vrijdag 29 mei 2009

Zoem! Evoluties (2009)


ISBN 978 90 284 2304 6, 64 blz.
Grafische vormgeving Joost van de Woestijne




– Menigten drommen pakken samen.
Een schervenglinstering belet elk zaaien van
de dubio dignitatis, iets wat je echter al wist.
Dan maar in conclaaf met de libido die niet
onzijdig worden wil. Je slaat op haar met een
plastic zak, waarin je voor de gelegenheid je
hoofd verborgen hebt. Daarna bestel je koel
en loslippig een Grande Sugar Free Alpacino
Vanilla Skim Latte. De strijders beleggen weer
een vergadering. Hopelijk zijn er broodjes bij,
per halfuur verzorgd opgetast door de bonden.
Jean heeft een lange snor, zijn schoonmoeder
is homo. Het is de vraag wat je in hen voor een
maat ziet. Daartoe maak je de passeerbeweging
met bal. Er is een ongenoemd blijvende iemand
die nu eenmaal zijn dagelijkse Porsche moet.
Gun dat, gun dat, goal. Niet elke eend is een
citroen. Laat dat nu, wolkenkind, en ga eindelijk
verticaal klasseren. Zaad is gewoon dik bloed
zonder factoren, weet je nog. Voor het kielgat.
Je opent een tube componentenlijm bij het
reglement van internen, terwijl je glas knaagt –

‘Wat ging er door u heen?’ wordt gevraagd over hartverscheurende momenten. De nieuwsgierigheid geldt de reikwijdte van een ervaring of het mechaniek van een inzicht. In Zoem! Evoluties heeft Marc Kregting getracht zulke soms tegenstrijdige omstandigheden op te roepen en er taal voor te vinden. Vanaf 1996 – zijn poëziedebuut was amper twee jaar oud – begon hij daartoe gedichten te maken die tussen gedachtestreepjes staan. Alles kon er verblijven wat fatsoen en orde uitbannen. Het ritme van de poëzie stelde zich ondertussen teweer tegen de publieke opinie (‘men’) die onbruikbare geschiedenis en fundamenteel afwijkend denken platwalst. Zo verwekte Kregting in Zoem! een gestage en ongecensureerde ontwikkeling van werkelijkheden. De tijd die hij nodig had om zijn veelomvattende project te voltooien, liet de teksten rijpen tot poëzie met een zo grote intensiteit en humor dat haar effect bevrijdend is.


‘Zin om woorddronken te worden? Je te bezatten aan betekenissen die over elkaar heen buitelen, met elkaar een dansje te doen? Te zien hoe de grenzen van de bevattelijkheid worden getart? Schaf je dan op een zomerse middag Zoem! van Marc Kregting aan, een bundel die je na lezen moeilijk van je af kunt slaan.’ (Paul Demets, De Morgen)
‘Je moet er wat moeite voor doen, maar dan verleidt ook deze tiende bundel met onnavolgbare humor en buitengewone taal’ (Yra van Dijk, NRC Handelsblad)

‘Geen andere bundel is een zo hecht georganiseerde uitbraakpoging uit de geëgaliseerde taal waarin ik ben thuisgemaakt en opgesloten. Via ontnuchterende verbindingen word ik van betekenis naar betekenis naar buiten geleid. Regelmatig grijp ik mis en ik word daar niet slechter van’ (Hans Groenewegen, Awater)
‘een hoogst karakteristieke stijl die echter van een heel klein aantal lezers de kans zal krijgen zich als een bijzondere gewaarwording te laten gelden. De gedichten zijn verhalende teksten met overwegend korte regels boordevol ontwikkeling (vandaar ook de ondertitel 'Evoluties'). Ze kunnen uitstekend apart gelezen worden. Wie graag taaltochten onderneemt, zal lang van huis kunnen blijven.’ (Albert Hagenaars, Biblion)

‘Het kost energie om de poëzie van Marc Kregting te lezen. Als mijn aandacht even verslapt, dreigt de onverstaanbaarheid de overhand te nemen. Toch wil deze poëzie communiceren; het probleem is alleen dat zoveel verschillende stemmen om aandacht vragen (…) Hoe je Zoem! ook leest, als de weergave van een denktraject, een reflectie op de plek van de mens in de wereld, een bundel over het dierenrijk, een poëticale exercitie, een boek over het begin van het leven: geen lezing sluit de ander uit. Bijna alles is mogelijk met dit boek. Het biedt dan ook een ongekend rijke, verwarrende en complexe leeservaring’ (Laurens Ham, Poëziekrant)
‘Het zijn vooral de opeenvolgingen die krankzinnig grillig en soms hilarisch zijn. (…) een alwetende maatschappelijke stem die geridiculiseerd wordt (…) Die vorm gaat in de loop van de bundel een beetje wringen, maar dat is vaker met Kregtings gedichten, die fris ogen als je ze oppakt maar zich moeilijk in hoeveelheden achter elkaar laten lezen (…) Het is met alle wonderlijkheden een duizelingwekkend geheel. En toch ligt er een bommeliaans gevaar op de loer in de gedichten van Kregting, vanwege de overdaad aan spitsvondige humor’ (Erik Lindner, De Groene Amsterdammer)
‘intense titelloze taalexperimenten’ (Maaike Meijer, De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs)
‘Geen logische wetten zijn hier het reglement, maar onderliggende structuren. Kregting wil niet echt iets beweren, hij toont ons een levend organisme van humor en venijn en voedt onze hersenen daarmee. Ik lees veel dingen over de huidige maatschappij, zonder dat er een oordeel mee wordt uitgesproken, maar daar gaat het ook niet om. Het gedicht is autonoom, omdat het in zichzelf groeit, en tegelijk autonoom omdat het de wereld ook weerspiegelt’ (Hanz Mirck, De Contrabas)

Waarom is een tekst poëzie, ook al ziet ze er als proza uit? Omdat ze, met Kregting als het sterkste voorbeeld, een soort verdichting in letterlijke, bijna chemische zin heeft ondergaan tijdens het schrijfproces’ (Wam de Moor, Streven)
‘Ondanks de strijd tegen de dwang om te categoriseren, de officiële vormen van kennis en het vergoddelijkte consensusdenken, lijkt Kregting in zekere zin ook zelf te mikken op een overkoepelende term, hoe ambivalent die ook mag zijn. Aan de hand van een uitgesponnen metaforisch spel waarin de elementen elkaar besmetten, wekt Kregting een soort “alles” tot leven, een onreine en heterogene eenheid. Zo ontmoet de vloeistof in de bundel op een gegeven moment de aarde, zodat de twee samenkomen in een troebele en stroperige modder. Tegelijk tast Kregting hier ook zijn eigen beeldentaal aan; ook water is maar een gemankeerd beeld voor wat onvast is.’ (Koen Sels, De Leeswolf)

‘Je buitelt door de referenties en de steeds een andere kant op schietende zinnen heen; de talloze mogelijke betekenissen flitsen voorbij en zijn nauwelijks bij te houden. Maar ook valt dan op hoe de bundel geraffineerd gebruik maakt van motieven en frasen, die steeds worden gespiegeld door parallelle frasen of die worden hernomen in een andere context. (…) Met zulke technieken van gelaagde verwijzing laat Kregting steeds de betekenissen van woorden en frasen zelf razendsnel evolueren. Grote verschillen, zoals tussen dood en leven, kunnen dan op oneindige snelheid overbrugd worden.’ (Samuel Vriezen, Awater)

Gebloemleesd:
- ‘Je bent geroepen uit de toppen van’ en ‘Het genot van modder en eenmaal kauwen’ in: Maaike Meijer, De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2011. Arbeiderspers: Amsterdam/Antwerpen, 2011
- ‘Je bent geroepen uit de toppen van’ in: Ilja Leonard Pfeijffer, De Nederlandse poëzie van de twintigste en de eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten. Prometheus: Amsterdam 2016

Vertaald:
- 'Above these mountains of salt, loss sets in’, Poetry International Web, 2010 (vert. Astrid Alben).
- 'Bzzzz! What was that? It could be’, Poetry International Web, 2010 (vert. Astrid Alben).
- ‘So elendig wie du bist, die Zügel’, ‘So alleinig du gehst, denn deine Anzahl darf’, ‘So schnell gewöhnt man sich an Mißgeschick’, Dichter bij het Beeld / Dichter am Bild. De Nederlandse/Duitse volksuitgave. Stichting Uitgeefcompagnie Achterland, 2013 (vert. Sytze Rinsema, Monica en Arie Grevers)


donderdag 21 mei 2009

Waarom (2003)


In een opkomende helderheid

Life’s nonsense pierces us with strange relation
(Wallace Stevens)



God, ik zou wel willen. Feit is echter dat ik om precies te zijn nihil komma nul van de wereld begrijp, dat relaties binnen de species mens voor mij gewikkeld zijn in rokken van duisternis, en dat elke samenhang tussen de fenomenen me ontgaat. Daarom omhels ik, strikt platonisch en volmondig experimenteel, Sandra Kim: ‘J’aime j’aime la vie’. Wel wordt van mij in het dagelijks leven verwacht dat ik handel door zonder verpinken taal uit te stoten in ordelijke en voor alles ordentelijke meningen jegens de ander, door besluiten te nemen. Ik praktiseer die concessiepolitiek waarschijnlijk naar beste vermogen, maar de netto opbrengst blijkt gering. Het is allemaal ik en ik en ik, en altijd moet door voor A te kiezen B als oneigenlijk worden uitgebannen. Zo’n beroepspraktijk lijkt mij niet zozeer communicatief als wel reductionistisch en doelmatig, met een betekenisdictum dat onafwendbare lekken bewust dicht, verhult. Heet die milieubelasting soms fatsoen? Werd het in de negentiende eeuw uitgevonden en wanneer en waar kan ik mij daar nog op afrekenen? En indien een samenhangsuggestie al verhoogd rendement brengen zou, is haar drijfveer niet onverschilligheid? Mogelijk trek ik een scherm op tegen de wereld om oordelen uit te kunnen wasemen en willekeurige besluiten door te kunnen voeren.
Schematisch berust mijn dagelijkse werkzame leven op het afwezig maken van dingen en mensen. Het afwezig spreken, wellicht. Mocht het niet zo pathetisch klinken, dan had het een totalitair drama kunnen heten, een penetreren in alles wat de ander aan deze en gene zijde van de huid met zich meedraagt. Een aantasten van autonomie. Gelukkig zou de wereld even hard of zacht doordraaien om zijn as indien ik de waffel zou houden of er domweg niet was.
Nu volgt De Onherroepelijke Wending In De Nieuwe Alinea, soepeltjes gelardeerd met De Jongste Wetenschappelijke Inzichten. Op het moment dat ik achter mijn computer ga zitten om te schrijven tracht ik het hele affiche van de realiteit te schetsen. Dat houdt onder meer in dat ik mezelf eindelijk kan dumpen en mijn karkas als het ware wordt bevleesd. Wat ik intyp is zo onbemiddeld mogelijke ervaring. Dan beleef ik een waarheidje van Foucault: ‘De taal is in stukken gehakt, in zichzelf verdeeld, en anders gemaakt; zij heeft haar oorspronkelijke helderheid verloren; de taal is een geheim dat binnenin zich, maar aan de oppervlakte, de ontcijferbare tekens draagt van wat ze zeggen wil. Ze is tegelijk verstopte openbaring, en openbaring die langzamerhand in een opkomende helderheid zichtbaar gaat worden.’ Ik vermoed dat het bij mij dan concreet tussen twee polen gaat bewegen. Die van een mateloze verliefdheid op de wereld waarbij, onverbeterlijke minnaars eigen, elk futiel symptoom (niet het allesverklarende maar het gemiste telefoontje, niet de aankomende maar de vertrekkende trein) voor heel eventuele aanhankelijkheid gewogen wordt. Kribbigheid is de pendeldiplomaat naar de andere pool, van de huiver voor de afgrond, voor de afwijzing. Alles of niets, de overmaat of het merg. Dat wat ik normaliter ten faveure van de negentiende eeuw inslik, kan aan bod komen en de lieve vrede hoeft niet bewaard te worden. Zij het dat ik nog steeds zou willen, begeleid door de muziek van Sloterdijk: ‘De geest van de utopie hoort minder toe aan het zichzelf vooruitstralende worden van het betere dan aan het altijd nog zichzelf licht gevende Nog-zijn van het begonnene. Er gloeit geen voor-schijn, maar er is na-licht.’ Ik beschouw deze toonval als een onthulling, een term die, als ik me op het glibberige pad van de etymologie mag begeven, de vertaling is van APOKALUPSIS.
Schrijven komt voor mij neer op aanwezig maken. Dat is een trage, amateuristische en illegaal aanvoelende rondgang, waaruit ik monddood tevoorschijn kom. Met het preciezer worden van het spreken, neemt het zwijgen evenredig toe. Een gepruts en gepel. Ik kap ermee op het moment dat ik me niet langer de auteur maar de lezer van de onderhavige tekst waan. Vanuit dat vermoeden is het mij een raadsel gebleven waarom er een, liefst gelijkende, foto op de achterflap van een boek moet.
Wel vraag ik me af waarom ik de moeite neem om achter een bureau te gaan zitten, bijvoorbeeld als de zon schijnt of wanneer er gegeten en gedronken kan worden en meer van die geneugten. Het ‘schrijverschap’ blijkt nog altijd sacraal in zijn hoedanigheid van sociaal alibi, om mensen niet onder ogen te hoeven komen. Ik constateer dat het zitten achter een computer ook fysiek verslavend is, en gelukkig kan ik erbij roken. De volgende vraag luidt waarom ik het tot nu toe nodig heb geacht de resultaten van die arbeid openbaar te maken. Kennelijk ben ik nog zo ijdel een stem te willen laten horen die uit vele contradictoire stemmen bestaat. Dat moet er haast op duiden dat ik met het tonen van een woelige, democratische wereld protesteer tegen wat ik een hermetische want gekortwiekte wereld noem. Zo’n project is een buitenpersoonlijke utopie. En stiekempjes ga ik er, aangenaam woordeloos geworden, als het ware alsnog op zoek naar de ander. Dan is de tekst, om Celan te citeren, ‘eenzaam en onderweg’ en staat in het teken van ‘het geheim van de ontmoeting’.

Yang xxxix/3 (nov 2003)

woensdag 13 mei 2009

School der Poëzie (1997)


Een uitspraak van iemand

‘Ich bin kaum ein unklarer Kopf zu nennen, aber auch kein klarer. Mit Nachtsicht: das Klärungsvermögen ist stark, das Verunklärende gibt aber nur im einzelnen nach.’
Robert Musil

In de tijd dat mijn debuutbundel verscheen, benaderde het literaire tijdschrift De Zingende Zaag me voor een manifest van maximaal drie pagina’s. Nu is er weer een boek en word ik door De Revisor besteld, andermaal voor drie pagina’s. Het lijkt wel of er iets in de lucht hangt of iemand.
Ik bof toch maar. En dat als dichter, panda der mensheid.
Heb ik wat te wensen eigenlijk, weet ik een koers? Dat is een vreemde vraag. Ik schrijf toch. Nee, het is volstrekt natuurlijk dat de panda zijn vilten pantoffels uittrekt om eens goed in de spiegel te kijken die gelijk een blik gunt op de overige continenten van de aarde die naar verluidt niet plat is maar ook niet helemaal rond.
Stel dat ik werkelijk een koers wist, zou ik dan verordineren dat iedereen die koers zette? Weer een vreemde vraag. Ik pleeg nog liever autoplagiaat. Jaco Pastorius was bassist. Hij ontwikkelde een eigen stijl die allerwege navolging kreeg. Jaco trof bassisten die beter Jaco speelde dan hijzelf. Ook raakte – we schrijven de jaren tachtig – het fenomeen MIDI in opkomst. Jaco kwam in een muziekzaak. Daar was een MIDI-synthesizer, met onder andere het gesampelde geluid Jaco Bass. Jaco speelde er ‘Teen town’ op, een eigen compositie. Op toetsen klonk toen zelfs Pastorius als Pastorius.
Het maken van een manifest op afroep begrijp ik niet goed. Wel vind ik het leuk dat dingen mooi worden vormgegeven.
Had de vorige keer de erfenis van de avant-garde als aanleiding, ditmaal is het Herman Gorter die een eeuw terug zijn School der poëzie uitbracht. Tegenwoordig schijnt bijna elke dag historisch te zijn. Toch is het niet uitgesloten dat er nu ook wel eens wat gebeurt.
Over Gorter hebben we op de middelbare school geleerd, dat hij bij de Tachtigers hoort en dat Verzen het hoogtepunt uit zijn werk is. We weten van de hogere school dat toen Gorter aan het clubblad De nieuwe gids wat gedichten aanbood die in het slot van Verzen zouden terechtkomen, oppertachtiger Willem Kloos tegen plaatsing was. Maar ze kwamen erin.

Dichten is een geïnspireerde bezigheid. Dat dacht ik in mijn eerste periode toen ik geen gedichten schreef, en in mijn tweede periode toen ik gedichten schreef over iemand die op mijzelf leek. Ik omringde me in de tweede periode met vulpen, papier en, i.v.m. vlekken op het manuscript, rode wijn. Ik schreef ’s nachts; de gedichten ontstonden in één vlaag. Ik was hoorbaar, liep veel door de kamer, tussen boeken. Het gangbare denken.
Inmiddels hangt boven mijn bureau een kaart van een kameel, wiens nek is bedekt met vier zoentjes. Ik de gesubsidieerde illegaal maak teksten op de computer. Mijn handschrift kan ik sinds lang niet meer lezen, daarover zou ik krasse verhalen kunnen doen. Ook ben ik geworden wat ik was, een ordinaire bierdrinker (maar nooit onder werk, dan neem ik azijn). Zelden voltooi ik iets op één dag. Vaker pruts ik aan een bijzinnetje, kraken mijn hersenen onder kruiselings over het scherm staande woorden waartussen het verband mij ontgaat. Ik doe mijn best.
Die woorden komen overal vandaan. Ik exploiteer reclame, praatprogrammaklanken en ambtenarenpatois. Tegelijk delf ik – slecht verliezer met scrabble – naar versteend Nederlands. Al die ingrediënten bestaan onafhankelijk in mijn teksten. Op de juiste wijze opgediend moeten ze samen een typische Kregting-toon voortbrengen. Geen woord is van mijzelf.
Waar begint het allemaal mee? Ik vrees dat woede mijn drijfveer is. Omtrent de wereld zie of hoor of lees ik iets, en wil protesteren. (Het ligt me niet mijn stem aan een groep te geven. De enige keer dat ik heb gedemonstreerd, duurde vijf minuten. Rondom klonken leuzen waarmee ik het hooguit half eens was.) Dus sluit ik me op, met wat steekwoorden.
Ik vrees ook dat in het uiteindelijke resultaat de wereld niet eenvoudig is terug te vinden. Ze wordt door het gedicht omringd, de woorden doen verwoede pogingen haar tegen te houden. Ik moet daar altijd wel om lachen en nogal hard ook, in het genre van geschater.
De reden van deze naar bewapening neigende weerstand is dat de woorden een alliantie aangaan. Ik kan slechts mijn gehoor daartegenover stellen, steeds hardop overlezend, intervenieer op ritme en klank. Mijn debuutbundel was vooral jazzrock, een welige en heftige vermenging van stijlen. Bijvoorbeeld ‘Malaga Virgen’ van bassist Percy Jones (die duidelijk door Pastorius heen is gegaan). Nu ben ik ouder en bij wijze van spreken rustiger, zet meer naast elkaar zodat de resultaten ordelijker lijken.
Melodieus zal ik wel nooit worden; instrumentaal blijf ik.
Aan elke tekst ligt een idee ten grondslag. Betekent dit dat mijn teksten ideeën bevatten? Eerst is er een soort opvatting, dan ga ik in de slag en ten slotte raak ik mezelf kwijt. Het verschil met de overheid is dat zij zich bewust terugtrekt. Ik probeer altijd wel een persoon in te voeren, een omtrek, heldere doorschenen oppervlakte.
Ik denk soms dat dit alles ‘geven en nemen’ is. Alleen voor mij? Ik citeer Dickinson 1563:

By homely gift and hindered Words
The human heart is told
Of Nothing –
“Nothing” is the force
That renovates the World –

Zovelen hebben gelijk en ik geloof ze niet. Zelf voel ik het meest voor de gedachte dat je je ergens nooit helemaal in kunt vinden. Dat met een ander overeenstemmen letterlijk op een misverstand berust maar eigenlijk vooral verdacht is. Dat is een uitspraak van iemand geweest, ik ben vergeten wie.
Wat is eensgezindheid of, erger, gelijkgezindheid anders dan hardnekkige blindheid? Voor consensus moet je geloof ik Latijn kennen of in de politiek gaan (en parasensus is Grieks, een ander soort politiek).
Kunstenaars die in dezelfde tijd werken zijn alleen voor buitenstaanders tijdgenoten. In werkelijkheid zie je gescheiden werelden. Dat is niet meer dan een biologische wet. Motieven om je, als beginneling, bewust bij anderen onder te brengen zou ik overigens wel weten.
Wie wil inzien hoe het zit met invloed op mijn poëzie zal haar moeten consumeren. Maar dan ook integraal, dan kunnen we samen kijken. Waar ik moeite mee heb, is het toesteken van een helpende hand die hoe dan ook hiërarchie verraadt. Een enjambement wijst al richting. Is het zo’n hand als van de pierrotachtige figuur in Fellini’s 8½, die boven het hoofd van een toeschouwer zweeft en diens gedachten vertaalt?
Heel belangrijk in literatuur is beeldspraak. Beeldspraak vergt talent. Bertrand was nog geen vijfentwintig toen hij een stuk in Gaspard de la nuit zo wist op te zetten: ‘Ce n’est point avec le froc et le chapelet, c’est avec le tambour de basque et l’habit de fou que j’entreprends, moi, la vie.’ Hier lees ik een nevenschikking van maximaal aangegrepen en uitgestelde vaardigheid. Een chiasme voor de betekenissen: de froc hoort bij de habit en de chapelet hoort bij de tambour. Tegelijk tracht de froc met de harde r een pact aan te gaan met de tambour, en waagt de chapelet in de warme a en zijn ingeslikte slotmedeklinker iets met de habit. Die initiatieven worden weerspiegeld in de overkoepelende zin, waarin moi eventjes een dam opwerpt. In een notendop lees ik het hele conflict tussen je en moi.
Een beeldspraak die faalt verbrijzelt de tekst, zijn omgeving, de maker.

Zoals misschien opvalt, reageer ik niet direct op Gorter. Ik erken dat dit overzichtelijk zou zijn.
In zijn ijzig-waardige bijdrage aan het manifestennummer van De Zingende Zaag had Erik Spinoy het over esthetisering: ‘de discussie die wordt aangekondigd, wordt bij voorbaat versmacht in het keurslijf van de opzet en vervangen door de simulatie van een discussie.’
Direct reageren ik doe dus niet. Ook omdat dat jegens de betrokken auteur zou getuigen van onbesnaarde hoogmoed (een eigenschap die anders van pas komt). Men moet een minimum aan kiesheid bewaren omwille van de arme figuur die ongevraagd wordt opgebracht. Menigeen kan zijn naam om een reden uitstrooien en met wat water erbij fijn poedelen. Vaak betreft het dan individuen die zelfs volgens de laatste literatuurgeschiedenis niet steeds hebben geharmonieerd. Ik kan me voorstellen dat de arme uit zijn graf herrijst om hen door zijn monocle aan zijn ene hand te bestuderen, en er vervolgens met zijn wandelstok in de andere hand op los te toffelen: ‘en nou ophouden jullie!’ Het badzand is kolengruis. Schrijven in of tegen een traditie is oneindig ingewikkeld.
Ik herinner aan de kaartlezende automobilist die een boom groet.
Ten slotte, heeft literatuur nut? Hoewel hij evenals een politicus minstens één grote boodschap per dag produceert, kiest de schrijver door zijn werk een omweg. Het zou de lezer niet direct aansporen tot handelen. Deze beperking is reëel, mede omdat een à tempo overzichtelijk wereldbeeld nuances vaak versmaden. Toch zou je als schrijver naar meer mogen streven. Literatuur kan ten minste, refererend aan de voetballerij, ‘iets extra’s brengen’. Ze noopt tot zorgvuldigheid. Een goede schrijver is een kind dat overal bij vraagt: waarom? Literatuur die geen herkenning op de korte termijn ambieert en met een afwijkende wijze van ademhalen systematiek verstikt, ontkracht vooroordelen waarmee levende en levenloze materie blijkt te worden bejegend.
Dit nut rijmt niet met de status van literatuur die in dit land weinig meer is dan snobistisch voor een dubbeltje, zelfs in verhouding tot andere kunsten. Daarom trekt menige panda zijn vilten pantoffels uit om te schrijven voor de krant (en zo journalisten het brood uit de mond te stoten) of om met universiteitsbobo’s in jury’s en commissies te gaan zitten ter beoordeling van collegae. Kennelijk heeft literatuur, laat staan poëzie, voor de staat geen nut.
Hierdoor voel ik me helemaal gelegitimeerd autonoom te zijn. En bij dezen wil ik verbieden dat iemand ooit iets uit dit stukje overneemt. Pas op hoor, als ik grappig doe kan ik erg woedend zijn.
Er moet een autonome poëzie zijn, die over de wereld gaat.

De Revisor xxiv/5+6 (dec 1997)

dinsdag 5 mei 2009

Avant-garde? (1994)


21 + 1 manifesten


Enige dingen kennelijk zo vanzelfsprekend dat ze gezegd moeten. Alleen een proef levert bewijs: elke seconde, elke gedachte en elke letter besteed aan het wezen van literatuur is verspilling. Op deze plek enz.

Zwijgers, wil de uitdrukking, zijn 'superieur'. Indien zij een mededeling doen, is die beknopt en komt daarin het bevel nabij (Canetti). Over de psyche van degene die deze uitdrukking verzonnen heeft, wil en kun je je niet uitlaten, maar degene moet eerder een luisteraar geweest zijn dan een spreker. Misschien hebben zwijgers niets te zeggen.

Wie steevast ongevraagd zijn diepste zieleroerselen blootlegt, wordt een poseur.

Een schrijver ziet personages onder zijn handen ontstaan. Hoe ze zich gedragen, of hij het met hen eens is of niet – ze worden bloedverwant van zijn vingers. Morriën had het bij Van der Grafts gedicht 'Adam' eens over Adam van der Graft. Het weggevallen woord nagelt trefzeker vast.

Een genie zo onbegrepen dat het zich nauwelijks kan bevatten.

History is bunk, vond Henry Ford in 1919. Dat dit nog niet is vergeten, weerspreekt of ondersteunt dat zijn stelling?

(Beide afgeleid van compromissum? Compromis en compromitteren dragen verschillende gevoelsladingen.) Kunstenaars die geldelijk interessante dingen doen tegen hun artistieke zin zeggen dat ‘de schoorsteen moet roken’. Maar uit een schoorsteen die niet geregeld wordt schoongeveegd komt weldra geen rook. Dit vanwege vogelnestjes, die koolmonoxidevergiftiging kunnen veroorzaken. Wel kan er dan rook komen uit de schoorsteen van het crematorium.

Dat de simpelste oplossing vaak de beste is, speelt dilettanten in de kaart.

Zij die om de kans op een bon mot niet te verspelen de reputatie of het geluk van anderen benadelen, verdienen een onterende straf. Dat is nog nooit gezegd, maar ik durf het te zeggen. La Bruyère, Les Caractères ou les Moeurs de ce Siècle naar de uitgave van G. Servais en A. Rebellieu. (Erik Satie, Teksten. Bijeengebracht en van aantekeningen voorzien door Ornella Volta. Uit het Frans vertaald door Frieda van Tijn-Zwart)

Belangrijke beslissingen zijn achteraf weloverwogen.

Wat vind jij daar nou van, vroeg de schrijver wanhopig. Ik zeg niets, zei de vriend, want ooit schrijf je dat toch op terwijl het niemand wat aangaat. De schrijver werd hels – hoe kon zijn vriend dát nu van hem denken? Later schreef hij eens over verontwaardiging, waarbij deze zin voorkwam: Ik zeg niets, zei de vriend, want ooit schrijf je dat toch op.

Da capo. Innerlijke noodzaak van uiterlijke gevolgen. Het hebben van een naam (geen reputatie) versus het hebben van een gezicht (geen omtrek).

Boksers met een bit. Als in het nauw gedreven paarden gaan ze door de ring. Meer schijnbewegingen dan slagen. Boksen is gewelddadig aftasten. Soms ontspringt er een troebele blik, gaat een wenkbrauw open. Je begrijpt wel waarom dat bit geplaatst is. Bij opwaartse stoten zou er het nodige door de ring gaan vliegen, in een ander geval werd het veelvuldig slikken. Maar wat voor een bokser zou het zijn, die met één magische stoot de voortanden van zijn tegenstander splijt? Zeg: drie millimeter. Zonder dat er enige wil van de beweging uitgaat – zoals Anselmus aartsbisschop van Canterbury werd omdat een bisschopsstaf tegen zijn vuist werd gehouden. Slaan met zo'n precisie, dat het tandvlees te verbaasd is om te bloeden.

I don’t normally go out with ladies with voices lower than mine. (Jon Lucien)

Die achter hun naam een punt zetten.

Zou er verwant aan pleinvrees iets als toekomstvrees zijn? In Het leven van Henri Brulard kijkt Stendhal steeds vooruit naar de lezer van 1880 en blijft zo binnen de grens van zijn eeuw; hij steekt bijvoorbeeld niet door naar een lezer uit het jaar 2000 of later. De ontzagwekkend zoemende tijd na iemands dood, toch weer vrees voor een te grote ruimte?

Voor oosterse wijsheden moet je oosters kennen.

Nokxpmfrt. yrhr;okl s;hr,rrm rrm ;ovjyr brtdvjiobomh bsm fr jsmf" fr omhrvs;vsi;rrtfr gpiy. nreidy dvjs,[rmfr yss;/

Een citaat verstrekken vóór de handeling vormt het andere uiterste (niet van de straat zijn, heet dat ongeveer) en apathie jegens de eigen kunsttraditie is overbekend, maar het blijft onthutsend dat Nabokov in de door de Parijse Olympia Press verzonden drukproeven van Lolita stuitte op 'Beaudelaire'.

Wie wil overtuigen van zijn gelijk, doet dat bij voorkeur met zo min mogelijk overtuiging.

De dingen die wij half-blind, tastend, doen hebben waarschijnlijk meer met de 'wilsvrijheid' te maken dan de dingen die wij vrij en helderbewust doen. (Jan Hanlo)

Lever kritiek op een beginnende schrijver en hij zegt dat het allemaal zo bedoeld is ('juist clichés gebruiken'). Lever kritiek op een ervaren schrijver en hij zegt verbaasd te zijn dat het allemaal uit zijn tekst te halen is. Houd liever je mond.

De Zingende Zaag 24/25 (1994)