woensdag 25 februari 2009

Richard Minne (2001)


‘Lijk een effen lijst’

Toen ik, jong en amper bedorven, poëzie ging lezen, richtte ik me op toegankelijk ogend werk dat een zekere levenswijsheid uitademde. Het genre leek me een ars moriendi. Een omgekeerde bewijsvoering: bij mijn idee zocht ik geschikt werk. En zoals wetenschappers door hun objectiviteit prettige signalen krijgen van de intuïtie, raadpleegde ik op de bonnefooi bundels die steevast beklijfden als ze waren uitgegeven door De Arbeiderspers en Van Oorschot. Hun fondsen boden genoeglijke troost voor een gemis waar ik geen weet van had.
Zo werd Richard Minne, hergepubliceerd door Van Oorschot (die hem eerde in een initiaal van zijn pseudoniem R.J. Peskens), mijn dichter van het eerste uur. Een bij nacht en ontij te consulteren gezel, die verleidelijke oprispingen de kop in drukte en de dingen terugbracht tot een essentie. Ik zag me met name filosoferen bij de beginstrofe van een gedicht uit de cyclus ‘Rozenkrans’. Daar was mijn exemplaar van In den zoeten inval opengevallen:

De beuken staan nog in hun glans,
maar ’t zijn wellicht de laatste dagen.
Het herfst-goud is een zware krans:
nu zal ik naar geen toekomst vragen.

Ik verbond de in haar eeuwige aanwezigheid plechtig op mij overkomende natuur met de notie van wat ik verstrijken noemde. De regels gaven de indruk van een te exploreren diepte. Iets met de dood, die naar goed artistiek gebruik – “de kunst van het weglaten” – onvermeld gelaten werd. Ik vond het eenvoudige rijm eveneens goed. Regels als vuurstenen.
Ook lezend word je ouder. Na enige tijd begon de mij zo dierbare poëzie te ergeren. Ik vond haar bij nader inzien belerend en topzwaar; inzake de fondsen schermde ik met het stigma traditioneel. Mogelijk werd ik zelf met de jaren jonger. Heden is het me een raadsel wat ik met al dat werk aanmoest. Ik denk vooralsnog dat een antwoord in het raadsel gezocht kan worden. En zoals het gaat met hetgeen je lief is geweest, slaagde ik erin een enkele achteraf gelaakte keuze te verantwoorden als zijnde onontkoombaar. Richard Minne (en Gerard den Brabander) werd de uitzondering op de regel en bleef mijn dichter van het eerste uur. Ik meen nu snugger te zijn met de these dat hij niet in het hem passende fonds zat. Ook las ik het Rozenkrans-gedicht uit:

Ik rust na lang en bremstig zoeken,
en om het hoofd, dat zachte dingen peist,
is de avond lijk een effen lijst
om afgewerkte schilderdoeken.

De slotregels waren ontluisterend, mede jegens het gedragen begin. Het fijne vond ik dat in kunst, wat poëzie toch heet te zijn, de natuur als kunst ontmaskerd werd. Tegenwoordig geldt dit als een postmodernistisch hebbelijkheidje. Misschien ondermijnde de dichter zijn openingsstrofe ook door het rijmschema te veranderen. De vuurstenen bleken nat.
Ik ontdekte dat Minne in ondermijning was gespecialiseerd. Met anakoloeten tegen het instituut poëzie, met menige regel tussen haakjes tegen bezonken gevoelens. Deze dichter somt maar op en kenmerkt zich door een hyperbewustzijn. Richard Minne woog Richard Minne. Achter elke hooggestemdheid bleek een façade schuil te gaan die zelf van het betere karton was. De essentie die ik gemeend had te kunnen vinden, bestond eruit dat er geen essentie was. Eventuele verwijten van een tekort aan eenheid of het ontbreken van kop of staart, haalt Minne zijn werk binnen en pareert ze zo half. Ook weet hij doodleuk te melden dat hij als persoon permanent verandert, op hem valt evenmin grip te krijgen. Dubbele ringen in fictie van een debunker avant la lettre, die er in zijn verfrissende roman Heineke Vos en zijn biograaf niet voor terugdeinst taferelen tot een pakje op te rollen en het te voorzien van het etiket ‘Verleden’.
De rozenkrans komt uit een katholieke traditie. Minne, die zich in een gedicht apostaat noemde, heeft een speelse, rekkelijke inslag. Een moralist die niet durft te moraliseren, een torner voor wie het tornen een sport is geworden. Hij dichtte dan wel vrijelijk over Adam en Eva, de geboorte van Jezus en over Noach, het frappeert dat die verhalen een nieuw begin aan de orde stellen. Soms valt het begrip ab ovo. Ik relateer het aan lijstjes met nog te maken boeken die Minne in het mengelwerk Wolfijzers en schietgeweren opstelde.
In werkelijkheid publiceerde hij spaarzaam. Officieel vanwege gezondheidsproblemen en inertie, officieus wellicht vanwege een naar afkeer neigende twijfel aan literatuur. Ook werkte Minne op het land, en dat reduceerde de waarde van kunst – inclusief die van de pastorale. Peeën vergden zwaarder onderhoud dan versvoeten. De gedichten waarin hij zijn koe Tobbie vastlegde mogen niet snel vergeten worden, Minnes correctie ‘’t Geeft allebei water en wind’ in ‘van Tobbie komt melk, van mij komt wind’ blijft meer bij. Ze komt voort uit een geconstateerde onrechtvaardigheid jegens de koe.
Dat is de januskop van Minne bij zijn voortdurende ontluisteringen van de wereld: hij hecht aan de wereld. En met al zijn wantrouwen in de literatuur is hij er wel door geobsedeerd, Wolfijzers en schietgeweren bevat ook de nodige lijstjes van cruciale boeken. Soortgelijke haat-liefdeverhoudingen jegens leven en kunst openbaarde Multatuli. Zoals die kon uitroepen ‘O God, er is geen God!’, verklaarde Minne tegen Dezelfde Figuur dat er niets dan ruimte om ons is en ‘wat hol gepraat/ en mijn verlangen dat vecht naar U.’ Nihilisten die weigeren nergens in te geloven en wel wat hartigers lusten dan gelei.
Even paradoxaal is Minnes onhandig vermonkelde wens om gelezen te worden tegenover de aandrift geen annexaties door ‘de officiëlen en hansworsten’ te ondergaan. De meest gepleegde woorden bij hem zijn waarschijnlijk ‘niet’, ‘geen’ en ‘zonder’. Zijn tijdschrift ’t Fonteintje poogde zich te ontdoen van kwasterig geachte Van Ostaijen-theorie. Minne predikte individualisme en ontkwam bij die vrijheidsdrang niet aan groepsbarricades. Nonconformisme heeft zijn conformistische randjes. Bijwijlen introduceert Minne de dichter, niet als experimenteel ego maar als retorische figuur. Dan geloof ik het wel. Dieptepunt wat dat betreft is het ‘Vademecum voor den dichter’, met zijn studentikoze uitsmijter ‘veracht den burgerman/ doch ledig zijne kruiken’. Komrij nam het op in zijn bloemlezing, Forum plaatste het in zijn acquitnummer.
Onder dat voor sommigen legendarische blad uit de vorige eeuw is Minne in de literatuurgeschiedenis gevangen. Zijn werk werd in de jaren dertig door Forum min of meer verbreid. Hoorde hij er ook bij? Ik denk dat de historische toe-eigening van Minne van doen heeft met een tactisch ontzet door redacteur Du Perron in het decennium ervoor. In een enquête vulde hij als favoriete dichter Minne in, waar op grond van de toenmalige verhoudingen en contacten Van Ostaijen mocht worden verwacht. Ik bevroed dat Du Perron met zijn herziene voorkeur oprecht was, zich ontworstelend aan een voor hem idiote invloed. En consequent was door de lijn Minne in Forum voort te zetten. De gemeende smaak berustte alleen grotendeels op projectie: een nurks gedicht als ‘Afscheid van Pijper, commis-voyageur’ had Du Perron vermoedelijk graag op zijn naam gehad. Hebben kunstenaars en schoolmeesters ooit een ons zaad in de hand gehouden, vraagt boer Minne zich hardop af. Zijn werk staat mijns inziens – ook Boon wees op de verwantschap – dichter bij Van Ostaijen. Zijn poëtica weer niet, maar met dat begrip is minstens zo veel heilloze verwarring gesticht als door de literatuurgeschiedenis.
Minne hoort bij auteurs die onder het kopje Overigen worden weggezet. Door hun mentaliteit van de eenling, van de dilettant wellicht. Voor Noord-Nederland kan ik dan Pierre Kemp aanstippen of C.C.S. Crone. Ik raak daarmee tegelijk op het gebied van proza, en aan het even mistige als onzinnige onderscheid met poëzie. Minne diagnosticeerde bij zichzelf een ‘hybridische taal’ tussen de genres, mogelijk in de geest van het prozagedicht dat uit progressief Frankrijk was komen aanwaaien. Wel vind ik zijn poëzie beter naarmate ze korter, en zijn proza naarmate het langer is. De logheid die het lezen van Minnes extracten bewerkstelligt, vergt kennelijk toch nog genrewetten. Soms is minder meer, soms is meer meer. Hoe ook, door een eigen, afgebeten toon blijft zijn werk uit duizenden detecteerbaar.
Die toon wordt in de trant van Forum gemeenlijk aan de spreektaal toegeschreven, en de onderwerpskeuze situeert men in het anekdotische. Naar mijn smaak dient deze vaststelling vooral de overzichtelijkheid van het eenduidige beeld. Voor mij is Minnes werk een bron waaruit allerlei types literatuur, van reactionair tot revolutionair, hebben kunnen ontspringen. Mag het heden ten dage ongewis geworden zijn wat spreektaal nog is, het patois van Minne blijkt al tamelijk heterogeen – inclusief hoogliteraire elementen die door een hedendaagse bril snel een satirische aanblik hebben. Voor zover spreektaal in het geding is, lijkt ze me present op basaler niveau, in het ritme.
De Minne in de schoot geworpen melancholie acht ik een zaak van afpellen. Zijn gedichten zijn veelal bewerend van structuur. Ze bevatten onpretentieuze toestanden, een plakje tegenwoordige tijd (de enige expliciet bedichte kritiek trof Urbain Van de Voorde). Minnes proza heeft die trek nog manifester, omdat het dikwijls is gedateerd. Teksten als notities, in hun uitgebalanceerde terloopsheid hakend naar een deconfiture. Alles staat ten dienste van de opsomming die het individu, doordat het ontluisterd wordt, scherp wil maken, rekenschap wil doen afleggen. Aldus biedt zijn werk minder gauw toegang aan esthetisch te genieten metaforen, hoewel Minne, coulant gestemd als het ware, pareltjes kan uitstrooien. Hij heeft het er in zijn poëzie bijvoorbeeld over dat ’s avonds aan zijn ruit ‘een kever licht komt drinken’. Mogelijk is dat gewoon een waarneming.
Voor mij als doorsnee Hollander is het speciaal dat ik aan Minne hang. De grens bij Wernhout heeft vanuit Noord-Nederland bezien weg van een loopgraaf. Men mag zich daar niet veel illusies over maken. Zelfs het kanon Van Ostaijen klinkt boven de rivieren als een dienstpistool; onlangs hoorde ik een gereputeerd professor met meesmuilende instemming van zijn toehoorders gewagen van ‘de bekende onbegrijpelijkheid van Van Ostaijen’. De reputatie van Gezelle in Nederland is vergelijkbaar met die van Gorter: virtuoos dichter, averechts gedachtegoed. Van de Woestijne raakt niet buiten de poorten van de universiteit. Minne voert hen overigens allen op in gedichten, als bloot onderdeel van zijn werkelijkheid. Ik vrees dat Claus de enige Vlaming is die boven de rivieren enigszins serieus wordt genomen. Fijnproevers lispelen boven het servet over Gilliams en De Haes (die een Minne-fan was). Pernath ligt al te zwaar op de maag en Hertmans is een verplicht laxeermiddel. Een recent fenomeen als Van Bastelaere is in Holland, buiten een circuit dat hem het kostuum van halfgod heeft aangemeten, feitelijk onbekend.
Om een klassieke status zal Minne niet hebben gemaald. Of misschien wel, openbare achteloosheid kan misleiden. Het antwoord op Minnes exacte ambities is ingewikkeld, omdat hij absoluut relativeert. Een rituele heiden in de kerk van de literatuur; de lezer krijgt wijn en edik voor dezelfde prijs. Minnes werk wordt door eelt bedekt. Sentimenten te over in een taal die weerbarstig is, die ondanks aanhoudende zelfanalyses niet onthult. Of moet het evidente sarcasme schaamte bekleden? Minne heeft het, conform zijn debunkingbeleid, zelf gesuggereerd. Wellicht huist in de eeltlaag Minnes authenticiteit, hoewel deze stelling al te pertinent kan zijn.
Een strofe van een ander gedicht uit de Rozenkrans-cyclus, waarmee dit oeuvre voor mij tot leven kwam, geeft dit zelfportret:

Ik ben, o Heer, slechts als het veer
dat op twee oevers waakt,
maar bij een hoge stroom te keer
halfwege in nood geraakt.


Minne pendelde tussen de leer der kluiten en de metafysica. Ik denk niet dat hem ooit ergens een aankomst werd bereid. En meende hij eventjes van de grond te raken, dan zal ‘de nachtvogel Skepsis’, personificatie van alles wat bij Minne tussen haakjes staat, hem hebben teruggeplaatst naar datgene waar tijdelijkheid eeuwig is.

Tijd Cultuur, 16 mei 2001

dinsdag 17 februari 2009

Karel Doorman (2004)


‘Ik val aan, volg mij’

Hoe was het ook alweer? We schrijven ’40-’45 en na de moffen hadden nu ook de Jappen ons de oorlog verklaard. En daar gingen wij dan tegen vechten. Wij, dat waren de geallieerden, de goeden natuurlijk. En toen kwam er een Slag op de Javazee en was er een koene admiraal, op een vlaggenschip, en die zag de snode vijand, in totáál overtal, en die zeeman riep tegen zijn matrozen ‘Ik val aan, volg mij’. De Ruyter, zo heette dat schip (naar vroeger), en de held heette Karel Doorman. En nadat hij zijn woorden uitgesproken had, richtte hij zijn kanonnen en toen ging hij zonder vrees kopje-onder, met nog wel duizend man.
Dit verhaal ging rond op lagere scholen. Sommigen kenden de datum, 27 februari 1942, en wisten dat de held eigenlijk de functie van schout-bij-nacht vervulde. Minder leerlingen situeerden de strijd, ver weg toch, rond de toenmalige kolonie Nederlands-Indië. Een enkeling voegde eraan toe dat Doormans opponent de naam Takagi droeg. Maar die wijsneus was een uitslover. Die had wel erg goed naar de meester geluisterd, wat niet meeviel, want de strekking was dat Kareltje Doorman, met alle respect voor zijn dapperheid, zich niet echt optimaal had voorbereid – hij sleurde zijn mannen mee in de ondergang!
Zelf ontdekte ik pas onlangs dat Ik val aan, volg mij niet de titel is van de autobiografie van Bush junior maar van een boek over ‘militaire blunders van de twintigste eeuw’.
Daarvóór was mij al wel eens verteld dat de wereld gecompliceerder in elkaar steekt dan het lijkt. Karel Willem Frederik Marie Doorman, net als Hitler geboren in 1889, wilde op de Javazee louter zijn eskader sparen. Maar uit Washington had het opperbevel gedonderd het strategisch gewichtige eiland tot het uiterste te verdedigen en zijn chef, luitenant-admiraal C.E.L. Helfrich, droeg hem op de Japanse invasievloot aan te vallen. Doorman vroeg daarop om luchtsteun, maar die zou godsonmogelijk zijn. Feitelijk was er dan nog niets aan de knikker geweest, want ter plekke bleek het geallieerde eskader ongeveer even groot als het Japanse. Zíj kon echter rekenen op luchtsteun. Ook had de American-British-Dutch-Australian-Command, waarover Doorman de tactische orders moest uitvaardigen, te kampen met een gebrekkige seincommunicatie. Zodat hij op de Javazee heel wat commando’s diende te geven, waaronder ‘All ships follow me’. De slag duurde in totaal zeven uur; Doorman zelf lag reeds na anderhalf uur met kruiser en al bij het plankton. Wel werd hij een paar maanden later postuum tot ridder geslagen in de Militaire Willemsorde.
In Fredy Neptune van Les Murray, waar een zeer zeevaardig persoon oorlogen ziet beslechten, staat: ‘Jammer dat je wat je laatste woorden kunnen zijn niet eenvoudig maakt / voor een eenvoudige luisteraar.’ Daarom houdt mijn oor zich graag bij de zeer vrij vertaalde, diets klinkende variant van Doormans saga. Temeer omdat de komma in ‘Ik val aan, volg mij’ twee houdingen jegens de werkelijkheid van elkaar lijkt te isoleren. Je zou die kunnen hechten aan evenveel hoofdfiguren uit een legendarische roman van een man die bij een andere zeeslag, die bij Lepanto in 1571, volgens de één zijn hand verloor en volgens de ander er slechts aan gewond raakte.
De eerste houding, waarbij het accent ligt vóór de komma, volgt het lagereschoolverhaal op de voet. Je kunt dat verbinden met de figuur van Don Quichot. Volgens de reproductie van Cervantes’ roman vecht hij tegen windmolens. Doorman wordt dan een lijder aan zuiverheidswaan. Hij gelooft in iets waarvoor hij, tegen elke realistische inschatting van winstkansen in, zijn stinkende best doet. Hij valt aan, voorop in de strijd voor zijn goede, grote zaak die gepersonifieerd is in het verheven damesidool Dulcinea. Onophoudelijk draait de gebedsmolen van zijn permanente innovatie. De stuntelaar vertrouwt op maakbaarheid! Ziet hij dan niet dat de aarde rustig doordraait, overschreeuwt hij zich niet, vals zelfs als een raaf? Om zo iemand kun je lachen, je kunt zijn altijd wat beschamende wapenfeiten ook verzwijgen of je kunt er zo’n beetje bij in de buurt blijven hangen omdat het, eerlijk gezegd, wel iets hééft, zo’n levensinstelling zonder zichtbare twijfel. Zonder de blutsen op te lopen dan.
De tweede houding, waarbij het accent ligt achter de komma, valt te plakken op de figuur van Sancho Panza, die zich wel bewust is van tot hoe ver iets mogelijk is en waar en wanneer dus Operatie Bakzeil van start gaat. Hier doemt vermoedelijk de pragmaticus op die Doormans ‘volg mij’ ampel overweegt. En voor die haalbaarheid moet hij vooral scherp op anderen letten, want hij is met veel inborsten. Zo kent hij per definitie een vertraging in zijn denken en handelen, en heeft warempel wel iets van een papegaai. Hij ageert niet, hij reageert. Van de mooie principes van de Don voor het algemeen belang vreest hij bijvoorbeeld dat ze tot heel pijnlijke gevolgen kunnen leiden bij de enkeling. En die beschaafde praat van Dulcinea is pancake over nuffig egoïsme, dat zegt toch iedereen. Heden ten dage weet hij dat ‘de jaren zeventig’ passé zijn of dat elk politiek systeem al sinds 1989 zijn failliet heeft bewezen. Dat heeft hij bovendien gezien of gelezen.
Laat Don Quichot het niet horen! Dat soort nieuwsgaring zou hij aan de hoogste wiek van zijn windmolen knopen. En herinnert hij het zich goed dat de criticus (critici) het in die gewraakte jaren zelf wél met hem eens was? Betekent dit dat de mens is veranderd of de tijd? Maar indien de Don nu leefde, zou hij met zijn eigenwijze kop vast denken dat veel gebezigde epitheta voor Panza’s bronnen als ‘kritische journalistiek’ en ‘onafhankelijke media’ proeven waren van een contradictio in terminis.
Descartes stelde ooit: cogito, ergo sum. Een mooi idee, maar heden ten dage wellicht niet erg realistisch meer. In een weinig opwekkend, maar geenszins heel erg onbelangrijk boek nam ik onlangs kennis van het zogeheten nouveaucartesianisme. Het zou berusten op een ‘Ik praat na, dus ik besta.’ Leuk gevonden, wat dichter bij de werkelijkheid al, maar wie durft er nog een ik te zijn? Ik denk dat de auteur, met alle respect, in zijn snuggerheid alweer achterhaald is. Descartes’ adagium zou op doormaniaanse wijze dringend moeten worden gehermoderniseerd: ‘Wij volgen, dus wij bestaan.’

De Morgen, 19 december 2004

maandag 16 februari 2009

Guido Gezelle (2004)


‘’k Hoorde zo geern de vogeltjes schuifelen’

In het Engelse klooster van de reguliere kanunnikessen van Sint-Augustinus te Brugge lag Guido Petrus Theodorus Josephus Gezelle, 69 jaar oud, klaar voor de Grote Reis. Het nare abces achter zijn linkeroor mocht weggesneden zijn, het vertrek leek onafwendbaar. Gezelle was bijna voortdurend buiten bewustzijn, stiet krasse Engelse kreten uit en kreeg bij wijze van sacrament een kwart hostie op de tong. Daarna zakte hij weg, plengde soms nog een bevinding in het West-Vlaams. ‘’k Hoorde zo geern de vogeltjes schuifelen’, dat was zijn laatste. Toen ging hij. Het was 27 november 1899, één uur ’s middags.
Aldus een ooggetuige, Caesar Gezelle, vijfentwintig jaar later in het Noordbrabantsch Dagblad. Eerder had hij in zijn biografie uit 1918 over zijn heeroom een alternatieve versie gegeven, waarbij de stervende ten slotte gezegd had: ‘Ik heb geleefd in simplicitate cordis en veritate’. Maar dat van die vogeltjes was uiteraard adequater. De priester-dichter, die reeds als seminarist de lof prees van zijn zanggebroeders die wistelen en teutelen, knoteren en kneuteren, tjielpen en tiereluiten, had in Rijmsnoer uit 1897 dan immers voorbeeldig geannuncieerd: ‘Avondstond, mij willekome / daar en ruit geen vogel meer’.
Caesar is niet de enige die het leven van Gezelle opgetekend heeft. Petekind Stijn Streuvels deed het. En onder anderen Christine D’haen, met een uitgekiende selectie van feiten en citaten – een constructivistische stoel, vergeleken bij de bebloemde kussens op geloogd eikenhout van Gezelles recentste biograaf Michiel van der Plas. Die kwantiteit aan levensbeschrijvingen is opmerkelijk: in de Lage Landen zijn ze zeldzaam, ook voor literatoren. En helemaal inzake een tamelijk onspectaculair bestaan dat ambtshalve de ‘kwae genegenheid’ van ‘den lust tot dierlijk vermaeck’ onderdrukte. Maar Gezelle was niet zomaar een verzenbakker. Dit bewees andermaal de polemiek bij zijn honderdste sterfjaar in 1999. Benno Barnard had voor Knack geboord in de reputatie van de dichter, waarna bleek dat Gezelle nationaal cultuurbezit was, afgescheiden door piketpaaltjes. Gelukkig bracht de bonje ook frisse interpretaties, met name door Erik Spinoy, die Gezelles poëzie een toekomst schonken.
Dat uitgerekend de Hollander Barnard de lont had ontstoken, mocht passend heten. Guido Gezelle was onder de slogan ‘In Vlaanderen Vlaams!’ een hoeder van de taal, die de noorderburen, minstens zo erg als ‘den franschen vijand’, volgens hem naar de vaantjes hielpen. Hij haatte die loochenaars van katholieken daar, alsmede pedante protestanten. Een zelfbewustzijn moest gekweekt, gepaard aan heemkundige kennis, en hij conserveerde in het bijzonder het West-Vlaams in een duizelingwekkend en consciëntieus kaartsysteem, zijn Woordentas (waar het Woordenboek der Nederlandsche Taal veel profijt van heeft gehad). Dik twee decennia vóór het honderdste sterfjaar was er trouwens vanuit dezelfde perfide natie gesodemieter geweest, toen Fons Sarneel het gewaagd had kritische noten te kraken in een Gezelle-lezing, die nota bene in Ons Erfdeel werd afgedrukt. Wat dat betreft is het wachten tot Ilja Leonard Pfeijffer bij zijn grondige exploraties naar waar het klotst in de poëzie ontdekt dat het ‘krinklende winklende waterding’ staat voor de, om het in rond Latijn te zeggen, penis. Of dat Onno Blom weer eens een prachtscoop heeft, als een bevriende antiquaar een briefsnipper van Gezelle gaat veilen met de ontboezeming ‘(…) ’k zou zo geern vogelen (…)’.
Geheel volgens de geografische wetten die het literatuurbedrijf regeren, was het anderzijds een (halve) Hollander die Gezelle had opgestuwd in een meer artistieke canon. In 1954 gaf Paul Rodenko hem een prominente positie in de bloemlezing Nieuwe griffels schone leien. De poëzie der avant-garde. De Bruggenaar herrees eruit als oermodernist, vader van een lijn die over Van Ostaijen naar Andreus zou voeren. Wel kreeg hij zo plaats in een – voor Holland onvermijdelijk – esthetisch pantheon, en dat had Gezelle misschien niet geambieerd. Zijn priesterschap was er wellicht debet aan dat hij voor alles moralist was. Hij kantte zich tegen het ‘progrès’, dat door technologische ontwikkelingen als de ‘ijzerwegen’ gestalte had gekregen. Het volk kon genoegen nemen met de natuur, bestierd door de Almachtige Vader, en moest zich niet laten meevoeren door de ijdelheid der wetenschappen. In Holland had Isaäc da Costa overigens in 1823 al Bezwaren tegen den geest der eeuw gepubliceerd, evenzeer tegen het optimisme dat aan de Verlichting was ontsproten. Ironischerwijs is Gezelles werk inmiddels ontsloten op cd-rom, en bestaat er een heuse website over hem.
Terwijl Da Costa nogal onleesbaar is geworden, doet Gezelles poëzie fris aan. Technisch is ze veelal voorbeeldig, en soms zelfs speels. Dat de betekenis van menige term slechts in dialectwoordenboeken voortleeft, maakt hem bij gedachteloze lezing, die voor sommigen genieten inhoudt, dadaïstisch. Maar wie Gezelle koppig wil volgen in zijn moralisme, strandt op een tergende neiging tot simpelheid, een onverteerbaar geworden idylle in zijn wereldbeeld. Wie een dichter vervolgens uit een raar soort behoudzucht ontideologiseert, vermoordt hem. ‘Poëzie = woordkunst’, zei Van Ostaijen terecht. Maar het kan niet zijn dat het bij kunst ophoudt, in welke variant van klinkklank tot virtuositeit ook.
Zelf meen ik dat Gezelle ons vandaag wel degelijk iets te zeggen heeft, dat uitgerekend in verband staat met zijn afkeer van het progrès. Ik zie zijn poëzie in het licht van een ander gesloten wereldbeeld: dat van de globalisering. Om ons efficiënt te verplaatsen zijn vliegvelden, wegen en rails aangelegd. Gezelle toont ons al het groen dat daartoe heeft moeten verdwijnen en dat zijns inziens, door de hand van God, evenzeer bemiddeld was ontstaan. En na voltooiing van een traject ben je nu kreukloos op de plaats van bestemming en is elk verleden als het ware horizontaal weggezogen – Bush die op een vliegdekschip wordt gedropt om aan wat mariniers en wereldpersen te vertellen dat zijn zelfgeschapen oorlog tegen Irak opgelost is. Wezenlijk, zou je denken, is er bij die verplaatsing niets belééfd. Gezelle toont ons in verticale bezieldheden wat ervaring is, in de tijd en in de ruimte. Dat zijn ultramontaanse teksten daarbij op hun beurt statisch zijn, wordt van secundair belang. Wel is door zijn onderhuidse twijfel aan de bemiddeling het late gedicht ‘Ego flos’ zonder voorbehoud modern.
Gezelles moraal behelst de antipode van wat markteconomisch gladgestreken lijkt maar een groeiende woestenij is, en biedt een glimp van een nog niet onttoverde wereld. En zo kan bijvoorbeeld deze aantekening uit de nalatenschap doen rillen: ‘gekwetste boomen / gij berken wit’. Bij de zalvende, over het algemeen montere toon van Gezelles gedichten heeft dat mij altijd gefrappeerd. Opgaand nog hoger dan de vogels naar de hemelen, staat zijn poëzie in het teken van een verlies.

De Morgen, 24 augustus 2004

dinsdag 10 februari 2009

Tommy Cooper (2004)


‘Hahaha’

Het was 15 april 1984, op het podium van Her Majesty’s Theatre in Londen, toen Tommy Cooper, voor het oog van miljoenen televisiekijkers, tijdens zijn act ineenzeeg – een acute hartaanval. Hij stierf kort daarna, om precies te zijn tien minuten later in een ambulance, een voldoende scherpe tijdsboog om te kunnen spreken van ‘sterven in het harnas’. Cooper was immers een podiumbeest, een komiek. Dat het in de zaal aanwezige publiek in eerste instantie om het neerstorten moest lachen, kan als bewijs gelden van Coopers vakmanschap. Ietwat hees lachte hij zelf overigens steevast het hardst, zij het eenmalig dus niet als laatste.
Thomas Frederick Cooper werd geboren op 19 maart 1922 te Caerphilly in Zuid Wales. Hij maakte deel uit van de scouts, misschien geïnspireerd door zijn opa die in India gestationeerd was geweest en de auteur zou zijn van het standaardwerk Tips on the manly art of mapfolding (Benares, 1870). Zeker is dat Tommy scheepstimmerman en bokser was, en uiteindelijk in het bange jaar 1940 in het leger ging. Daar kwam hij bij de cavalerie en in Egypte raakte hij gewond. Hij maakte van die nood een deugd door, als een Britse versie van Bob Hope, de manschappen te vermaken. Eigenlijk wilde Cooper optreden als goochelaar maar tijdens de auditie mislukte zijn truc, ongetwijfeld met een touw of een zakdoek of een speelkaart, en dat vonden de keuzeheren veel leuker. En bij een gig in een café te Caïro was Cooper zijn helmhoed vergeten en leende van de dienstdoende ober zijn fez. The rest is history, zegt men dan: het hoofddeksel zou zijn handelsmerk worden.
Met wat Pierre Bourdieu de ‘retrospectieve illusie’ noemt, wordt het verleidelijk Coopers sneven in het goochelwezen als de notoire tragiek van de komiek te beschouwen. Zeker als het leven in kwestie zich ontrolt ‘vanaf een oorsprong, voorgesteld als een vertrekpunt maar ook als een eerste oorzaak of, nog beter, een grondbeginsel, tot aan een einde dat tegelijk doel is’. En dat Cooper dan af en toe een truc deed die wél slaagde, past bij de lach en de traan. Cynisch gesteld had hij zich bij zo’n coherent gepresenteerd en voorbeschikt leven geen betere dood dan die in het harnas kunnen ensceneren; het zou een teken zijn aan de wand van wat historians menen te zien. Het geval wil alleen dat Cooper nog een tijdje militair bleef. En dat hij, na in 1947 afgezwaaid te zijn, met wisselend succes een music-hallact probeerde, pendelend tussen televisieshows en de reguliere bühne van het variététheater. Er was een tijd dat hij 52 shows per week gaf.
Pas rond het midden van de jaren zestig was Coopers roem gevestigd, uiteraard met de iets te strakke rode fez op het hoofd, waar zijn haar op oorhoogte uit piekte. Wel bleef hij verknocht – en volgens deskundigen intrinsiek vaardiger – aan podium en zichtbaar publiek, en versmaadde daar soms fijne televisieoptredens voor. Dat kon ook, omdat hij een lucratieve artiest was geworden all over the world. In 1977 kreeg Cooper te Rome zijn eerste hartaanval en toen zijn longen ook begonnen op te spelen, moest hij eigenlijk het sigarenroken opgeven.
Dat er na zijn dood een levendige industrie met gadgets ontstond, berust vermoedelijk op de vele Tommy Cooper-shows die, ingezet met de zelf ingezongen standard ‘The Sjeikh Of Araby’, de beeldbuizen aller landen niet-aflatend leken te vertonen. Er doemde daar minder een komiek uit op dan een komische strategie. Er is en blijft het goochelen, waarover hij in 1975, verlucht door grappen, een boek schreef: Just like that! De titel bevat al iets van de verbazing die zogenaamd in Coopers bolle ogen te lezen viel, wanneer een truc lukte. Per ongeluk? Het is eigenlijk nooit duidelijk geworden of het publiek stiekem verwachtte dat de illusionist zijn vaardigheden beheerste – de clou is vooruitgeschoven. Daarnaast pleegde Cooper grappen die zo flauw waren dat ze de luisteraar tergden, hem boos maakten bijna dat zijn lichaam ze klaarblijkelijk toch leuk vond: ‘So I got home, and the phone was ringing. I picked it up, and said “Who's speaking please?” And a voice said “You are”.’
Er zit in dit citaat iets wat ik de Tommy Cooper-ervaring wil noemen. Op gezette tijden heb ik die. De recentste was bij een concert van Sonny Rollins, waar een man African percussion heette te spelen (met een zelfde waarschijnlijkheidsgraad als dat koning Boudewijn moslim was). Voorbij de helft van het concert wees Rollins de man een solo toe en ik zag hem naarstig om zich heen kijken. Wat nu? Hij greep naar elk dingetje dat hij rondom zich kon vinden, slingerde eraan op diverse afstanden van de microfoon en toen waren alle materies uitgeput. En opeens zag hij op een meter afstand een met huid bespannen doos, waar hij zich letterlijk op stortte en die hij met handen en voeten begon te bewerken. Het duurde ongeveer tien minuten, volkomen uit de context en het publiek vond het fantastisch.
De Tommy Cooper-ervaring berust hierop, dat je je plots realiseert op aarde geworpen te zijn. Als enige, terwijl iedereen er allang blijkt te zijn. De anderen kijken je zo welwillend aan dat je er verlegen van wordt. Ze scheppen een verwachting die je geneigd bent te voldoen door iets te doen. Je probeert wat, telkens iets anders en telkens krijg je reactie. Gaandeweg lijkt het er sterk op dat je bestaat. Een binnenstebuiten gekeerd solipsisme.
De show waarin Cooper zijn einde vond, kwam voort uit een samenwerking met confrater Jimmy Tarbuck. De mannen kenden elkaar sinds 1964. Na zeven minuten sloeg de ster tegen het canvas, de gordijnen gingen dicht. Het publiek hoorde Cooper hevig ademen door zijn opgespelde microfoontje en lachte: hij zou toch niet in slaap gevallen zijn?! Zelfs Tarbuck verkeerde in de veronderstelling dat zijn kameraad iedereen weer eens bij het ootje nam, al was het wat raar dat deze mond-op-mondbeademing kreeg. En omdat de show sowieso verder moet, ging Tarbuck na een commercial break het podium op en begon, zonder precies te weten wat er hand was, moppen te vertellen.
Joseph Brodsky: ‘In echte tragedies sterft niet de held, / maar sterven scheurend, avond na avond opgesteld, / de versleten coulissen.’

De Morgen, 30 juni 2004

Lenny Bruce (2004)


‘Do you know where I can get any shit?’

Als we Catherine Hardwicks onthutsende film Thirteen mogen geloven, weet de Amerikaanse jeugd van tegenwoordig langs welke kanalen de chemie je zoal in hogere sferen kan brengen. Geïnspireerd door de president, die in zijn jonge jaren dikwijls een frisse neus moet hebben gehaald? In natuurlijke samenstelling schijnen De Middelen heilzaam te zijn: lurken de Tibetanen zich er niet erg oud aan? Men moet plezier hebben en daarbij wat presteren, liefst een beetje bijzonder. Vooral in de kunsten is het gebruikelijk toevlucht te zoeken tot de stimulantia. Jazzmusici lijken van stonde af intraveneus te zijn gevoed en voor zover het nog niet bekend was, geeft Marcus Boons The Road of Excess (2002) een historisch overzicht van auteurs wier wapenfeiten mede uit de dope ontstonden. Sartre komt eruit tevoorschijn als een wandelend Bhopal. Een boterhammetje met bruine suiker volstaat niet steeds als de ratio moet opgerekt om het ding an sich nabij te komen.
Dergelijk spul mag worden aangesproken, zolang er een wettelijk verbod op rust. Vermoedelijk is deze dubbele moraal de kick; iedereen beseft dat de laatste taboes wellicht integriteit en oprechtheid zijn. Volgens die spelregels kon Clinton verklaren dat hij in een paradijselijke era wel hasj had gerookt maar niet geïnhaleerd: destijds moest de economie ook voort. Hoe officieel de war on drugs wordt gevoerd, de staatskas zou knarsen wanneer ze niet indirect werd gespekt. Zo is het altijd geweest – de foto van Nixon en Elvis die een antidrugsbeleid bezegelden met een handdruk waarmee ze elkaar overeind hielden.
Toch heeft openlijkheid een grens. Lenny Bruce ondervond dat. Geboren in 1926 te Brooklyn als Alfred Leonard Schneider, was hij in de Tweede Wereldoorlog boordschutter, die in het Middellandse Zeegebied ballistieke furore maakte. Nadien ging hij de showbusiness in en was wat nu een stand-upcomedian heet. We schrijven het Amerika van de jaren vijftig waar naast de communist een ander spook altijd welkom was. Bruce geloofde in sick jokes, in het stukpraten van door wegzien gebrandschatte connotaties. ‘Klaar is een bijwoord. Komen is een werkwoord, een onovergankelijk werkwoord. Klaar komen.’ Ze waren niet alleen moderne jazz, op scatwijze gebracht, ze behelsden een antidotum voor de gezonde humor van collega’s die repressiviteit serveerden op een bedje van goocheme hypocrisie: ‘Als nou iemand hier of waar ook ter wereld deze woorden decadent, obsceen, immoreel, amoreel, aseksueel vindt, als je denkt dat ik ze absoluut tegen je moet zeggen en jij merkt dat je ze verschrikkelijk graag wilt horen, dan kun je waarschijnlijk niet klaarkomen.’
De autoriteiten deelden dit geloof niet. Het laatste decennium van zijn leven stond Bruce bijna permanent bloot aan justitionele vervolging. In oktober 1961 werd hij in San Francisco bij een act gearresteerd wegens obsceen taalgebruik. Hij noemde namen, gaf het publiek wat het wilde horen en niet weten – routinebeschimping. Zelfs vertelde Bruce doodleuk dat zijn succes volgde uit de segregatie die hij op velerlei fronten bestreed. En hij was al zo groovy dat hij kon gelden als een expert in het schenden van de opiumwet. De werkgelegenheid slonk, rechtszaken stapelden zich op en Bruce moest zich oppeppen voor de goede zaak. Zijn allengs narcistischer wordende geest had gelijk, zijn lichaam niet. Op 3 augustus 1966 werd Bruce aangetroffen op een openbare wc in Los Angeles, een naald stak in zijn arm. Sectie wees uit dat hij was gestorven aan een overdosis morfine. ‘Do you know where I can get any shit?’ zou hij nog gevraagd hebben.
En Amerika verstouwde wat jointjes en brouwde uit destructie gul een mythe, zeker toen de antipsychiatrie met een niet wezenlijk te peilen engagement gekte als normaal ontmaskerde. Bob Fosse kon in 1974 met de in stemmig zwart-wit geschoten biopic Lenny goede sier maken (Dustin Hoffmann speelde de hoofdrol). In de Lage Landen was er Jotie T’Hooft en met De moeder van David S. maakte Yvonne Keuls de drugsproblematiek aan gene zijde van de relaxtheid bespreekbaar. Geïnstigeerd door types als Lou Reed en David Bowie met zijn Berlijnse elpees was ook popmuziek rijp voor het heldendom van de verschoppeling met de lonkende aderen. Cornets de Groot heeft in Met de gnostische lamp beweerd dat in de twintigste eeuw van de jeugd de jaren vijftig de nozem opleverde, de jaren zestig de provo, en de jaren zeventig de junkie. Ontegenzeglijk had drugs een romantische aura. Maar die verbleekte.
Punk, vies van vredespijperij, eiste in Sid Vicious een ostentatief heroïneslachtoffer en de film Christiane F. Wir kinder von Bahnhof Zoo bracht de boodschap dat drugs een hoop ellende veroorzaken. Inderdaad had Bowie zich alweer een ander imago aangemeten. Drugs werd geassocieerd met criminaliteit en winstbejag, later bijvoorbeeld door houseparty’s, waarbij pilletjes uit duivelse laboratoria een onlosmakelijk onderdeel blijken van de vrijetijdspret.
Bruce’s jaren raakten museaal. In het nummer ‘It’s The End Of The World As We Know It’ voert REM hem ten tonele: ‘The other night I dreamt of knives, continental drift divide. Mountains sit in a line, Leonard Bernstein. Leonid Brezhnev, Lenny Bruce and Lester Bangs.’ In Don DeLillo’s roman Onderwereld (1997) vertolkt Bruce het kosmopolitische verzet tegen de Varkensbaaiaffaire: ‘zijn lichaam in de losse slappe houding van een bebopper; hij had een antracietgrijs pak aan, Europese stijl, zonder schoudervullingen en met halve revers, en droeg een dunne donkere gebreide das en keek met die Newyorkse, Levantijnse blik.’ DeLillo laat Bruce de afgewende wereldcrisis uitduiden uit het feit dat Kennedy, die evenmin op een pilletje meer of minder keek, de paus had gebeld. En de performer valt terug in zijn witzen.
Eind 2003 kwam het bericht dat George Pataki, gouverneur van de staat New York, Bruce vrijsprak van belediging. Lenny was er in 1964 opgepakt, nadat hij bij een show in Café a Go Go – naar een telling van politiemannen in burger – meer dan honderd keer ‘fuck’ had gezegd. Veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf verliet hij New York, en kwam niet meer aan de bak. Na 37 jaar, veilig opgeborgen in Gods Hall of Fame, kreeg Lenny alsnog gratie, omdat de vrijheid van meningsuiting klaarblijkelijk telde. Een welkom voorbeeld voor de jeugd.

De Morgen, 10 maart 2004

José Ortega y Gasset (2004)


‘In dit land kan men niet eens meer in vrede sterven’

Iedereen schijnt een absolute leeftijd te hebben, rijmend met een mentaliteit die zich hoogplatonisch uitkristalliseert. Na geboorte word je wie je was. Ook bestaat er een relatieve leeftijd, waarop een onweerlegbare prestatie geleverd is. Daarna kun je maar beter uitscheiden – het vel zal lubberig worden. Dat is de wet van de mentale dermatologie: over sommige verdiensten, al zijn ze onbedoeld, raak je nooit heen. Je sterft met je eigen, tot de eeuwigheid gedegradeerde wonder.
In het licht van laatstgenoemd fenomeen was het voor mij bizar te vernemen dat José Ortega y Gasset is overleden in 1995, wetend dat zijn La Rebelión de las Masas, spreekwoordelijk geworden in de wat bijgevijlde vertaling De opstand der horden, uit 1930 stamt.
De titel verwijst naar onstuimig consumerende massa’s die de Spaanse denker rond zich zag opdoemen, de steden van het oude Europa uitgietend met ‘volheid’. De op zich problematische aristocratie is ingeruild voor een hyperdemocratie, waarin naar materieel gewin en lust wordt gehandeld. Terwijl futuristen weinig tevoren snelheid en een grote schoonmaak van het verleden hadden aanbevolen, bepleit Ortega, die zijn vaderland al eens de rug toegekeerd had, rust en bezinning op de geschiedenis. Zijns inziens anachronistische stromingen als bolsjewisme en fascisme ontberen dat besef. Hij wijst de negentiende eeuw aan als boosdoener. Toen groeide de wereldbevolking explosief, genoopt tot specialisatie raakte het overzicht kwijt. En alsof de grabbelton van het internet reeds een feit was, beperkte het onderwijs zich tot het aanleren van techniek, zonder ontvankelijkheid voor het waagstuk van het bestaan. Voordien, galmt het bijna sartriaans, betekende leven kiezen, vrijheid gebruiken. Nu laat men zich beslissen, meedobberend op de golven van het directe profijt. De natuurmens in een ingewikkelder wordende wereld of, in termen van Sloterdijk, een homo politicus als dier in een abstracte behuizing. Men ijlt zich homogeen naar moraalloosheid en brengt een beschaafd werelddeel in diskrediet. De makke die Ortega signaleert is dat elkeen overal recht op denkt te hebben (ook op vulgariteit). Dat beschouwt hij als een ‘hermetische afgeslotenheid van de ziel’, diametraal op de dynamiek van de spaarzaam overgebleven asceet. De homo metafysicus dan, die in oefening zijn ideaal heroverweegt. Koonrode voetnoten, bulkend van belezenheid, doorspekken Ortega’s betoog, en gaandeweg wendt hij zich, woordenpraal nota bene als wezenlijk geweld brandmerkend, rechtstreeks tot de lezer.
De opstand der horden was in 1926 voor een Madrileens dagblad opgezet als artikelenreeks. Na bundeling kwam het boek terstond in een rijtje met Der Untergang des Abendlandes (Oswald Spengler, 1922) en La trahison der clercs (Julien Benda, 1927), werken die de Tweede Wereldoorlog heetten te voorspellen. Feit is dat Ortega’s Nederlandse vertaler, Johan Brouwer, in 1943 gefusilleerd zou worden vanwege een aanslag op het bevolkingsregister te Amsterdam. Maar eerst moest het in Spanje zelf gaan rommelen.
Tijdens de burgeroorlog ging de onafhankelijke Ortega wederom in ballingschap (generallissimo Franco lijkt als tachtigjarige geboren) en diende, steeds meer huid met zich meedragend, alle walmende leuzen te bestrijden vanuit vluchthavens. Zo kon hij te Oegstgeest de Franse uitgave van De opstand der horden in 1937 vergezeld doen gaan van een nog alarmerender inleiding over de massamens: ‘Hij heeft alleen maar verlangens, en is van mening geen verplichtingen te hebben. Het is de mens zonder de adeldom die verplicht – sine nobilitate – snob.’ Ortega had de absolute leeftijd van twintig gekregen. Terloops meldt hij dat de politiek de mens verhindert eenzaam te zijn. Het voorwoord was om precies te zijn geschreven in Het Witte Huis, dat hij met zijn gewetensvolle historische bewustzijn memoreerde als pleisterplaats van de honorabele ontdekker van de rede, Descartes, in 1642. Ironischerwijs zou professor Bastiaans er lsd en ibogaïne toedienen aan getraumatiseerde slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, om hen aan de praat te krijgen.
Na 1945 keerde Ortega andermaal naar Spanje terug en hij wende nooit meer. En natuurlijk was hij in die nabije vreemdheid nog op zijn doodsbed, ongetwijfeld een lebbige meneer, in de contramine: ‘In dit land kan men niet eens meer in vrede sterven.’ Had hij van de tijd waarin dit wel kon een beeld uit studies? Het zou een paradox zijn die meer wereldverbeteraars tekent.
Het is verleidelijk te speculeren over de relevantie voor het heden van Ortega’s klachten bij het hoge welvaartspeil. Te eenvoudig lijkt het om zijn onheilsprofetie als reactionaire smetvrees te relativeren, dan wel er als een flinke, windgevoelige denker mee te heulen. En weliswaar zag de wijsgeer soelaas in ‘de Verenigde Staten van Europa’, dat begrip dunkt me wat pijnlijk nu, om Sloterdijk te hernemen, imaginaire gemeenschappen levensecht bloed vergieten. Voorbij de performatieve taaluitstoot is het wellicht zinniger een gokje te wagen wie de horden van vandaag zijn. Omdat Ortega waarschuwt voor intellectuele nivellering die in retrospectief elitaire, mogelijk zelfs absolutistische trekken lijkt te vertonen, valt te denken aan journalisten. Hun ster is gestegen ten koste van leraren, de geleerden van ooit. Of het om olifanten in het Zoniënwoud gaat of een diamant in Kaapstad, de gecontextualiseerde mening, voorheen gedeeld met barbier of toogcollega, rolt er op maat uit. Dit geldt evengoed voor kunstenaars, gesubsidieerd naar de Balkan afreizend om te discussiëren over de toekomst van Oost-Europa. Ortega zou van society spreken, ‘wier leden alleen maar leven van elkaar uit te nodigen of niet uit te nodigen.’ Aldus heeft de Frans-Amerikaanse auteur Raymond Federman schier letterlijk ingewanden gelezen toen hij door zijn joodse ouders als jongen tijdens een razzia in een kast werd opgesloten; zij werden weggevoerd en hij zat vast, dagenlang, en moest zijn behoefte doen in kranten. Hij vouwde ze keurig toe.
Elke era krijgt de denkers die ze verdient. Punt is wel dat fundamentele opposities tegen een gang van zaken een obligaat cultuurpessimisme ademen, verworden tot rituele retoriek die domweg in het pakket van de actualiteit zit. De wetenschap van José Ortega y Gassets sterfjaar was in elk geval een canard, uit een vertaald best of-boekje met quotes die men bij bittertafelactiviteiten kan afraffelen. De man blijkt in 1955 afgereisd naar Hoog-Barbarije. Ook dan heeft hij zichzelf naar mijn gevoel overleefd.

De Morgen, 14 januari 2004

maandag 9 februari 2009

Herman Brood (2003)


‘Mannen, laat je niet verneuken door poëzie die niet rijmt’

Toen het eerbiedwaardige culturele tijdschrift De Gids in zijn honderdvierenvijftigste jaargang een themanummer wilde wijden aan het fenomeen popmuziek, lag de vraag open wat het omslag te zien moest geven. Ik suggereerde een tekening van Herman Brood, waarop een sergeant zijn soldaten toeblaft: ‘Mannen, laat je niet verneuken door poëzie die niet rijmt.’ De afbeelding kwam er, maar zonder onderschrift – het was per ongeluk weggevallen.
De tekening stond in Stil daar is ie... uit 1984, een bij een marginale uitgeverij verschenen stripboek ten behoeve van Broods zoveelste comeback waar zijn persoonlijk manager ‘weer helemaal het oude gevoel’ bij had. Het boek werd ingeleid door ene Bart Chabot voor wie het onmogelijk kwaad kon ermee op de ruïneuze resten te gaan staan van een instituut. Aan het eind van de jaren zeventig was Brood de rijmvaste, ongekroonde koning van de Nederlandse popmuziek geweest, niet weg te denken uit de media, conform zijn berkeleyaanse motto ‘Zijn is waargenomen worden’. Het koninkrijk bleek gegrondvest op een georganiseerde chaos, en weinigen kunnen zich aan de top handhaven wanneer resultaten uitblijven. Brood had op het hoogtepunt van zijn roem zijn biezen gepakt. In het beloofde land Amerika flanste hij de elpee Go nutz in elkaar, die eensluidend werd afgeserveerd door de meegereisde pers: ‘no guts’. Een geval van zelfhaat? Plots werd Brood verweten dat hij overpubliciteit had gezocht... door journalisten. De U-bocht in de waardering was complex. En het werd heel stil rond de zanger/pianist. De oude stiel van tekenaar pakte Brood op, en hij trachtte er de vruchten van te plukken voor zijn auditieve wederopbouw.
Begeleid door rhythm ‘n blues in de ware zin van het woord deed Brood opgeld met verhalen over het triumviraat sex and drugs and rock ‘n roll. Levensgenieting door middel van verantwoorde onbetrouwbaarheid en effectieve amnesie (‘spijt is wat de koe schijt’) was zijn parool. Ontelbaar zijn de reportages waarin de journalist van dienst een nacht stukslaat met de ster, gevoed door diens op pure ervaring gestoelde wisecracks, soms ook bij monde van in de steek gelaten vriendinnen, getuigend dat Herman eigenlijk een Erg Lieve Jongen was Op Wie Je Niet Kwaad Kon Worden. Broods heroïne werd van stonde af door zijn manager in overlevingsdoses verstrekt en later mocht hij belastingschulden vereffenen met gelegenheidsschilderijen voor aan de muren van ‘s lands inningskantoren. Terwijl hij meestal gehuld was in kekke showbizzkledij of in een guerrilla-achtig bespikkeld gevechtstenue, pacificeerde hij bij tijd en wijle zichzelf door kostuums te dragen. Brood mocht doen wat God verboden had, hij was tegelijk iemand die bijna sentimenteel hamerde op fatsoen, bijvoorbeeld jegens de moeder.
In overeenstemming met dat – veelvuldig naar buiten gebrachte – principe van de wiedergutmachung publiceerde hij in 1988 de dichtbundel Zoon van alle moeders. Die bevatte inderdaad rijmloze poëzie, en wekte over het geheel een onaangepaste en soms zelfs autistische indruk. Brood, geboren in 1946, was opgegroeid met gedichten van de Vijftigers en de Zestigers (met name Vaandrager) die ogenschijnlijk allerminst conventioneel mochten heten. Anarchie lag meer in de lijn van de directe expertise. Ook voor wat betreft de muziek: de jonge Brood was een fan van Little Richard en van Art Blakey. Wel bekende hij als wat oudere, bekende meneer dol te zijn op Johnny Jordaan en tante Leen, waarmee het profiel van tegenstrijdigheid en voorbehoud weer getekend was. Zijn mentaliteit slokte als het ware alles op tussen het vrije vers en de vormvastheid, tussen desintegratie en assimilatie. Ik vermoed dat Brood het allemaal inbouwde om een ontsnappingsroute te hebben. Naar de raderen van de publiciteitsmachine van de literatuur die de tekst is gaan verdringen, was het niet meer dan logisch dat Brood uit Zoon van alle moeders moest voordragen bij prestigieuze gelegenheden. Zo trad hij op op Poetry International en werd door het kennerspubliek weggehoond. Naderhand verklaarde Brood grijnzend dat hij had gelezen uit het werk van zijn iets hoger aangeschreven vriend Lucebert.
Pendelend tussen non-conformisme en aanpassing, als een eeuwig kind dat op latere leeftijd dan maar zijn haren zwart verfde, kon Brood het zich veroorloven volstrekt zijn eigen zin door te voeren. Hij schilderde in ijltempo het ene doek na het ander vol dat, zeker gaande zijn carrière, voor grof geld van de hand ging omdat het Een Brood was. Een concessie was wel dat hij nooit helemaal serieus genomen werd, en dat verdisconteerde de ster dan door méér van het omstredene te praktiseren. En dus gaf hij regelmatig schilderijen, amper opgedroogd, aan willekeurige voorbijgangers cadeau. Maar hoe Brood ook shockeerde en hoe overbewust hij ook ageerde tegen doorgeschoten tolerantie, het werd allemaal gedoogd.
Stengun of waterpistool? Het bizarre van zijn status bleek nadat een zieke Brood, incontinent en kaal, in 2001 zelfmoord had gepleegd door een duik van het dak van het Hilton Hotel. Terwijl een wagen met Broods stoffelijke resten door de stad reed, riep het massaal toegestroomde publiek: ‘Herman bedankt’. De rat bleef een knuffeldier. Zoals dat moet gaan, kreeg Brood na zijn dood zijn eerste nummer 1 hit met een abominabele versie van ‘My way’ en verkoos het blad Management Team Herman Brood postuum tot ‘merk van het jaar’. En zijn oude kameraad Chabot, al jarenlang aan de weg timmerend als auteur van obscure boeken, wist niet hoe snel hij delen moest publiceren van een domesticerende biografie die wilde openbaren ‘hoe Herman werkelijk was’. Ze werden en worden bestsellers, omzwermd door interviews die zulke zoete koeken nu eenmaal schijnen uit te lokken.
Natuurlijk heeft ook poëzie die niet rijmt haar middelen om een vreedzame indruk te maken: ritme, assonantie, enz. En door experimentelen vermaledijde sonnetten zijn in anti-vorm inmiddels volledig geaccepteerd en geaccommodeerd. Wie Lucebert ooit heeft horen voordragen, schijnt niet te zijn ontkomen aan de indruk een ouderwetse bard te hebben getroffen. Aldus is rijm werkelijk niet meer dan een geintje, dat voor de zekerheid mogelijk alleen in een beroepsleger moet worden geapprecieerd. Hooguit kun je je afvragen of er erg veel muziek in zit, laat staan dat er oorlogen mee gewonnen kunnen worden. Over ordentelijkheid spreken we niet.

De Morgen, 1 oktober 2003

Woodstock (2003)


‘No rain! no rain!’

Vier Amerikaanse midtwintigers kwamen op het idee in augustus 1969 een popfestival te organiseren. Boer Max Yasgur, uit het dorpje Bethel dat 2366 inwoners had, stelde zijn weiden beschikbaar. In een overmoedige bui – het hippiedom verkeerde in zijn hoogtijdagen – verwachtten de jongens zestigduizend bezoekers, die drie dagen lang muzikaal begeleide geestverkwikking zouden kunnen ervaren.
De droom kreeg rare randjes door een zachte maar dwingende toestroom. Hekken om Yasgurs terrein gingen tegen de vlakte, en de organisatoren kondigden af dat het betalende festival gratis werd. Vierhonderdduizend kinderlijke volwassenen kwamen opdagen en per minuut leek het festival, Woodstock, legendarischer te worden. Er ontstond een micromaatschappij. In de loop van de dagen zagen twee baby’s het levenslicht en er waren vier miskramen.
Had de aanzwellende massa iets van troepenbewegingen bij een oorlog, het klimaat was extreem vreedzaam en de werkelijkheid kreeg zowaar iets van een idylle, omwolkt door hyperbewuste naïveteit. Legereenheden voorzagen op vrijwillige basis het tot rampgebied uitgeroepen terrein van voedsel en medicatie. De eeuwenoude theorie van het christendom kreeg eindelijk haar praxis: broederlijkheid door te delen.
Ook een zondvloed kon het saamhorige gedierte des velds niet uiteendrijven. Toen de lucht betrok, bracht de organisatie de apparatuur in veiligheid en informeerde het publiek. Ook met de tip: ‘Hey, if we think really hard, maybe we can stop this rain.’ En het publiek dreinde: ‘No rain, no rain’. Het gebed werd vooralsnog niet verhoord. Zonder reclamatie trouwens, allen achtten de zondvloed nice and clean en okay en fine, en de weide veranderde in een modderpoel waar halfnaakt doorheen geroetsjt werd. Alles bleef onverstoorbaar ludiek in leven, en ten slotte pakte blank en zwart alles wat geluid maakte en instigeerden een ritme waardoorheen men triomfantelijk huilde. De gemeenschap was gevestigd; het werd droog. Op een busje was al Even God loves America te lezen geweest en een non had het V-teken gemaakt.
De volgende donatie van boven kwam van helikopters met het manna van bloemen en droge kleren. Bethel deed zijn naam eer aan – oord waar aartsvader Jacob in een visioen engelen over een ladder zag stijgen en dalen. De hemel leek binnen handbereik.
Een wijkplaats was Woodstock. In de gelijknamige, fenomenale documentaire uit 1970 door Michael Wadleigh vatte een bezoeker het zo samen: ‘the Hamlet-trip, you know: to be or not to be’. Het reële zijn leek voorbehouden aan de jongeren, met real communication. Ze keerden zich tegen hun ouders, door wier moraal de genietingen van het leven onaangeraakt passeerden. De Woodstockgangers werden wel gekarakteriseerd als een leger van vreedzame guerrillastrijders.
Tijdens het festival zong John Sebastian het liedje ‘Younger Generation’ (dat hij voor The Lovin’ Spoonful had gemaakt). Blijmoedig vroeg hij zich af waarom ouders altijd square werden bevonden met hun cardinal rules. En wat als hijzelf vader was van een kind? ‘And all my deepest worries must be his cartoons.’ Voor vernieuwing, lijkt de suggestie, is het paradigma van de vadermoord aangewezen. Uiteraard klonk er tijdens Woodstock soms meer dat nu bevreemdend voorkomt, maar de meeste muziek was wonderschoon: Joe Cocker voordat hij zich bekeerde tot het designalcoholisme, Crosby, Stills & Nash, Jimi Hendrix, Sly and the Family Stone. Hen verbond protest tegen het gereduceerde leven, met een pleidooi voor het experiment ten behoeve van een nobeler, bevrijder zelf en daarmee ten behoeve van een betere maatschappij. Zij zouden bewijzen dat die wel degelijk maakbaar was.
Frappant in de documentaire Woodstock is echter het achterwege blijven van een generatiekloof. Een enkele uitzondering daargelaten tonen ouderen uit de omgeving, politiemensen maar ook een Port-o-San Man die onverstoorbaar toiletten schoonmaakt, zich positief, mogelijk in zachtaardige afgunst op de loutere fun die werd ontplooid. De gepredikte peace lijkt even overgeslagen, wellicht metonymisch – meer milde ouders verklaren een kind te hebben dat in Vietnam vecht. Voor telefooncellen staan lange rijen hippies die even naar hun ouders willen bellen om te zeggen dat ze goed zijn aangekomen; op de eerste dag werden er vijfhonderdduizend interlokale belletjes gepleegd. Max Yasgur, die een dubbelganger lijkt van Arafat, spreekt de festivalgangers dan ook lovend toe, waarmee de zegen wel is gegeven.
Wel demonstreert Woodstock dat genietingen faciliteiten behoeven. Het gros van de aanwezigen mag, al dan niet door LSD, in hogere sferen verkeren, een aantal leeftijdsgenoten houdt zich, omgekeerd genereus, constant bezig met de logistiek. De documentaire heeft vaak twee beelden naast elkaar, bijna als iconografie van deze meerstemmigheid (en wederzijdse afhankelijkheid).
Pas na afloop werd het slagveld zichtbaar. Meteen in de vorm van een gigantische hoeveelheid afval dat, volgens mij een primeur, gescheiden opgehaald werd. Op de wat langere termijn bleek het effect echt zuur. De festivalgangers zijn alsnog volwassen geworden – ouders, grootouders soms al. Ongewis is of de pedagogische intentie van John Sebastian (‘And I must be permissive, understanding of the younger generation’) gestand is gedaan. Het cliché van de rijpere mens luidt: een illusie armer maar de droom niet vergeten. Hier lijkt het anders: ludiek verrijkt en de droom verdrongen. De festivalgangers hebben inmiddels machtsposities ingenomen waarin ze, onder het mom van een herstel van oude waarden, rentabiliteit heilig hebben verklaard. Maar misschien stopte hun huidige Honorabele Bondgenoot destijds gewoon kiemen van het neoliberalisme in de regen.
Zijn de jongeren van toen geboren historici geweest, wapendragers van de wijsheid achteraf? De wijsheid moest eerst even wereldkundig gemaakt in kranten, en alles wat in de krant staat is nu eenmaal waar. En uiteraard kampt hetgeen tegenwoordig historisch heet met herdenkingen. Vijfentwintig jaar na dato kwam er een tweede Woodstock, waar Crosby, Stills & Nash wederom optraden, op zijn minst sterk verouderd – wel zetten ze door het concert hun zoveelste comeback luister bij. Van het oorspronkelijke Woodstock resten gadgets, verkrijgbaar via Internet: ongebruikte en naar believen ingelijste toegangskaartjes, inclusief een Letter of Authenticity.
Uit protest tegen de Vietnamstrategie had Hendrix het volkslied ‘Star-Spangled Banner’ magistraal aan flarden gespeeld, maar alle naden van de vlag zijn gelijmd zodat er weer in preventieve aanvallen kan worden gegrossierd. Robert Musil laat in De man zonder eigenschappen Ulrich concluderen: ‘Het menselijk wezen is even gemakkelijk in staat tot kannibalisme als tot de kritiek van de zuivere rede; als de omstandigheden ernaar zijn kan het met dezelfde overtuigingen en eigenschappen zowel het een als het ander, en heel grote uiterlijke verschillen corresponderen daarbij met heel kleine innerlijke.’

De Morgen, 11 juni 2003

Leo Beenhakker (2003)


‘Haben Sie ein Stunde?’

Sinds 10 mei 1940 zijn de betrekkingen tussen Duitsland en Nederland aan de gespannen kant. Hoewel er zo’n vijf jaar later een vredesakkoord werd getekend in aanwezigheid van een Nederlandse prins van Duitsen bloede, bleef het wantrouwen prevaleren. Holland mocht een bloeiende handel aangaan met zijn grote broer en de kazen vlogen met Rudi Carell mee naar het Oosten, het betrof veelal eenrichtingsverkeer. De Volkswagen bijvoorbeeld was naar de heilige overtuiging van velen een gouden kalf dat slechts met lenig gebabbel (‘handig en niet duur’) getolereerd werd.
In de loop der jaren begonnen de kerken leeg te lopen en ontstond er een nieuwe religie: voetbal. Het was met name door dat artikel dat oude wonden opengereten werden. Voor de wereldkampioenschappen in 1974 te Duitsland verkondigde de Hollandse coach Rinus Michels, bijgenaamd De Generaal: ‘Voetbal is oorlog.’ Het toernooi bewees de profetie van deze uitspraak. Met onder nummer veertien de Betondorpse verlosser Johan Cruijff in de gelederen verpulverde Holland, door wat met een goebelsiaanse variant ‘totaalvoetbal’ werd genoemd, de ene tegenstander na de andere, om in de finale, geleid door een geallieerde arbiter, uit zijn roes gewekt te worden door de grote broer. Het schier onoverwinnelijke team oogde behalve blasé vooral vermoeid. Kwade tongen schreven dit toe aan een nachtelijke, door Bild wereldkundig gemaakte sessie bij een overdekt zwembad met autochtone blondines, waar naar verluidt uren durende telefonades met het thuisfront op waren gevolgd. Hoe ook, de West-Duitse administratie profiteerde optimaal van de plots ingetreden zwakte bij het buurland. Dat de wedstrijd was gekanteld door een strafschop, waarover het lijdend voorwerp Hölzenbein later zou bekennen dat hij een schwalbe had gemaakt met als gevolg dat hij nimmer ongestraft, laat staan ongewurgd bij Lobith het buurland zou kunnen binnenvaren, maakte de zaak louter erger. De Koude Oorlog kreeg – naar Oudhollandse traditie ietwat laat – zijn beslag. Toen Cruijff, wiens heerschappij decadente trekken had aangenomen, een paar jaar later bij Ajax het actieve leven op voetbalaarde vaarwel zei, toonde gelegenheidsopponent Bayern München, conform de wetenschap dat Duitsers gevaarlijk zijn tot aan het laatste fluitsignaal, op de afscheidsmis zijn orthodoxie (8-0).
Het duurde tot de Europese kampioenschappen van 1988 dat, opnieuw op vijandige bodem en onder leiding van Michels, de genade kon wederkeren. In de halve finale trof Nederland, bezield door de witte neger Gullit (die hobby had aan de anti-apartheidspolitiek van Nelson Mandela), het vermaledijde Duitsland onder aanvoering van Matthëus (die zich minder met gods woord bezighield dan met het aansmeren van gele kaarten bij de tegenstander). De Ultieme Coach had in Zijn oneindige wijsheid beschikt dat het scoreverloop van de wedstrijd spiegelbeeldig was aan dat van veertien jaar daarvoor. De wereld die Holland heet was te klein. In Amsterdam werden de grachten net niet voorgoed gedempt; de euforie om de bevrijding kreeg elders onder meer haar verdinglichung met het omgooien van Volkswagens van dienst. Wel moest libero Ronald Koeman, nadat hij in de kleedkamer zijn reet afgeveegd had aan het shirt van Olav Thon, nog schuld bekennen bij de Duitse ambassadeur. Was de dooi werkelijk ingetreden?
Een testcase was een partij van Feyenoord, een ploeg die in tactisch opzicht associaties opriep met de wederopbouw, eind 1997 voor de Europacup tegen VFB Stuttgart. Hoe het mogelijk was zal wel altijd een raadsel blijven, maar de Rotterdammers wonnen de uitwedstrijd met 1-3.
Het was bij die gelegenheid dat Feyenoords coach Beenhakker, filtersigaret in de mondhoek, een schuldbewuste vraag van een Duitse televisiejournalist naar de feilen van de heimat-speelstijl beantwoordde met: ‘Haben Sie ein Stunde?’ Het antwoord werd dagenlang op alle netten ten westen van Lobith herhaald. Nederland had er weer een naoorlogse verzetsheld bij.
Dat het Leo Beenhakker was die deze uitspraak deed, wekt geen verwondering. Hij mag met een vooruitziende blik de multifunctionele voetballer Frank Rijkaard ontdekt hebben, voor alles kijkt hij achterom. Beenhakker is cultuurcriticus. In 1942 geboren te Rotterdam beklaagde hij zich bijvoorbeeld over het niveau van het onderwijs bij jongere voetballers die hij tot de ‘patatgeneratie’ rekende. Deze periodisering werd terstond een lemma in alle woordenboeken, en bezorgde de man bijverdiensten als columnist voor Voetbal International (de New York Review of Books in het genre) en als voetbalanalist voor de publieke televisie. Steevast weet hij de kern te raken. Beenhakkers essentie is, niet bepaald onhollands, een ernstige relativering. Negen van de tien zinnen die ergens vanonder zijn enorme, voor elk weertype bestendige haardos vandaan komen, beginnen met ‘Ach’. Flux de bouche zal eveneens ten grondslag liggen aan het feit dat Beenhakker zo’n beetje bij elke ploeg over de wereld (uitgezonderd Duitsland) heeft gewerkt zonder een aansprekend resultaat te halen. Zelfs het Real Madrid van de jaren tachtig wist hij geen Europacup 1 te bezorgen, al gaf hij daar wel ten overstaan van de voltallige Nederlandse pers de bijnaam ‘de beker met de grote oren’ aan. Zelf kwam hij sinds die betrekking Don Leo te heten.
Na een listigheidje van Michels om Cruijff buiten de deur te houden was Beenhakker ook coach van het Nederlands elftal op de Wereldkampioenschappen 1990, dat zich in de identieke samenstelling als in 1988 voornamelijk aan het afvragen was waarom het zonder te spelen de hoofdprijs niet kreeg; Mandela was juist vrijgelaten van Robbeneiland. Met als enig hoogtepunt een fluim van Rijkaard in het gezicht van Völler werd Oranje in de tweede ronde uitgeschakeld – door het inmiddels verenigde Duitsland, uiteraard met de bekende cijfers. Tegen zijn gewoonte heeft Beenhakker hier nooit iets over gezegd, of het zou moeten zijn dat hij dagboekaantekeningen heeft gemaakt die berusten in een verhuisdoos met het nummer dertien. Vermoedelijk bewaart hij de episode voor zijn ongetwijfeld gekruide mémoires die hij in ten minste acht talen aan de man zal brengen.
Don Leo heeft domweg nooit tijd gehad voor resultaten. Zijn voornaamste bezigheid naast de cultuurkritiek was een hengeltje uitwerpen naar de volgende werkgever die hij er telkens van wist te overtuigen bij zijn ‘echte kluppie’ zijn ‘laatste kunstje’ te gaan doen. Hij zei dat afwisselend in de functie van veldtrainer met een ‘verlangen naar een plekkie in de luwte’ dan wel als technisch directeur met ‘heimwee naar het gras toe’. De luttele weken die hij zonder baan doorbracht, vulde hij met ‘lekker vissen in de Vinkeveense plassen’. Nu superviseert Beenhakker het inhoudelijk beleid bij Feyenoords aartsvijand Ajax.
Het heeft me altijd verbaasd dat niemand bij de Verenigde Naties ooit op het idee is gekomen om Don Leo in te huren als vredesonderhandelaar. Het kost een paar centen, maar dan zijn de partijen in elk geval voor enige decennia murw. Desgewenst heeft Beenhakker ook Duits in het pakket. Of het trouwens aan zijn abusieve toeschrijving van het woordgeslacht van stunde lag, vermeldt de geschiedenis niet – feit is dat Feyenoord de heenwedstrijd verloor met 0-3.

De Morgen, 5 februari 2003

donderdag 5 februari 2009

Laden en lossen. Confrontaties (2006)


ISBN 90-77503-53-6, 317 blz.
Boekverzorging: Martien Frijns




Als ik het goed begrijp, is het aardse leven het ware niet. Het is efemeer, oppervlakkig, onaf. Tot het hart ophoudt met tikken, bewegen we ons in voorbereiding op de eeuwigheid in de Dichotomische Herberg – hemel of hel: twee letters markeren werelden van verschil. Wie aan deze tot geloof gepromoveerde constructie waarde hecht, kan inzinkingen van elke tijdspanne op aarde trotseren. Kinderen horen al dat wie zoet is lekkers krijgt en wie stout is de roe. We hebben intenties bij wat we op aarde doen, verrichten handelingen die als een vlucht naar voren het soortelijk gewicht van onze eeuwigheid voorspellen.
De constructie investeert. Ze biedt troost voor onze onveiligheid, voor de ziel lonkt een beter bestaan. Dat maakt, als ik zonder honger vanaf mijn comfortabele stoel tenminste helder denk, offers voor god of vaderland (een staatsgrens kent ook devotie) bijna egoïstisch: Simson kon gerust pilaren omwerpen, Trotski en Allende konden met een zuiver geweten worden geliquideerd. Van martelaar over revolutionair of contrarevolutionair agent tot kamikazepiloot, men is graag bereid het vlees onvoorzichtig maar doelmatig op te geven, de heerlijkste maaltijd wacht. Voorbereidend leven impliceert een supplement. Hetgeen nu ontglipt, komt er strakjes aan. Noem ik het leven op aarde A, dan laat de gang naar vervulling vol gerechtigheid zich vastleggen in een fijne B. Het glimpt daar nogal. Een weinig rooskleurig heden wordt door een glorierijke toekomst of een gerestaureerd verleden gecompleteerd. In dat andere tekent zich een zinvolle gesteldheid af, een heilstaat. Het andere is de essentie.
Kunnen onze daden en gedachten tekenen bevatten, uiteindelijk beschikt een hogere instantie of een utopie. De wijsheid die daaruit sijpelt, is onmetelijk en apodictisch. We moeten ons neerleggen bij Het Oordeel. Bezwaarschriften worden niet in behandeling genomen. Hooguit kunnen we trachten de tekenen te onderkennen en vervolgens te duiden, of zoals het in Marsmans Tempel en kruis staat: ‘het palimpsest van het gemene leven/ dat hij ontraadselen moet en lezen als een gedicht’. De aard van die arbeid is decoderend. Met deze term begeef ik me in literatuur, of misschien: in het beeld dat de kunstvorm aankleeft. Nijhoffs adagium ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ mag uit de twintigste eeuw stammen, het lijkt representatief voor de wijze waarop teksten lang zijn benaderd. Interpreteren steunt dan op ‘ergens iets achter zoeken’. Vandaar de gewichtige rol die aan beeldspraak in het algemeen en metaforen in het bijzonder wordt toegekend. Michael Riffaterre stelde bijvoorbeeld: ‘a poem says one thing and means another.’ Dit uitgangspunt ligt ten grondslag aan veel waardevolle poëzieanalyses, in een hermeneutische cirkel. Ze openbaren de latente uit de manifeste inhoud. Parallel aan het dubbeltraps leven van de gelovige of de utopist is lezen dan het ontsluiten van een essentie.

Riffaterres overtuiging correspondeert met die van een ongeoefende poëzielezer. Geef deze een gedicht, en hij zal bij wijze van captatio volhouden onmogelijk te weten ‘wat er allemaal achter zit’. Er zijn geoefender lezers die het bij al die wetenschap te bar wordt en die, soms denigrerend, soms kribbig, gewagen van ‘cryptogrammen’ of ‘labyrinten’. Dan gebruiken ze op hun beurt een metafoor en brengen een opvatting te berde over wat literatuur voor hen is, respectievelijk een oplossing of een uitgang.
In het verlengde van deze leeshouding ligt een minstens zo zwaar gevoelen over het schrijven. Oscar Wilde schijnt te hebben beweerd dat alle slechte poëzie oprecht is. Met andere woorden, goed schrijven is ten minste een omtrekkende beweging maken. Volgens de retorica zal dat oprechter overkomen. Inderdaad dempte Multatuli in Max Havelaar zijn persoonlijk en sociaal misnoegen via allerlei kaderverhalen, om het pas in de vlammende peroratie, als ware het een fabel, expliciet aan de oppervlakte te laten komen. Dat tekstbezorger en advocaat Van Lennep juist dat slot wilde wegkappen, had een politieke reden, maar toch ook een esthetische. Evenzo neigen sommige dichters ertoe zich onbeschroomd uit te spreken in frases als ‘Ik hou van jou’ en ‘Ik mis je zo’. Wie verder wil in de poëzie zou eerst afstand van de emotie moeten nemen, haar ordenen en sublimeren en vervolgens ‘in de vorm’ iets blijvends teruggeven. Of in de woorden van Max Havelaar: ‘dat, wat verdichtsel is in ’t byzonder, waarheid wordt in ’t algemeen.’ De lezer ziet zich dan geconfronteerd met een raadsel of parabel, waaraan het eeuwige geheim – Jeugd, Ouderdom, Dood – of de wijze, troostvolle les ontfutseld kan worden. Hij weet zich ook verbonden, alsof boeken lotgenoten scheppen.
Uiteraard hoeft het verhullen niet zo mamzelgelijk te zijn als ik het voorstel; een ellips is geen literaire noviteit en voor Leopold hield de voltooiing van een gedicht ook de bewapening in tegen de interpreterende lezer. Maar als ik het blijf bezien in termen van effect, staat het misschien niet op zichzelf. Efficiëntie hoort tot de fundamentele waarden van de westerse cultuur, net als eenvoud, en bescheidenheid siert de mens, overdaad schaadt, enzovoorts. Men moet dus trachten met een optimaal rendement beroering te scheppen, zij het niet rechtstreeks. Zo wordt het begrijpelijker dat schrijven schrappen heet te zijn, want less is more. Dat zei Mies van der Rohe, en die had het van de Victoriaan Browning, maar ik meen dat hier dogma’s de boventoon voeren die veel verder teruggaan in de tijd.
Het draait om een betekeniszwangere spanning, die ook door verzwijgen op te wekken valt. Zelfs Susan Sontag bericht in haar befaamde pleidooi uit de jaren zestig voor vrolijke en superieure oppervlakte dat in een kunstwerk de momenten met de grootste potentie vaak de stiltes zijn. Die strelen de recipiënt in zijn gevoel een zintuig voor het wezenlijke te bezitten, terwijl bijvoorbeeld de luidruchtigheid van kitsch dat verstiert. Verfijnd hebben we het over de kunst van het weglaten waarvan, zeker voor wie de vorm bij voorkeur de inhoud weerspiegelt en die dus het principe van iconiciteit huldigt, de witregel wellicht de fraaiste of aangrijpendste belichaming is. De recipiënt kan vervolgens aan de gang om te completeren, om B te maken uit A.



‘In Wagenborgen stond een gekkenhuis.’ Zo opende Marc Kregting in 1998 voor het tijdschrift De Gids de rubriek Laden en lossen. Zijn onderwerp was recente poëzie, en dat vatte hij ruim op: als bij natuurwet in de ramsj te vinden bundels van theatermaker B. Zwaal, een gedicht van voetbalinternational Wim Jonk voor een verongelukte vriend, het naar verluidt op achterhaalde leerstellingen gebaseerde oeuvre van Lidy van Marissing, een songtekst van Doe Maar... Wikkende analyses, tot aan de breedte van een gedachtestreepje toe, konden gepaard gaan met uitvallen naar het literaire klimaat. Na enige tijd begon Kregting eveneens aan andere bladen bij te dragen.
Eindelijk gaan nu zijn stukken – ook over bijvoorbeeld Ramsey Nasr, Tonnus Oosterhoff, Mustafa Stitou en Frida Vogels – met elkaar in debat. Kregting heeft de kans aangegrepen om inzichten te actualiseren en te politiseren. Bovendien voegde hij noten toe, die ditjes en datjes uit eeuwen geestesgeschiedenis oprakelen. Wel ontstaat er zo bijna een tweede boek en rijzen er nieuwe vragen. Is ‘zich’ in de huidige poëzie te vergelijken met ‘feel’ in de popmuziek? Wat moest Herman de Coninck met Johan Cruijff? Was Jezus een dadaïst? Niet vaak wordt, bij een ooit vanzelfsprekend engagement, een ongeloof in de kracht van poëzie met zoveel koppigheid bezworen.


‘Onvolprezen’ (Arnoud van Adrichem, DWB)
‘Hij houdt de gedichten zorgvuldig tegen het licht, keert ieder woord om, proeft de sfeer en houdt de context in de gaten. Vooral als je het werk van de besproken dichter goed kent, is het een genot om met hem mee te lezen. (…) Maar Kregting wil daarnaast die “ruisende dialoog tussen wereld en mens” op gang brengen. Hij probeert althans in elk essay de houding van de dichter tegenover de werkelijkheid te analyseren. En daarbij verliest hij de zorgvuldigheid uit het oog. (…) Het strooien met verwijzingen maakt de bundel onnodig elitair: de artikelen lijken alleen bestemd voor een publiek dat iets weet van poëzie én van continentale filosofie. Maar ook dat clubje zal niet onder de indruk raken van onbeheerst gehanteerde belezenheid. (…) Deze essaybundel heeft dus twee gezichten: de fantastische lezer en de ronkende huiskamerfilosoof. De lezer kan je ideeën over een dichter voorgoed veranderen, de filosoof staat daarbij hinderlijk in de weg’ (Bas Belleman, Trouw)

‘Teksten over poëzie kunnen ondoorgrondelijker en tegelijk helderder zijn dan... dan poëzie’ (Chrétien Breukers, De Contrabas)
‘de zwierige dichter-essayist Marc Kregting (…) in zijn typische gebalde, meerzinnige stijl’ (Bert Bultinck, dS Weekblad)
‘Hij is het type essayist dat zowel associatief als analytisch te werk gaat. Zijn idioom is ontleend aan de literatuurwetenschap in de ruimste zin van het woord, vandaar dat het wel eens minder helder en toegankelijk kan zijn voor niet-ingewijden (…) het wemelt van de namen: hier is een prettig gestoorde omgevallen boekenkast aan het woord (…) voor de doorbijters onder de poëzieliefhebbers' (T. van Deel, nbd Biblion)
‘Het is veelzeggend dat Kregting deze kritiek citeert op zijn virtueel archief’(Hans Demeyer, Vlaanderen)
‘Met een duizelingwekkend notenapparaat vormt dit boek een schatkamer van relevante literaire opvattingen en beschouwingen. Marc Kregting heeft zijn literaire kennis met zorg en onderscheidingsvermogen, maar vooral met veel ambitie geladen’ (Remco Ekkers, Poëziekrant)
‘Deze essayist scherpt uw lezen aan, hij richt uw blik op de wereld en verfijnt uw gevoel voor poëzie’ (
http://www.hansgroenewegen.nl/)
‘Het register blijkt een godsgeschenk (…) Wie zich niet laat afschrikken door Kregtings associatieve dwaalsporen zal ontdekken dat Laden en lossen een zeer rijk boek is (…) In tegenstelling tot Kregtings eerder verschenen Zij zijn niet van Jeremia (2004) ontbreekt hier gelukkig de azijnsmaak. Voor de uitgeverswereld heeft Kregting dan misschien geen goed woord over, de poëzie gaat hem oprecht aan het hart. Helaas leidt dit niet tot een helder poëticaal standpunt’ (Dafne Jansen, Spiegel der Letteren)
‘Kregting kan prachtig invoelend en indenkend gedichten lezen, elke schrijver zou wensen dat zo iemand met hem mee las (…) Van het taal- en het leesplezier dat de auteur uitstraalt raak ik enthousiast, maar tegelijk raak ik de draad kwijt bij zoveel lol. De stijl lijkt op een hond die tegen almaar tegen de bezoeker op blijft springen’ (Tonnus Oosterhoff, nrc Handelsblad)
‘een voorliefde voor wat ik alleen maar als mystificatie kan zien: de soms simpele waarheden die hij debiteert en de af en toe voor de hand liggende constateringen die hij doet tot iets nodeloos ingewikkelds maken door een stijl die ongeacht wat ermee wordt gezegd, alleen maar uitdrukt: ik conformeer me niet, ik conformeer me niet, ziet u? ik conformeer me niet’ (Marc Reugebrink)

‘stilistisch is Kregtings taalgebruik uitdrukkelijk verzorgd, meestal subtiel, soms hilarisch, beeldend sterk en/of verrassend, maar vooral getuigt het van een ingespannen trachten om de poëtische zeggingskracht van het behandelde werk zo adequaat mogelijk weer te geven en de arbeid van de dichter recht te doen. (…) Systematisch beschrijft hij zijn ontdekkingen en afhankelijk van hun waarde poetst hij ze met zorgzame eerbied op of verwijdert hij doortastend het valse laagje poëtische hoogmoed waarmee ze zich laten opvallen. Laden en lossen fungeert voor de gelezen dichtbundels als een intellectueel vrij eerlijk doorgeefluik waarachter hun poëtische waarde getaxeerd wordt. De consument wordt geïnformeerd en behoed, voor miskopen verzekerd en bij de les gehouden, meerbepaald bij de socio-culturele functie van de nieuwe dichters en hun werk. Dichters die de boel belazeren en de poëzie haar democratisch functioneren ontzeggen, krijgen hier weinig respijt’ (Karel de Sadeleer, Nieuwzuid)
‘Hier woekert de aandacht voor het detail van de redacteur die de auteur ook is. Hij leest scherpzinnig, met oog voor de minste opvallendheid in de zegging. Hij associeert – zonder zich te laten beperken door het keurslijfprincipe (…) Gelukkig blijft het boek ver verwijderd van vakjargon en zwaarwichtigheid. Kregtings vergelijkingen en metaforen komen uit de meest onverwachte hoeken, waarbij hoge en lage cultuur én het dagelijks leven het inzicht kunnen voeden. (…) Koudwatervrees aan de kant: Laden en lossen is de rijkste en meest stimulerende essaybundel over poëzie sinds jaren’ (Erik de Smedt, De Leeswolf)
‘Als geheel is het een strak ogend dwaalboek geworden, dat goed past in zijn zich almaar diversifiërende oeuvre. (…) Bij voortduring duikt het ik uit Laden en lossen onder in de besproken poëzie, of anders wel in geleende vocabulaires of zegswijzen. Daardoor worden de essays ook zelf teksten die om interpretatie vragen, en lijken ze eerder bij de meerstemmige poëzie te willen horen dan overzicht en inzicht te bieden. Ze weigeren de scherpe scheidslijn tussen literatuur en beschouwing, en voeren dus ook zelf Kregtings polyfone programma uit. Zijn interpretaties zijn evenzeer als de objecten ervan van taal gemaakt, zodat ze steeds moeten worden herzien in oneindige herinterpretaties. Tot in de vezels van zijn boek heeft Kregting deze onafsluitbaarheid ingeweven’ (Johan Sonnenschein, Yang)
‘Geen onberedeneerde uitspraken op grond van een vaag gevoel bij Kregting, maar een redelijk betoog waarin minutieus aangetoond wordt wat zo spannend is aan een bepaald oeuvre of waar een dichter enkel goedkoop effectbejag nastreeft. (…) het resultaat van een geduldige en intense omgang met het werk van een aantal niet zo makkelijke auteurs. Het boek vraagt van zijn lezers diezelfde bereidheid om traag en zorgvuldig te lezen’ (Carl De Strycker, Streven)
‘Als dichter en prozaïst publiceert Kregting interessante, volstrekt eigenzinnige werken die meer lijken op muzikale improvisaties voor vele stemmen dan op het monotone liedje van herkenbaarheid dat het gemiddelde literaire boek kenmerkt. (…) De tekststudie primeert. Als Kregting zijn voorkeuren verwoordt, gebeurt dat rustig en vol zelfrelativering (…) Hij schrijft beeldend, hij volgt de sporen die de gedichten hem aanreiken. Het eist veel aandacht van de lezer, want er is hier geen steeds weerkerend concept, geen rode draad. Polyfoon kun je dit noemen. Net dat maakt van Laden en lossen een fascinerend boek’ (Bart Vervaeck, Neerlandica Extra Muros)
‘Van de stelligheid waarmee Vogelaar in de vroege jaren zeventig ten strijde trok – een stelligheid die hij overigens vervolgens zelf sterk relativeerde – lijkt bij Kregting niet zo heel veel te zijn overgebleven. Veeleer lijkt Kregting zich bij momenten impliciet te verontschuldigen voor zijn utopische neigingen, avant-gardistische sympathieën, en voor zijn verlangen naar subversie en dissensus. (…) Kregtings confrontaties lijken mij impliciet veeleer te peilen naar de mogelijkheidsvoorwaarden van de confrontatie als dusdanig’ (Sven Vitse, In Letterland)


Dood vogeltje. Vluchtstroken (2006)


ISBN 90-284-2150-5, 49 blz.
Omslagontwerp: Erwin van Wanrooy





In opzet

Dood vogeltje onderkent zeer zeker de neiging om de dingen in het groot te zien en dit wordt geen excuus, maar de brokkelige restanten slaap die het uit hets ogen wreef kwalificeerde dood vogeltjes moeder, handen bij acquit in de zij, altijd als olifantjes. ‘In de schuimranden tussen kleine schelpen in, klaverbloemblaadjes,’ zegt Bashō terwijl hij nota bene bananenboom heet. Geen excuus, maar altijd.

Alles loopt anders dan dood vogeltje wenst en zo kan het twee dingen doen: berusten of stampei maken. Dood vogeltje is een exemplaar van het tweede, hets vlucht is een opeenvolging van breuken – van wie nam het op een goed moment geen afscheid. Tot dood vogeltje las van de Babylonische koning Hammoerabi die zo toornig was inzake de instorting van een brug over de Hellespont, dat hij, onder andere, de zee liet geselen en er ketens in gooide, zodat ze eeuwig gevangen was. Dood vogeltje moest lachen om die krachteloze actie. Daarna werd het kwaad. Zo toornig, eeuwig gevangen.

Dan maar ‘gewoon even helemaal nergens aan denken’ en dood vogeltje ligt aan een baai, hets fiets tegen prikkeldraad van recht boven. Van de koplamp resteert de metalen bevestiging, er zit een elastiek om dat naar het spatbord leidt want het wiel loopt aan. Het elastiek staat strak, het waait, het elastiek begint te zingen, dan houdt het op en dan weer door. Dood vogeltje durft niet eens ergens aan te denken. Er zit een elastiek dat naar het spatbord leidt.


Wat betekent het wanneer teksten ‘vluchtstroken’ heten? Marc Kregting onderzoekt het in Dood vogeltje, waarvan het titelpersonage zich in elk geval voorneemt opzij te springen als het ontploft. Het dode vogeltje is man noch vrouw, heeft een schimmige afkomst en verblijft overal tijdelijk. Vooral is het druk met doorreizen en bivakkeren, om weerwerk te bieden aan omringende geschiedenissen, wijsheden en actualiteiten.
Het dode vogeltje blijkt niet in staat tot enige beperking. Het slokt op en spuugt uit, komt meermalen om van liefde en haat, van verzoening en wraak. Over voetbal, interpunctie, post, lippokken en afstandsbediening trekt het vogeltje menigmaal pronte conclusies, om ze terloops te corrigeren. Altijd is het eenzaam en onderweg. Mag dit een drama zijn, het is er wel een met strijdbare en slapstickachtige contouren.
Kregting zet andermaal een stap verder in zijn eigenzinnige oeuvre. Niet eerder was een boek van hem zo open en grotesk, laveerde hij met zijn oninwisselbare stijl zo behendig tussen poëzie, proza, essay en aforisme. ‘Sterven aan de gevolgen van een losbandig of een gebonden leven?’ Dood vogeltje doolt vol vederlichte polemische zinnen over een aardbol die misschien wel voor zichzelf op de vlucht is.

‘Het werk zit slim in elkaar, het rijm is doordacht’ (Anneke Brassinga, Vrij Nederland)
‘gestapelde associatieve teksten’ (Martje Breedt Bruyn, Vrij Nederland)
‘zeer intrigerend’ (Frans Budé,
http://www.nicolemontagne.nl/gast/gast.html)
‘Kregtings vogeltje heeft een handje weg van taxonomische dwangarbeid: (…) Dat het (cursivering maakt de ondode leesbaar) zich nergens aan de zombie vergrijpt, doet vermoeden dat het zich eenvoudigweg schikt naar de politiek van ons kent ons. Zombies bijten geen zombies. Het zou ook kunnen betekenen dat de zombie zich niet zo makkelijk laat vastpinnen. Het was van meet af aan onderhevig aan de uiteenrijtende kracht van de double bind’ (Serge Delbruyère, Alphavillle)
Dood vogeltje is het vernuftige resultaat van een dichter die de durf heeft getoond een (willekeurige?) greep te doen in de kassa van zijn geheugen en die vervolgens is gaan uitwerken, polijsten, verfraaien. (…) In de Middeleeuwen tot ver in de twintigste eeuw aan zou Kregting deze geschriften hoogstwaarschijnlijk moeten bekopen met de dood of opsluiting. Anno 2006 is dit een bizar en tot nadenken stemmend relaas geworden dat aan de grenzen van de beleving reikt’ (Stijn Ekkers, Boeken.VPRO
)
‘De “vluchtstroken” benoemen, terwijl ze zoeken naar wat ze willen zeggen, ontstellend raak een angstaanjagende gemoedstoestand, een verbeelding, misschien wel, van de dood. Dood vogeltje is een zeer, zeer rijke bundel. Een aangrijpende bundel die je al direct aan het begin bij de kladden pakt en pas ver na lezing van het slotgedicht weer loslaat’ (Edwin Fagel, De Recensent)
‘een bijzonder veelzijdig en boeiend, maar ook veeleisend auteur (…) Woorden, ideeën worden hernomen en gevarieerd, sommige titels echoën andere… Die extra samenhang op het niveau van de taal wordt echter doorkruist door de manier waarop de teksten zelf dat idee van een bevattelijke eenduidigheid problematiseren. Het blijft voortdurend aarzelend zoeken, in het besef dat elke lezer noodzakelijk een buitenstaander is’ (Dirk de Geest, De Leeswolf)
‘De ontsporing die Dood vogeltje in de lezersziel veroorzaakt is helemaal niet rampzalig, maar integendeel zeer heilzaam’ (Joris Gerits, Poëziekrant)
‘De benoeming van driemaal drieëndertig gedichtblokken als “vluchtstroken” betekent dat het manieren zijn om aan de centrale maatschappelijke, literaire, filosofische strijd te ontkomen. Tegelijk verwijst het woord naar de baan bezijden de hoofdweg waarop je, terwijl je daarbij de verkeersregels overtreedt, waarneembaar en beoordelend mee kunt rijden.’ (Hans Groenewegen, Met schrijven zin verzamelen)
‘verbluffend origineel (…) een gecomprimeerd, bijna driedimensionaal taalwerk (…) een verrassende kijk op de werkelijkheid, een bizarre, maar overtuigend overkomende “logica” die tot hilarische momenten leidt, en tal van stilistische en lexicale vondsten (…) Kregting gaat voorbij het punt waar het Surrealisme is blijven steken, zijn taalspel overstijgt traditionele thematieken en motieven en roept een nieuwe leeshouding op’ (Albert Hagenaars, Biblion)
‘intrigerende prozagedichten vol verrassende associaties die de werkelijkheid van alledag lichtjes ontwrichten en ze daardoor fonkelend nieuw maakt. Wie op de uitdaging van Dood vogeltje ingaat wordt rijkelijk beloond’ (juryrapport Hugues C. Pernathprijs)

‘In de bundel wordt het lyrische ik getransformeerd tot een onzijdig verkleinwoord, vederlicht animaal en toch een beetje engelachtig (…) ingewikkeldheid, rusteloze gedrevenheid en een ongebreidelde verbeelding [zijn] prominent aanwezige kwaliteiten.’ (juryrapport provincie Antwerpen)
‘een van Nederlands meest gedurfde poëtische projecten’ (www.perdu.nl)

‘Ondanks de lichte toon, heeft het ook iets onbehaaglijks. Dood vogeltjes vreemde hersenspinsels worden op een vanzelfsprekende en terloopse manier beschreven. Ze doen denken aan de redenering van een krankzinnige, die zijn eigen logica volkomen vanzelfsprekend vindt, maar de toehoorder de rillingen over de rug doet lopen. (…) Kregting ontmaskert de kracht van literatuur met de literatuur zelf, en bewijst daarmee juist de kracht van literatuur en dus zijn eigen ongelijk’ (Floor van Renssen, dwb)
'Ontsporende associaties' (Matthijs de Ridder, Behoud de Begeerte. Een literaire geschiedenis)
‘Dit vogelpasteitje verscheen eind 2006 en valt gelukkig nog tot ver in 2008 te degusteren’ (Daniël Rovers, De Standaard)
‘[B]ehoort tot het meest desolate werk dat ik ken. (…) Kregtings literatuur brengt de rafelranden van het sociale verkeer in beeld, en stoot ongehoorde stemgeluiden onze taal binnen’ (Johan Sonnenschein, Awater)
‘het is aan de lezer de tekst te injecteren met het kraakbeen van logica, psychologie, narratief en grammatica. Zijn nevengeschikte zinnen schuren zich aan elkaar, zijn witregels doen als cuts telkens nieuwe scènes in strofes verschijnen, en de wereld waarnaar ze verwijzen rouleert in hoog tempo. Iedere intertekst waarmee men Kregtings teksten benaderd geeft zich bloot als te beperkt, een meervoudige benadering is permanente vereiste. (…) Deze onbeslisbaarheid is de kracht en de zwakte van Kregtings werk’ (Johan Sonnenschein, Neerlandistiek.nl)
‘De dichter laadt bij deze vorm, door de volslagen vrijheid die deze hem biedt, qua inhoud, taal, klank en ritme toch enige verantwoordelijkheid op zich. En die verantwoordelijkheid kan Kregting in deze bundel niet dragen. Zijn vrijblijvende schrijfstijl leidt tot een eenvormig geheel zonder de noodzakelijke schijn van richting of drama. De observaties en gedachten zijn, schijnbaar nauwelijks geredigeerd, achter elkaar gezet en de alinea's lijken onderling volledig uitwisselbaar. Daar komen de moeilijkdoenerige woordkeus, het modieus taalgebruik en het hoogst irritante bezittelijk voornaamwoord “hets” nog bij’ (Bouke Vlierhuis, Meander)
‘beslist een aanrader (…). Het is dicht en geestig en lijkt op niemand anders’ (Samuel Vriezen, De Contrabas
)

Winnaar Gouden Bult in de categorie ‘beste openheid’ bij de Perdu Poëzieprijzen 2006
Nominatie Hugues C. Pernathprijs 2007
Prijs voor Letterkunde 2009 Provincie Antwerpen

Gebloemleesd:
- ‘In sport’ in: Chrétien Breukers, 25 jaar Nederlandstalige poëzie, 1980-2005, in 666 en een stuk of wat gedichten. BnM: Nijmegen 2006.
- ‘Van de etiquette’ in: Hotel Parnassus. Poëzie uit de hele wereld. Stichting Poetry International: Rotterdam 2010.

Vertaald:
- ‘Concerning etiquette’, Poetry International Web, 2010 (vert. Astrid Alben).
- ‘Testamentarisch’, ‘Im Sport’, ‘Betitelt’, ‘Sitzend’, ‘Met dem Fahrrad’, in: Literaturmagasin Poet 18 (voorjaar 2015) (vert. Stefan Wieczorek)

integrale voorlezing door twaalf dichters, Perdu, Amsterdam (2008)


Zij zijn niet van Jeremia. Non-ficties (2004)


ISBN 90-77503-12-9, 111 blz.
Boekverzorging: Martien Frijns





Aan het slot van Rainer Maria Rilkes achtste Duineser Elegie staat iemand die ‘auf / dem letzten Hügel, der ihm ganz sein Tal / noch einmal zeigt, sich wendet, anhält, weilt’. Een vertrouwd beeld voor een terugblik, in de cultuur van het interbellum waarin evident was wat als hoog gold en wat als laag. Rilkes individu had zich ook een halve slag kunnen draaien om een prognose voor de toekomst te maken. Dan wordt de heuveltop een klif. Onder kolkt de zee.
Ik had geleerd dat cultuurgeschiedenis een survival of the fittest is, waarbij hooguit door periodieke ‘normverandering’ de ene auteur in de canon wordt opgestuwd ten koste van de andere. Wat het boekbedrijf daarbij kon uitrichten, was mij onbekend. Thuis dacht ik hooguit dat het daar een corrupt zooitje was. Eigenlijk was die ongearticuleerde gedachte balsemend, want ik had geen succes met mijn eigen schrijverij.
En plots viel ik omhoog en was ik per oktober 2001 fondsredacteur bij J.M. Meulenhoff bv, nadat Tilly Hermans in het kielzog van Wil Hansen de deur van dat huis zo hard dicht had geslagen dat het op het televisiejournaal kwam. De uitgeverij was volgens het tweetal platgewalst door een concern dat rentabiliteit als heilige wet had afgekondigd: het Einde van de Geschiedenis van het Integere Uitgeversbedrijf. Ze namen de succesvolste auteurs mee en begonnen de principieel kleinschalige huizen Augustus en Cossee.
In die extreme omstandigheden leerde ik het uitgeefwezen, en wat er aan mediale toestanden mee vergroeid bleek, onopgesmukt kennen. Een eigenlijk prachtig vak had zich in een parallel universum genesteld. Het aantal gesprekken over boeken bleek omgekeerd evenredig aan dat over X die Y had gezien die wist dat Z, enzovoort. Steevast was daarbij gelukkig ‘ontzettend gelachen’. En omdat bijna al die vrolijke geschiedenissen in Amsterdam speelden, stond er binnen dat universum nog een glazen stolp ook.
Ik voor mij meende dat het wel handig was teksten te lezen, en toen ik eens informeerde hoe collega’s dat allemaal klaar wisten te spelen, bleek dat het de bedoeling was te ‘proeven’ en dat ik mensen om me heen moest verzamelen voor het kauwen. Een adequate beeldspraak, omdat er veel ‘monden te voeden’ waren. Daartoe spuwde men het ene boek na het andere uit. ‘De titelproductie (inclusief herdrukken
) steeg van 3000 in 1900 naar 6500 rond het midden van de eeuw en bereikte in 1997 een totale productie van 17.235 titels.' (www.bibliopolis.nl) Dat laatste, toch niet marginale, aantal zou inmiddels nog aangewassen zijn. Bij deze grande bouffe wordt een literair-cultureel segment opgediend van met name romans en non-fictie; wekelijkse overzichten in de bijlagen geven er een amuse gueule van.
So what, literatuur is toch handelswaar? Na per december 2003 gedesillusioneerd ontslag te hebben genomen, kan ik die tegenwerping volmondig beamen. Toch zou het raar zijn wanneer bakkers halfgaar brood als gezond verkochten, of wanneer de Consumentengids over een fiets zonder zadel berichtte dat je dat er al rijdende zelf bij kunt denken, dat dát nu juist de uitdaging is. Curieus is namelijk dat uitgevers in een rilkeaanse aura kwantiteit bombastisch als ‘kwaliteit’ presenteren en dat media die kwantiteit sanctioneren. Binnen deze collectieve illusie wordt ook de term ‘inhoud’ met veel pretentie gebezigd. We betreden hier het domein van de performatieve uitspraken, waarbij de te stellen daad in zoverre werkelijk plaatsvindt, dat de wereld er even voor moet worden herschapen. Voor uitingen uit het parallelle universum zijn derhalve steeds aanhalingstekens benodigd. De steekwoorden ‘kwaliteit’ en ‘inhoud’ blijken trademarks, soevereiniteitsbegrippen, voor het benul waarvan de machinaal redenerende, geëngageerde studie De regels van de kunst. Wording en structuur van het literaire veld uit 1992 van Pierre Bourdieu een aanzet geeft.
Iets van die dubbele moraal puilde uit een heuglijk bericht: ‘Voor het eerst kiest de Nederlandse uitgeverswereld op grote schaal voor oerbosvriendelijke boekproductie. Acht grote Nederlandse uitgevers willen het gebruik van houtpulp, waarvoor oerbossen worden vernietigd, uitsluiten.’ (www.Literatuurplein.nl, 19-3-2004) Onvermeld bleef dat met name concernuitgevers bewust aan overproductie doen, en dat ze zelfs van hun eigen fonds weinig meer kennen dan titels, omslagen en fragmenten uit voorleesbeurten. Wel durven ze te bekennen dat ze ten bate van hun Liefde voor dé Cultuur wat verwaarloosbare compromissen moeten sluiten. Die Cultuur is een benaming met de nettowaarde van een buiten het parallelle universum sinds de val van de Muur veelvuldig vallende term ‘internationale gemeenschap’, die díe wereld op zijn beurt halveert. Westerse retoriek dus, die zich in combinatie met de Liefde in de praktijk voltrekt met een tederheid waarvoor het cynische pamflet De heerser uit 1513 van Niccolò Machiavelli verhelderend is.
Dat dit mensbeeld me heeft doen rillen, is onnodig in een fundamenteel politieke biotoop: de regels van het spel moeten domweg worden geëerbiedigd. Ze behelzen dat iedereen zodanig inwisselbaar én afhankelijk is, dat de boekenwereld een doorzichtige setting lijkt waarin de ene marionet wordt bediend door de andere marionet. Zo dringt zich de associatie op met de dwerg in de schaakautomaat, Walter Benjamins metafoor voor het historisch materialisme. In elk geval is economie de dragende kracht van deze geschiedenis. En al hoeven touwtjes geen zenuwen te zijn, te verklaren valt er wel wat. Wie daarbij ‘complotten’ en andere door schrikdraad omgeven vakantieoorden in het hoofd verwacht, komt bedrogen uit. Het wonderlijke van de branche schuilt er juist in dat er weliswaar op alle fronten wordt gecalculeerd, maar op basis van pathos en mechanische ambitie. Dat ik om dat te bewijzen voornamelijk put uit de wederwaardigheden van één, inmiddels onder curatele gestelde, concernuitgeverij, dunkt me onontkoombaar – ‘so leben wir und nehmen immer Abschied.’

Op 1 januari 2005 werd in Nederland de Wet op de Vaste Boekenprijs van kracht. De branche liet er een onblusbaar debat aan voorafgaan, dat een dubbele missie in het hart droeg. Hoe konden uitgevers onrendabele maar cultureel waardevolle titels garanderen? En hoe kon het assortiment in de boekhandel van ‘hoog niveau’ blijven? Zij zijn niet van Jeremia onderzoekt de in de woordentwist ogenschijnlijk verloren geraakte geloofsbrieven waarop deze opdracht is gebaseerd: dát er hoog niveau geleverd wordt, waarvan kopers door brede mediavoorlichting kennis kunnen nemen.
Er verschijnen tegenwoordig dermate veel titels, dat een groot deel niet eens kan worden opgemerkt. Door zogeheten opschoningsacties, voorbij het vagevuur van de ramsj, verdwijnen ze dan ook na een minimale termijn. Die maalstroom bevestigt op cynische wijze de idee van de cultuurgeschiedenis als survival of the fittest. En men doet in de zendingsijver alles om te overleven: in een Eend kruipen, Zwarte Beertjes promoten bij chocoladerepen waarop ooit een olifantje blonk. In hoeverre valt in zo’n actualiteit de auteur van een immer ‘veelgeprezen’ boek te vergelijken met een levende pion in een schaakspel?
Marc Kregting volgt in Zij zijn niet van Jeremia het traject van bellettrie bij concernuitgevers en mediaconcerns. Met name non-fictie en romans floreren in een klimaat dat politiek is geworden, met fusies en kleinschaligheid én met debatten over normen. Afzet, wekelijks te raadplegen in zo’n dertig verschillende toptienen, moet het bewijs van soevereine ‘inhoud’ zijn. Wel ensceneert men non-stop nagepapegaaide kwaliteitsoordelen, waarvan de bron onvindbaar is. De vraag rijst, wat al die blijde boodschappen voor het nageslacht netto opbrengen.

'als de goochelaar die zich na zijn pensioen in zijn hoge hoed laat kijken. Aanschouw zelf, publiek, met hoeveel minachting we u bejegenen (Stijn Aerden, Lezen)
'De polemische energie spat er vanaf. (…) Zij zijn niet van Jeremia is helaas nogal warrig. (…) De auteur laat nergens zien dat hij in een korte periode vertrouwd is geraakt met het principe, het mechanisme van de uitgeverij’ (Maarten Asscher, Vrij Nederland)
‘De auteur lanceert op de laatste bladzijde van zijn polemisch essay een aantal suggesties om het boekbedrijf opnieuw gezond te maken. De vraag die zich daarbij opwerpt is, of deze suggesties ook uitvoerbaar zijn. En of Kregtings stand van zaken wel zo “explosief” is als zijn uitgever voorwendt. Want hoeveel modale lezers, die ook niet van Jeremia zijn, zouden er wakker van liggen?’ (Patrick Auwelaert, Vlaanderen)
‘Te vrezen valt dat de mainstream in de uitgeverswereld inderdaad beantwoordt aan zijn polemische schets’ (Jan-Hendrik Bakker, Haagsche Courant)

Zij zijn niet van Jeremia dateert uit 2004, toen tal van boekenuitgeverijen nog deel uitmaakten van grote krantenconcerns; en daarbij nogal te lijden hadden onder alle problemen bij de dagbladen. Inmiddels bestaan concerns als PCM ook al niet meer. Dit lijkt me het enige punt waarop dit pamflet door de tijd achterhaald is geraakt. Want de uitgeefpraktijk op zich lijkt me ondertussen niet wezenlijk veranderd. (…) En dan ben ik blij dit boek te hebben gelezen — vooral omdat me nu veel meer duidelijk is over waarom er zo veel verschijnt zonder waarde — alleen blijft er dan toch éen constatering pijnlijk staan: Een lezer heeft alles over de boekenwereld zelf maar uit te vinden. En wie komt ooit zo ver?’ (A.IJ. van den Berg, Boeklog)
'Volgens Kregting, literaturo pur sang, wordt liefde voor het boek een schraal goed. Bij geweeklaag is het een weinig avontuurlijke reflex om af te vragen of dat inderdaad zo is' (Thomas Blondeau, Het leven is elders)
‘Ik las Zij zijn niet van Jeremia, een pamflet van Marc Kregting over Nederlandse uitgevers en over uitgeefpolitiek & concernvorming, en ik werd niet vrolijk’ (Wim Brands, vpro’s De Avonden)
‘Het boek van Mark Kregting over de scandaleuze situatie in de Nederlandse letteren wordt doodgezwegen of weggewuifd. Wat zijn stelling bewijst.’ (Paul Claes, De Brakke Hond)
Zij zijn niet van Jeremia heeft bij momenten de schrille toon van een duiveluitdrijving (…) Wie dit boekje leest, hoort echo’s van de teleurstelling in Vrouwe Literatuur die, decennia eerder, Jeroen Brouwers trof’ (Mark Cloostermans, De tak waarop wij zitten)
‘het geruchtmakende geschriftje van Marc Kregting, dat mij een vermakelijk halfuurtje bezorgt in de trein naar Almere’ (
Maria van Daalen)
‘Geheel aan te bevelen’ (Lieven David, Gierik)
‘Een buitengewoon verontrustend boek’ (Maarten Dessing, Boekblad Magazine)
‘somber maar buitengewoon verhelderend (…) amusant en ontnuchterend ’ (Arie Jan Gelderblom, Neerlandica Extra Muros)
‘Kregting heeft het over een heel klein segment. Het literaire uitgeversbedrijf is een verhaal apart’ (
Angèle Goossens)
‘Kregting streeft het ideaal na van een soort herenclub, die kan bepalen wat goed is voor de mensen. Dat lijkt me een antieke opvatting. Tussen de regels door lees je heel duidelijk dat Kregting zich boven de materie verheven voelt. De aanbevelingen zijn sowieso amusant, nogal stalinistisch. Niemand zal wakker liggen van dit pamflet’ (Peter van Gorssel, Vrij Nederland)
‘Kregting overdrijft’ (Jasper Henderson en Lolies van Grunsven, nrc Handelsblad)
‘Ik moest af en toe best lachen toen ik het las, maar ik dacht ook voortdurend dat hij het erom deed, dat het een grote grap was’ (Jasper Henderson, De Groene Amsterdammer )

'Ergst van al is dat slechts uiterst zelden iemand die situatie aanklaagt. Lanoye in de jaren tachtig, Brouwers en Kregting van over de grens' (Marc Hendrickx, Man in de marge)
‘De belangrijkste taak voor een redacteur blijft om samen met een auteur tot een goed manuscript te komen. En die taak zie ik in het boek van Kregting niet terugkomen. De stelling van Kregting dat een redacteur helemaal geen tijd meer zou hebben om een manuscript te lezen en te redigeren is onzin. Marc Kregting staat heel duidelijk een bepaald soort literatuur voor’ (Tilly Hermans, Vrij Nederland)
Zij zijn niet van Jeremia is een boek dat het verdient met aandacht te worden gelezen. Het is geschreven door een idealist, waarvan er veel meer zouden moeten zijn. Kleinschaligheid en onafhankelijkheid zijn moeilijk te handhaven in deze maatschappij, maar het is wel zinvol ze na te streven’ (Joachim Hilhorst in Vooys)

'(...) uitgeversgroepen die beweren met een grotere diversiteit uit te pakken. Deze bescherming van diversiteit is echter een schijnmanoeuvre. Het betekent eigenlijk (...) zich richten op literatuur waar een publiek voor bestaat, wat niet hetzelfde is als heterogene werken archiveren. Het is volgens Marc Kregting een grote leugen van de markt dat elk individueel verlangen kan omgezet worden in een globale vraag ' (Sabine Hillen in Kort en lang boekenplankleven. Literatuur in een tijd van digitalisering)
Kregtings jeremiade heeft weinig aan actualiteit ingeboet. Jeremia, de profeet, riep het volk Israel op alle valse goden in te ruilen voor die ene ware Heer, op straffe van omverwerping van hun koninkrijk. Het volk luisterde niet en Jerusalem werd door de Babyloniërs vernietigd. Mijn tweedehands exemplaar staat vol onderstrepingen en uitroepen in de kantlijn die, naar ik aanneem, van de vorige eigenaar zijn: “niet waar / hoeft niet / dus hoe nieuw? / Kregting houdt niet van geroddel / zegt eigenlijk niks / is niet zo / tja / oh ja?” und so weiter. Hij of zij is ongetwijfeld niet van Jeremia.’ (Ton van ’t Hof)
‘In een lezing over Boon en de Vlaams-Nederlandse uitgeverswereld legt Angèle Manteau uit waarom ze De Kapellekensbaan heeft geweigerd: “Er was geen afzet in Vlaanderen en geen export naar Nederland.” En vandaag? Misschien dat Jeroen Brouwers weet hoe het er toegaat. Of Marc Kregting. Of Hans Vandevoorde. Ik heb het allemaal zelf moeten uitzoeken.’ (Pol Hoste, De verzwegen Boon)
‘Paradoxaal genoeg bewijzen de kritische kanttekeningen bij Kregtings analyse, dat de aanname van zijn boek in principe breed gedeeld wordt. (…) Intussen is het natuurlijk wel voorstelbaar waarom analyses als die van Kregting en Bourdieu ons als vrije zelfstandig denkende mensen tegen de borst stuiten: de weldenkende zelfbewuste individuen, die we immers allemaal zijn, worden in zulke analyses gereduceerd tot instrumenten en instrumentalisten. Waarbij men extra aanstoot kan nemen aan een eigenschap van dergelijke analyses. Namelijk, de metapositie die de onderzoeker van het literaire systeem inneemt, geeft hem impliciet een odium van onaantastbare superioriteit (…) elkaar uitsluitende verwijten die Kregting gemaakt worden: zijn analyse is zowel vergezocht en paranoïde als voor-de-handliggend én algemeen-bekend’ (Jos Joosten, Tijdschrift voor Tijdschriftstudies)

‘Tot een keiharde ontkenning van de feiten en de anekdotes die Kregting ter ondersteuning van zijn betoog aanhaalt, is het nooit gekomen, al viel her en der wel het verwijt te horen dat zijn handelwijze wat veel riekte naar het buiten hangen van vuile was. Intussen blijft Zij zijn niet van Jeremia een inzichtelijk boek over het reilen en zeilen van een wereld waarin het er steeds maar harder, commerciëler en zakelijker aan toe lijkt te gaan. Kregtings boek veroorzaakte na verschijning (bij een kleinschalige uitgeverij) uiteindelijk weinig meer dan een rimpeling’ (Jos Joosten, De leeslijst. 222 werken uit de Nederlandstalige literatuur)
‘Een prachtige idealistische visie op het uitgeefvak! Maar hoe weinig realistisch!’ (Martine Koelemeijer, Boekblad on line) ‘een hilarisch portret van een uitgeverij in een moeilijke periode, waarin Kregting behalve veel rake observaties ook hier een daar een overdreven negatieve voorstelling van zaken schetst’ (Lisa Kuitert, Over redactie)
‘Een shockerend kijkje in de redactiekeuken van literaire uitgeverijen’ (
Isabelle Langeveld
)
‘het hoogst kritische maar ongenuanceerde essay Ze zijn niet van Jeremia’ (
Dirk Leyman)
‘Bij de Nederlandse commentatoren vloeit veel inkt over de longlist van de Libris Literatuurprijs, niet het minst omdat de genomineerde beeldroman Verder van de Vlaming Marc Legendre er alle literaire waardemeters uit hun lood slaat. De jury, met onder meer Marc Kregting, Fleur Speet en Marc Reynebeau in de rangen, tapte er zichtbaar uit een experimenteler vaatje, met onder meer nominaties voor Lucas Hüsgen, Sybren Polet, Paul Bogaers en de schier onbekende Wouter Godijn en met gehele veronachtzaming van Adriaan van Dis, Arthur Japin, Robert Anker of Herman Franke. Onwillekeurig moet je denken aan wat Marc Kregting noteerde in Ze zijn niet van Jeremia (2004), zijn schotschrift tegen de mores in de boekenwereld: "Jury's ogen als curieus zwiepende bakentjes in de winden van de commercie", waarna hij lang én hartgrondig fulmineerde tegen de "showbizzhel" van de literaire "sponsorprijzen" en in zijn slotaanbevelingen iedereen ontraadde om te kopen bij boekhandelketens zoals Libris, AKO en Standaard "opdat de lezer niet meehelpt aan een genivelleerd boekenaanbod". Kort van geheugen, die man, want drie jaar later nam hij zelf doodleuk zitting in de jury van de Libris Literatuurprijs’ (Dirk Leyman, De Morgen)
‘Lang leve het nieuwe elitarisme. Hup Marc’ (Bertram Mourits, Boekblad on line)

‘een gedesillusioneerd pamflet (…) Wij zijn niet van Jeremia staat vol met trefzekere, soms groteske schetsen van de literaire uitgeverij en sluit af met een pleidooi om niet mee te doen aan concernvorming, de posities in het literaire veld sneller te rouleren en vooral: om minder titels uit te geven. Dat laatste natuurlijk niet met het idee dat de minst verkopende boeken het eerst geschrapt worden maar wel dat er een strenge selectie op kwalitatieve grondslag wordt gemaakt, en dat redacteuren meer tijd hebben om goede boeken van de uit te geven manuscripten te maken’ (Bertram Mourits, De Revisor)
‘[D]oemdenkers als Marc Zij zijn niet van Jeremia Kregting’ (Joost Nijsen,
http://www.uitgeverijpodium.nl)>)
‘Voormalig redacteur Jasper Henderson citeert in De Groene deze weinig hoopgevende analyse door voormalig Meulenhoff-redacteur Mark Kregting in diens boek Zij zijn niet van Jeremia: (…)’ (Joost Nijsen, ABC van de literaire uitgeverij)
‘De schrijver verdient respect voor de moed waarmee hij een klokkenluidersrol op zich wilde nemen. Toch is Zij zijn niet van Jeremia geen geslaagd boek, als aanzet tot een discussie zelfs volkomen mislukt.’(Tonnus Oosterhoff, nrc Handelsblad)
‘[A]ctuele j’accuse aan het boekenvak (…). Kregting toont in zijn frontale aanval de economische en incestueuze motieven van redactie, boekhandel en literaire kritiek, heeft lak aan reputaties, valse pretenties en ingesleten aannames en clichés en zet het vak op losse schroeven. Zijn aanbevelingen – “halvering van het aantal titels” en “terugtrekking van kranten en weekbladen uit de concerns” zijn er enkele – zijn revolutionaire, idealistische vloeken in de economische kerk en daarom wellicht onuitvoerbaar. Maar misschien zijn ze broodnodig’ (www.perdu.nl)
‘de situatie waar hij naar toe wil lijkt zo onrealistisch en buiten deze tijd dat je er als lezer moeite mee hebt om hem serieus te nemen. Bovendien lijkt het mij niet bevorderlijk te gaan naar een klimaat waarin literatuur iets is voor de “culturele elite” en waarin – oneerbiedig gezegd – de “gewone lezer” volledig buiten spel komt te staan. (…) leidt tot een nog kleiner leespubliek van mensen die tot de zogenaamde “culturele elite” behoren: lezers die nu toch al de weg naar boekhandel weten te vinden.’ (Anne-Marie van der Poel, Literairnederland.nl)
‘Hij legt de vinger op de gevoelige plekken van de moderne uitgeverij. (…) Dit verhaal zal voor menigeen ontluisterend zijn, maar een tikje naïef is Kregting wel. Het boekenvak is er altijd op uit geweest om geld te verdienen en idealisme en romantiek ondergeschikt te maken aan de eisen van de markt. (…) Is het niet logischer de gecorrumpeerde literaire journalistiek onder de loep te nemen, denkt de lezer bij deze klaagzang. Niettemin heeft Kregting een mooi discussiestuk geschreven. Het zal niets verbeteren, maar het is wel gezegd’ (Hans Renders, Biblion)
‘Indien hij zulke krasse dingen over mij zou schrijven die onwaar zijn, dan deed ik hem een proces aan’ (Roger Rennenberg, De Auteur)
‘[H]et niet geheel smetteloze boekje van de heer Kregting. (…) een neveneffect van Kregtings pamflet: dat het de onbelangrijkheid van literatuur voor de buitenwereld juist benadrukt, terwijl het zou moeten gaan om de manieren waarop het grote belang van literaire cultuur verduidelijkt kan worden’ (
http://reugebrink.skynetblogs.be/)
‘een af en toe kwalijk uit de bocht vliegend pamflet over het reilen en zeilen binnen de wereld van de literaire uitgeverijen’ (Marc Reugebrink, Nieuwzuid + Het geluk van de kunst)
‘[G]een steen blijft op de ander. (…) Bij tijd en wijle lijkt hij op Jezus in de tempel die met een “Mijn huis zal een bedehuis heten, maar gij maakt het tot een rovershol” (Mattheüs 21:13) alle literaire uitgeverijen zou willen zuiveren van duivenkramers, geldwisselaars en ander onfris gespuis. En soms, vooral wanneer het gaat om zijn eigen rol in de korte periode dat hij uitgever was, lijkt hij op Pilatus die zijn handen in onschuld wast’ (Marc Reugebrink, Yang)
‘een niet van roddel en retoriek gespeend betoog’ (Victor Schiferli, Vrij Nederland)

'Niet alleen gaat het over de commercialisering van uitgeverijen en al die andere verschrikkelijke dingen die gebeuren in die wereld die wij lezers zo graag romanticeren, zelf heeft het ook niet veel te bieden. Twee voor de prijs van één, om het zo maar even te zeggen' (Sibyl)
‘een barok boekje’ (
Herman Stevens)
‘Kregting maakt met Zij zijn niet van Jeremia een statement. Hoewel het boek niet altijd even helder geschreven is, heeft hij over elk facet van de branche iets zinnigs te zeggen’ (Saskia Taggenbrock, Literairnederland.nl)
‘Vlammend pleidooi tégen de trend van de tijd’ (Trouw)
‘Er verschijnen almaar meer bundels die niet of zeer oppervlakkig geredigeerd zijn. Het inktzwarte scenario dat Marc Kregting als direct betrokkene en dus als ervaringsdeskundige schetst in Zij zijn niet van Jeremia, kan niet anders dan tot zulke uitgaven leiden.’ (Yves T’Sjoen, De gouddelver)

'Het probleem met Kregting was dat zijn betoog geschraagd werd door waarden en praktijken uit het verleden en dat hij het heden niet als basis nam.’ (Johan Velter, sfcdt's posterous)
‘Veel van zijn – vaak juiste en vermakelijke – observaties blijven anekdotisch. (…) Kregting ziet tekst als het wezenlijke bestanddeel van het product dat literaire uitgeverijen op de markt brengen. Dat past bij de redacteur en bij de auteur die hij is. Tekst is echter maar een van de factoren in de waarneming van dat product. Die waarneming hangt ook in hoge mate af van de ervaring van de consument met boeken. Voor deze factor heeft Kregting te weinig aandacht’ (Hugo Verdaasdonk, De Groene Amsterdammer)
‘Soms ironisch, soms hilarisch, soms drammerig. (…) Kregtings boek, met hier en daar een aanstekelijke, inktzwarte humor, is verhelderend en onthullend, maar ook bevestigend: een aantal aspecten van dit intreurige plaatje was al bekend. Het boek bevat best intelligente inzichten, maar het ware beter geweest, als Kregting beter had geschreven. Hij schrijft namelijk dor, gecomprimeerd, onaantrekkelijk, met dikke dure woorden en ellipsen. (…) Al met al goed en nuttig dat dit antiboek-boek geschreven is. Het kiest namelijk de kant van de literatuur’ (Paul Verhuyck, De Tijd)
‘De illusie als zou in bepaalde kringen de culturele waarde van boeken belangrijker zijn dan de economische, wordt in dit boek aan diggelen geslagen. (…) Kregting heeft niets tegen commercialisering op zich, wel tegen de normvervaging van de “kwaliteit” die ermee gepaard gaat. Zij zijn niet van Jeremia geeft een unieke kijk op een doolhof waar je eerder connecties dan talent nodig hebt om er binnen te raken. Dat karikaturale beeld krijgt met dit boek een grond van waarheid. Het levert geen eenvoudige lectuur op, wel een aantal vraagtekens die elke boekenliefhebber op zijn manier moet kunnen plaatsen’ (Luc Vilain,
Cutting Edge
)
Zij zijn niet van Jeremia is een grappig, maar ook confronterend boek. Het biedt een inzicht in culturele processen die zelden aan de oppervlakte komen. Deze scherpzinnige observator maakt pijnlijk duidelijk waarom’ (juryrapport Vlaamse Cultuurprijs)
‘[E]en dapper pleidooi voor kleinschaligheid, onafhankelijkheid en kwaliteit bij de productie van boeken. Een ideaal dat in tijden van geestelijke en economische verschraling ver weg lijkt. Toch is het haalbaar (…) Wie Kregtings boek leest, heeft het niet gemakkelijk. Zijn proza is dikwijls nodeloos vertakt en beladen met wetenswaardigheden uit de grote voorraad feitenkennis van Marc Kregting zelf. (…) Wie zich de moeite van het lezen van Zij zijn niet van Jeremia wil besparen, kan volstaan met kennisnemen van Kregtings actiepunten.’ (
Marie-José Wijntjes)
‘[L]aat op kritische wijze zijn licht schijnen over het
uitgeversbedrijf. Met name de verzakelijking is hem een gruwel en daar slaat hij wel eens in door’ (
Peter Winkels
)

Nominatie Vlaamse Cultuurprijs Kritiek en essay