zondag 1 december 2019

Zilverlingen. Taal over taal, 1994-2019 (2019)


isbn 978 90 7920 262 1, 224 blz.
Grafische vormgeving www.gestalte.be



Oorspronkelijk wilde ik ridder worden of tuinarchitect. Het liefst ging ik natuurlijk in de voetballerij, desnoods parttime, als de meester van de vijfde die het geschopt had tot het Nederlands elftal (tweede helft tegen Tsjechoslowakije, 1969). Mijn constitutie werkte daar niet echt aan mee, dat begreep ik wel. Ik was wat in de vakliteratuur heette lui, pedant en ziekelijk.
Soms probeerde ik het heus, hield een balletje drie keer hoog, mikte op een lantaarnpaal maar bedoelde de ernaast geparkeerde auto, wreef aarde over mijn blote knieën. Ik moest dan, klonk het onverbiddelijk, op adem komen. En besloot in het gras te gaan liggen.
Zo pienter was ik, dat ik me ophield buiten bereik van het ouderlijk oog. Mijn grazige weiden bevonden zich aan de overzijde van een dijk die ik onder geen beding mocht oversteken. Een lichaam vol vervaarlijke beloften (als je er te hard over denkt, lezen mensen ze van het voorhoofd) trippelde langs een rustoord. Het heette Aeneas. Daarachter begon een park. Je kwam daar over een brug waarvan de okergele verf was afgebladderd. Ik bepaalde me tot het stukje niemandsland ervoor, evenmin geclaimd door een aanpalend ziekenhuis. Ik vertraagde mijn pas bij het talud en perste de bal in het opgeschoten gras. Liet me iets naar beneden glijden, richting sloot. In de verte zoefde vrachtverkeer naar België, ploeggenoot van de Lage Landen.


Oorspronkelijk wilde ik ridder worden of tuinarchitect’, herinnert Marc Kregting zich. Maar dat was voordat in 1994 zijn debuutboek De gezel verscheen. Kreeg hij toen een vak of een identiteit? Vijfentwintig jaar later maakt Kregting de som op in Zilverlingen – een onbeschaamd geretoucheerde keuze uit zijn columns en notities over taal.
Hij werd tekstredacteur. Niet simpel, temeer daar Kregting in de tussentijd naar België emigreerde. Hij moest terug naar school. Was het ‘Ik ben begonnen te lopen’ of ‘Ik ben beginnen lopen’? Door de jaren heen vielen hem meer verschillen op, pietluttigheden die zijn taalzintuig kietelden. Kregting waande zich een toerist op thuisgrond en raakte verzeild tussen politiek en ouderschap, sport en ecologie, uitsluiting en liefde.
Als taaldocent ervoer Kregting bovendien hoe jongeren zich uitdrukken. Opnieuw moest hij leren, tot aan de spaties toe. Dat actualiteit en geschiedenis zo door taal blijven kieren, bewijst Zilverlingen. Marc Kregting dribbelt even zwaardzwaaiend als vrolijk op het materiaal af waarvan hij leeft. Op naar het volgende debuut.


Als er één boek van het voorbije jaar meer aandacht verdiende, is het Zilverlingen, een pittige mix van ironische taalstatements én loepzuivere aforismen.’ (Frank Hellemans, Doorbraak)
‘Hij heeft alle uithoeken van de taal gezien. (…) Waar de boekenmarkt in die vijfentwintig jaar geregeld is overspoeld met boeken vol vrolijke stukjes die lekker van a naar b trekken en hun observaties over het algemeen beperken tot nostalgische bespiegelingen over verloren gegane taal of juist grappige observaties over de laatste taalmodes, ken ik geloof ik geen boeken die de volheid van de taal zo weet te raken. (…) Zilverlingen van Marc Kregting is een heel ongebruikelijk boek over taal. En mede daardoor misschien wel het beste dat ik dit jaar heb gelezen.’ (Marc van Oostendorp, Neerlandistiek.nl)
‘Zeer speels, zeer verrassend.’ (Frits Spits, De Taalstaat)

donderdag 16 mei 2019

Bloemlezing 21ste-eeuwse essays (2019)


Ruimte in het hoofd



Toen onlangs het literaire tijdschrift G. een nummer plande over Patricia de Martelaere die tien jaar geleden overleed, bleek van deze begenadigde en bewierookte essayiste-romanschrijfster, wier oeuvre decennia omspant, geen enkel boek voorradig. Geïnteresseerd jongere auteurs moesten zich behelpen met fotokopieën en niet-afgeschreven bibliotheekexemplaren. Prachtig dus dat Nina Polak en Joost de Vries eind 2018 met de bloemlezing De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21ste eeuw in 60 essays materiaal naar buiten brachten dat, hoe recent ook, amper beschikbaar blijkt. Bovendien heeft deze gebonden editie van dik zeshonderd bladzijden een leeslint, hintend dat het genre trage consumptie eist – die de voorbarige datering in de ondertitel kan verklaren.
De twee samenstellers nemen in hun voorwoord uitdagend afstand van het essay als beschouwende tekst (hun cursivering), die een afstandelijk betoog zou afsteken. Polak en De Vries hebben voorkeur voor onderzoek dat meandert en een persoonlijke toets toelaat. Meteen is dan de vraag of het een het ander uitsluit. Hoe zouden ze bijvoorbeeld Montaigne inschatten, verklaard grondlegger van het essay? De samenstellers omzeilen die kwestie pragmatisch, doordat de eisen van de tijd veranderd zouden zijn. Voor hen is het tekenend dat er recent een heruitgave verscheen van Marja Pruis’ De Nijhoffs en ik. Dit debuut was in 1999 ‘ongenadig hard afgefakkeld’ omdat de auteur zich naast haar onderwerp drong. Nu wordt zo’n prominent ik, constateren Polak en De Vries, ‘unaniem geprezen’.
Ze verklaren die ontwikkeling uit de veelheid van media en informatie die in de 21ste eeuw beslag kreeg: mensen nemen de wereld subjectiever waar. Elk onderwerp zou daarbij zijn eigen methode afdwingen. Tegelijk zijn maatschappelijke misstanden als seksisme en discriminatie zo algemeen, dat een goed essay tegenwoordig, ‘niet uit navelstaarderigheid’, de oplossingen dicht bij huis zoekt. Dat is wederom pragmatisch omdat, ontlenen Polak en De Vries aan een uitspraak uit een prognose, met een traditioneel ‘vrijuit’ onderzoek via dit type tekst ‘geen droog brood meer te verdienen valt’. Het delen van privébesognes als aanpassing aan de markt?
Voorheen hield het essaygenre volgens de samenstellers een literair ‘spel’ in, met ‘mooischrijverij’. Ze noemen daarbij Komrij, Vogelaar en Krol. Het te maken punt zou bij die auteurs onder aan het prioriteitenlijstje staan en zo bleven ze zelf ‘buiten schot’. Dit type, onthullen Polak en De Vries, ontbreekt in deze bloemlezing. Ze sluiten zich expliciet aan bij Joost Zwagerman die straatrumoer in de literatuur kon waarderen.
Een essay uit De wereld in jezelf is dus onbeschroomd bevlogen en geëngageerd. Polak en De Vries prefereren ‘algemene onderwerpen’ boven stukken over literatuur en poëtica van ‘vooral dichters’ die van papier naar papier zouden bewegen. De 21ste eeuw van deze bloemlezing begint met Nine-eleven. Volgens Michael Zeeman, betiteld als ‘huisessayist van de Volkskrant’, leek toen het begrip Derde Wereldoorlog ’even inhoud te krijgen’. Drie dagen na de aanslagen achtte hij alleen fictie in staat deze werkelijkheid te begrijpen. Door deze acquitstoot van De wereld in jezelf wordt heil gezocht in de vermaatschappelijking van literatuur. En dus ook van het essay, dat zich in deze bloemlezing, garanderen de samenstellers, diverser dan ooit betoont. Het kan er de vorm aannemen van een brief, een verhaal, satire,… Volgens Polak en De Vries duikt literatuur zelf er ook anders in op. Lezen van een andere tekst gaat niet met exegese, maar weerspiegelt eigen ervaringen, ‘de theorie van de roman wordt als het ware doorberekend naar de praktijk van het leven’. Daarnaast zou het essay oprukken binnen de roman zelf, ‘het narratief wordt opgeschort voor een essayistisch vertoog’. Dit vertoog is zelfstandig te lezen, terwijl de samenstellers bij enkele, vaak oudere auteurs (Brassinga, Februari, Hulst, De Jong, Lanoye, Schippers) geen ‘fragment uit een groter geheel’ kunnen en willen lichten.
Hun selectie in ogenschouw nemend stelt het Polak en De Vries teleur dat er maatschappelijk grote thema’s als de bankencrisis en klimaatverandering in ontbreken. Wel ontwaren ze ‘opvallend veel porno’. Onder de bijna zestig uitverkorenen voor De wereld in jezelf zijn in het eerste decennium van de eeuw mannen overtallig, in het tweede tellen Polak en De Vries, opnieuw geïnspireerd door Pruis, meer vrouwen. Ook dat is een teken van vergrote diversiteit, die het belang van iedereen dient. Het voorwoord besluit: ‘Het essay is de plek waar de schrijver zich vrijuit tot de wereld kan verhouden, waar ruimte wordt opgeëist maar ook ruimte wordt gemaakt in het hoofd van de lezer’.

Roze koeken
Waarschijnlijk klinkt door mijn modale werkwoorden al verbazing over de statements van Polak en De Vries.
Hun afkeer van poëticale stukken wordt weersproken door de as van de bloemlezing. Behalve Zwagerman en Zeeman (uit wiens krantenartikel de cruciale laatste 500 woorden zijn weggelaten) vertolken nog twee mannen die: Bas Heijne met ‘Weg met de wezenloosheid’ en P.F. Thomése met ‘Raadsel der verstaanbaarheid. Deze vier poëtica’s hebben een relatief groot publiek bereikt, gaan exclusief over proza, bieden geen nieuwe gezichtspunten en voelen bij herlezing lauw aan. Terzijde hebben ze nog iets gemeen. Zeemans beschouwing uitgezonderd zijn deze teksten gemaakt voor aan letterenfaculteiten gelieerde evenementen. Hier fungeren essayisten als zogeheten gastschrijvers.
Polak en De Vries’ bewering over de actuele penetratie van het essay in fictie kan ik evenmin volgen. Vroeg in de twintigste eeuw is het begrip essayisme zelfs door Musil in zijn romancyclus Der Mann ohne Eigenschaften verdisconteerd. Nog eerder kende Nederlandse literatuur in Multatuli zo’n uitvoerder van wat Polak en De Vries voor de 21ste eeuw ontdekken. Even voordien, in het postmodernisme, was genrepenetratie min of meer de norm.
Andersom sticht Polak en De Vries’ besluit geen ‘fragment uit een groter geheel’ op te nemen verwarring, omdat meerdere teksten in De wereld in jezelf refereren aan inleidingen en vorige hoofdstukken. Akkoord, de expliciet om die reden niet gebloemleesde Maxim Februari is voor mij, zoals ik eens bekende, de grootste hedendaagse essayist. Maar juist zijn praktijk ondermijnt Polak en De Vries’ criteria. Februari schrijft wekelijks maatschappelijke columns, publiceerde in de 21ste eeuw meer dan één boek met zulke houdbare zelfstandige stukken, bundelde ervaringsrijke notities over een heet hangijzer als transseksualiteit…
Nu redeneer ik op het niveau van namen. Polak en De Vries vertellen te hebben weggestreept uit een veelvoud aan namen. Ze erkennen dat twee andere bloemlezers, die net als zij in de KB ‘op een dieet van roze koeken en koffieautomatenkoffie’ door essaybundels uit de 21ste eeuw zouden heengaan, zestig totaal andere teksten hadden kunnen kiezen die met evenveel recht als staalkaart voor het genre golden. Maar juist die aanspraak maakt me met terugwerkende kracht nieuwsgierig naar concrete voorbeelden van ‘mooischrijverij’ bij Vogelaar en Krol. Van Polak en De Vries’ derde passé essayist, Komrij, heeft De wereld in jezelf nota bene een tekst opgenomen. Ik zie daar eerlijk gezegd vooral stijl, maar het punt dat er wordt gemaakt, over homoseksualiteit, lijkt niet op klassieke wijze ontstaan door het essayeren zelf.
Ook zijn bij Komrij alinea’s drastisch verkort tegenover de hem omringende essays. We schrijven dan 2008. Mijn stelling is dat hij technisch iets liet zien wat bij jongeren in deze bloemlezing weerkeert. De essayist was een superproducent geworden, die met zijn gerekte bladspiegel kwantitatief aan de vraag voldeed. Hij bewoog zich naar het fragmentarische, over de rand waarvan latere auteurs vallen. Bij hen worden essays genummerde deeltjes waarin de breuken geen andere motivatie vertonen dan wat er, heet van de naald, rond het aanvraagmoment is gebeurd, te binnen geschoten en gelezen. Met één citaat verschijnen en verdwijnen allerlei boeken in zo’n tekst. Dit klinkt ouwelijk, maar ik moet, al zijn me zijn jonge essayisten bekend die de stiel anders bedrijven, afgaan op de bloemlezing. Daar weet Fiep van Bodegom met zo’n vorm van fragmenten en citaten trouwens wel een tekst te componeren die een essayistische denklijn vertoont.
Bij die dominante desintegratie verstrekt De wereld in jezelf een ratjetoe van alineavormgevingen, soms binnen hetzelfde stuk met en zonder witregels, dan weer inspringend en dan weer niet. En nu ik toch aan het zagen ben: de noten verwijzen naar een afwezige bibliografie en de inhoudsopgave wankelt. Met een pauze van vierhonderd bladzijden verwijzen twee bijna identieke noten naar een en dezelfde doorwrochte studie over Pasolini, in twee spellingen van deze regisseursnaam.