van Volkswagens van dienst. Wel moest libero Ronald Koeman, nadat hij in de kleedkamer zijn reet afgeveegd had aan het shirt van Olav Thon, nog schuld bekennen bij de Duitse ambassadeur. Was de dooi werkelijk ingetreden?&lt;br /&gt;Een testcase was een partij van Feyenoord, een ploeg die in tactisch opzicht associaties opriep met de wederopbouw, eind 1997 voor de Europacup tegen VFB Stuttgart. Hoe het mogelijk was zal wel altijd een raadsel blijven, maar de Rotterdammers wonnen de uitwedstrijd met 1-3.&lt;br /&gt;Het was bij die gelegenheid dat Feyenoords coach Beenhakker, filtersigaret in de mondhoek, een schuldbewuste vraag van een Duitse televisiejournalist naar de feilen van de &lt;em&gt;heimat&lt;/em&gt;-speelstijl beantwoordde met: ‘Haben Sie ein Stunde?’ Het antwoord werd dagenlang op alle netten ten westen van Lobith herhaald. Nederland had er weer een naoorlogse verzetsheld bij.&lt;br /&gt;Dat het Leo Beenhakker was die deze uitspraak deed, wekt geen verwondering. Hij mag met een vooruitziende blik de multifunctionele voetballer Frank Rijkaard ontdekt hebben, voor alles kijkt hij achterom. Beenhakker is cultuurcriticus. In 1942 geboren te Rotterdam beklaagde hij zich bijvoorbeeld over het niveau van het onderwijs bij jongere voetballers die hij tot de ‘patatgeneratie’ rekende. Deze periodisering werd terstond een lemma in alle woordenboeken, en bezorgde de man bijverdiensten als columnist voor &lt;em&gt;Voetbal International&lt;/em&gt; (de &lt;em&gt;New York Review of Books&lt;/em&gt; in het genre) en als voetbalanalist voor de publieke televisie. Steevast weet hij de kern te raken. Beenhakkers essentie is, niet bepaald onhollands, een ernstige relativering. Negen van de tien zinnen die ergens vanonder zijn enorme, voor elk weertype bestendige haardos vandaan komen, beginnen met ‘Ach’. &lt;em&gt;Flux de bouche&lt;/em&gt; zal eveneens ten grondslag liggen aan het feit dat Beenhakker zo’n beetje bij elke ploeg over de wereld (uitgezonderd Duitsland) heeft gewerkt zonder een aansprekend resultaat te halen. Zelfs het Real Madrid van de jaren tachtig wist hij geen Europacup 1 te bezorgen, al gaf hij daar wel ten overstaan van de voltallige Nederlandse pers de bijnaam ‘de beker met de grote oren’ aan. Zelf kwam hij sinds die betrekking Don Leo te heten.&lt;br /&gt;Na een listigheidje van Michels om Cruijff buiten de deur te houden was Beenhakker ook coach van het Nederlands elftal op de Wereldkampioenschappen 1990, dat zich in de identieke samenstelling als in 1988 voornamelijk aan het afvragen was waarom het zonder te spelen de hoofdprijs niet kreeg; Mandela was juist vrijgelaten van Robbeneiland. Met als enig hoogtepunt een fluim van Rijkaard in het gezicht van Völler werd Oranje in de tweede ronde uitgeschakeld – door het inmiddels verenigde Duitsland, uiteraard met de bekende cijfers. Tegen zijn gewoonte heeft Beenhakker hier nooit iets over gezegd, of het zou moeten zijn dat hij dagboekaantekeningen heeft gemaakt die berusten in een verhuisdoos met het nummer dertien. Vermoedelijk bewaart hij de episode voor zijn ongetwijfeld gekruide mémoires die hij in ten minste acht talen aan de man zal brengen.&lt;br /&gt;Don Leo heeft domweg nooit tijd gehad voor resultaten. Zijn voornaamste bezigheid naast de cultuurkritiek was een hengeltje uitwerpen naar de volgende werkgever die hij er telkens van wist te overtuigen bij zijn ‘echte kluppie’ zijn ‘laatste kunstje’ te gaan doen. Hij zei dat afwisselend in de functie van veldtrainer met een ‘verlangen naar een plekkie in de luwte’ dan wel als technisch directeur met ‘heimwee naar het gras toe’. De luttele weken die hij zonder baan doorbracht, vulde hij met ‘lekker vissen in de Vinkeveense plassen’. Nu superviseert Beenhakker het inhoudelijk beleid bij Feyenoords aartsvijand Ajax.&lt;br /&gt;Het heeft me altijd verbaasd dat niemand bij de Verenigde Naties ooit op het idee is gekomen om Don Leo in te huren als vredesonderhandelaar. Het kost een paar centen, maar dan zijn de partijen in elk geval voor enige decennia murw. Desgewenst heeft Beenhakker ook Duits in het pakket. Of het trouwens aan zijn abusieve toeschrijving van het woordgeslacht van &lt;em&gt;stunde&lt;/em&gt; lag, vermeldt de geschiedenis niet – feit is dat Feyenoord de heenwedstrijd verloor met 0-3.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;em&gt;De Morgen&lt;/em&gt;, 5 februari 2003&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-3518127842694227308?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3518127842694227308'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/3518127842694227308'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/leo-beenhakker-2003.html' title='Leo Beenhakker (2003)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-1595088556896453553</id><published>2009-02-05T22:51:00.015+01:00</published><updated>2011-05-04T20:56:33.971+02:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='letterkunde'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='boek'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='essay'/><title type='text'>Laden en lossen (2006)</title><content type='html'>&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Als ik het goed begrijp, is het aardse leven het ware niet. Het is efemeer, oppervlakkig, onaf. Tot het hart ophoudt met tikken, bewegen we ons in voorbereiding op de eeuwigheid in de Dichotomische Herberg – hemel of hel: twee letters markeren werelden van verschil. Wie aan deze tot geloof gepromoveerde constructie waarde hecht, kan inzinkingen van elke tijdspanne op aarde trotseren. Kinderen horen al dat wie zoet is lekkers krijgt en wie stout is de roe. We hebben intenties bij wat we op aarde doen, verrichten handelingen die als een vlucht naar voren het soortelijk gewicht van onze eeuwigheid voorspellen.&lt;br /&gt;De constructie investeert. Ze biedt troost voor onze onveiligheid, voor de ziel lonkt een beter bestaan. Dat maakt, als ik zonder honger vanaf mijn comfortabele stoel tenminste helder denk, offers voor god of vaderland (een staatsgrens kent ook devotie) bijna egoïstisch: Simson kon gerust pilaren omwerpen, Trotski en Allende konden met een zuiver geweten worden geliquideerd. Van martelaar over revolutionair of contrarevolutionair agent tot kamikazepiloot, men is graag bereid het vlees onvoorzichtig maar doelmatig op te geven, de heerlijkste maaltijd wacht. Voorbereidend leven impliceert een supplement. Hetgeen nu ontglipt, komt er strakjes aan. Noem ik het leven op aarde A, dan laat de gang naar vervulling vol gerechtigheid zich vastleggen in een fijne B. Het glimpt daar nogal. Een weinig rooskleurig heden wordt door een glorierijke toekomst of een gerestaureerd verleden gecompleteerd. In dat andere tekent zich een zinvolle gesteldheid af, een heilstaat. Het andere is de essentie.&lt;br /&gt;Kunnen onze daden en gedachten tekenen bevatten, uiteindelijk beschikt een hogere instantie of een utopie. De wijsheid die daaruit sijpelt, is onmetelijk en apodictisch. We moeten ons neerleggen bij Het Oordeel. Bezwaarschriften worden niet in behandeling genomen. Hooguit kunnen we trachten de tekenen te onderkennen en vervolgens te duiden, of zoals het in Marsmans &lt;em&gt;Tempel en kruis&lt;/em&gt; staat: ‘het palimpsest van het gemene leven/ dat hij ontraadselen moet en lezen als een gedicht’. De aard van die arbeid is decoderend. Met deze term begeef ik me in literatuur, of misschien: in het beeld dat de kunstvorm aankleeft. Nijhoffs adagium ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ mag uit de twintigste eeuw stammen, het lijkt representatief voor de wijze waarop teksten lang zijn benaderd. Interpreteren steunt dan op ‘ergens iets achter zoeken’. Vandaar de gewichtige rol die aan beeldspraak in het algemeen en metaforen in het bijzonder wordt toegekend. Michael Riffaterre stelde bijvoorbeeld: ‘a poem says one thing and means another.’ Dit uitgangspunt ligt ten grondslag aan veel waardevolle poëzieanalyses, in een hermeneutische cirkel. Ze openbaren de latente uit de manifeste inhoud. Parallel aan het dubbeltraps leven van de gelovige of de utopist is lezen dan het ontsluiten van een essentie.&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Riffaterres overtuiging correspondeert met die van een ongeoefende poëzielezer. Geef deze een gedicht, en hij zal bij wijze van captatio volhouden onmogelijk te weten ‘wat er allemaal achter zit’. Er zijn geoefender lezers die het bij al die wetenschap te bar wordt en die, soms denigrerend, soms kribbig, gewagen van ‘cryptogrammen’ of ‘labyrinten’. Dan gebruiken ze op hun beurt een metafoor en brengen een opvatting te berde over wat literatuur voor hen is, respectievelijk een oplossing of een uitgang.&lt;br /&gt;In het verlengde van deze leeshouding ligt een minstens zo zwaar gevoelen over het schrijven. Oscar Wilde schijnt te hebben beweerd dat alle slechte poëzie oprecht is. Met andere woorden, goed schrijven is ten minste een omtrekkende beweging maken. Volgens de retorica zal dat oprechter overkomen. Inderdaad dempte Multatuli in &lt;em&gt;Max Havelaar&lt;/em&gt; zijn persoonlijk en sociaal misnoegen via allerlei kaderverhalen, om het pas in de vlammende peroratie, als ware het een fabel, expliciet aan de oppervlakte te laten komen. Dat tekstbezorger en advocaat Van Lennep juist dat slot wilde wegkappen, had een politieke reden, maar toch ook een esthetische. Evenzo neigen sommige dichters ertoe zich onbeschroomd uit te spreken in frases als ‘Ik hou van jou’ en ‘Ik mis je zo’. Wie verder wil in de poëzie zou eerst afstand van de emotie moeten nemen, haar ordenen en sublimeren en vervolgens ‘in de vorm’ iets blijvends teruggeven. Of in de woorden van &lt;em&gt;Max Havelaar&lt;/em&gt;: ‘dat, wat verdichtsel is in ’t byzonder, waarheid wordt in ’t algemeen.’ De lezer ziet zich dan geconfronteerd met een raadsel of parabel, waaraan het eeuwige geheim – Jeugd, Ouderdom, Dood – of de wijze, troostvolle les ontfutseld kan worden. Hij weet zich ook verbonden, alsof boeken lotgenoten scheppen.&lt;br /&gt;Uiteraard hoeft het verhullen niet zo mamzelgelijk te zijn als ik het voorstel; een ellips is geen literaire noviteit en voor Leopold hield de voltooiing van een gedicht ook de bewapening in tegen de interpreterende lezer. Maar als ik het blijf bezien in termen van effect, staat het misschien niet op zichzelf. Efficiëntie hoort tot de fundamentele waarden van de westerse cultuur, net als eenvoud, en bescheidenheid siert de mens, overdaad schaadt, enzovoorts. Men moet dus trachten met een optimaal rendement beroering te scheppen, zij het niet rechtstreeks. Zo wordt het begrijpelijker dat schrijven schrappen heet te zijn, want &lt;em&gt;less is more&lt;/em&gt;. Dat zei Mies van der Rohe, en die had het van de Victoriaan Browning, maar ik meen dat hier dogma’s de boventoon voeren die veel verder teruggaan in de tijd.&lt;br /&gt;Het draait om een betekeniszwangere spanning, die ook door verzwijgen op te wekken valt. Zelfs Susan Sontag bericht in haar befaamde pleidooi uit de jaren zestig voor vrolijke en superieure oppervlakte dat in een kunstwerk de momenten met de grootste potentie vaak de stiltes zijn. Die strelen de recipiënt in zijn gevoel een zintuig voor het wezenlijke te bezitten, terwijl bijvoorbeeld de luidruchtigheid van kitsch dat verstiert. Verfijnd hebben we het over de &lt;em&gt;kunst &lt;/em&gt;van het weglaten waarvan, zeker voor wie de vorm bij voorkeur de inhoud weerspiegelt en die dus het principe van iconiciteit huldigt, de witregel wellicht de fraaiste of aangrijpendste belichaming is. De recipiënt kan vervolgens aan de gang om te completeren, om B te maken uit A.&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;‘In Wagenborgen stond een gekkenhuis.’ Zo opende Marc Kregting in 1998 voor het tijdschrift &lt;em&gt;De Gids&lt;/em&gt; de rubriek Laden en lossen. Zijn onderwerp was recente poëzie, en dat vatte hij ruim op: als bij natuurwet in de ramsj te vinden bundels van theatermaker B. Zwaal, een gedicht van voetbalinternational Wim Jonk voor een verongelukte vriend, het naar verluidt op achterhaalde leerstellingen gebaseerde oeuvre van Lidy van Marissing, een songtekst van Doe Maar... Wikkende analyses, tot aan de breedte van een gedachtestreepje toe, konden gepaard gaan met uitvallen naar het literaire klimaat. Na enige tijd begon Kregting eveneens aan andere bladen bij te dragen.&lt;br /&gt;Eindelijk gaan nu zijn stukken – ook over bijvoorbeeld Ramsey Nasr, Tonnus Oosterhoff, Mustafa Stitou en Frida Vogels – met elkaar in debat. Kregting heeft de kans aangegrepen om inzichten te actualiseren en te politiseren. Bovendien voegde hij noten toe, die ditjes en datjes uit eeuwen geestesgeschiedenis oprakelen. Wel ontstaat er zo bijna een tweede boek en rijzen er nieuwe vragen. Is ‘zich’ in de huidige poëzie te vergelijken met ‘feel’ in de popmuziek? Wat moest Herman de Coninck met Johan Cruijff? Was Jezus een dadaïst? Niet vaak wordt, bij een ooit vanzelfsprekend engagement, een ongeloof in de kracht van poëzie met zoveel koppigheid bezworen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Onvolprezen’ (Arnoud van Adrichem, &lt;em&gt;DWB&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Hij houdt de gedichten zorgvuldig tegen het licht, keert ieder woord om, proeft de sfeer en houdt de context in de gaten. Vooral als je het werk van de besproken dichter goed kent, is het een genot om met hem mee te lezen. (…) Maar Kregting wil daarnaast die “ruisende dialoog tussen wereld en mens” op gang brengen. Hij probeert althans in elk essay de houding van de dichter tegenover de werkelijkheid te analyseren. En daarbij verliest hij de zorgvuldigheid uit het oog. (…) Het strooien met verwijzingen maakt de bundel onnodig elitair: de artikelen lijken alleen bestemd voor een publiek dat iets weet van poëzie én van continentale filosofie. Maar ook dat clubje zal niet onder de indruk raken van onbeheerst gehanteerde belezenheid. (…) Deze essaybundel heeft dus twee gezichten: de fantastische lezer en de ronkende huiskamerfilosoof. De lezer kan je ideeën over een dichter voorgoed veranderen, de filosoof staat daarbij hinderlijk in de weg’ (Bas Belleman, &lt;em&gt;Trouw&lt;/em&gt;) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Teksten over poëzie kunnen ondoorgrondelijker en tegelijk helderder zijn dan... dan poëzie’ (Chrétien Breukers, &lt;a href="http://www.decontrabas.com/de_contrabas/2006/12/laden_en_lossen_1.html"&gt;De Contrabas&lt;/a&gt;)&lt;br /&gt;‘Hij is het type essayist dat zowel associatief als analytisch te werk gaat. Zijn idioom is ontleend aan de literatuurwetenschap in de ruimste zin van het woord, vandaar dat het wel eens minder helder en toegankelijk kan zijn voor niet-ingewijden (…) het wemelt van de namen: hier is een prettig gestoorde omgevallen boekenkast aan het woord (…) voor de doorbijters onder de poëzieliefhebbers' (T. van Deel, &lt;em&gt;nbd Biblion&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Het is veelzeggend dat Kregting deze kritiek citeert op zijn virtueel archief’(Hans Demeyer, &lt;em&gt;Vlaanderen&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Met een duizelingwekkend notenapparaat vormt dit boek een schatkamer van relevante literaire opvattingen en beschouwingen. Marc Kregting heeft zijn literaire kennis met zorg en onderscheidingsvermogen, maar vooral met veel ambitie geladen’ (Remco Ekkers, &lt;em&gt;Poëziekrant&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Deze essayist scherpt uw lezen aan, hij richt uw blik op de wereld en verfijnt uw gevoel voor poëzie’ (&lt;/span&gt;&lt;a href="http://www.hansgroenewegen.nl/"&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;http://www.hansgroenewegen.nl/&lt;/span&gt;&lt;/a&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Het register blijkt een godsgeschenk (…) Wie zich niet laat afschrikken door Kregtings associatieve dwaalsporen zal ontdekken dat &lt;em&gt;Laden en lossen&lt;/em&gt; een zeer rijk boek is (…) In tegenstelling tot Kregtings eerder verschenen &lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; (2004) ontbreekt hier gelukkig de azijnsmaak. Voor de uitgeverswereld heeft Kregting dan misschien geen goed woord over, de poëzie gaat hem oprecht aan het hart. Helaas leidt dit niet tot een helder poëticaal standpunt’ (Dafne Jansen, &lt;em&gt;Spiegel der Letteren&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Kregting kan prachtig invoelend en indenkend gedichten lezen, elke schrijver zou wensen dat zo iemand met hem mee las (…) Van het taal- en het leesplezier dat de auteur uitstraalt raak ik enthousiast, maar tegelijk raak ik de draad kwijt bij zoveel lol. De stijl lijkt op een hond die tegen almaar tegen de bezoeker op blijft springen’ (Tonnus Oosterhoff, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.nrcboeken.nl/recensie/een-hond-die-tegen-je-opspringt"&gt;nrc Handelsblad&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘een voorliefde voor wat ik alleen maar als mystificatie kan zien: de soms simpele waarheden die hij debiteert en de af en toe voor de hand liggende constateringen die hij doet tot iets nodeloos ingewikkelds maken door een stijl die ongeacht wat ermee wordt gezegd, alleen maar uitdrukt: ik conformeer me niet, ik conformeer me niet, ziet u? ik conformeer me niet’ (&lt;a href="http://reugebrink.skynetblogs.be/post/4791456/de-lijn"&gt;Marc Reugebrink&lt;/a&gt;)&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;br /&gt;‘stilistisch is Kregtings taalgebruik uitdrukkelijk verzorgd, meestal subtiel, soms hilarisch, beeldend sterk en/of verrassend, maar vooral getuigt het van een ingespannen trachten om de poëtische zeggingskracht van het behandelde werk zo adequaat mogelijk weer te geven en de arbeid van de dichter recht te doen. (…) Systematisch beschrijft hij zijn ontdekkingen en afhankelijk van hun waarde poetst hij ze met zorgzame eerbied op of verwijdert hij doortastend het valse laagje poëtische hoogmoed waarmee ze zich laten opvallen. &lt;em&gt;Laden en lossen&lt;/em&gt; fungeert voor de gelezen dichtbundels als een intellectueel vrij eerlijk doorgeefluik waarachter hun poëtische waarde getaxeerd wordt. De consument wordt geïnformeerd en behoed, voor miskopen verzekerd en bij de les gehouden, meerbepaald bij de socio-culturele functie van de nieuwe dichters en hun werk. Dichters die de boel belazeren en de poëzie haar democratisch functioneren ontzeggen, krijgen hier weinig respijt’ (Karel de Sadeleer, &lt;em&gt;Nieuwzuid&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Hier woekert de aandacht voor het detail van de redacteur die de auteur ook is. Hij leest scherpzinnig, met oog voor de minste opvallendheid in de zegging. Hij associeert – zonder zich te laten beperken door het keurslijfprincipe (…) Gelukkig blijft het boek ver verwijderd van vakjargon en zwaarwichtigheid. Kregtings vergelijkingen en metaforen komen uit de meest onverwachte hoeken, waarbij hoge en lage cultuur én het dagelijks leven het inzicht kunnen voeden. (…) Koudwatervrees aan de kant: &lt;em&gt;Laden en lossen&lt;/em&gt; is de rijkste en meest stimulerende essaybundel over poëzie sinds jaren’ (Erik de Smedt, &lt;em&gt;De leeswolf&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Als geheel is het een strak ogend dwaalboek geworden, dat goed past in zijn zich almaar diversifiërende oeuvre. (…) Bij voortduring duikt het ik uit &lt;em&gt;Laden en lossen&lt;/em&gt; onder in de besproken poëzie, of anders wel in geleende vocabulaires of zegswijzen. Daardoor worden de essays ook zelf teksten die om interpretatie vragen, en lijken ze eerder bij de meerstemmige poëzie te willen horen dan overzicht en inzicht te bieden. Ze weigeren de scherpe scheidslijn tussen literatuur en beschouwing, en voeren dus ook zelf Kregtings polyfone programma uit. Zijn interpretaties zijn evenzeer als de objecten ervan van taal gemaakt, zodat ze steeds moeten worden herzien in oneindige herinterpretaties. Tot in de vezels van zijn boek heeft Kregting deze onafsluitbaarheid ingeweven’ (Johan Sonnenschein, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.ny-web.be/long-hard-looks/waar-sta-jij-met-jouw-taal.html"&gt;Yang&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Geen onberedeneerde uitspraken op grond van een vaag gevoel bij Kregting, maar een redelijk betoog waarin minutieus aangetoond wordt wat zo spannend is aan een bepaald oeuvre of waar een dichter enkel goedkoop effectbejag nastreeft. (…) het resultaat van een geduldige en intense omgang met het werk van een aantal niet zo makkelijke auteurs. Het boek vraagt van zijn lezers diezelfde bereidheid om traag en zorgvuldig te lezen’ (Carl De Strycker, &lt;em&gt;Streven&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Als dichter en prozaïst publiceert Kregting interessante, volstrekt eigenzinnige werken die meer lijken op muzikale improvisaties voor vele stemmen dan op het monotone liedje van herkenbaarheid dat het gemiddelde literaire boek kenmerkt. (…) De tekststudie primeert. Als Kregting zijn voorkeuren verwoordt, gebeurt dat rustig en vol zelfrelativering (…) Hij schrijft beeldend, hij volgt de sporen die de gedichten hem aanreiken. Het eist veel aandacht van de lezer, want er is hier geen steeds weerkerend concept, geen rode draad. Polyfoon kun je dit noemen. Net dat maakt van &lt;em&gt;Laden en lossen&lt;/em&gt; een fascinerend boek’ (Bart Vervaeck, &lt;em&gt;Neerlandica Extra Muros&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Van de stelligheid waarmee Vogelaar in de vroege jaren zeventig ten strijde trok – een stelligheid die hij overigens vervolgens zelf sterk relativeerde – lijkt bij Kregting niet zo heel veel te zijn overgebleven. Veeleer lijkt Kregting zich bij momenten impliciet te verontschuldigen voor zijn utopische neigingen, avant-gardistische sympathieën, en voor zijn verlangen naar subversie en dissensus. (…) Kregtings confrontaties lijken mij impliciet veeleer te peilen naar de mogelijkheidsvoorwaarden van de confrontatie als dusdanig’ (Sven Vitse, &lt;a href="http://www.inletterland.net/in_letterland/2008/06/confrontaties.html"&gt;&lt;em&gt;In Letterland&lt;/em&gt;&lt;/a&gt;)&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;ISBN 90-77503-53-6, 317 blz.&lt;br /&gt;Boekverzorging: Martien Frijns&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-1595088556896453553?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/1595088556896453553'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/1595088556896453553'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/laden-en-lossen-2006.html' title='Laden en lossen (2006)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-1509931140134024026</id><published>2009-02-05T22:44:00.011+01:00</published><updated>2011-11-14T21:05:23.890+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='poëzie'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='boek'/><title type='text'>Dood vogeltje (2006)</title><content type='html'>&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;strong&gt;&lt;/strong&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;strong&gt;In opzet&lt;br /&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br /&gt;Dood vogeltje onderkent zeer zeker de neiging om de dingen in het groot te zien en dit wordt geen excuus, maar de brokkelige restanten slaap die het uit hets ogen wreef kwalificeerde dood vogeltjes moeder, handen bij acquit in de zij, altijd als olifantjes. ‘In de schuimranden tussen kleine schelpen in, klaverbloemblaadjes,’ zegt Bashō terwijl hij nota bene bananenboom heet. Geen excuus, maar altijd.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Alles loopt anders dan dood vogeltje wenst en zo kan het twee dingen doen: berusten of stampei maken. Dood vogeltje is een exemplaar van het tweede, hets vlucht is een opeenvolging van breuken – van wie nam het op een goed moment geen afscheid. Tot dood vogeltje las van de Babylonische koning Hammoerabi die zo toornig was inzake de instorting van een brug over de Hellespont, dat hij, onder andere, de zee liet geselen en er ketens in gooide, zodat ze eeuwig gevangen was. Dood vogeltje moest lachen om die krachteloze actie. Daarna werd het kwaad. Zo toornig, eeuwig gevangen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Dan maar ‘gewoon even helemaal nergens aan denken’ en dood vogeltje ligt aan een baai, hets fiets tegen prikkeldraad van recht boven. Van de koplamp resteert de metalen bevestiging, er zit een elastiek om dat naar het spatbord leidt want het wiel loopt aan. Het elastiek staat strak, het waait, het elastiek begint te zingen, dan houdt het op en dan weer door. Dood vogeltje durft niet eens ergens aan te denken. Er zit een elastiek dat naar het spatbord leidt.&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Wat betekent het wanneer teksten ‘vluchtstroken’ heten? Marc Kregting onderzoekt het in &lt;em&gt;Dood vogeltje&lt;/em&gt;, waarvan het titelpersonage zich in elk geval voorneemt opzij te springen als het ontploft. Het dode vogeltje is man noch vrouw, heeft een schimmige afkomst en verblijft overal tijdelijk. Vooral is het druk met doorreizen en bivakkeren, om weerwerk te bieden aan omringende geschiedenissen, wijsheden en actualiteiten.&lt;br /&gt;Het dode vogeltje blijkt niet in staat tot enige beperking. Het slokt op en spuugt uit, komt meermalen om van liefde en haat, van verzoening en wraak. Over voetbal, interpunctie, post, lippokken en afstandsbediening trekt het vogeltje menigmaal pronte conclusies, om ze terloops te corrigeren. Altijd is het eenzaam en onderweg. Mag dit een drama zijn, het is er wel een met strijdbare en slapstickachtige contouren.&lt;br /&gt;Kregting zet andermaal een stap verder in zijn eigenzinnige oeuvre. Niet eerder was een boek van hem zo open en grotesk, laveerde hij met zijn oninwisselbare stijl zo behendig tussen poëzie, proza, essay en aforisme. ‘Sterven aan de gevolgen van een losbandig of een gebonden leven?’ &lt;em&gt;Dood vogeltje&lt;/em&gt; doolt vol vederlichte polemische zinnen over een aardbol die misschien wel voor zichzelf op de vlucht is.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Het werk zit slim in elkaar, het rijm is doordacht’ (Anneke Brassinga, &lt;em&gt;Vrij Nederland&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘gestapelde associatieve teksten’ (Martje Breedt Bruyn, &lt;em&gt;Vrij Nederland&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘zeer intrigerend’ (Frans Budé, &lt;/span&gt;&lt;a href="http://www.nicolemontagne.nl/gast/gast.html"&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;http://www.nicolemontagne.nl/gast/gast.html&lt;/span&gt;&lt;/a&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Kregtings vogeltje heeft een handje weg van taxonomische dwangarbeid: (…) Dat &lt;em&gt;het&lt;/em&gt; (cursivering maakt de ondode leesbaar) zich nergens aan de zombie vergrijpt, doet vermoeden dat het zich eenvoudigweg schikt naar de politiek van ons kent ons. Zombies bijten geen zombies. Het zou ook kunnen betekenen dat de zombie zich niet zo makkelijk laat vastpinnen. &lt;em&gt;Het &lt;/em&gt;was van meet af aan onderhevig aan de uiteenrijtende kracht van de double bind’ (Serge Delbruyère, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.alphavillle.com/avillle/zone/gloss/?item=1044"&gt;Alphavillle&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘&lt;em&gt;Dood vogeltje&lt;/em&gt; is het vernuftige resultaat van een dichter die de durf heeft getoond een (willekeurige?) greep te doen in de kassa van zijn geheugen en die vervolgens is gaan uitwerken, polijsten, verfraaien. (…) In de Middeleeuwen tot ver in de twintigste eeuw aan zou Kregting deze geschriften hoogstwaarschijnlijk moeten bekopen met de dood of opsluiting. Anno 2006 is dit een bizar en tot nadenken stemmend relaas geworden dat aan de grenzen van de beleving reikt’ (Stijn Ekkers, &lt;em&gt;&lt;a href="http://boeken.vpro.nl/artikelen/27522230/"&gt;Boeken.VPRO&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;)&lt;br /&gt;‘De “vluchtstroken” benoemen, terwijl ze zoeken naar wat ze willen zeggen, ontstellend raak een angstaanjagende gemoedstoestand, een verbeelding, misschien wel, van de dood. &lt;em&gt;Dood vogeltje&lt;/em&gt; is een zeer, zeer rijke bundel. Een aangrijpende bundel die je al direct aan het begin bij de kladden pakt en pas ver na lezing van het slotgedicht weer loslaat’ (Edwin Fagel, &lt;em&gt;De Recensent&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘een bijzonder veelzijdig en boeiend, maar ook veeleisend auteur (…) Woorden, ideeën worden hernomen en gevarieerd, sommige titels echoën andere… Die extra samenhang op het niveau van de taal wordt echter doorkruist door de manier waarop de teksten zelf dat idee van een bevattelijke eenduidigheid problematiseren. Het blijft voortdurend aarzelend zoeken, in het besef dat elke lezer noodzakelijk een buitenstaander is’ (Dirk de Geest, &lt;em&gt;De leeswolf&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘De ontsporing die &lt;em&gt;Dood vogeltje&lt;/em&gt; in de lezersziel veroorzaakt is helemaal niet rampzalig, maar integendeel zeer heilzaam’ (Joris Gerits, &lt;em&gt;Poëziekrant&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘verbluffend origineel (…) een gecomprimeerd, bijna driedimensionaal taalwerk (…) een verrassende kijk op de werkelijkheid, een bizarre, maar overtuigend overkomende “logica” die tot hilarische momenten leidt, en tal van stilistische en lexicale vondsten (…) Kregting gaat voorbij het punt waar het Surrealisme is blijven steken, zijn taalspel overstijgt traditionele thematieken en motieven en roept een nieuwe leeshouding op’ (Albert Hagenaars, &lt;em&gt;Biblion&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘intrigerende prozagedichten vol verrassende associaties die de werkelijkheid van alledag lichtjes ontwrichten en ze daardoor fonkelend nieuw maakt. Wie op de uitdaging van &lt;em&gt;Dood vogeltje&lt;/em&gt; ingaat wordt rijkelijk beloond’ (juryrapport Hugues C. Pernathprijs) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘In de bundel wordt het lyrische ik getransformeerd tot een onzijdig verkleinwoord, vederlicht animaal en toch een beetje engelachtig (…) ingewikkeldheid, rusteloze gedrevenheid en een ongebreidelde verbeelding [zijn] prominent aanwezige kwaliteiten.’ (&lt;a href="http://mededelingen.over-blog.com/article-marc-kregting-bekroond-door-provincie-antwerpen-42493437.html"&gt;juryrapport provincie Antwerpen&lt;/a&gt;)&lt;br /&gt;‘een van Nederlands meest gedurfde poëtische projecten’ (www.perdu.nl) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘Ondanks de lichte toon, heeft het ook iets onbehaaglijks. Dood vogeltjes vreemde hersenspinsels worden op een vanzelfsprekende en terloopse manier beschreven. Ze doen denken aan de redenering van een krankzinnige, die zijn eigen logica volkomen vanzelfsprekend vindt, maar de toehoorder de rillingen over de rug doet lopen. (…) Kregting ontmaskert de kracht van literatuur met de literatuur zelf, en bewijst daarmee juist de kracht van literatuur en dus zijn eigen ongelijk’ (Floor van Renssen, &lt;em&gt;dwb&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Dit vogelpasteitje verscheen eind 2006 en valt gelukkig nog tot ver in 2008 te degusteren’ (Daniël Rovers, &lt;em&gt;De Standaard&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘[B]ehoort tot het meest desolate werk dat ik ken. (…) Kregtings literatuur brengt de rafelranden van het sociale verkeer in beeld, en stoot ongehoorde stemgeluiden onze taal binnen’ (Johan Sonnenschein, &lt;em&gt;Awater&lt;/em&gt;) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘het is aan de lezer de tekst te injecteren met het kraakbeen van logica, psychologie, narratief en grammatica. Zijn nevengeschikte zinnen schuren zich aan elkaar, zijn witregels doen als &lt;em&gt;cuts&lt;/em&gt; telkens nieuwe scènes in strofes verschijnen, en de wereld waarnaar ze verwijzen rouleert in hoog tempo. Iedere intertekst waarmee men Kregtings teksten benaderd geeft zich bloot als te beperkt, een meervoudige benadering is permanente vereiste. (…) Deze onbeslisbaarheid is de kracht en de zwakte van Kregtings werk’ (Johan Sonnenschein, &lt;a href="http://www.neerlandistiek.nl/publish/articles/000186/article.pdf"&gt;Neerlandistiek.nl&lt;/a&gt;)&lt;br /&gt;‘De dichter laadt bij deze vorm, door de volslagen vrijheid die deze hem biedt, qua inhoud, taal, klank en ritme toch enige verantwoordelijkheid op zich. En die verantwoordelijkheid kan Kregting in deze bundel niet dragen. Zijn vrijblijvende schrijfstijl leidt tot een eenvormig geheel zonder de noodzakelijke schijn van richting of drama. De observaties en gedachten zijn, schijnbaar nauwelijks geredigeerd, achter elkaar gezet en de alinea's lijken onderling volledig uitwisselbaar. Daar komen de moeilijkdoenerige woordkeus, het modieus taalgebruik en het hoogst irritante bezittelijk voornaamwoord “hets” nog bij’ (Bouke Vlierhuis, &lt;em&gt;Meander&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘beslist een aanrader (…). Het is dicht en geestig en lijkt op niemand anders’ (Samuel Vriezen, &lt;em&gt;&lt;a href="http://decontrabas.typepad.com/de_contrabas/2006/04/miniinterview_m.html"&gt;De Contrabas&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Winnaar Gouden Bult in de categorie ‘beste openheid’ bij de Perdu Poëzieprijzen 2006&lt;br /&gt;Nominatie Hugues C. Pernathprijs 2007&lt;br /&gt;&lt;a href="http://blog.onserfdeel.be/post/2010/01/14/Prijzen-voor-letterkunde-Provincie-Antwerpen-naar-Jo-Tollebeek-Manu-van-der-Aa-en-Marc-Kregting.aspx"&gt;Prijs voor Letterkunde 2009 Provincie Antwerpen&lt;/a&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Gebloemleesd:&lt;br /&gt;- ‘In sport’ in: Chrétien Breukers, &lt;em&gt;25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005, in 666 en een stuk of wat gedichten&lt;/em&gt;. BnM: Nijmegen 2006.&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;span style="font-size:100%;"&gt;- ‘Van de etiquette’ in: &lt;em&gt;Hotel Parnassus. Poëzie uit de hele wereld&lt;/em&gt;. Stichting Poetry International: Rotterdam 2010.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;Vertaald:&lt;br /&gt;- ‘&lt;/span&gt;&lt;a href="http://netherlands.poetryinternationalweb.org/piw_cms/cms/cms_module/index.php?obj_id=17312"&gt;&lt;span style="font-size:100%;"&gt;Concerning etiquette’&lt;/span&gt;&lt;/a&gt;&lt;span style="font-size:100%;"&gt;, &lt;em&gt;Poetry International Web&lt;/em&gt;, 2010 (vert. Astrid van Baalen).&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;integrale voorlezing door twaalf dichters, Perdu, Amsterdam (2008)&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;ISBN 90-284-2150-5, 49 blz.&lt;br /&gt;Omslagontwerp: Erwin van Wanrooy&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:78%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;div class="blogger-post-footer"&gt;&lt;img width='1' height='1' src='https://blogger.googleusercontent.com/tracker/4332419716588852101-1509931140134024026?l=kregtingarchief.blogspot.com' alt='' /&gt;&lt;/div&gt;</content><link rel='edit' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/1509931140134024026'/><link rel='self' type='application/atom+xml' href='http://www.blogger.com/feeds/4332419716588852101/posts/default/1509931140134024026'/><link rel='alternate' type='text/html' href='http://kregtingarchief.blogspot.com/2009/02/dood-vogeltje-2006.html' title='Dood vogeltje (2006)'/><author><name>Marc Kregting</name><uri>http://www.blogger.com/profile/01403122470426723819</uri><email>noreply@blogger.com</email><gd:image rel='http://schemas.google.com/g/2005#thumbnail' width='16' height='16' src='http://img2.blogblog.com/img/b16-rounded.gif'/></author></entry><entry><id>tag:blogger.com,1999:blog-4332419716588852101.post-8975246979480850278</id><published>2009-02-05T22:32:00.018+01:00</published><updated>2011-11-05T21:49:08.404+01:00</updated><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='boek'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='essay'/><category scheme='http://www.blogger.com/atom/ns#' term='maatschappijkritiek'/><title type='text'>Zij zijn niet van Jeremia (2004)</title><content type='html'>&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;Aan het slot van Rainer Maria Rilkes achtste &lt;em&gt;Duineser Elegie&lt;/em&gt; staat iemand die ‘auf / dem letzten Hügel, der ihm ganz sein Tal / noch einmal zeigt, sich wendet, anhält, weilt’. Een vertrouwd beeld voor een terugblik, in de cultuur van het interbellum waarin evident was wat als hoog gold en wat als laag. Rilkes individu had zich ook een halve slag kunnen draaien om een prognose voor de toekomst te maken. Dan wordt de heuveltop een klif. Onder kolkt de zee.&lt;br /&gt;Ik had geleerd dat cultuurgeschiedenis een &lt;em&gt;survival of the fittest&lt;/em&gt; is, waarbij hooguit door periodieke ‘normverandering’ de ene auteur in de canon wordt opgestuwd ten koste van de andere. Wat het boekbedrijf daarbij kon uitrichten, was mij onbekend. Thuis dacht ik hooguit dat het daar een corrupt zooitje was. Eigenlijk was die ongearticuleerde gedachte balsemend, want ik had geen succes met mijn eigen schrijverij.&lt;br /&gt;En plots viel ik omhoog en was ik per oktober 2001 fondsredacteur bij J.M. Meulenhoff bv, nadat Tilly Hermans in het kielzog van Wil Hansen de deur van dat huis zo hard dicht had geslagen dat het op het televisiejournaal kwam. De uitgeverij was volgens het tweetal platgewalst door een concern dat rentabiliteit als heilige wet had afgekondigd: het Einde van de Geschiedenis van het Integere Uitgeversbedrijf. Ze namen de succesvolste auteurs mee en begonnen de principieel kleinschalige huizen Augustus en Cossee.&lt;br /&gt;In die extreme omstandigheden leerde ik het uitgeefwezen, en wat er aan mediale toestanden mee vergroeid bleek, onopgesmukt kennen. Een eigenlijk prachtig vak had zich in een parallel universum genesteld. Het aantal gesprekken over boeken bleek omgekeerd evenredig aan dat over X die Y had gezien die wist dat Z, enzovoort. Steevast was daarbij gelukkig ‘ontzettend gelachen’. En omdat bijna al die vrolijke geschiedenissen in Amsterdam speelden, stond er binnen dat universum nog een glazen stolp ook.&lt;br /&gt;Ik voor mij meende dat het wel handig was teksten te lezen, en toen ik eens informeerde hoe collega’s dat allemaal klaar wisten te spelen, bleek dat het de bedoeling was te ‘proeven’ en dat ik mensen om me heen moest verzamelen voor het kauwen. Een adequate beeldspraak, omdat er veel ‘monden te voeden’ waren. Daartoe spuwde men het ene boek na het andere uit. ‘De titelproductie (inclusief herdrukken&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;) steeg van 3000 in 1900 naar 6500 rond het midden van de eeuw en bereikte in 1997 een totale productie van 17.235 titels.'&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt; (www.bibliopolis.nl) Dat laatste, toch niet marginale, aantal zou inmiddels nog aangewassen zijn. Bij deze &lt;em&gt;grande bouffe&lt;/em&gt; wordt een literair-cultureel segment opgediend van met name romans en non-fictie; wekelijkse overzichten in de bijlagen geven er een &lt;em&gt;amuse gueule&lt;/em&gt; van.&lt;br /&gt;&lt;em&gt;So what&lt;/em&gt;, literatuur is toch handelswaar? Na per december 2003 gedesillusioneerd ontslag te hebben genomen, kan ik die tegenwerping volmondig beamen. Toch zou het raar zijn wanneer bakkers halfgaar brood als gezond verkochten, of wanneer de &lt;em&gt;Consumentengids&lt;/em&gt; over een fiets zonder zadel berichtte dat je dat er al rijdende zelf bij kunt denken, dat dát nu juist de uitdaging is. Curieus is namelijk dat uitgevers in een rilkeaanse aura kwantiteit bombastisch als ‘kwaliteit’ presenteren en dat media die kwantiteit sanctioneren. Binnen deze collectieve illusie wordt ook de term ‘inhoud’ met veel pretentie gebezigd. We betreden hier het domein van de performatieve uitspraken, waarbij de te stellen daad in zoverre werkelijk plaatsvindt, dat de wereld er even voor moet worden herschapen. Voor uitingen uit het parallelle universum zijn derhalve steeds aanhalingstekens benodigd. De steekwoorden ‘kwaliteit’ en ‘inhoud’ blijken &lt;em&gt;trademarks&lt;/em&gt;, soevereiniteitsbegrippen, voor het benul waarvan de machinaal redenerende, geëngageerde studie &lt;em&gt;De regels van de kunst. Wording en structuur van het literaire veld&lt;/em&gt; uit 1992 van Pierre Bourdieu een aanzet geeft.&lt;br /&gt;Iets van die dubbele moraal puilde uit een heuglijk bericht: ‘Voor het eerst kiest de Nederlandse uitgeverswereld op grote schaal voor oerbosvriendelijke boekproductie. Acht grote Nederlandse uitgevers willen het gebruik van houtpulp, waarvoor oerbossen worden vernietigd, uitsluiten.’ (www.Literatuurplein.nl, 19-3-2004) Onvermeld bleef dat met name concernuitgevers bewust aan overproductie doen, en dat ze zelfs van hun eigen fonds weinig meer kennen dan titels, omslagen en fragmenten uit voorleesbeurten. Wel durven ze te bekennen dat ze ten bate van hun Liefde voor dé Cultuur wat verwaarloosbare compromissen moeten sluiten. Die Cultuur is een benaming met de nettowaarde van een buiten het parallelle universum sinds de val van de Muur veelvuldig vallende term ‘internationale gemeenschap’, die díe wereld op zijn beurt halveert. Westerse retoriek dus, die zich in combinatie met de Liefde in de praktijk voltrekt met een tederheid waarvoor het cynische pamflet &lt;em&gt;De heerser&lt;/em&gt; uit 1513 van Niccolò Machiavelli verhelderend is.&lt;br /&gt;Dat dit mensbeeld me heeft doen rillen, is onnodig in een fundamenteel politieke biotoop: de regels van het spel moeten domweg worden geëerbiedigd. Ze behelzen dat iedereen zodanig inwisselbaar én afhankelijk is, dat de boekenwereld een doorzichtige setting lijkt waarin de ene marionet wordt bediend door de andere marionet. Zo dringt zich de associatie op met de dwerg in de schaakautomaat, Walter Benjamins metafoor voor het historisch materialisme. In elk geval is economie de dragende kracht van deze geschiedenis. En al hoeven touwtjes geen zenuwen te zijn, te verklaren valt er wel wat. Wie daarbij ‘complotten’ en andere door schrikdraad omgeven vakantieoorden in het hoofd verwacht, komt bedrogen uit. Het wonderlijke van de branche schuilt er juist in dat er weliswaar op alle fronten wordt gecalculeerd, maar op basis van pathos en mechanische ambitie. Dat ik om dat te bewijzen voornamelijk put uit de wederwaardigheden van één, inmiddels onder curatele gestelde, concernuitgeverij, dunkt me onontkoombaar – ‘so leben wir und nehmen immer Abschied.’&lt;br /&gt;&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;Op 1 januari 2005 werd in Nederland de Wet op de Vaste Boekenprijs van kracht. De branche liet er een onblusbaar debat aan voorafgaan, dat een dubbele missie in het hart droeg. Hoe konden uitgevers onrendabele maar cultureel waardevolle titels garanderen? En hoe kon het assortiment in de boekhandel van ‘hoog niveau’ blijven? &lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; onderzoekt de in de woordentwist ogenschijnlijk verloren geraakte geloofsbrieven waarop deze opdracht is gebaseerd: dát er hoog niveau geleverd wordt, waarvan kopers door brede mediavoorlichting kennis kunnen nemen.&lt;br /&gt;Er verschijnen tegenwoordig dermate veel titels, dat een groot deel niet eens kan worden opgemerkt. Door zogeheten opschoningsacties, voorbij het vagevuur van de ramsj, verdwijnen ze dan ook na een minimale termijn. Die maalstroom bevestigt op cynische wijze de idee van de cultuurgeschiedenis als &lt;em&gt;survival of the fittest&lt;/em&gt;. En men doet in de zendingsijver alles om te overleven: in een Eend kruipen, Zwarte Beertjes promoten bij chocoladerepen waarop ooit een olifantje blonk. In hoeverre valt in zo’n actualiteit de auteur van een immer ‘veelgeprezen’ boek te vergelijken met een levende pion in een schaakspel?&lt;br /&gt;Marc Kregting volgt in &lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; het traject van bellettrie bij concernuitgevers en mediaconcerns. Met name non-fictie en romans floreren in een klimaat dat politiek is geworden, met fusies en kleinschaligheid én met debatten over normen. Afzet, wekelijks te raadplegen in zo’n dertig verschillende toptienen, moet het bewijs van soevereine ‘inhoud’ zijn. Wel ensceneert men non-stop nagepapegaaide kwaliteitsoordelen, waarvan de bron onvindbaar is. De vraag rijst, wat al die blijde boodschappen voor het nageslacht netto opbrengen.&lt;br /&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘als de goochelaar die zich na zijn pensioen in zijn hoge hoed laat kijken. Aanschouw zelf, publiek, met hoeveel minachting we u bejegenen’ (Stijn Aerden, &lt;em&gt;Lezen&lt;/em&gt;)&lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘De polemische energie spat er vanaf. (…) &lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; is helaas nogal warrig. (…) De auteur laat nergens zien dat hij in een korte periode vertrouwd is geraakt met het principe, het mechanisme van de uitgeverij’ (Maarten Asscher, &lt;em&gt;Vrij Nederland&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘De auteur lanceert op de laatste bladzijde van zijn polemisch essay een aantal suggesties om het boekbedrijf opnieuw gezond te maken. De vraag die zich daarbij opwerpt is, of deze suggesties ook uitvoerbaar zijn. En of Kregtings stand van zaken wel zo “explosief” is als zijn uitgever voorwendt. Want hoeveel modale lezers, die ook niet van Jeremia zijn, zouden er wakker van liggen?’ (Patrick Auwelaert, &lt;em&gt;Vlaanderen&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Te vrezen valt dat de mainstream in de uitgeverswereld inderdaad beantwoordt aan zijn polemische schets’ (Jan-Hendrik Bakker, &lt;em&gt;Haagsche Courant&lt;/em&gt;) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;'Volgens Kregting, literaturo pur sang, wordt liefde voor het boek een schraal goed. Bij geweeklaag is het een weinig avontuurlijke reflex om af te vragen of dat inderdaad zo is' (Thomas Blondeau, &lt;em&gt;&lt;a href="http://hetleveniselders.klara.be/literaire-quarterlife-crisis/"&gt;Het leven is elders&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Ik las &lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt;, een pamflet van Marc Kregting over Nederlandse uitgevers en over uitgeefpolitiek &amp;amp; concernvorming, en ik werd niet vrolijk’ (Wim Brands, vpro’s De Avonden)&lt;br /&gt;‘Het boek van Mark Kregting over de scandaleuze situatie in de Nederlandse letteren wordt doodgezwegen of weggewuifd. Wat zijn stelling bewijst.’ (Paul Claes, &lt;em&gt;De Brakke Hond&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘&lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; heeft bij momenten de schrille toon van een duiveluitdrijving (…) Wie dit boekje leest, hoort echo’s van de teleurstelling in Vrouwe Literatuur die, decennia eerder, Jeroen Brouwers trof’ (Mark Cloostermans, &lt;em&gt;De tak waarop wij zitten&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘het geruchtmakende geschriftje van Marc Kregting, dat mij een vermakelijk halfuurtje bezorgt in de trein naar Almere’ (&lt;a href="http://www.mariavandaalen.nl/hoofd/weblog_hoofd.html"&gt;Maria van Daalen&lt;/a&gt;)&lt;br /&gt;‘Geheel aan te bevelen’ (Lieven David, &lt;em&gt;Gierik&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Een buitengewoon verontrustend boek’ (Maarten Dessing, &lt;em&gt;Boekblad Maga&lt;/em&gt;zine)&lt;br /&gt;‘somber maar buitengewoon verhelderend (…) amusant en ontnuchterend ’ (Arie Jan Gelderblom, &lt;em&gt;Neerlandica Extra Muros&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Kregting heeft het over een heel klein segment. Het literaire uitgeversbedrijf is een verhaal apart’ (&lt;a href="http://www.gea.nl/PDFartikelen/artikel_Publishing_for_results_-_Peter_van_Gorsel_en_Angele_Goossens_-_InCT_(maart_2005).pdf"&gt;Angèle Goossens&lt;/a&gt;)&lt;br /&gt;‘Kregting streeft het ideaal na van een soort herenclub, die kan bepalen wat goed is voor de mensen. Dat lijkt me een antieke opvatting. Tussen de regels door lees je heel duidelijk dat Kregting zich boven de materie verheven voelt. De aanbevelingen zijn sowieso amusant, nogal stalinistisch. Niemand zal wakker liggen van dit pamflet’ (Peter van Gorssel, &lt;em&gt;Vrij Nederland&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Kregting overdrijft’ (Jasper Henderson en Lolies van Grunsven, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.nrcboeken.nl/recensie/geen-tijd-meer-om-te-schrappen"&gt;nrc Handelsblad&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Ik moest af en toe best lachen toen ik het las, maar ik dacht ook voortdurend dat hij het erom deed, dat het een grote grap was’ (Jasper Henderson, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.athenaeum.nl/boek-van-de-nacht/jasper-henderson-redacteur"&gt;De Groene Amsterdammer&lt;/a&gt; &lt;/em&gt;)'&lt;br /&gt;‘De belangrijkste taak voor een redacteur blijft om samen met een auteur tot een goed manuscript te komen. En die taak zie ik in het boek van Kregting niet terugkomen. De stelling van Kregting dat een redacteur helemaal geen tijd meer zou hebben om een manuscript te lezen en te redigeren is onzin. Marc Kregting staat heel duidelijk een bepaald soort literatuur voor’ (Tilly Hermans, &lt;em&gt;Vrij Nederland&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘&lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; is een boek dat het verdient met aandacht te worden gelezen. Het is geschreven door een idealist, waarvan er veel meer zouden moeten zijn. Kleinschaligheid en onafhankelijkheid zijn moeilijk te handhaven in deze maatschappij, maar het is wel zinvol ze na te streven’ (Joachim Hilhorst in &lt;em&gt;Vooys&lt;/em&gt;) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;'(...) uitgeversgroepen die beweren met een grotere diversiteit uit te pakken. Deze bescherming van diversiteit is echter een schijnmanoeuvre. Het betekent eigenlijk (...) zich richten op literatuur waar een publiek voor bestaat, wat niet hetzelfde is als heterogene werken archiveren. Het is volgens Marc Kregting een grote leugen van de markt dat elk individueel verlangen kan omgezet worden in een globale vraag ' (Sabine Hillen in &lt;em&gt;Kort en lang boekenplankleven. Literatuur in een tijd van digitalisering&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘In een lezing over Boon en de Vlaams-Nederlandse uitgeverswereld legt Angèle Manteau uit waarom ze &lt;em&gt;De Kapellekensbaan &lt;/em&gt;heeft geweigerd: “Er was geen afzet in Vlaanderen en geen export naar Nederland.” En vandaag? Misschien dat Jeroen Brouwers weet hoe het er toegaat. Of Marc Kregting. Of Hans Vandevoorde. Ik heb het allemaal zelf moeten uitzoeken.’ (Pol Hoste, &lt;em&gt;De verzwegen Boon&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Paradoxaal genoeg bewijzen de kritische kanttekeningen bij Kregtings analyse, dat de aanname van zijn boek in principe breed gedeeld wordt. (…) Intussen is het natuurlijk wel voorstelbaar waarom analyses als die van Kregting en Bourdieu ons als vrije zelfstandig denkende mensen tegen de borst stuiten: de weldenkende zelfbewuste individuen, die we immers allemaal zijn, worden in zulke analyses gereduceerd tot instrumenten en instrumentalisten. Waarbij men extra aanstoot kan nemen aan een eigenschap van dergelijke analyses. Namelijk, de metapositie die de onderzoeker van het literaire systeem inneemt, geeft hem impliciet een odium van onaantastbare superioriteit (…) elkaar uitsluitende verwijten die Kregting gemaakt worden: zijn analyse is zowel vergezocht en paranoïde als voor-de-handliggend én algemeen-bekend’ (Jos Joosten, &lt;em&gt;Tijdschrift voor Tijdschriftstudies&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Een prachtige idealistische visie op het uitgeefvak! Maar hoe weinig realistisch!’ (Martine Koelemeijer, &lt;em&gt;Boekblad on line&lt;/em&gt;) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘een hilarisch portret van een uitgeverij in een moeilijke periode, waarin Kregting behalve veel rake observaties ook hier een daar een overdreven negatieve voorstelling van zaken schetst’ (Lisa Kuitert, &lt;em&gt;Over redactie&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘Een shockerend kijkje in de redactiekeuken van literaire uitgeverijen’ (&lt;a href="http://www.carrieretijger.nl/beroep/taal-communicatie/media/commercieel/uitgever"&gt;Isabelle Langeveld&lt;/a&gt;&lt;/span&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;)&lt;br /&gt;‘het hoogst kritische maar ongenuanceerde essay &lt;em&gt;Ze zijn niet van Jeremia’&lt;/em&gt; (&lt;a href="http://papierenman.blogspot.com/2007/01/nominaties-vlaamse-cultuurprijzen-2006.html"&gt;Dirk Leyman&lt;/a&gt;)&lt;br /&gt;‘Lang leve het nieuwe elitarisme. Hup Marc’ (Bertram Mourits, &lt;em&gt;Boekblad on line&lt;/em&gt;) &lt;/span&gt;&lt;br /&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;‘een gedesillusioneerd pamflet (…) &lt;em&gt;Wij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; staat vol met trefzekere, soms groteske schetsen van de literaire uitgeverij en sluit af met een pleidooi om niet mee te doen aan concernvorming, de posities in het literaire veld sneller te rouleren en vooral: om minder titels uit te geven. Dat laatste natuurlijk niet met het idee dat de minst verkopende boeken het eerst geschrapt worden maar wel dat er een strenge selectie op kwalitatieve grondslag wordt gemaakt, en dat redacteuren meer tijd hebben om goede boeken van de uit te geven manuscripten te maken’ (Bertram Mourits, &lt;em&gt;De Revisor&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘[D]oemdenkers als Marc &lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; Kregting’ (Joost Nijsen, &lt;/span&gt;&lt;a href="http://www.uitgeverijpodium.nl/"&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;http://www.uitgeverijpodium.nl&lt;/span&gt;&lt;/a&gt;&lt;span style="font-size:85%;"&gt;)&lt;br /&gt;‘De schrijver verdient respect voor de moed waarmee hij een klokkenluidersrol op zich wilde nemen. Toch is &lt;em&gt;Zij zijn niet van Jeremia&lt;/em&gt; geen geslaagd boek, als aanzet tot een discussie zelfs volkomen mislukt.’(Tonnus Oosterhoff, &lt;em&gt;&lt;a href="http://www.nrcboeken.nl/recensie/een-hond-die-tegen-je-opspringt"&gt;nrc Handelsblad&lt;/a&gt;&lt;/em&gt;)&lt;br /&gt;‘[A]ctuele j’accuse aan het boekenvak (…). Kregting toont in zijn frontale aanval de economische en incestueuze motieven van redactie, boekhandel en literaire kritiek, heeft lak aan reputaties, valse pretenties en ingesleten aannames en clichés en zet het vak op losse schroeven. Zijn aanbevelingen – “halvering van het aantal titels” en “terugtrekking van kranten en weekbladen uit de concerns” zijn er enkele – zijn revolutionaire, idealistische vloeken in de economische kerk en daarom wellicht onuitvoerbaar. Maar misschien zijn ze broodnodig’ (www.perdu.nl)&lt;br /&gt;‘de situatie waar hij naar toe wil lijkt zo onrealistisch en buiten deze tijd dat je er als lezer moeite mee hebt om hem serieus te nemen. Bovendien lijkt het mij niet bevorderlijk te gaan naar een klimaat waarin literatuur iets is voor de “culturele elite” en waar
